Bijlage 1 - 4x Ecologische quickscan Hoekse Waard NWC Advies d.d. juni 2021
Tekst van het document
4x Quickscan Hoekse Waard Concept
Juni 2021 P21-091/W1989 Auteur: R. van der Made Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl
4x Quickscan Hoekse Waard - concept -
Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht
4x Quickscan Hoekse Waard.
Opdrachtgever:
KuiperCompagnons
Uitvoering:
Natuur-Wetenschappelijk Centrum
Veldwerk:
Robin van der Made, Danny van den Heuvel
Samenstelling:
Robin van der Made
Foto’s:
NWC
4x Quickscan Hoekse Waard [Samenst.: van der Made, R.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.
Trefw.: Wet natuurbescherming, sloopwerkzaamheden, Klaaswaal, ’s-Gravendeel, Oud-Beijerland, Mijnsheerenland
W1989/P21-091
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.
Dordrecht, juni 2021
Inhoud
Samenvatting
1
Inleiding
7
2
Gebiedsbeschrijving
9
3
Wettelijk kader
17
4
Methode
23
5
Resultaten
25
6
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
29
Referenties
Bijlagen: Bijlage 1: Foto’s van plangebied 1. Bijlage 2: Foto’s van plangebied 2. Bijlage 3: Foto’s van plangebied 3. Bijlage 4: Foto’s van plangebied 4. Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 3: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 4: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Samenvatting
Onderstaande tabellen geven de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Plangebied 1, Klaaswaal: Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen
Vleermuizen
Mogelijke verstoring van indi-
Aanvullend onderzoek naar vaste ver-
viduen en vernietiging verblijfplaats.
blijfplaatsen van vleermuizen door middel van vijf tellingen volgens het vleermuisprotocol 2021.
Vogels vaste Verblijfplaats
Mogelijke verstoring van individuen en vernietiging verblijf-
Aanvullend onderzoek naar vaste verblijfplaatsen middels meerdere bezoe-
- huismus - gierzwaluw
plaats.
ken.
Mogelijke verstoring of vernie-
Zorgplicht; werken buiten broedsei-
ling broedsels
zoen en/of check door ecologisch deskundige.
Grondgebonden
Mogelijke effecten op de func-
Aanvullend onderzoek met behulp van
Zoogdieren - marters
tionele leefomgeving verblijfplaats.
wildcamera’s gedurende zes weken in de periode 1 maart - 31 augustus.
- uilen - sperwer/havik Overige vogels
en/of
Plangebied 2, ’s-Gravendeel: Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen
Vleermuizen
Mogelijke verstoring van indi-
Aanvullend onderzoek naar vaste ver-
viduen en vernietiging verblijfplaats.
blijfplaatsen van vleermuizen door middel van vijf tellingen volgens het vleermuisprotocol 2021.
Vogels vaste
Mogelijke verstoring van indi-
Aanvullend onderzoek, voor de huis-
Verblijfplaats
viduen en vernietiging verblijf-
mus middels twee of vier bezoeken,
- huismus - gierzwaluw
plaats.
voor de gierzwaluw drie bezoeken.
Overige vogels
Mogelijke verstoring of vernieling broedsels
Zorgplicht; werken buiten broedseizoen en/of check door ecologisch deskundige.
Grondgebonden Zoogdieren
Mogelijke effecten op de functionele leefomgeving en/of
Aanvullend onderzoek met behulp van wildcamera’s gedurende zes weken in
- marters
verblijfplaats.
de periode 1 maart - 31 augustus.
Plangebied 3, Oud-Beijerland: Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen
Vleermuizen
Mogelijke verstoring van indi-
Aanvullend onderzoek naar vaste ver-
viduen en vernietiging verblijfplaats.
blijfplaatsen van vleermuizen door middel van vijf tellingen volgens het vleermuisprotocol 2021.
Vogels vaste Verblijfplaats
Mogelijke verstoring van individuen en vernietiging verblijf-
Aanvullend onderzoek middels twee of vier bezoeken.
- huismus
plaats.
