Bestemmingsplan PDF 20210077 ontwerp 1 - ontwerp bestemmingsplan Tiengemetenpad fase 1b Hoeksche
Tekst van het document
TIENGEMETENPAD FASE 1B Hoeksche Waard 24 mei 2022
1/1
Tiengemetenpad fase 1b Hoeksche Waard Hoeksche Waard
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1963.BPTiengempadf1b22‐ON01
25‐03‐2022 24‐05‐2022
concept ontwerp vastgesteld
projectnummer:
44001646.20210077
Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Vigerend plan
9
1.4
Leeswijzer
10
Planbeschrijving
11
2.1
plangebied en omgeving
11
2.2
Beoogde ontwikkeling
11
Beleid
15
3.1
Rijksbeleid
15
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
16
3.3
Gemeentelijk beleid
21
3.4
Conclusie
22
Omgevingsaspecten
23
4.1
Verkeer
23
4.2
Geluid
24
4.3
Bodemkwaliteit
24
4.4
Archeologie
25
4.5
Water
26
4.6
Bedrijven en milieuhinder
30
4.7
Ecologie
30
4.8
Luchtkwaliteit
37
4.9
Externe veiligheid
38
4.10
Kabels en leidingen
38
4.11
Vormvrije m.e.r.‐ beoordeling
39
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
41
5.1
Bestemmingsplansystematiek
41
5.2
Planregels
41
Uitvoerbaarheid
45
6.1
Economische uitvoerbaarheid
45
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
3/84
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Ontwerp Tiengemetenpad fase 1b met ecologische zone (15‐12‐2021
Bijlage 2
Milieukundig bodemonderzoek
Bijlage 3
Archeologisch onderzoek
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna Tiengemetenpad fase 1b
Bijlage 5
Nader onderzoek Noordse woelmuis
Bijlage 6
Pamflet Tiengemetenpad
Bijlage 7
No regret maatregelen Tiengemetenpad
Regels Inleidende regels
65
Artikel 1
Begrippen
65
Artikel 2
Wijze van meten
67
Bestemmingsregels
68
Artikel 3
Natuur
68
Artikel 4
Verkeer
70
Artikel 5
Water
71
Artikel 6
Waarde ‐ Archeologie ‐ 3
72
Artikel 7
Waarde ‐ Archeologie ‐ 4
74
Hoofdstuk 3
Algemene regels
77
Artikel 8
Antidubbeltelregel
77
Artikel 9
Algemene bouwregels
78
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
79
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
80
Artikel 12
Algemene aanduidingsregels
81
Hoofdstuk 4
Overgangs‐ en slotregels
83
Artikel 13
Overgangsrecht
83
Artikel 14
Slotregel
84
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
4/84
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De (recreatieve) fietsnetwerken op Voorne‐Putten en de Hoeksche Waard zijn op zichzelf vrijwel op orde. Wat opvalt, is dat een doorgaande route tussen beide eilanden ontbreekt. Om deze ontbrekende schakel te corrigeren, wordt het Tiengemetenpad aangelegd. Hiermee komt er tegelijkertijd een fietsverbinding van noord naar zuid in de Hoeksche Waard. Het tracé van het Tiengemetenpad verbindt de eilanden Tiengemeten en Voorne‐Putten en loopt van de regio Rotterdam/Den Haag via Piershil naar de aanlegplaats van de pont naar Tiengemeten nabij Nieuwendijk. Fietsers fietsen straks zoveel mogelijk ongehinderd richting Tiengemeten. Het fietspad vult het bestaande hoofdfietsnetwerk aan. Het beoogt het bestaande netwerk te verbeteren door ingrepen op strategische plekken en het aantal ontbrekende schakels te verminderen. Een van deze ontbrekende schakels betreft het deel bij de kern Piershil. Om precies te zijn tussen de Steegjesdijk en het eerder aangelegde pad ter hoogte van het Piershilsebos. Naast de ontwikkeling van een fietspad wordt hier tevens uitvoering gegeven aan de ecologische verbindingszone die als zoeklocatie is opgenomen door de provincie Zuid‐Holland. Dit is echter niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Om dit deel van het fietspad en de ecologische verbindingszone mogelijk te maken, dient een nieuw juridisch‐planologisch kader te worden opgesteld.
