Bestemmingsplan PDF 20210077 ontwerp 1 - ontwerp bestemmingsplan Tiengemetenpad fase 1b Hoeksche
Tekst van het document
34/84
Algemene waterfauna In het plangebied kunnen algemene zorgplichtsoorten voorkomen. De volgende maatregelen zijn nodig om schade aan individuen of populaties te voorkomen: Bij het droogleggen van sloten dient ervoor gezorgd te worden dat geen vissen, amfibieën en andere waterfauna achterblijven. Dit kan door deze soorten weg te vangen en in een naburige watergang uit te zetten. Dit dient altijd te gebeuren altijd onder begeleiding van een ecoloog. Werkzaamheden in de watergangen dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden in de maanden september‐oktober. Dit is na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën. Bovendien hebben in deze periode vrijwel alle water‐ en oeverplanten zaad gezet. Voor vissen geldt: werk van een dood einde van een watergang naar een verbinding. Werkzaamheden in watergangen tijdens de periode november‐ maart kunnen enkel plaatsvinden als zowel de water‐ Nader onderzoek Noordse Woelmuis Naar aanleiding van de eerder uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming is een nader onderzoek uitgevoerd om te bepalen of de ontheffingsplichtige Noordse woelmuizen binnen het plangebied voorkomen en welke functies het plangebied heeft voor deze soorten.
Tevens is getoetst of sprake is van een overtreding door de geplande ingrepen (aanleg van een fietspad en demping van een deel van het Piershilse Gat voor de aanleg van twee gronddammen met duiker) van één of meer van de verbodsbepalingen van de soortenbescherming uit de Wnb. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting op het bestemmingsplan. Het plangebied bevindt zich in één van de metapopulaties van Noordse woelmuizen in Nederland. In de omgeving zijn er dan ook aanwijzingen dat een levensvatbare netwerkpopulatie aanwezig is. Echter werden tijdens het onderzoek in het plangebied geen Noordse woelmuizen aangetoond. Daarentegen werden twee andere woelmuissoorten (veldmuis en rosse woelmuis) aangetoond, waarvan de veldmuis sterk met de Noordse woelmuis concurreert. Hierdoor is het aannemelijk dat zich in de nabije toekomst geen Noordse woelmuizen op het plangebied zullen vestigen waar deze andere woelmuissoort voorkomt. Door de afwezigheid van de beschermde Noordse woelmuis binnen de planlocatie is er geen sprake van te verwachten negatieve effecten op de populatie‐ontwikkeling van Noordse woelmuizen. De geplande ingrepen zullen dan ook niet tot een overtreding van de Wnb leiden.
Voor de andere algemeen voorkomende soorten en andere (spits)muizensoorten geldt een vrijstelling voor de geplande ingrepen, of zijn deze (spits)muizensoorten respectievelijk niet wettelijk beschermd. Wel is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, zodat ook bij de geplande ingrepen hiermee rekening dient te worden gehouden. Op basis van de geplande werkzaamheden en de resultaten uit het nader onderzoek hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Er zijn geen mitigerende maatregelen nodig om schade aan de populaties van Noordse woelmuizen te voorkomen. Echter werd een opvallend grote diversiteit van (spits)muizensoorten aangetoond, namelijk: vier van zes in Nederland voorkomende muizen, twee van zes in Nederland voorkomende woelmuizen en drie van zes in Nederland voorkomende spitsmuizen – in totaal negen van 18 in Nederland voorkomende soorten (spits)muizen. Daarom adviseren wij om ervoor te zorgen dat deze unieke aangetroffen biodiversiteit behouden blijft.