Overige vogels
Mogelijke verstoring of vernie-
Zorgplicht; werken buiten broedsei-
ling broedsels
zoen en/of check door ecologisch deskundige.
Grondgebonden
Mogelijke effecten op de func-
Aanvullend onderzoek met behulp van
Zoogdieren - marters
tionele leefomgeving verblijfplaats.
wildcamera’s gedurende zes weken in de periode 1 maart - 31 augustus.
en/of
Plangebied 4, Mijnsheerenland: Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen
Vleermuizen
Mogelijke verstoring van indi-
Aanvullend onderzoek naar vaste ver-
viduen en vernietiging verblijfplaats.
blijfplaatsen van vleermuizen door middel van vijf tellingen volgens het vleermuisprotocol 2021.
Vogels vaste Verblijfplaats
Mogelijke verstoring van individuen en vernietiging verblijf-
Aanvullend onderzoek, voor de huismus middels twee of vier bezoeken,
- huismus - gierzwaluw
plaats.
voor de gierzwaluw drie bezoeken.
Overige vogels
Mogelijke verstoring of vernie-
Zorgplicht; werken buiten broedsei-
ling broedsels
zoen en/of check door ecologisch deskundige.
Grondgebonden
Mogelijke effecten op de func-
Aanvullend onderzoek met behulp van
Zoogdieren - marters
tionele leefomgeving verblijfplaats.
wildcamera’s gedurende zes weken in de periode 1 maart - 31 augustus.
en/of
4x QS Hoekse Waard
1.
Inleiding Er zijn plannen om op 4 plekken de bebouwing te slopen en het gebied om te zetten in agrarisch gebied. De betreffende gebieden zijn: - Plangebied 1: Oud Cromstrijensedijk Oostzijde 44b, Klaaswaal - Plangebied 2: Strijenseweg 141, ’s Gravendeel - Plangebied 3: Zinkweg 197, Oud-Beijerland - Plangebied 4: Stougjesdijk 137, Mijnsheerenland Deze werkzaamheden kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen en bij wijzigingen van bestemmingsplannen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige beschermde natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. KuiperCompagnons heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een quickscan flora en fauna op deze locatie uit te voeren en te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.
7
4x QS Hoekse Waard
8
4x QS Hoekse Waard
2.
Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen Gebiedsbeschrijving plangebied 1 Het plangebied bevindt zich aan de Oud-Cromstrijensedijk Oostzijde in Klaaswaal (provincie Zuid-Holland). In het plangebied bevinden zich een onbewoond woonhuis met verwilderde tuin en drie oude schuren.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) in de omgeving.
Figuur 2: Ligging van het plangebied (rood omlijnd).
9
4x QS Hoekse Waard
Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op 2,5 kilometer afstand van Natura 2000-gebied de ‘Oudeland van Strijen’, Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Mogelijk is er een Aerius-berekening benodigd. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.
Figuur 3: Afstand van het plangebied (rood omcirkeld) tot Natura 2000-gebied ‘Oudeland van Strijen’ (blauw gearceerd).
10
4x QS Hoekse Waard
Gebiedsbeschrijving plangebied 2 Het plangebied bevindt zich aan de Strijenseweg in ‘s Gravendeel (provincie Zuid-Holland). In het plangebied bevinden zich een bewoond woonhuis met tuin en een fietsenschuur.
Figuur 4: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) in de omgeving.
Figuur 5: Ligging van het plangebied (rood omlijnd).
11
4x QS Hoekse Waard
Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op 4,37 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘Oudeland van Strijen’ en op 3,54 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Mogelijk is er een Aerius-berekening benodigd. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.
Figuur 6: Afstand van het plangebied (rood omcirkeld) tot Natura 2000-gebied ‘Oudeland van Strijen’ (blauw gearceerd) en ‘Biesbosch’ (groen gearceerd) .
12
4x QS Hoekse Waard
Gebiedsbeschrijving plangebied 3 Het plangebied bevindt zich aan de Zinkweg in Oud-Beijerland (provincie Zuid-Holland). In het plangebied bevinden zich een woonhuis met een kleine aangelegen tuin met lage hagen en enkele kleine boompjes.
Figuur 7: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) in de omgeving.
