Bijlage 1H Toetsingsrapport BBL TBB01D (geanonimiseerd)
Tekst van het document
42
TOETSINGSRAPPORT Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
project:
GZC “Goed voor elkaar” te Oud-Beijerland
status:
Definitief
werknummer:
rapportnummer:
datum:
auteur:
240424-086-76-TBBO1D
KERKSTRAAT
44-3, 5253 AP
KVK 63813491
| BTW NL.8554.12.471.B01
24 april 2024
NIEUWKUIJK | E INFOGTEAM-42.NL
| TEAM-42.NL
| IBAN NL.71.KNAB.0740346083
2016-086-76
(geanonimiseerd) e
KENMERKEN
Projectgegevens Het nieuwe GZC te Oud-Beijerland wordt gerealiseerd op een kavel aan de Graaf van Egmondstraat. Via een inrit vanafde Prinses Irenestraat is de parkeerplaats bereikbaar. Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen en bevat diverse gezondheidszorgfuncties (géén bedgebied), bijeenkomstfuncties, een kantoorfunctie en algemene (gemeenschappelijke) ruimten en ondersteunende
ruimten.
In dit rapport wordt de nieuwbouw getoetst op basis van de volgende onderwerpen, te weten: Brandveiligheid; - _ Luchtverversing; Daglichttoetreding; Energiezuinigheid.
Opdrachtgever/Ontwikkeling BuiltbyDeWildt BV Veemarktkade 8, entree K Gebouw 7000, ruimte 7104 5222
AE
S’-HERTOGENBOSCH
Tel. 073-5510710
Contactpersoor: (geanonimiseerd) N Ontwerp RoosRos Architecten Laurens
Jzn. Costerstraat
3261
OUD-BEIJERLAND
LH
2
Tel. 018-6691580
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Advies bouwregelgeving TEAMA42
BV
Kerkstraat 42 5253
AP
NIEUWKUIJK
Tel. 073-2001142
Contactpersoon: (geanonimiseerd) N Toetsingscriteria - _ Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl}
240424-086-76-TBB01D
Pagina 2 van 52
INDEX
1. _ Inleiding 11.
_
Startinformatie.
12. 13. 14. 15.
_ _ _ _
Uitgangspunten Kenmerken object Gelijkwaardighei Vooroverleg brandveiligheid..
2.
Toetsing conform afdeling 4.2, Veiligheid (Bbl)…
21.
_ Constructieve veiligheid (S 4.2.1).
2.2. 23.
_ Constructieve veiligheid bij brand ($ 4.2.2). _ Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan ($ 4.2.3)
24.
_ Veilig overbruggen van hoogteverschillen ($ 4.2.4)…
25.
_ Beweegbare constructieonderdelen ($ 4.2.5).…
2.6.
_ Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie ($ 4.2.6)
27. 28.
_ Beperking van het ontwikkelen van brand en rook ($ 4.2.7) _ Beperking van uitbreiding van brand ($ 4.2.8).…
29.
_ Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook ($
429)
Vluchtroutes: verloop ($ 4.2.10) …
2.11. 2.12.
Vluchtroutes: inrichting en capaciteit ($ 4.2.11 Hulpverlening bij brand ( 4.2.12)...
Toetsing conform afdeling 4.3, Gezondheid (Bbl| 3.1. 3.2.
_ Bescherming tegen geluid van buiten ( 4.3.1). _ Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties ($ 4.3.2).
33.
_ Wering van vocht ($ 4.3.5)
3.4. 3.5.
_ Luchtverversing (84.3.6) _ Bescherming tegen ratten en muizen ($ 4.3.9).
3.6.
_ Daglicht ($ 4.3.10) …
4.
-26
Toetsing conform afdeling 4.4, Duurzaamheid (Bbl) … 4.1. 4.2.
S.
19
2.10.
3.
17
_ Energiezuinigheid ($ 4.4.1) _ Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen ($ 4.4.3) …
_ Toetsing conform afdeling 4.6, Toegankelijkheid (Bb!).
5.1.
_ Bereikbaarheid, algemeen ($ 4.6.1)
5.2. 53.
_ Toegankelijkheidssector ($ 4.6.2). _ Bereikbaarheid van een bouwwerk ($ 4.6.3)
6.
Toetsing conform afdeling 4.7, Bouwwerkinstallaties (Bb!) 6.1.
Verlichting ( 4.7.1)..
6.2.
_ Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie ($ 4.7.2).
6.3. 6.4.
_ Watervoorziening ($ 4.7.3).. _ Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater ($ 4.7.4).
240424-086-76-TBB01D
Pagina 3 van 52
66.
Tijdig vaststellen van brand ($ 4.7.5) … Vluchten bij brand ($ 4.7.6)
6.7.
Bestrijden van brand ($ 4.7.7
6.8.
Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten ($ 4.7.7)
6.5.
Samenvatting en Conclusie.
BIJLAGE
1 — GEBRUIKSFUNCTIES
BIJLAGE 2 — GEBIEDEN/LUCHTVERVERSING/DAGLICHT BIJLAGE
3 — BRANDVEILIGHEID
BIJLAGE 4 — TOEGANKELIJKHEID
BIJLAGE 5 — ENERGIEPRESTATIE/SCHEMATISERING BIJLAGE 6 — RC-BEREKENINGEN (NTA8800)
240424-086-76-TBB01D
Pagina 4 van 52
Inleiding In opdracht van BuiltbyDeWildt te ‘s-Hertogenbosch wordt door TEAM42 de toetsing ten aanzien van Besluit bouwwerken leefomgeving (Bb!) verzorgd in het project “GZC “Goed voor elkaar” te Oud-Beijerland”. Het nieuwe Gezondheidscentrum biedt 0.a. ruimte aan fysiotherapie, apotheek en huisartsenpraktijk. Bij de ontsluiting van het gebouw is een maximaal hoogteverschil van 20 mm
aanwezig (begane grond) voor het gezondheidscentrum. Dit rapport is onderdeel van de bouwaanvraag met als doel omgevingsvergunning. 11.