Voorliggend bestemmingsplan zorgt voor een planologisch kader waarbinnen de ontwikkeling gerealiseerd kan worden.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt ten westen van Piershil in de gemeente Hoeksche Waard en loopt van de Steegjesdijk (nabij steegjesdijk 12 Goudswaard) richting het noorden langst de watergang 'Piershilse Gat' tot het bestaande fietspad ten oosten van het Piershilsebos. De exacte ligging van het plangebied fase 1 b is weergegeven op figuur 1.1.
7/84
Figuur 1.1
8/84
Ligging plangebied op luchtfoto (bron: Google Earth)
1.3
Vigerend plan
Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Korendijk' (vastgesteld 25‐06‐2013) voor het overgrote deel de bestemming 'Agrarisch', kleine delen van het plangebied hebben de bestemming 'Bos', 'Water' en 'Verkeer'. Op de gronden zijn diverse aanduidingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Op figuur 1.2 is het plangebied aangegeven op het bestemmingsplan Buitengebied Korendijk. De dubbelbestemmingen voor archeologie zijn aangepast in de herziening '1e Herziening Buitengebied 2015' (vastgesteld 17‐03‐2015), hierin heeft het plangebied de dubbelbestemmingen Waarde ‐ Archeologie ‐ 3 en Waarde ‐ Archeologie ‐ 4.
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Korendijk' met het plangebied rood omkaderd (bron ruimtelijkeplannen.nl)
9/84
1.4
Leeswijzer
De voorliggende toelichting beschrijft, aan de hand van de verschillende hoofdstukken, gemotiveerd waarom de beoogde ontwikkeling gebaseerd is op goede ruimtelijke ordening. Verder zijn in deze toelichting de planregels en de verbeelding uitgelegd. In hoofdstuk 2 komt het voorgenomen plan aan bod. Het daarop volgende hoofdstuk toetst de ontwikkeling aan het beleidskader. De sectorale aspecten zijn omschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 geeft de juridische planbeschrijving waarin de wijze van bestemmen is uiteengezet. In hoofdstuk 6 is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
10/84
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
plangebied en omgeving
Plangebied en omgeving Het plangebied ligt aan de Steegjesdijk te Goudswaard en is gelegen in de provincie Zuid‐Holland. De begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit delen van agrarische percelen, een bosrand en een watergang met natuurvriendelijke oever. In het noorden bevindt het plangebied zich in de rand van het Piershilse Bos met essenbos op kleigrond, in beheer van Staatsbosbeheer. Op figuur 2.1 is een fotoreportage van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1
2.2
Foto van de huidige situatie (bron quickscan flora en fauna)
Beoogde ontwikkeling
2.2.1 Het fietspad Dit deel van het Tiengemetenpad is circa 1 km lang en 3,5 m breed. Het is niet wenselijk om op dit deel van het Tiengemetenpad gemotoriseerd verkeer toe te staan in verband met de ecologische zone. Het fietspad zal niet worden verlicht en er komen geen extra bomen langst te staan, dit alles om het fietspad op te laten gaan in de omgeving. Ten oosten van het fietspad komt aansluitend op het Piershilse Gat een ecologische verbindingszone. Op figuur 2.2 is de beoogde ontwikkeling weergegeven, deze figuur is tevens in bijlage 1 opgenomen in hogere kwaliteit.
11/84
2.2.2
Ecologische verbindingszone
Het Tiengemetenpad overlapt met het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de voormalige ecologische hoofdstructuur. Dit NNN is nog niet gerealiseerd maar is een opgave van de provincie Zuid‐Holland. Het is eveneens als ambitie opgenomen in het provinciale natuurbeheerplan. In 2017 heeft de provincie de 'Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid‐Holland' laten opstellen door het bureau ATKB, waarin beschreven staat wat de doelstellingen zijn voor deze zones. Dit vormt eveneens de leidraad voor de verdere ecologische randvoorwaarden en de latere invulling van deze zone door de Provincie.