Figuur 8: Ligging van het plangebied (rood omlijnd).
13
4x QS Hoekse Waard
Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op 2,96 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’. Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Mogelijk is er een Aerius-berekening benodigd. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.
Figuur 9: Afstand van het plangebied (rood omcirkeld) tot Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ (geel gearceerd).
14
4x QS Hoekse Waard
Gebiedsbeschrijving plangebied 4 Het plangebied bevindt zich aan de Stougjesdijk in Mijnsheerenland (provincie Zuid-Holland). In het plangebied bevinden zich een bewoond woonhuis met een aangelegen verzorgde tuin en schuur.
Figuur 10: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) in de omgeving.
Figuur 11: Ligging van het plangebied (rood omlijnd).
15
4x QS Hoekse Waard
Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op 2,86 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’, en op 4,38 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Oudeland van Strijen’. Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Mogelijk is er een Aerius-berekening benodigd. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.
Figuur 12: Afstand van het plangebied (rood omcirkeld) tot Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ (geel gearceerd) en Óudeland van Strijen’(Blauw gearceerd).
16
4x QS Hoekse Waard
3.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.
Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het 17
4x QS Hoekse Waard
zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; - Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; - Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1.
Soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: - Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; - Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven.
Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
18
4x QS Hoekse Waard
Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden.
19
4x QS Hoekse Waard
Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden.
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: - Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; - Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is.
Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig;
20
4x QS Hoekse Waard
- Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische belangen. Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. De bescherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.
21
4x QS Hoekse Waard
22
4x QS Hoekse Waard
4.
Methode In het kader van de Wet natuurbescherming zijn 4 quickscans flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscans bestonden uit literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het literatuuronderzoek is gebruikgemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door de verschillende soortenorganisaties. Op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is daarom specifiek rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats en grondgebonden zoogdieren. De plangebieden vormen geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders omdat de bodem te voedselrijk is om als biotoop voor de waardplanten van deze vlindersoorten te kunnen dienen. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscans gelaten. Beschermde reptielen worden op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en/of kenmerken van de plangebieden niet verwacht. Om deze reden kon de aanwezigheid van beschermde soorten uit deze soortgroep eveneens op voorhand worden uitgesloten. Het veldbezoek is op 18 mei 2021 uitgevoerd door medewerkers van het NWC.
De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg ongeveer 17 °C, het was licht bewolkt en de wind had een kracht van 3 Bft. Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Alle vleermuissoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. De plangebieden zijn daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is beoordeeld in hoeverre de gebouwen en bomen binnen de plangebieden geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Er is onder andere gelet op de aanwezigheid en kenmerken van holtes in de bomen en de spouwgang in de bebouwing. Ook is gelet op sporen van vleermuizen, zoals keuteltjes, afgebeten insectenvleugels en aanwezigheid van meststrepen bij eventuele invliegopeningen. Daarnaast is er tijdens het veldbezoek beoordeeld of er in en in de directe omgeving van de plangebieden potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen en (kleinschalige) weilanden en andere half open gebieden. Hierbij is tevens gelet op het aanbod van geschikt foerageergebied in en in de omgeving van de plangebieden.
23
4x QS Hoekse Waard
Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze soorten zijn de Buizerd (Buteo buteo), de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Tijdens de quickscan zijn de plangebieden onderzocht op de (mogelijke) aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). Er is ondermeer gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc), nesten (o.a. oude kraaiennesten) en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/ territoriumindicerend gedrag). Tevens is bekeken of de plangebieden een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre de plangebieden geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen en bebouwing, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten.