35/84
Hierbij kan gedacht worden aan: een verbinding te creëren tussen de oever en de ruigte langs het Piershilse Bos – het enige bos in gemeente Hoeksche Waard – in het noorden van het plangebied om een veilig oversteken van muizen (en andere kleine dieren) te bevorderen (bijvoorbeeld door middel van faunapassages); een ecologisch, gefaseerd maaibeheer voor de groenstrook langs de ruigte in het noorden van het plangebied toe te passen (zonder inzet van zware machines); de bestaande vegetatie in het Piershilse Gat, de vegetatie langs de oevers en de ruigtestroken tussen oevervegetatie en akkerland te behouden om het habitat voor de aangetroffen soorten (vooral de dwergmuis) en schuilplekken voor verschillende vogelsoorten en hazen te behouden; de gehele oever natuurvriendelijk te maken en zo de aangetroffen habitatten ook voor de toekomst te behouden; het moerasachtig gebied in het zuiden van het plangebied te laten staan of zelfs te vergroten. Omdat geen ontheffingsplichtige soorten werden aangetoond, zijn deze aanbevelingen niet verplicht. Toch zou het van hoge waarde zijn om deze unieke biodiversiteit en verschillende habitattypes voor de toekomst te behouden. Verder moet te allen tijde de algemene zorgplicht aangehouden worden. Hierbij kan gedacht worden aan: in elk geval één richting op te werken, zodat vluchtroutes voor elk dier altijd mogelijk zijn.
Hierbij dient niet richting dode hoeken gewerkt te worden, maar richting geschikt alternatief habitat, en geef verstoorde of vluchtende dieren hiertoe de ruimte; voor het herstarten van werkzaamheden het gebied nogmaals geheel door te laten lopen door een erkend en kundig ecoloog indien werkzaamheden langere tijd stil komen te liggen. Mogelijk hebben beschermde soorten zich intussen (opnieuw) gevestigd. 4.7.4 Conclusie De beoogde realisatie van het fietspad is op basis van de ecologische QuickScan en het nader onderzoek naar de Noordse Woelmuis uitgebreid met een ecologische zone. Deze zone wordt nader beschreven in paragraaf 2.2.2 2. Bij de gedetailleerde inrichting van de zone wordt rekening gehouden met de doelsoorten van het NNN‐gebied en de kernkwaliteiten van het Piershilse Gat. Met de ecologische zone binnen het NNN‐gebied wordt de beoogde ecologische verbindingszone gerealiseerd, de inrichting van deze zone is er op gericht de natuurwaarde en habitatten te versterken. Voor de diverse soorten zoals opgenomen in de voorgaande paragraaf dienen de aanbevelingen en maatregelen te worden opgevolgd.
36/84
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1
Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
stof
toetsing van
grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van een fietspad zonder gemotoriseerd verkeer mogelijk. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht.
Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.
37/84
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Een fietspad is geen (beperkt) kwetsbaar object. Hierdoor hoeft er niet getoetst te worden aan het aspect externe veiligheid. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
38/84
4.11 Vormvrije m.e.r.‐ beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Het bestemmingsplan heeft betrekking op de aanleg van een fietspad en een ecologische zone. Fietspaden maken geen onderdeel uit van de C‐ en D‐lijst van het Besluit m.e.r. en is hiermee niet m.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig.
39/84
40/84
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Bestemmingsplansystematiek
Het bestemmingsplan is conform SVBP2012 opgesteld, om zodoende digitaal raadpleegbaar en conform de uniforme systematiek raadpleegbaar te zijn. Ook is rekening gehouden met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.2
Planregels
5.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. 5.2.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Natuur De ecologische zone binnen het plangebied is bestemd voor Natuur. Binnen deze bestemming zijn naast behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden, agrarisch medegebruik, extensief recreatief medegebruik, voorzieningen, zoals groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en (onverharde) paden toegestaan. Voor het uitvoeren van werkzaamheden is een vergunningenstelsel opgenomen.
Artikel 4 Verkeer Binnen dit bestemmingsplan is de bestemming Verkeer opgenomen voor het bestemmen van het fietspad. Binnen deze ruime bestemming zijn tevens de wegen en straten e.d. en daarmee samenhangende infrastructuur met een functie die hoofdzakelijk is gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer toegestaan. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 m. Er is voor een klein deel een aanduiding overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan waar behoud, herstel en ontwikkeling van natuur– en landschapswaarden ter plaatse van de aanduiding 'natuur‐ en landschapswaarden' beoogd is.