Startinformatie Ter beoordeling van de toetsing van het gebouw aan Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is gebruik gemaakt van de volgende gegevens, te weten: - _ 4543-DO-010-- situatie nieuw d.d. 12-04-2024;
1.2.
-
_ _ _ _
4543-DO-100-- plattegrond begane grond d.d. 12-04-2024; 4543-DO-110- plattegrond verdieping d.d. 12-04-2024; 4543-DO-120 - dakplattegrond d.d. 12-04-2024; 4543-D0-200 - gevelaanzichten d.d. 12-04-2024;
-
_
4543-DO-300
- doorsnede
d.d. 12-04-2024.
Uitgangspunten Het toetsingskader voor de beoordeling plan aan bouwregelgeving zijn de nieuwbouweisen, zoals
omschreven in hoofdstuk 4 van Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 13.
Kenmerken object De werkzaamheden vinden plaats a/d Graaf van Egmondstraat te Oud-Beijerland. Het betreft hier een volledige nieuwbouwsituatie. Overige kenmerken, welke maatgevend zijn voor de toetsing: -
Gebruiksfuncties: gezondheidszorgfunctie géén bedgebied, kantoorfunctie en bijeenkomstfunctie;
- _ Hoogste verblijfsgebied (tweede verdieping) is gelegen op 3500+P; -
_ _ _ _
Hoogste gebruiksgebied is gelegen op 3500+P; Gebruiksoppervlakte totale gebouw bedraagt ca. 2.167 m2; Rekenbezetting totale gebouw bedraagt 280 personen; Aantal bouwlagen = 2.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 5 van 52
Begane grond (PEN) _
TEAM42 e
DEE ITI
240424-086-76-TBB01D
Pagina 6 van 52
ó
ó
Verdieping (3500+P)
i ackrenceveL 08
_
240424-086-76-TBB01D
Pagina 7 van 52
N
e
i RecHTERGEVEL (uDy
C UNKER GevEL (OoRD)
Ci voonsneoE 88
1.4.
Gelijkwaardigheid Voor de nieuwbouw van het GZC te Oud-Beijerland wordt géén gebruik gemaakt van een gelijkwaardige oplossing, conform Omgevingswet artikel 4.7.
1.5.
Vooroverleg brandveiligheid Op 06-03-2024 heeft een vooroverleg brandveiligheid plaatsgevonden, waarbij de volgende personen aanwezig waren, te weten:
B -
— veiligheidsregio Zuid-Holland zuid); (geanonimiseerd) (adviseur risicobeheersing (geanonimiseerd) (projectleider RoosRos Architecten); (geanonimiseerd) (adviseur brandveiligheid TEAM42).
In dit overleg zijn de maatregelen besproken en verwerkt in verslag “240306-086-76QSBRAND_verslag” d.d. 11-03-2024. De maatregelen zijn verwerkt in de OLO-stukken.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 8 van 52
Toetsing conform afdeling 4.2, Veiligheid (Bbl) De toetsing aan veiligheid wordt uitgevoerd aan de hand van de eisen uit de Bbl, hoofdstuk 4, afdeling 4.2. In bovenstaande regelgeving worden de prestatie-eisen t.a.. veiligheid voor nieuwbouw beschreven.
21.
Constructieve veiligheid ($ 4.2.1) Deze paragraaf stelt dat een te bouwen bouwwerk bestand is tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend en is zodanig dat bij een calamiteit voortschrijdende instorting van het bouwwerk wordt voorkomen.
Constructieve veiligheid ($ 4.2.1) wordt door de constructeur getoetst. 22.
Constructieve veiligheid bij brand ($ 4.2.2) Deze paragraaf stelt dat een te bouwen bouwwerk bestand is tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd. Tijdsduur niet-bezwijken
(a1
7
- _ Een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 30 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt. Dit is niet van toepassing op de vloer van een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175; - _ Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment; - _ Inafwijking van bovenstaande wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MI/m?. In het gebouw ís een vloer aanwezig met een hoogte van 3500 mm boven het meetniveau. Tevens dient de vluchtroute 30 minuten te worden beschermd tegen bezwijken. Voor de bouwconstructie wordt hierdoor uitgegaan van een tijdsduur van 30 minuten tegen niet-bezwijken. Bepalingsmethode niet-bezwijken (art. 4.18)
- _ Bijhet bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 4.17 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand; - _ Detijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 4.17, wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens:
TEAM42
o
NEN-EN 1992;
o°
NEN-EN
°
o°
NEN-EN 1994; NEN-EN 1995;
o°
NEN-EN
o°
NEN-EN 1999; of
o°
NEN
1993;
1996;
6069.
240424-086-76-TBB01D
Pagina 9 van 52
Bepalingsmethode aan te houden door constructeur ter bepaling tijdsduur niet-bezwijken bouwconstructie.
2.3.
Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan (3 4.2.3) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk voorzieningen bevat waardoor het vallen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen. Aanwezigheid
afscheiding
(art. 4.20]
- _ Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water;
- _ Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding. Hoogte
afscheiding
(art.
4.21,
- _ Een vloerafscheiding heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer; - _ Een afscheiding ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer; - _ Een afscheiding van een trap heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van een hellingbaan. Openingen
afsch:
art.
4.2 /
_
Eenafscheiding heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,5 m; - _ een afscheiding heeft tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m; _ _ De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding is niet groter dan 0,05 m; - _ De bovenregel van een afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m. Voorkomen
overklauteren
(art. 4.23)
- _ Eenafscheiding of een constructieonderdeel dat, bouwwerkinstallatie die of onderdeel van een bouwwerkinstallatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan. Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen.
De op de verdieping aanwezige gevelopeningen hebben een borstwering (incl. onderdorpel) van tenminste 850 mm. Ook is er géén opstapmogelijkheid tussen een hoogte van 200 — 700 mm aanwezig.