24
4x QS Hoekse Waard
5. Resultaten Plangebied 1, Klaaswaal: Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen bomen met vleermuisgeschikte holtes aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten uitgesloten worden. De bebouwing in het plangebied is wel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn openingen tussen de hoekpannen en onder de dakgoot aanwezig die mogelijk toegang bieden tot de spouwmuur. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet uitgesloten worden. De dieren zullen het plangebied mogelijk ook gebruiken om te foerageren vanwege de aanwezigheid van bomen. Als vliegroute heeft het gebied geen essentiële waarde; er zijn geen aaneengesloten lijnvormige elementen aanwezig. Vogels met een vaste verblijfplaats Nesten van vogels met een vaste verblijfplaats zijn jaarrond beschermd. Ook nesten van kraaiachtigen zijn jaarrond beschermd als ze in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfplaats zoals Buizerd (Buteo buteo) of Sperwer (Accipiter nisus). Binnen het plangebied is een eksternest en een duivennest aangetroffen. Echter zijn deze niet bewoond door vogels met vaste verblijfplaats. Het woonhuis en de grote schuur zijn geschikt voor Huismus (Passer domesticus), er zit namelijk voldoende ruimte tussen de dakpannen voor huismussen om de gebouwen te betreden.
Er zijn ook kieren tussen de hoekpannen van het woonhuis aangetroffen waardoor Gierzwaluw (Apus apus) het gebouw zou kunnen betreden. Echter is alleen aan de zuidzijde een vrije aanvliegroute voor gierzwaluwen aanwezig. De schuren zouden mogelijk door Steenuil (Athene noctua) of Kerkuil (Tyto alba) gebruikt kunnen worden doordat er openingen aanwezig zijn. Er zijn tijdens de quickscan geen sporen van vogels met vaste verblijfplaats aangetroffen Grondgebonden zoogdieren Hoewel er tijdens het veldbezoek geen sporen zijn aangetroffen zou het plangebied onderdeel kunnen uitmaken van de functionele leefomgeving voor marterachtigen. Er is voldoende foerageerterrein in de vorm van struiken en oude schuren aanwezig. Ook zouden de schuren verblijfsmogelijkheden kunnen bieden aan marterachtigen aangezien er verschillende openingen aanwezig zijn. Het valt dus niet uit te sluiten dat de bebouwing in gebruik is door marterachtigen. De Boommarter (Martes martes) bevindt zich volgens de verspreidingsgegevens niet in de Hoekse Waard. Steenmarter (Martes foina) en de kleine marterachtigen zoals de Bunzing (Mustela putorius), de Wezel (Mustela nivalis) en de Hermelijn (Mustela erminea) komen wel in de buurt van het plangebied voor. De Steenmarter is onder de Wet natuurbescherming beschermd.
25
4x QS Hoekse Waard
Plangebied 2, s’ Gravendeel: Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen bomen met vleermuisgeschikte holtes aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten uitgesloten worden. De bebouwing in het plangebied is wel mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn openingen tussen de hoekpannen aanwezig die mogelijk toegang bieden tot het gebouw. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet uitgesloten worden. De dieren zullen het plangebied mogelijk ook gebruiken om te foerageren vanwege de aanwezigheid van bomen. Als vliegroute heeft het gebied geen belangrijke waarde; er zijn geen aaneengesloten lijnvormige elementen aanwezig. Vogels met een vaste verblijfplaats Het woonhuis is mogelijk geschikt voor Huismus (Passer domesticus), er zit namelijk voldoende ruimte tussen de dakpannen voor huismussen om de gebouwen te betreden. Mogelijk zou Gierzwaluw (Apus apus) hierdoor ook het gebouw kunnen betreden. De omringende tuin zou als functionele verblijfplaats voor huismussen kunnen dienen door de aanwezigheid van struiken en bomen. Er zijn geen openingen aangetroffen waardoor uilen de bebouwing zouden kunnen betreden. Er zijn echter geen nesten of sporen van vogels met vaste verblijfplaats aangetroffen.
Grondgebonden zoogdieren Er is voor marterachtigen geen mogelijkheid voor het betreden van het woonhuis. Echter zouden marterachtigen via een opening het schuurtje kunnen betreden. Het valt dus niet uit te sluiten dat het schuurtje in gebruik word genomen door marterachtigen. Ook zouden de struiken beschutting en foerageergebied kunnen bieden aan marterachtigen. Er zijn echter geen sporen aangetroffen van beschermde grondgebonden zoogdieren.