Het inrichten van deze zone is mogelijk door dat het traject van het fietspad om deze zone heen wordt gelegd. De breedte van deze zone zal variëren maar wordt voornamelijk bepaald door de ecologische randvoorwaarden die zowel zijn gebaseerd op literatuurgegevens als op beleidsdoelstellingen van de provincie Zuid‐Holland. Aansluitend op de kreek kunnen twee biotopen naast elkaar worden gerealiseerd. Een natte zone langs te kreek en aansluitend een droge zone tot aan het toekomstige fietspad. Hiermee wordt een robuuste ecologische verbinding gecreëerd. Zeker habitatspecialisten (zoals de noordse woelmuis, eveneens doelsoort van dit gebied), die matig mobiel zijn, hebben baat bij een corridorverbinding, waarbij stapstenen en sleutelgebieden (gebied waar dieren langer kunnen verblijven) verbonden zijn met een doorlopende dispersiecorridor. De doelsoorten van de ecologische verbindingszone zijn benoemd in de Provinciale Nota Ecologische verbindingen voor het Piershilse Gat. Als de literatuurgegevens samen worden genomen met de doelstellingen die benoemd zijn in de Provinciale Nota Ecologische Verbindingen, dan is het wenselijk om een minimale breedte van 25 m aan te houden met een streven naar 50 m. Een bredere zone dan 25 m is wenselijk als er meerdere biotopen (natte en drogeren biotoop) gerealiseerd dienen te worden zodat meerdere doelsoorten hiervan gebruik kunnen maken.
Zeker voor habitatspecialisten, zoals bijvoorbeeld de noordse woelmuis, de otter of grote zoogdieren die een groter leefgebied gebruiken, is dit belangrijk. Ook voor vlinders, amfibieën en andere vliegende insecten kan deze breedte aanhouden worden. Het fietspad komt dan direct aan deze ecologische verbindingszone te liggen.
12/84
Figuur 2.2 Ontwerp van het fietspad en de ecologische zone (bron: gemeente Hoeksche Waard).
13/84
2.2.3
Inpassing in het landschap
Het fietspad volgt het water 'Piershilse Gat' en volgt hiermee het landschap, door het ontbreken van bomen, lantaarnpalen en andere bouwwerken gaat het pad op in de omgeving. Ook worden er op deze manier geen obstakels en elementen veranderd voor dieren.
14/84
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is.
Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is, met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, te ontspannen en tot onszelf kunnen komen; zowel in de stad als daar buiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem‐verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
15/84
Barro Voor de doorwerking van de Rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van ruimtelijke plannen. Toetsing beoogde ontwikkeling Het realiseren van een recreatief fietspad draagt bij aan het doel van de NOVI om ruimte te bieden aan beweging en ontspanning in de openbare ruimte. Daarnaast zijn er geen Rijksbelangen vanuit het Barro die strijdig zijn met het voornemen. 3.1.2
Conclusie Rijksbeleid
Het creëren van een recreatieve fietsroute is in lijn met het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid‐Holland Herziening 2021
In de omgevingsvisie zijn voor het aanleggen van een recreatief fietspad en een ecologische zone drie delen van de omgevingsvisie van belang: Landschappen, Sport, recreatie en water‐ en groenbeleving en Vaker en verder fietsen. Landschappen De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in stand houden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten. De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding en versterking van de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Water en groen leveren een belangrijke bijdrage aan opgaven als waterberging, hittestress en gezondheid.