Bij de hoofdtrap (ruimte 1.01) wordt t.p.v. de vloerafscheiding in de vide een balustrade aangebracht met een hoogte van tenminste 1000 mm. Ook bij het bordes van de vluchttrap (ruimte 1.27) wordt een dergelijke balustrade met een hoogte van tenminste 1000 mm voorzien.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 10 van 52
101
hoofdtrap (ruimte 1.01)
24.
vluchttrop (ruimte 1.27)
sss
H>
_
H>850
1000 mm mm
Veilig overbruggen van hoogteverschillen ($ 4.2.4) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk voorzieningen heeft voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen. Voorziening bij hoogteverschil
(art. 4.25)
- _ Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt voor een hoogteverschil tussen: o _ vloeren waarover een vluchtroute voert;
o _ vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten; o _ vloeren voor bezoekers; en ©
_ vloeren van
een verkeersroute
die deze vloeren
met
elkaar verbindt.
Dit geldt ook voor een hoogteverschil op een route vanaf het aansluitende terrein naar een hierboven
beschreven
Afmetingen trap
vloer.
(art. 4.26)
- _ Een trap als bedoeld in art. 425 heeft afmetingen die voldoen aan tabel 1; - _ Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 meter.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 11 van 52
Afmetingen trap
Reguliere trap of trap uitsluitend bedoeld voor ontvluchten
Minimum breedte van de trap Minimum vrije hoogte boven de trap
0,8m: 2,1 m
'Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrechtop de
_
[0,185 mi
voorkant van de trede
Maximum hoogte van een optrede Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant
0,21 m! 0,05 m'
van dat vlak
Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten
_
|0,23 m?
loodrecht op de voorkant van dat vlak
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap
0,3mi
Tabel 1, afmetingen van een trap
Markering trap
(art. 4.26a
- _ Een trap als bedoeld in artikel 4.25, is op de bovenste en onderste trederand over de volle breedte voorzien van een markering van ten minste 50 mm met een hoog contrast. De overige treden zijn aan beide zijkanten voorzien van markeringen van ten minste 50 mm met een hoog contrast. Voor een gezondheidszorgfunctie zijn aanvullende eisen gesteld t.a.v. zichtbaarheid op een trap. Zie afbeelding 1 voor een voorbeeld van een dergelijke markering. Dit geldt voor alle trappen in het plan.
@
Afb, 1, voorbeeld tropmarkering (bron: TG Lining) Trapbordes (art. 4.27) Een trap als bedoeld in art. 4.25 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op
een vloer met een opperviakte van ten minste 0,8 m? x 0,8 m. Leuning
(art. 2.35)
- _ Een trap als bedoeld in art. 425 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m;
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 12 van 52
- _ Een trap als bedoeld in het eerste lid heeft aan beide zijkanten een leuning die aan het begin en aan het einde van de trap ten minste 30 cm horizontaal doorloopt. Alle trappen in het plan worden voorzien van leuningen aan beide zijden van de trap. Aan het begin en einde van de trap lopen deze leuningen ten minste 30 cm horizontaal. Zie afbeelding 2 voor een voorbeeld.
Afb. 2, voorbeeld tropleuning 30 cm horizontaat (bron: 82}
2.5.
Beweegbare constructieonderdelen ($ 4.2.5) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk zodanige beweegbare constructieonderdelen heeft dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte. Beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone
(art. 4.35)
- _ Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg of strook;
- _ Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanafde onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. Dit voorschrift is niet van toepassing op een nooddeur;
- _ Heteerste en tweede lid gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m?. Alle beweegbare constructieonderdelen zijn zodanig geplaatst dat geen gevaar voor de openbare ruimte aanwezig is.
2.6.
Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie ($ 4.2.6) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt. Stookplaats
(art.
4.38
- _ Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 indien:
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 13 van 52
o _ op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2, OF o _ in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 C. In het gebouw is géén stookplaats aanwezig. Schacht,
koker of kanaal
(a:
9)
- _ Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of subbrandcompartiment met een inwendige
doorsnede groter dan 0,015 m?, voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 135011
-
Ditgeldt niet voor: o _ een schacht die uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voert;
o _ ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de binnenzijde, en o
_ het materiaal van een constructie- of installatieonderdeel
dat wordt omsloten
door een
schacht, koker of kanaal. Het gezondheidscentrum is gelegen in meerdere brandcompartimenten en meerdere
subbrandcompartimenten. Schachten, kokers en kanalen welke aan meerdere brand- en/of subbrandcompartimenten grenzen hebben aanvullende eisen t.a.v. brandveiligheid. Hier dient voor het materiaal toegepast aan de binnenzijde van deze schacht, koker of kanaal rekening gehouden te worden met brandklasse A2, conform NEN-EN 13501-1. De schachten, kokers en kanalen die uitsluitend bestemd zijn voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voeren hoeven niet aan de hierboven beschreven brandklasse
Rookgasafvoer
(art.
te voldoen.
2.59
- _ Een voorziening voor de afvoer van rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062; In het gebouw is geen installatie met een gasaansluiting aanwezig. 27.
Beperking van het ontwikkelen van brand en rook ($ 4.2.7) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk zodanig is dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen. Binnenoppervlak
(art.
4.43
- _ Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan brandklasse D (overige ruimte) en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; - _ Inafwijking van bovenstaande voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen: o een gebruiksgebied, een toiletruimte of een badruimte en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert; en o
een
besloten
ruimte waardoor een extra beschermde
vluchtroute
voert en de in
de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte; aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 14 van 52
noppervlak
(art.
4.44]
- _ Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht voldoet aan brandklasse D (overige ruimte), bepaald volgens NEN-EN 13501-1; - _ Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht, van een bouwwerk waarvan een voor personen bestemde vloer ten minste 5 m boven het meetniveau ligt, voldoet vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m aan brandklasse 8, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; - _ Bovenstaande brandklassen zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak. De hoogste voor personen bestemde vloer is gelegen op 3500+P. De buitengevels van het gebouw dienen te worden uitgevoerd met materialen aan de buitenzijde die voldoen
aan brandklasse D.