41/84
Artikel 5 Water De hoofdwatergangen in het plangebied zijn bestemd als 'Water'. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en aanlegsteigers worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter. Artikel 6 Waarde ‐ Archeologie ‐ 3 en Artikel 7 Waarde ‐ Archeologie ‐ 4 Deze archeologische dubbelbestemmingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan '1e herziening Buitengebied 2015'. 5.2.3
Algemene regels
In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen. Artikel 8 Antidubbeltelregel Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Artikel 9 Algemene bouwregels Dit artikel bevat enkele algemene bouwregels, waaronder een regeling voor de minimale afstand van bouwwerken tot zandwallen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden aan het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning onder voorwaarden af te wijken van de bestemmingsregels. Het betreft afwijkingsmogelijkheden ten behoeve van kleine overschrijdingen van maatvoeringen en bouwgrenzen. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een regeling opgenomen die het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid geeft de bestemmingslegging te wijzigen voor gronden waar de bestemmingslegging niet conform de werkelijke situatie is opgenomen.
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat een regeling voor de bescherming van een in het plangebied gelegen molenbiotoop. Er is tevens een aanduiding opgenomen voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van‐ een ecologische verbindingszone, ter plaatse van de aanduiding 'zoekgebied ecologische verbindingszone' en de ecologische hoofdstructuur ter plaatse van de aanduiding ‘ecologische hoofdstructuur’.
42/84
5.2.4
Overgangs‐ en slotregels
In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs‐ en slotregels aan de orde. Artikel 13 Overgangsrecht De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). Artikel 14 Slotregel Deze regel bevat de titel van het plan.
43/84
44/84
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel‐economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Indien er sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht een exploitatieplan op te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan via: een gemeentelijke grondexploitatie, waarbij er sprake moet zijn van gemeentelijke gronduitgifte; meerwaardesuppletie via de erfpachtcanon; een anterieure overeenkomst met de eigenaar van de ontwikkeling. Natuurontwikkeling en aanleg fietspad betreft geen bouwen en valt niet onder het verplichte kostenverhaal zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Participatie Het tracé voor het Tiengemetenpad is in nauw overleg met bewoners van Piershil en diverse belangenorganisaties tot stand gekomen. Bij het realiseren van het eerste deel van het fietspad van de Spuiweg richting het Piershilsebos is het verlengen van het tracé reeds uitvoerig besproken. Voorliggend bestemmingsplan is tot stand gekomen na een proces met daarin diverse stukken waaronder een pamflet (2017) en een variantenstudie (2018). In de studie is met een groot aantal stakeholders langs de mogelijke routes gesproken en hun ideeën en meningen zijn meegenomen bij de keuze van het tracé. Het pamflet den e variantenstudie zijn opgenomen in bijlage 6 en 7 bij deze toelichting op het bestemmingsplan. In het kader van de studie zijn gesprekken gevoerd met grondeigenaren en vertegenwoordigers van betrokken organisaties. Verslagen van deze gesprekken zijn opgenomen in bijlage A bij de variantenstudie. Zeer recent is nog gesproken met omwonenden, HWL, grondeigenaren en de partijen in de projectgroep. De projectgroep bestaat uit onder andere: De gemeente Hoeksche Waard, Staatsbosbeheer, provincie Zuid‐Holland en Waterschap Hollandse Delta.
45/84
6.2.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept‐ontwerpbestemmingsplan wordt toegezonden aan overlegpartners in het kader van het wettelijk overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro. 6.2.3
Zienswijzen
De formele bestemmingsplanprocedure start met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder kan binnen deze periode een zienswijze indienen.
46/84
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Ontwerp Tiengemetenpad fase 1b met ecologische zone (15‐12‐2021)
Bijlage 2 Milieukundig bodemonderzoek
Bijlage 3 Archeologisch onderzoek
Bijlage 4 Quickscan flora en fauna Tiengemetenpad fase 1b
Bijlage 5 Nader onderzoek Noordse woelmuis
Bijlage 6 Pamflet Tiengemetenpad
Bijlage 7 No regret maatregelen Tiengemetenpad
REGELS
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Tiengemetenpad fase 1b Hoeksche Waard van de gemeente Hoeksche Waard 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML‐bestand NL.IMRO.1963.BPTiengempadf1b22‐ON01 met de bijbehorende regels. 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.6
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.7 bebouwing een of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.8
bestaande afstands‐, hoogte‐, inhouds‐, en oppervlaktematen
de afstands‐, hoogte‐, inhouds‐ en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.9
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.10
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11 bevoegd gezag het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.12
bouwen
het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.