In een omgeving die steeds verder verstedelijkt, is een aantrekkelijke buitenruimte, zowel binnen als buiten de stad, van groot en toenemend belang als vestigingsfactor voor bewoners en bedrijven. Het is daarom belangrijk dat de onbebouwde ruimte in en tussen de steden aantrekkelijk en herkenbaar blijft. Er zijn maar weinig stedelijke regio's in Europa met zo veel verschillende landschappen in de buurt van de steden. Het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap hangt samen met de ruimtevraag van een aantal functies, zoals bijvoorbeeld recreatie, agrarisch ondernemerschap, natuur, de waterhuishouding, energiewinning, wonen en bedrijvigheid. Door op bovenregionaal niveau af te stemmen hoeven niet alle functies op gelijke manier in ieder gebied te landen, maar kunnen afhankelijk van de kwaliteiten en draagkracht van het landschap, de functies evenwichtig verdeeld en waar mogelijk gecombineerd worden.
16/84
De provincie Zuid‐Holland heeft zowel cultuurlandschappen als natuurlandschappen. Cultuurlandschappen kenmerken zich doordat het land door de mens gemaakt is en veelal is ingericht voor landbouwkundig gebruik. In heel Zuid‐Holland horen daar onmiskenbaar alle kunstwerken bij die het leven beneden NAP mogelijk maken, zoals duinen, dijken, dammen, (water)molens, stuwen en gemalen. Natuurlandschappen hebben nog steeds een relatief hoog natuurlijk karakter. Uniek voor Zuid‐Holland is de combinatie van deltalandschappen: het kustlandschap, het veenlandschap en het rivierdeltalandschap en het altijd nabije stedelijk landschap. Deze landschappen zijn ontstaan op het grensvlak van zout en zoet, van land, zee en rivieren. Ze vormen de grondslag voor de identiteit van Zuid‐Holland. Voor elk landschapstype zijn richtpunten opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt richting gegeven aan de manier waarop ontwikkelingen ingepast kunnen worden in de verschillende landschappen en hoe de ruimtelijke kwaliteit behouden of versterkt kan worden. Er wordt ook richting gegeven aan de manier waarop landschappen aangepast of getransformeerd kunnen worden. Structuurdragers zoals linten, dijken, water en infrastructuur bepalen in hoge mate de landschappelijke identiteit van Zuid‐Holland.
Algemeen geldende richtpunten voor de ruimtelijke kwaliteit zijn: verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones; ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Het gaat hierbij om aardkundige waarden die door de natuur tot stand zijn gekomen; waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Genoemde archeologische waarden betreffen door de mens gemaakte fenomenen; nieuwe ontwikkelingen dienen te passen binnen de structuur van het landschap; nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur; waar mogelijk worden de cultuurhistorische waarden meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Sport, recreatie en water‐ en groenbeleving De provincie streeft naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed en ontwikkelt en verbindt hiervoor onder meer met name de uit een oogpunt van belevingswaarde bijzonder waardevolle gebieden inzake landschap (o.a. Bijzonder Provinciaal Landschap Midden‐Delfland), water en natuur (o.a.
Hollands Plassengebied en onze Nationale Parken NL Delta en Hollandse Duinen) en verbindt sportief en recreatief de groenblauwe netwerken in en om de stad. De provincie draagt samen met partners zorg voor het beheer van recreatiegebieden, ‐netwerken en ‐voorzieningen, waaronder de recreatieve netwerken voor varen, fietsen, wandelen en paardrijden en streeft ernaar deze voor sport geschikter te maken. In het bedrijvige en dichtbevolkte Zuid‐Holland dient er ook ruimte te zijn voor ontspanning en voor sport en recreatie. De provincie zet daarom samen met partners in op een in omvang en kwaliteit goed netwerk en goede voorzieningen, locaties en gebieden voor sport en recreatie. Ons recreatieve routenetwerk (voor fietsen, wandelen, varen en ruiters en menners) speelt daarbij een belangrijke rol. In omvang en kwaliteit optimale sport‐ en recreatiemogelijkheden dragen bij aan een goed en gezond leef‐, woon‐ en vestigingsklimaat en aan (ook spreiding van) toerisme. Kansrijke verbindingen zijn er met diverse andere maatschappelijke opgaven als natuur, erfgoed, economie, toerisme en klimaat.