De gevelbekleding is geventileerd. Dit betekent dat de volgende onderdelen aan brandklasse D dienen te voldoen, te weten:
-
Folie, waterkerend/dampopen;
- _ Horizontaal regelwerk; Verticaal regelwerk; - _ Beplating, rockpanel. De overige geveldelen van het gebouw bestaan aan metselwerk spouwmuren en voldoen hier reeds aan.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 15 van 52
Beloopbaar vlak
(a1
5)
- _ Voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht
geldt rookklasse s1fl en brandklasse Dfl (overige ruimte), beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
- _ Voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht geldt brandklasse DI, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
De vloerafwerking in het gebouw dient te voldoen aan rookklasse s14 en brandklasse Dy,. Elektrische leidingen en pijpisolatie (art. 4.45a)
- _ Inafwijking van artikel 4.43 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de binnenlucht: a. _ in extra beschermde vluchtroutes rookklasse 1.} en in overige ruimten rookklasse S2/e) beide bepaald volgens NEN-EN 13501-6; en; b. de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-6. - _ Inafwijking van artikel 4.43 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de binnenlucht:
a.
in extra beschermde vluchtroutes rookklasse s1(L} en in overige ruimten rookklasse
s2(L)), beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en; b. de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. - _ Inafwijking van artikel 4.44 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-6. - _ Inafwijking van artikel 4.44 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Elektrische leidingen welke zijn gesitueerd binnen het gebouw en opgenomen in overige ruimten dienen te voldoen aan rookklasse s2;z). Voor deze leidingen in overige ruimten dient tenminste een brandklasse van D. aangehouden te worden. Pijpisolatíe in overige ruimten dient te voldoen aan rookklasse s2/y. Voor deze pijpisolatie in overige ruimten dient tenminste een brandklasse van D; aangehouden te worden. Elektrische leidingen welke zijn gesitueerd aan de buitenzijde van het gebouw en dus grenzen aan buitenlucht dienen te voldoen
aan:
- _ Overige ruimten: brandklasse Dica) Pijpisolatie welke is gesitueerd aan de buitenzijde van het gebouw en dus grenzen aan buitenlucht dienen
te voldoen aan:
- _ Overige ruimten: brandklasse D:. Elektrische
Type ruimte
leidingen
[Elektrische
_
|leidingen
[Pijpisolatie
_
_ | Pijpisolatie
|(Binnenlucht) | (Buitenlucht)
(Binnenlucht) | (Buitenlucht) | (brand =rook) | (brand)
(brand - rook) | (brand) Overigeruimte
|D-
S2tca}
_ | Dteoy
Di=S2i
D
Tabel2, brand- en rookklasse elektrische leidingen en pijpisolatie
Dakoppervlak
(ai
‚47|
- _ De bovenzijde van een dak van een bouwwerk is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. Dit geldt niet als het bouwwerk geen voor personen bestemde vloer heeft
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 16 van 52
die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen. Als het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel. Het dak van de uitbreiding dient als niet-brandgevaarlijk (conform NEN 6063) te worden uitgevoerd.
Type ruimte
Constructie
Constructie | Beloopbaar vlak | Dak
Binnenlucht (brand-rook) D-s2
Overige ruimte
Buitenlucht | (brand - rook) | (brand) D
Dfl-stfl
(wand/plafond)
Niet brand-
gevaarlijk (NEN 6063)
Tabel 3, brand- en rookklasse constructieonderdeel
2.8.
Beperking van uitbreiding van brand (& 4.2.8) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk zodanig is dat de uitbreiding van brand naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft en geen gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand. Brandcompartimen!
- _ Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment, behalve: o
een toiletruimte;
o
een badruimte;
o
een liftschacht, indien de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan brandklasse B en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, en
o
een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m? niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.
-
In afwijking van het bovenstaande voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.
Alle ruimten binnen het gebouw zijn gelegen in een brandcompartiment en worden meegerekend in de omvang van de in art. 4.51 opgenomen brandcompartimenten. Brandcompartiment:
omvang
(art.
4.51|
- _ Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan 1000 m}?, of een grotere gebruiksoppervlakte als dat niet tot een lager veiligheidsniveau leidt, bepaald volgens NEN 6060 of NEN 6079; - _ Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel;
- _ Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m? is een afzonderlijk brandcompartiment.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 17 van 52
Het gezondheidszorgcentrum in ingedeeld in vier brandcompartimenten, waarbij alléén brandcompartiment 1 een grotere omvang heeft dan 1000 m2 (1052 m2). Hierin zijn ook de natte ruimten binnen dat brandcompartiment in opgenomen. In vooroverleg op 06-03-2024 met dhr. L. de Waal (adviseur risicobeheersing - veiligheidsregio
Zuid-Holland Zuid) is bepaald dat vanwege de voldoende vluchtwegen deze kleine “overschrijding” van de maximale omvang van brandcompartiment 1 wordt geaccepteerd binnen het gestelde veiligheidsniveau zoals bedoeld in $ 4.2.8 van Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zie ook tabel 4 voor de omvang van alle brandcompartimenten in het plan. Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag:
_
niveau van eisen (art. 4.53)
_ De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet-besloten veiligheidsvluchtroute en naar een liftschacht van een brandweerlift of van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw is ten minste 60 minuten;
- _ Inafwijking van het bovenstaande kan worden volstaan met 30 minuten als: o de ruimten op hetzelfde bouwwerkperceel liggen; en o _ in het gebouw geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau
- _ De verlaging naar tenminste 30 minuten geldt niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert. De WBDBO-eis van brandcompartimenten bedraagt tenminste 30 minuten. Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode (art. 4.54)
- _ De inartikel 4.53 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068; _ _ Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de bouwwerkperceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan: o een openbare weg; o openbaar water; o openbaar groen; of o een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare nietmilieugevaarlijke stoffen; vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel. - _ In aanvulling op het bovenstaande is het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het spiegelsymmetrische gebouw in de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet groter dan het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment. De WBDBO-eis tussen brandcompartimenten BC-1 tm BC-4 bedraagt ten minste 30 minuten.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 18 van 52
Brandcompartiment
Omvang (m2) | Wbdbo (min.)