26
4x QS Hoekse Waard
Plangebied 3, Oud-Beijerland: Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen bomen met vleermuisgeschikte holtes aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten uitgesloten worden. De bebouwing in het plangebied is wel mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn openingen tussen de hoekpannen en spouwgaten aanwezig die mogelijk toegang bieden tot het gebouw. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet uitgesloten worden. De dieren zullen het plangebied mogelijk ook gebruiken om te foerageren vanwege de aanwezigheid van bomen. Als vliegroute heeft het gebied geen essentiële waarde; er zijn geen aaneengesloten lijnvormige elementen aanwezig. Vogels met een vaste verblijfplaats Het woonhuis is mogelijk geschikt voor Huismus (Passer domesticus), er zitten namelijk enkele kieren tussen de hoekpannen, hierdoor zouden huismussen de gebouwen kunnen betreden. Echter is er voor Gierzwaluw (Apus apus) geen vrije aanvliegroute aanwezig. Er zijn geen sporen van vogels met vaste verblijfplaats aangetroffen. Er zijn geen openingen aangetroffen waardoor uilen de bebouwing zouden kunnen betreden. Ook zijn er geen nesten van kraaiachtigen aangetroffen in het plangebied.
Grondgebonden zoogdieren Hoewel er tijdens het veldbezoek geen sporen zijn aangetroffen zou het plangebied onderdeel kunnen uitmaken van de functionele leefomgeving voor marterachtigen. Ook zou het woonhuis verblijfplaats kunnen bieden aan marterachtigen aangezien er een opening aanwezig is. Het valt dus niet uit te sluiten dat de bebouwing in gebruik is door marterachtigen.
27
4x QS Hoekse Waard
Plangebied 4, Mijnsheerenland: Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen bomen met vleermuisgeschikte holtes aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten uitgesloten worden. De bebouwing in het plangebied is wel mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn openingen tussen de hoekpannen aanwezig die mogelijk toegang bieden tot het gebouw. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet uitgesloten worden. De dieren zullen het plangebied mogelijk ook gebruiken om te foerageren vanwege de aanwezigheid van bomen. Als vliegroute heeft het gebied geen belangrijke waarde; er zijn geen aaneengesloten lijnvormige elementen aanwezig. Vogels met een vaste verblijfplaats Het woonhuis is geschikt voor Huismus (Passer domesticus), er zit namelijk voldoende ruimte tussen de dakpannen voor huismussen om de gebouwen te betreden. De tuin kan als functionele verblijfplaats bieden voor huismus aangezien er voldoende beschutting aanwezig is als struiken en bomen. Ook voor Gierzwaluw (Apus apus) zou het gebouw geschikt kunnen zijn aangezien er ruimte tussen de hoekpannen aanwezig is. Er zijn tijdens het veldbezoek 2 huismussen aangetroffen waarvan een zingend op de dakgoot. Verder zijn er geen openingen aangetroffen waardoor uilen de bebouwing zouden kunnen betreden.
Ook zijn er geen nesten van kraaiachtigen aangetroffen in het plangebied die in gebruik kunnen zijn door vogelsoorten met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Er is voor marterachtigen geen mogelijkheid tot het betreden van de gebouwen aangezien er geen geschikte openingen aanwezig zijn. Verder zijn er geen sporen aangetroffen van beschermde grondgebonden zoogdieren.
28
4x QS Hoekse Waard
6.
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Plangebied 1, Klaaswaal: Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet met zekerheid uitgesloten worden. De bebouwing is door alle kieren en openingen geschikt om door meerdere soorten vleermuizen zoals de Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) gebruikt te worden als verblijfplaats. Het is onwaarschijnlijk dat het pand gebruikt wordt als massawinterverblijfplaats. Om deze redenen dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol (2021) uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek moet bestaan uit vijf vleermuisinventarisaties die in de periode half mei tot en met eind september uitgevoerd worden. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar namelijk een netwerk van verschillende verblijfplaatsen (i.e. kraamplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf, (massa) winterverblijfplaats). Het vleermuisprotocol stelt daarom dat vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de functies, die de bebouwing mogelijk jaarrond voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn.