65/84
1.13
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.14
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.15 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
66/84
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is. 2.2
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.4
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.5 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
67/84
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Natuur
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden; b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden; c. agrarisch medegebruik; d. extensief recreatief medegebruik; e. voorzieningen, zoals groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en (onverharde) paden, 3.2
Bouwregels
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd. 3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het diepploegen, diepwoelen of uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,5 m onder maaiveld, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; c. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins wijzigen van de waterstand; d. het verwijderen van landschapselementen; e. het verwijderen van onverharde wegen of paden; f. het aanleggen en/of verharde van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; g. het aanleggen van oeverbeschoeiingen; h. het scheuren van grasland; i. het vellen, rooien en beschadigen van houtgewas; j. het aanleggen van dijken en taluds.
68/84
3.3.2 Uitzonderingen Het in lid 3.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. reeds in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 3.3.3 Toelaatbaarheid De in lid 3.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische (verbindings)zone, de landschappelijke waarden en de natuurwaarden van de gronden.
69/84
Artikel 4
Verkeer
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook; b. fiets‐ en voetpaden; c. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur– en landschapswaarden ter plaatse van de aanduiding 'natuur‐ en landschapswaarden'; d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, duikers, bruggen, straatmeubilair, groen en water. 4.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: e. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
70/84
Artikel 5
Water
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water ten behoeve van de waterhuishouding; b. ondergeschikte groenvoorzieningen; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals duikers en bruggen. 5.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
71/84
Artikel 6
Waarde ‐ Archeologie ‐ 3
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 3' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 6.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de (water)bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; c. het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 3. een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 500 m², dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst en waarbij geen sprake is van graaf‐ of grondbewerkingswerkzaamheden dieper dan 50 cm vanaf het maaiveld. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde ‐ Archeologie ‐ 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 50 cm vanaf het maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, verlagen, baggeren, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e.
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
72/84
6.3.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 6.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 6.2 in acht is genomen; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m²; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. het normale onderhoud betreffen, waarbij onderhoudsbaggerwerkzaamheden aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdiepte; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; f. het gaat om onderhouds‐ en vervangingswerkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper wordt gegraven dan de reeds uitgegraven diepte. 6.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 6.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a.
de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de (water)bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
73/84
Artikel 7
Waarde ‐ Archeologie ‐ 4
7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 4' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 7.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 7.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de (water)bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; c. het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 3. een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 10 ha, dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst en waarbij geen sprake is van graaf‐ of grondbewerkingswerkzaamheden dieper dan 50 cm vanaf het maaiveld. 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde ‐ Archeologie ‐ 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 50 cm vanaf het maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, verlagen, baggeren, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e.
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
74/84
7.3.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 7.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 7.2 in acht is genomen; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m²; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. het normale onderhoud betreffen, waarbij onderhoudsbaggerwerkzaamheden aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdiepte; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; f. het gaat om onderhouds‐ en vervangingswerkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper wordt gegraven dan de reeds uitgegraven diepte. 7.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 7.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a.
de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de (water)bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
75/84
76/84
Hoofdstuk 3 Artikel 8
Algemene regels
Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
77/84
Artikel 9
Algemene bouwregels
9.1 Bestaande maten Voor een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande maten afwijken van de maatvoeringregels in de bouwregels van de betreffende bestemming, gelden ter plaatse van de afwijking die afwijkende maten als regels voor de maatvoering, met dien verstande dat: a. bestaande maten die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen ter plaatse van de afwijking als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. bestaande maten die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen ter plaatse van de afwijking als minimaal toelaatbaar worden aangehouden; c. ingeval van herbouw is dit lid onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde locatie plaatsvindt; d. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken niet van toepassing.