BC-1
1.052
30
BC-2
46230
BC-3
63730
BC-4
16/30
Totaal
2.167
Tabel4, brandcompartimentering
Brandoverslag via spiegelsymmetrie van het gebouw is bij geen enkele gevel aanwezig. Zie ook bijlage 3, brandveiligheid. 2.9.
Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook ($ 4.2.9) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk zodanig is dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan is beoogd met paragraaf 4.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht. Subbrandcompartiment: ligging (art. 4.57)
- _ Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert;
- _ Een beschermde vluchtroute ligt niet in een subbrandcompartiment. Het gebouw bestaat uit vier brandcompartimenten en zijn onderverdeeld in subbrandcompartimenten. Alleen brandcompartiment 2 bestaat uit twee subbrandcompartimenten. Alle ruimten in de aanwezige subbrandcompartimenten hebben de status “overig”. Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (art. 4.60)
- _ De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is ten minste 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid van de scheidende functie van een scheidingsconstructie alleen rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid van de afdichting. De rekenbezetting in de aanwezige subbrandcompartimenten bedraagt 280 personen.
‘Subbrandcompartiment subBC-1.1
Omvang (m2) | Wbd (min.) 20
119
subBC-2.1
44320
50
subBC-2.2
19/20
0
subBC-3.1
637/20
subBC-4.1
16/20
Totaal
1.052
Rekenbezetting
(pers.)
2.167|-
11 0 280
Tabel5, subbrandcompartimentering
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 19 van 52
Subbrandcompartiment:
weerstand tegen rookdoorgang (art. 4.61)
- _ De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een ander subbrandcompartiment is Ra, bepaald volgens NEN 6075; - _ De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor
een
extra beschermde
vluchtroute voert en naar een
liftschacht als bedoeld
in artikel 4.53, is R200, bepaald volgens NEN 6075. Tussen de in het gebouw aanwezige subbrandcompartimenten dient een WRD-eis te worden aangehouden van R200. Zie blad BRA-02 in bijlage 3 van deze rapportage. 2.10.
Vluchtroutes: verloop ($ 4.2.10) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk zodanige vluchtroutes heeft dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. Vluchtroute
(a
65
- _ Opeelk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute di leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg. Het gebouw heeft voldoende vluchtroutes die, al dan niet via besloten verkeersruimten, naar het aansluitende terrein leiden. Van daaruit kan de openbare weg worden bereikt. Vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment (art. 4.66)
- _ De gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan 30 m;
- _ Bijeen niet nader in te delen gebruiksgebied en bij een verblijfsruimte wordt in plaats van de gecorrigeerde loopafstand uitgegaan van de loopafstand die niet groter is dan 30 m; - _ Opeelk punt van een voor personen bestemde vloer in een subbrandcompartiment begint ten minste een vluchtroute met een op die vluchtroute te overbruggen hoogteverschil naar een uitgang van het subbrandcompartiment van ten hoogste 4 m. De maximale looplengte binnen de subbrandcompartimenten bedraagt, op basis van bovenstaande bevindingen, maximaal 30 m. Op de verdieping kan verticaal worden gevlucht via
de vluchttrappen en/of horizontaal tussen subBC 1.1 en subBC 3.1. In bijlage 3, brandveiligheid, is aangegeven waar de vluchtroutes zich bevinden in het gebouw. De vluchtroutes leiden naar begane grond en van daaruit naar aansluitend terrein en openbare weg. Beschermde
vluchtroute
(a
8}
- _ Een vluchtroute waarop ten hoogste 37 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein; - _ Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een loopafstand niet groter dan 30 m vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment tot de volgende uitgang op de vluchtroute. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een trappenhuis voert.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 20 van 52
Extra beschermde
vluchtroute (art. 4.69)
- _ Een vluchtroute waarop meer dan 37 en ten hoogste 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein; - _ Ineen besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is de loopafstand vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint tot het punt waar een tweede vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute begint, of tot het aansluitende
terrein niet groter dan 30 meter (bijeenkomstfunctie) en 15 meter (onderwijsfunctie); - _ Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute. In het gebouw zijn geen extra beschermde vluchtroutes aanwezig. Veiligheidsvluchtroute
(art. 4.70)
- _ Een vluchtroute waarop meer dan 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsvluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. In het gebouw zijn géén veiligheidsvluchtroutes aanwezig. Tweede
vluchtroute
(art.
471
- _ Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint zijn de artikelen 4.68, 4.69 en 4.70 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren; - _ Buiten het brandcompartiment waarin de tweede vluchtroute begint, voeren de twee vluchtroutes niet door eenzelfde brandcompartiment; - _ De twee vluchtroutes vanafde uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren indien: o die ruimte aan die uitgang van het subbrandcompartiment grenst; o
de vluchtroutes
in die ruimte beschermde
vluchtroutes
en voor zover deze buiten
o
een brandcompartiment liggen extra beschermde vluchtroutes zijn; de loopafstand n die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is indien de ruimte besloten is, en
o _ de vluchtroutes in verschillende richtingen voeren. -
_
De twee
vluchtroutes
kunnen
door dezelfde
ruimte voeren
voor zover de vluchtroute
een
veiligheidsvluchtroute is. In het gebouw zijn vluchtroutes aanwezig waarbij in meerdere richtingen kan worden gevlucht OF rechtstreeks buiten het gebouw naar het aansluitende terrein. De loopafstanden binnen subBC 1.1 tm subBC 4.1 blijft ten alle tijden maximaal 30 meter.
2.11.