Vogels met een vaste verblijfplaats Het woonhuis en de schuur zouden door de Huismus (Passer domesticus) gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. Daarnaast zou de aanwezige begroeiing kunnen fungeren als een essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving. Hierdoor dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden in de periode van 1 april tot en met 15 mei of door vier gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot en met 20 juni met een tussenperiode van minimaal 10 dagen tussen de verschillende onderzoeksmomenten. Het woonhuis zou voor de Gierzwaluw (Apus apus) mogelijk geschikt kunnen zijn, hiervoor dienen er drie veldbezoeken plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli rond de avondschemer. Het aanwezige eksternest zou gebruikt kunnen worden door vogels met een vaste verblijfplaats zoals Sperwer (Accipiter nisus) of Havik (Accipiter gentilis). Ook zou de Steenuil (Athene noctua) of Kerkuil (Tyto alba) een verblijfplaats in het plangebied kunnen hebben. Aanvullend onderzoek naar de Sperwer en Havik vind plaats middels drie veldbezoeken in de periode 1 maart tot en met 15 juli. Onderzoek naar de Kerkuil en de Steenuil wordt uitgevoerd middels drie avondbezoeken in de periode 1 januari tot en met 10 juli. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van de functionele leefomgeving van marterachtigen.
Voor de Steenmarter (Martes foina) is nader onderzoek benodigd met behulp
29
4x QS Hoekse Waard
van wildcamera’s. Dit zijn infrarood camera’s die beginnen met opnemen zodra ze beweging en/of een warmtebron detecteren. Op deze manier kunnen dieren op een minder arbeidsintensieve manier en zonder stress in hun natuurlijke habitat bestudeerd worden. De camera’s dienen op verschillende locaties in het onderzoeksgebied ingezet te worden gedurende zes weken tussen 1 maart en 31 augustus. Tijdens deze bezoeken zal ook naar sporen gezocht worden. Voor de Bunzing, Hermelijn en Wezel gelden er in ZuidHolland geen andere verplichtingen dan de zorgplicht. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: •
Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;
•
in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.
30
4x QS Hoekse Waard
Plangebied 2, s’ Gravendeel: Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet met zekerheid uitgesloten worden. De bebouwing is door alle kieren en openingen geschikt om door meerdere soorten vleermuizen zoals de Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) gebruikt te worden als verblijfplaats. Vanwege het ontbreken van een geschikte spouwmuur is het onwaarschijnlijk dat het pand gebruikt wordt als massawinterverblijfplaats. Om deze redenen dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol (2021) uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek moet bestaan uit vijf vleermuisinventarisaties die in de periode half mei tot en met eind september uitgevoerd worden. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar namelijk een netwerk van verschillende verblijfplaatsen (i.e. kraamplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf, (massa) winterverblijfplaats). Het vleermuisprotocol stelt daarom dat vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de functies, die de bebouwing mogelijk jaarrond voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn.
Vogels met een vaste verblijfplaats Het woonhuis zou door de Huismus (Passer domesticus) gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. Daarnaast zou de aanwezige begroeiing kunnen fungeren als een essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving. Hierdoor dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot en mat 20 juni met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Voor de Gierzwaluw (Apus apus) dienen er drie veldbezoeken plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli rond de avondschemer. Het plangebied is niet geschikt voor uilen aangezien er geen openingen zijn aangetroffen waardoor uilen de bebouwing zouden kunnen betreden. Ook zijn er binnen het plangebied geen nesten van kraaiachtigen aangetroffen. Aanwezigheid van uilen en andere vogels met een vaste verblijfplaats valt dan ook uit te sluiten. Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er voor deze soorten geen andere verplichtingen dan de zorgplicht. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van de functionele leefomgeving van marterachtigen. Voor Steenmarter (Martes foina) is nader onderzoek benodigd met behulp van wildcamera’s. Dit zijn infrarood camera’s die beginnen met opnemen zodra ze beweging en/of een warmtebron detecteren.
Op deze manier kunnen dieren op een minder arbeidsintensieve manier en zonder stress in hun natuurlijke habitat bestudeerd worden. De camera’s dienen op verschillende locaties in het onderzoeksgebied ingezet te worden gedurende zes weken tussen 1 maart en 31 augustus. Tijdens deze bezoeken zal ook naar sporen gezocht worden. 31
4x QS Hoekse Waard
Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: •
Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;
•
in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.