78/84
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
10.1 Algemeen Het bevoegde gezag kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds een omgevingsvergunning om af te wijken kan worden verleend – middels een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, telefooncellen en naar aard en omvang gelijk te stellen bouwwerken – daaronder niet begrepen verkooppunten voor motorbrandstoffen –, mits deze bouwwerken geen grotere (goot‐ of boeibord)hoogte dan 2,5 m en geen grotere oppervlakte dan 20 m² hebben; c. de bouw van transformatorhuisjes, mits deze bouwwerken geen grotere goot‐ of boeibordhoogte dan 3,5 m en geen grotere inhoud dan 50 m³ hebben; d. de bouw van straatmeubilair en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die om waterstaatkundige of verkeersredenen noodzakelijk zijn, zoals duikers of keermuren, mits de hoogte niet meer dan 2,5 m bedraagt; e. de bouw van lantaarnpalen, vlaggenmasten en antennemasten, mits deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte niet meer dan 15 m bedraagt. De omgevingsvergunning voor het afwijken wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
79/84
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
11.1 Overschrijding bouwgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
80/84
Artikel 12
Algemene aanduidingsregels
12.1 Molenbiotoop In afwijking van hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ molenbiotoop' de volgende regels: a. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing of beplanting opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. gelegen binnen de bebouwingscontour en binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing of beplanting opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek; c. gelegen buiten de bebouwingscontour en binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing of beplanting opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/100 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek; Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van dit lid onder a, indien: 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; 2.
toepassing van de in dit lid onder a bedoelde afstands‐ en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing of beplanting onevenredig zouden schaden; 3. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m c, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2. 12.2 Zoekgebied ecologische verbindingszone De verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied ecologische verbindingszone’. 12.3 Ecologische hoofdstructuur Het behoud en het beheer van de ecologische hoofdstructuur, ter plaatse van de aanduiding ‘ecologische hoofdstructuur’.
81/84
82/84
Hoofdstuk 4 Artikel 13
Overgangs‐ en slotregels
Overgangsrecht
13.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder lid a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%; c. het onder lid a bepaalde is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2
Overgangsrecht gebruik
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
83/84
Artikel 14
Slotregel
Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan Tiengemetenpad fase 1b Hoeksche Waard'.
84/84
VERBEELDING
Molendijk
(nlw)
V Molendijk
43
45
43A
WR-A4
41
Alexand
Willem-
10
8
t
erstraa
14
12
16
6 4
2 52 50 Beatrixstraat
39
WA
48 46 3
5
7
15
13
11
9
1
44
tstraat
42
Margrie
10 6
4
8
2 40
37
52
N Molendijk
50 38
48
31A
V
5
3
1
7
9
46 44
astraat Christin
35
42 40 Koning
Beatrixstraat
in Julia
38 36
nastra
1A 36
at
34 32
33 34
WR-A3
WR-A4 N
27 32
25
31
29H
23
29G 29F 29E 29D 29C 29B 29A
30
21 19 17
Molendijk
29J
9
7
5
3
15
1
28
13 aat Irenestr
27
11 25 2
26
4
8
6
10
12
6
4
9
24
Beatrixstraat
23 21
32
22 20
28
12
18
19
10
14
16
8
2
Beatrixstraat
26 17 8
Molendijk
15 13
30
1
11
4 9
15
3
7
2 17
5 3
1
3
13
7 1
9
5
11
t
1-1A
Voorstraa
2
22B-22E 6
22C-22D
4
8 12
14
4
8
6
10A 10
18
12 10B
14
12A
2 16 24
16 18 22A 1-1A
Kade 3
4
6
5
Plangebied 8
Plangrens
12
Enkelbestemmingen
WA
N
Natuur
V
Verkeer
WA
Water
14
18 Sluisje
20
WR-A3
Waarde - Archeologie 3
WR-A4
Waarde - Archeologie 4
sdijk
Dubbelbestemmingen
64
22
Gebiedsaanduidingen
7
24
66
overige zone - ecologische hoofdstructuur overige zone - zoekgebied ecologische verbindingszone 26
9
6
vrijwaringszone - molenbiotoop 68
Functieaanduidingen N
(nlw)
natuur- en landschapswaarden
28
11
jk esdi
j Sluis
32
8
WR-A4
GEMEENTE HOEKSCHE AARD
WR-A3
Tiengemetenpad fase 1b 12
bestemmingsplan V
Steegjesdijk
Steegjesdijk
5
PROJECT
20210077
FORMAAT
B1
SCHAAL
1:1000
KAART
1/1
Vastgesteld
GETEKEND
P. Fijneman
Ontwerp
24-05-2022
IDN
NL.IMRO.1963.BPTiengempadf1b22-ON01
Concept
25-03-2022
19
1
RHO ADVISE RS
info@rho.nl www.rho.nl 3
15-17
34
N