Vluchtroutes: inrichting en capaciteit ($ 4.2.11) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk vluchtroutes heeft met een zodanige inrichting en capaciteit dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. Inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang (art. 4.74)
TEAM42 SLL
AA
240424-086-76-TBB01D
Pagina 21 van 52
eeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee
G
OR
G G G G
- _ De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075; - _ De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075; - _ De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075; - _ De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitend besloten trappenhuis waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075; - _ De weerstand tegen rookdoorgang tussen de twee ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is R200 bepaald volgens NEN 6075. Tussen de in het gebouw aanwezige vluchtroutes dient een WRD-eis te worden aangehouden van R200. Zie blad BRA-02 in bijlage 3 van deze rapportage. Inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (art. 4.75)
Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten. Tussen de in het gebouw aanwezige vluchtroutes dient een WBDBO-eis te worden aangehouden van 30 minuten. Zie blad BRA-00 + BRA-01 in bijlage 3 van deze rapportage. Inrichting vluchtroute: vrije doorgang (art. 4.78)
- _ Een vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute over een trap voert.
Alle vluchtroutes beschikken over een minimale afmeting van 0,85 x 2,10 meter. Doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit (art. 4.80)
- _ De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt n personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van: o _ 45 personen per meter vrije breedte van een trap bij het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 m, voor zover de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt; o
_90 personen per meter vrije breedte van een ruimte;
o
_90 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden;
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 22 van 52
o
110 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden; en
o
135 personen per meter vrije breedte van een andere doorgang.
T.b.v. de opvang- en doorstroomcapaciteit is ontvluchting vanuit subBC 3.1 (gelegen op de verdieping) maatgevend.
In dit subBC 3.1 bevinden zich (rekenbezetting) 111 personen. Op basis van de aanwezige vluchtwegen kan hieraan worden voldaan: -
Vluchttrap (1.27) > 37 personen;
-
subBC1.1(1.01)
> 74 personen.
Doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit (art. 4.81)
- _ Op een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, kan van artikel 4.80 worden afgeweken als de personen die zijn aangewezen op dat gedeelte en eventueel daaropvolgende gedeelten van de vluchtroute het aansluitende terrein kunnen
bereiken
binnen:
©
_30 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is;
©
20 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een extra beschermde vluchtroute is die in de vluchtrichting alleen wordt bereikt door een afzonderlijke ruimte waardoor een
beschermde
of extra beschermde
vluchtroute voert met
een lengte van ten minste 2 m; of © _15 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een andere vluchtroute is. - _ De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat het bedreigde subbrandcompartiment waarin een vluchtroute begint binnen 1 minuut na aanvang van het vluchten kan worden verlaten; - _ De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat elke ruimte, maar geen trappenhuis, op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment: o
binnen 3,5 minuten na aanvang van het vluchten kan worden verlaten; of
o
binnen
=
6 minuten
als:
de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag of brandoverslag naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment ten minste 30 minuten is; en
=
de volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment, of vanuit elke ruimte waardoor een
beschermde
of extra beschermde
vluchtroute voert
die in de vluchtrichting uitkomt in deze ruimte, R200 is. - _ Bijtoepassing van het eerste tot en met derde lid gelden de volgende uitgangspunten: o berekeningen worden uitgevoerd in tijdstappen van 30 seconden; o
bij het begin van het vluchten wordt aangenomen dat alle personen in het subbrandcompartiment zich nabij de uitgangen van dat compartiment bevinden en tegelijkertijd beginnen te vluchten;
© _ vluchtroutes worden tijdens het vluchten alleen in een richting benut; © _ door doorgangen en over trappen voeren de vluchtroutes niet in tegenovergestelde richting;
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 23 van 52
o _ bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit op de volgende wijze verdeeld: =
bij samenkomst in een trappenhuis wordt 50% van de beschikbare capaciteit toegedeeld aan het bovengelegen deel van het trappenhuis, De resterende 50% wordt verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen op die bouwlaag tot het trappenhuis;
«
bij samenkomst n een ruimte, maar geen trappenhuis, wordt de capaciteit evenredig verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen tot die ruimte; en
=
als de beschikbare opvang- en doorstroomcapaciteit van de ruimte vanuit een of meer toegangen van die ruimte of het bovengelegen deel van het trappenhuis niet volledig wordt benut, wordt de restcapaciteit op de onder 1° en 2° beschreven wijze verdeeld over de resterende toegangen en het bovengelegen deel van het trappenhuis;
o
het hoogteverschil tussen bouwlagen in het trappenhuis is ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m;
©
de daalsnelheid is 30 seconden per bouwlaag voor zover de vluchtroute over een
o
trap of door een trappenhuis voert; de opvangcapaciteit van een trap is 0,5 persoon per trede, voor zover de breedte
o
van de trap niet groter is dan 1,1 m; de opvangcapaciteit van een trap is 0,9 persoon per trede per m breedte van die trede, voor zover de breedte van de trap groter is dan 1,1 m en de breedte van het tredevlak groter is dan 0,17 m;
o
de opvangcapaciteit van een vloer of hellingbaan is ten hoogste vier personen per
m? vrije vloeroppervlakte; o _ het gestelde in artikel 4.80, waarbij voor «personen» wordt gelezen: personen per minuut;
o _ het gestelde in artikel 4.216, derde lid, waarbij voor «37 personen» wordt gelezen: 37 personen per minuut; o _ inafwijking van onderdeel | geldt het gestelde in artikel 4.216, derde lid, onverkort als in de ruimte voor de deur tijdens een tijdstap meer dan 37 personen aanwezig zijn;
o
brand ontstaat niet op twee of meer plaatsen tegelijk;
o _ in ieder subbrandcompartiment kan brand ontstaan; en o
de opvang- en doorstroomcapaciteit van vluchtroutes die door het bedreigde subbrandcompartiment voeren blijven buiten beschouwing.
Voor alle vluchtroutes in het gebouw geldt dat deze voldoen aan een doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit. Een aanvullende berekening conform art. 4.81 is derhalve niet benodigd.
2.12.
Hulpverlening bij brand ($ 4.2.12) Deze paragraaf stelt dat bouwwerk zodanig is dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden. Loopafstand
TEAM42
(art. 4.85
240424-086-76-TBB01D
Pagina 24 van 52
- _ De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een trappenhuis is niet groter dan 75 m.