32
4x QS Hoekse Waard
Plangebied 3, Oud-Beijerland: Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet met zekerheid uitgesloten worden. De bebouwing is door alle kieren en openingen geschikt om door meerdere soorten vleermuizen zoals de Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) gebruikt te worden als verblijfplaats. Het is onwaarschijnlijk dat het pand als massawinterverblijfplaats gebruikt wordt. Om deze redenen dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol (2021) uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek moet bestaan uit vijf vleermuisinventarisaties die in de periode half mei tot en met eind september uitgevoerd worden. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar namelijk een netwerk van verschillende verblijfplaatsen (i.e. kraamplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf, (massa) winterverblijfplaats). Het vleermuisprotocol stelt daarom dat vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de functies, die de bebouwing mogelijk jaarrond voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Vogels met een vaste verblijfplaats Het woonhuis zou door de Huismus (Passer domesticus) gebruikt kunnen worden als verblijfplaats.
Daarnaast zou de aanwezige begroeiing kunnen fungeren als een essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving. Hierdoor dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot en met 20 juni met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Het plangebied biedt echter geen mogelijkheid voor verblijf van Gierzwaluw (Apus apus), aangezien er geen gierzwaluwgeschikte openingen in het gebouw met vrije aanvliegroute beschikbaar zijn binnen het plangebied. Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van andere vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Vanuit de Wet natuurbescherming gelden er voor deze soorten geen andere verplichtingen dan de zorgplicht. Grondgebonden zoogdieren Omdat het plangebied mogelijk onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van kleine marterachtigen is er voor deze soorten nader onderzoek benodigd met behulp van wildcamera’s. Dit zijn infrarood camera’s die beginnen met opnemen zodra ze beweging en/of een warmtebron detecteren. Op deze manier kunnen dieren op een minder arbeidsintensieve manier en zonder stress in hun natuurlijke habitat bestudeerd worden. De camera’s dienen op verschillende locaties in het onderzoeksgebied ingezet te worden gedurende zes weken tussen 1 maart en 31 augustus.
Tijdens deze bezoeken zal ook naar sporen gezocht worden.
33
4x QS Hoekse Waard
Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: •
Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;
•
in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.
34
4x QS Hoekse Waard
Plangebied 4, Mijnsheerenland: Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet met zekerheid uitgesloten worden. De bebouwing is door alle kieren en openingen geschikt om door meerdere soorten vleermuizen zoals de Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) gebruikt te worden als verblijfplaats. Het is onwaarschijnlijk dat het pand als massawinterverblijfplaats gebruikt wordt. Om deze redenen dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol (2021) uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek moet bestaan uit vijf vleermuisinventarisaties die in de periode half mei tot en met eind september uitgevoerd worden. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar namelijk een netwerk van verschillende verblijfplaatsen (i.e. kraamplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf, (massa) winterverblijfplaats). Het vleermuisprotocol stelt daarom dat vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de functies, die de bebouwing mogelijk jaarrond voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Vogels met een vaste verblijfplaats Het woonhuis zou door de Huismus (Passer domesticus) gebruikt kunnen worden als verblijfplaats.
Daarnaast zou de aanwezige begroeiing kunnen fungeren als een essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving. Hierdoor dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot en mat 20 juni met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Voor de Gierzwaluw (Apus apus) dienen er drie veldbezoeken plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli rond de avondschemer. Aanwezigheid van uilen en andere vogels met een vaste verblijfplaats valt uit te sluiten. Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er voor deze soorten geen andere verplichtingen dan de zorgplicht. Grondgebonden zoogdieren De bebouwing binnen het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats en/of functionele leefomgeving voor marterachtigen. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld:
35
4x QS Hoekse Waard
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;
•
in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.