De loopafstanden tussen een punt in een gebruiksgebied en de toegang van een trappenhuis is maximaal
TEAM42
75 meter,
240424-086-76-TBB01D
Pagina 25 van 52
Toetsing conform afdeling 4.3, Gezondheid (Bbl) De toetsing aan gezondheid wordt uitgevoerd aan de hand van de eisen uit de Bbl, hoofdstuk 4, afdeling 4.3. In bovenstaande regelgeving worden de prestatie-eisen t.a.v. gezondheid voor nieuwbouw beschreven.
31.
Bescherming tegen geluid van buiten ($ 4.3.1) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk bescherming biedt tegen geluid van buiten. Bescherming tegen geluid van buiten (art. 4.102)
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van ten minste 20 d8. De aanwezige gevelconstructies zijn aan de binnenzijde voorzien van een kalkzandsteen binnenblad met een dikte van 214 mm. De afwerking bestaat uit een metselwerk buitenblad OF een rockpanel beplating op een geïsoleerde achterconstructie. Beide gevelopbouwen voldoen ruimschoots aan een karakteristieke geluidwering van tenminste 20dB.
3.2.
Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties ($ 4.3.2) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk bescherming biedt tegen geluid van bouwwerkinstallaties. Aangrenzend bouwwerkperceel
(art. 4.107)
- _ Een toïlet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB. Dit is niet van toepassing op een op een aangrenzend perceel gelegen lichte industriefunctie of overige gebruiksfunctie. Het gebouw is vrijstaand en geeft geen geluidhinder aan aangrenzende bouwwerkpercelen. Zie advies derden.
Hetzelfde bouwwerkperceel
(art.
4.108]
- _ Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB; - _ Een mechanische voorziening voor luchtverversing of warmterug-winning, of een installatie voor warmte- of koudeopwekking veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste het in tabel 4.106 aangegeven geluidniveau.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 26 van 52
Het gebouw geeft geen geluidhinder aan ruimten binnen hetzelfde bouwwerkperceel. Zie advies derden.
3.3.
Wering van vocht ($ 4.3.5) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk scheidingsconstructies heeft waarmee de vorming van allergenen door vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt. Wering van vocht van buiten (art. 4.118)
- _ Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht; - _ Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invioed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht;
- _ Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een ander verblijfsgebied, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht; - _ Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de specifieke uchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10-
6 m3/(m2.s). Alle scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, toiletruimten (incl. miva-toilet) en badruimten worden uitgevoerd aan hierboven gestelde waterdichtheid volgens NEN 2778. Uitwerking n.n.t.b. door architect. Factor van de temperatuur
(art. 4.119)
- _ Een scheidingsconstructie waarvoor een warmteweerstand als bedoeld in artikel 4152 geldt, heeft aan de zijde die grenst aan een verblijfsgebied een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan 0,5. Het gebouw voldoet aan de bovenstaande eisen t.a.v. factor van temperatuur volgens NEN 2778. Wateropname
(art.
4.120
- _ Een scheidingsconstructie van een toiletruimte of een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1,2 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778
bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m?.s%) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s%); - _ Een badruimte heeft in aanvulling op het eerste lid ter plaatse van de opstelplaats voor een bad of een douche een in het eerste lid bedoelde beperking aan de wateropname over een lengte van ten minste 3 m, tot een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 27 van 52
Scheidingsconstructies van een toiletruimte of een badruimte voldoen aan de bovenstaande eisen t.a.v wateropname volgens NEN 2778. In de badruimte is t.p.v. opstelplaats douche een “scherm” van tenminste 3 meter lang en 2,1 meter boven de vloer van die ruimte aanwezig. Uitwerking n.n.t.b. door architect. 34.
Luchtverversing ($ 4.3.6) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing heeft dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.
Luchtverversing verblijfsgebied,
verblijfsruimte,
toiletruimte en badruimten (art. 4.122)
- _ Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 6 aangegeven capaciteit per persoon; - _ Een toiletruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten
minste 7 dm?/s, bepaald volgens NEN 1087; - _ Een badruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste
14 dm?/s, bepaald volgens NEN 1087. Zie tabel 7 voor de minimale eisen t.a.v. luchtverversing.
Gebruiksfunctie
Minimaal
(dm?/sper
Minimaal
| (dm?/s)
persoon) Gezondheidszorgfunctie, géén bedgebied Bijeenkomstfunctie
|6,5 4,0
70 7,0
Kantoorfunctie
6,5
7,0
Tabel 6, luchtverversing
De toiletten dienen te worden voorzien van een afzuiging met een capaciteit van 7 dm?/s en de badruimte met 14 dm’/s Zie bijlage 2 voor de behoefte per ruimte. Thermisch
comfort
(art. 4.123)
- _ De toevoer van verse lucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens
NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s. Ventilatiesysteem (Systeem D: mechanische toe- en afvoer) voorziet toevoerventielen in de betreffende verblijfsruimten. Afzuigventielen worden geplaatst in de verkeersruimten.
Bovenstaande maximale luchtsnelheid in de leefzone (max. 0,2 m/s) dient te worden aangehouden. Nadere technische uitwerking van het ventilatiesysteem door derden. Regelbaarheid en uitschakelbaarheid (art. 4.124)
- _ Een voorziening voor mechanische toevoer van verse lucht heeft een dichtstand, is regelbaar in het gebied van 10% tot 100% van de benodigde capaciteit, bedoeld in art. 4.122, en heeft naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit ten minste een regelstand in het regelgebied;
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 28 van 52
- _ Een voorziening voor toevoer van verse lucht mag zelfregelend zijn in het regelgebied; - _ Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Het ventilatiesysteem voldoet aan bovenstaande eisen t.a.v. regelbaarheid. Nadere technische uitwerking van het ventilatiesysteem door derden. Luchtverversing overige ruimten (art. 4.125)
- _ Een liftschacht heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een
volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm’/s per m? vloeroppervlakte van die liftschacht;
- _ Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m? heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087
bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm?/s per m? vloeroppervlakte van die ruimte.
De liftschacht krijgt een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van 12,5 dm?/s. De contaïnerberging (0.22) krijgt een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van 97,0 dm?/s Nadere technische uitwerking van het ventilatiesysteem door derden. Luchtkwaliteit: plaats van de instroomopening en uitmonding (art. 4.126)
- _ De volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing heeft ter plaatse van een instroomopening voor de toevoer van verse ucht voor een voorziening voor luchtverversing ten hoogste 0,01. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven afvoervoorzieningen en belemmeringen die op een ander perceel liggen buiten beschouwing; - _ Een instroomopening en een uitmonding van een voorziening voor luchtverversing liggen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen. De afvoervoorzieningen t.b.v. luchtverversing dienen te voldoen aan een verdunningsfactor van 0,01 volgens NEN 1087. Nadere technische uitwerking van het ventilatiesysteem door derden. Luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht (art. 4.127)
- _ De toevoer van de benodigde hoeveelheid verse lucht naar een verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats; -
_
De toevoer
van verse lucht naar een
liftschacht vindt rechtstreeks van buiten of via de
liftmachineruimte van buiten plaats; - _ De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats. De toevoervoorzieningen t.b.v. luchtverversing bevindt zich in het dak van de uitbreiding. Nadere technische uitwerking van het ventilatiesysteem door derden.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 29 van 52
SOLL LLLLEeeeeeeeePePePPPPPePeeeeeeeeeeeePene ADI ITDP
Luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht (art. 4.128)
- _ De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten;
- _ De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks van buiten plaats uit: o o
een toïletruimte; een badruimte; en
o
een opslagruimte voor huishoudelijk afval.
De afvoervoorziening t.b.v. binnenlucht bevindt zich in het dak van de uitbreiding. Nadere technische uitwerking van het ventilatiesysteem door derden. 3.5.
Bescherming tegen ratten en muizen ($ 4.3.9) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk zodanig is dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan. Openingen
(art. 4.144
- _ Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een afsluitbare opening en een uitmonding van: o een afvoervoorziening voor luchtverversing; o een afvoervoorziening voor rookgas, en o een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.
- _ Een grotere opening is toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor op grond van afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving beschermde diersoorten. Alle openingen in een uitwendige scheidingsconstructie zijn max, 0,01 m breed, met uitzondering van voorzieningen t.b.v. luchtverversing, huishoudelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover bekend zijn geen beschermde diersoorten op de locatie aanwezig. Rattenscherm
(art. 4.145)
- _ Een gebruiksfunctie heeft ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie een scherm tot een vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m. Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Het gebouw voorziet, ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie, in een scherm tot een diepte van ten minste 0,6 m. Zie ook detaillering van de fundering. 3.6.
Daglicht ($ 4.3.10) Deze paragraaf stelt dat een te bouwen bouwwerk zodanig is dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.
Daglichtoppervlakte
(ar!
5)
- _ Een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in
m? waarvan de getalswaarde niet kleiner is dan, het in tabel 7 gestelde percentage, in m? van dat verblijfsgebied; - _ Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan 0,5 m2;
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 30 van 52
- _ Bijhet bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte: o blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing; o blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de perceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij, indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het openbaar water, en o _ is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 20°; - _ Een gezondheidszorgfunctie zonder bedgebied heeft geen daglichteis. VG(%)
VR(m2)
Kantoorfunctie
25
0,5
Andere gebruiksfuncties
nvt
nvt
Gebruiksfunctie
Tabel 7, daglichttoetreding
Daglichtberekening a.d.h.v. onderstaande formule (NEN 2057): a X Cp
X Cu
X Cira
Waarin:
Ae = equivalente daglichtoppervlakte, in m2 A4 = oppervlakte van de doorlaat, in m2 C = belemmeringsfactor van de doorlaat C,= uitwendige reductiefactor van de doorlaat Cua = reductiefactor licht-doorlatende materialen met een LTA-waarde lager dan 0,60. Eisen t.a.v. daglichttoetreding gelden uitsluitend voor de kantoorfunctie. De bijeenkomstfunctie en gezondheidszorgfunctie zonder bedgebied kennen géén eisen t.a.v. daglichttoetreding en is hier dus niet van toepassing. Zie berekening daglichttoetreding bijlage 2.
TEAM42
240424-086-76-TBB01D
Pagina 31 van 52
4.
Toetsing conform afdeling 4.4, Duurzaamheid (Bbl) De toetsing aan duurzaamheid wordt uitgevoerd aan de hand van de eisen uit de Bbl, hoofdstuk 4, afdeling 4.4. In bovenstaande regelgeving worden de prestatie-eisen t.a.v. duurzaamheid voor nieuwbouw beschreven.
4.1.
Energiezuinigheid ($ 4.4.1) Deze paragraaf stelt dat een bouwwerk bijna energieneutraal is. Bijna energieneutraal
(art.
4.149
- _ Een gebruiksfunctie heeft, bepaald volgens NTA 8800, een energiebehoefte en een primair
fossiel energiegebruik van ten hoogste de in tabel 4.148A (Bbl) aangegeven waarden en een aandeel hernieuwbare energie van tenminste de in die tabel aangegeven waarde; - _ Bijeen gebouw of een gedeelte daarvan, dat op niet meer dan een perceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties niet van dezelfde soort, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, wordt bepaald volgens NTA 8800, de waarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en hernieuwbare energie naar gebruiksoppervlak gewogen. Bij het bepalen van die waarden wordt per gebruiksfunctie uitgegaan van de in tabel 4.148A (Bbl) aangegeven waarden. Thermische
isolatie
(art.
4.150)
- _ Een onderdeel van een verticale uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand
van ten minste 2,6 m?=K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende verticale uitwendige constructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van
ten minste 4,7 mèeK/W; - _ Een onderdeel van een horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NTA 8800 bepaalde
warmteweerstand van ten minste 2,6 m2eK/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is een