36
Referenties
Database NWC Ravon.nl Telmee.nl Vlindernet.nl Zoogdiervereniging.nl
Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels beschermd en onderstaande soorten uit overige soortgroepen:
Amfibieën Alpenwatersalamander Bastaard kikker1 Boomkikker Bruine kikker1 Geelbuikvuurpad Gewone pad1
Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander1 Knoflookpad Meerkikker1 Middelste groene kikker
Poelkikker Rugstreeppad Vinpootsalamander Vroedmeesterpad Vuursalamander
Grote vos Grote vuurvlinder Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder Moerasparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Sleedoornpage
Spiegeldikkopje Tijmblauwtje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren maan Zilverstreephooibeestje
Dagvlinders Aardbeivlinder Apollovlinder Bosparelmoervlinder Boszandoog Bruin dikkopje Bruine eikenpage Donker pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote parelmoervlinder
Haften Oeveraas
Kevers Brede geelrandwaterroofkever Gestreepte waterroofkever Juchtleerkever
Vermiljoenkever Vliegend hert
Kreeftachtigen Europese rivierkreeft
Landzoogdieren Aardmuis1 Bever Boommarter Bosmuis1 Bunzing3 Damhert Das Dwergmuis1 Dwergspitsmuis1 Edelhert Eekhoorn Egel1 Eikelmuis Gewone bosspitsmuis1
Gewone zeehond Grote bosmuis Haas1 Hamster Hazelmuis Hermelijn3 Huisspitsmuis1 Konijn1 Lynx Molmuis Noordse woelmuis Ondergrondse woelmuis4 Otter Ree1
Rosse woelmuis1 Steenmarter5 Tweekleurige bosspitsmuis4 Veldmuis1 Veldspitsmuis Vos1 Waterspitsmuis Wezel3 Wilde kat Wild zwijn6 Woelrat1 Wolf
Gevlekte Witsnuitlibel
Noordse winterjuffer
Libellen Beekrombout
Bosbeekjuffer Bronslibel Donkere waterjuffer Gaffellibel Gevlekte glanslibel
Gewone Bronlibel Groene glazenmaker Kempense heidelibel Mercuurwaterjuffer Hoogveenglanslibel
Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel Speerwaterjuffer
Kemp´s zeeschildpad Lederschildpad Levendbarende hagedis Muurhagedis
Ringslang Soepschildpad Zandhagedis
Nachtvlinders Teunisbloempijlstaart
Reptielen Adder Dikkopschildpad Gladde slang Hazelworm
Sporenplanten Varens Kleine vlotvaren Blaasvaren Groensteel Schubvaren
Bladmossen Geel schorpioenmos Tonghaarmuts
Vissen Beekdonderpad Beekprik Elrits
Gestippelde alver Grote modderkruiper Houting
Kwabaal Steur
Weekdieren Bataafse stroommossel
Platte schijfhoren
Vaatplanten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Drijvende waterweegbree Echte gamander Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groen nachtorchis
Groenknolorchis Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruipend moerasscherm Kruiptijm Lange zonnedauw Liggende raket Naaldenkervel
Pijlscheefkelk Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubzegge Smalle raai Spits Havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit Zomerschroeforchis
Vleermuizen Baardvleermuis Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis
Grote hoefijzerneus Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis Kleine dwergvleermuis Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis
Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis
Gewone vinvis Griend Grijze dolfijn Kleine zwaardwalvis Narwal Noordse vinvis Orca Potvis
Spitsdolfijn van gray Tuimelaar Walrus Witflankdolfijn Witsnuitdolfijn Witte dolfijn
Zeezoogdieren Bruinvis Bultrug Butskop Dwergpotvis Dwergvinvis Gestreepte dolfijn Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn
1 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies. 2 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Flevoland. 3 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Gelderland, Noord-Holland en
Noord-Brabant. 4 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Zuid-Holland. 5 Voor deze soort geldt enkel in Friesland een vrijstelling. 6 Voor deze soort geldt enkel in Noord-Brabant een vrijstelling.
Bijlage 3: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen
Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.
Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: •
indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;
•
indien vleermuizen aangetroffen zijn.
Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •
er sprake is van een kraamkolonie;
•
er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;
•
er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;
•
de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.
De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.
Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: •
niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);
•
vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.
Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.
Bijlage 4: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rusten verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: •