17/84
Met de decentralisatie (2012) van het Rijksrecreatiebeleid (RodS) is de provinciale verantwoordelijkheid voor het recreatiebeleid uitgebreid. De provincie was reeds verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud voor de recreatiegebieden buiten de stad. De locaties, voorzieningen, gebieden, wateren en netwerken waarin en waarlangs onze bewoners sporten en recreëren, waaronder onze groenblauwe structuur en recreatieve routestructuren, liggen in een groot deel van de provincie en zijn vaak gemeentegrensoverschrijdend. Het behouden en versterken van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen. Vaker en verder fietsen Inwoners en bezoekers maken vaker gebruik van de fiets en leggen langere afstanden met de (elektrische) fiets af, zowel in het dagelijks gebruik als voor recreatieve ritten. We stimuleren gemeenten om hun leefomgeving zo fiets(‐ en wandel)vriendelijk mogelijk in te richten. We zetten in op het verbeteren en aanleggen van veilige fiets‐ en wandelpaden en snelfietsroutes en hebben oog voor de landschappelijke inpassing en ketenvoorzieningen. Zuid‐Holland is koploper van alle provincies met 5.500 km fietspad. We zijn ook de provincie met de hoogste dichtheid aan fietspaden.
Alle ruimte dus voor de fiets! Zo'n 30% van alle reizen in Zuid‐Holland, korter dan 15 km, wordt op de fiets gemaakt. Het fietsgebruik neemt toe, vooral in de steden. Mensen kiezen dus vaker voor de fiets. Daarnaast zien we nog een trend. Inmiddels worden er meer E‐bikes verkocht dan 'gewone' fietsen. E‐bikes worden niet alleen gebruikt voor recreatieve tochten, maar steeds meer voor woon‐werkverkeer en op weg naar scholen en universiteiten. Met de E‐bike zijn afstanden tot 15 km makkelijker afgelegd. Daarmee wordt de fiets voor veel mensen een alternatief voor OV en auto in het dagelijks gebruik. De fiets heeft een aanzienlijk aandeel in de bereikbaarheid van Zuid‐Holland. Interlokale fietsverbindingen, provincie brede beleidsvorming, fietsroutes in provinciaal beheer en planologische ontwikkeling vragen om een visie op de fiets als onderdeel van het mobiliteits‐ en ruimtelijk beleid van Zuid‐Holland. Toetsing Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van een recreatieve fietsroute en het realiseren van een ecologische verbindingszone, het betreft hier geen gemeentegrens overstijgend fietspad, het gehele Tiengemetenpad kan wel als zodanig worden aangemerkt door de verbinding met Voorne Putten. Met deze route wordt het recreatieve fietsnetwerk vergroot en dit draagt bij aan de beleving van het landschap.
De ecologische verbindingszone versterkt de identiteit van het landschap en vergroot de biodiversiteit en kwaliteit van het landschap. Het fietspad en de ecologische zone sluiten hiermee aan bij de omgevingsvisie.
18/84
3.2.2
Omgevingsverordening (geconsolideerd koers 2021)
1. In samenhang met de omgevingsvisie is de omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1.
een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. 2. Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën zijn een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden. 3. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom‐ en sierteelt; 2. wegnemen van verharding; 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert; b.
de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken. Ad 4 tot en met 7 zijn niet relevant.
19/84
Toetsing Het realiseren van een fietsroute door het huidige agrarische gebied en de ecologische zone passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Er worden geen gebouwen gerealiseerd of verlichting aangebracht met betrekking tot de ontwikkeling waardoor de openheid van het landschap gewaarborgd blijft en de ecologische kenmerken van het gebied worden hersteld en/of versterkt . Het plangebied is aangewezen op kaart 14 (figuur 3.1) met beschermingscategorie 1, het gaat hier over het realiseren van een regionaal fietsnetwerk waardoor moet worden voldaan aan lid 3 sub a en b. In dit geval wordt binnen het plangebied de natuurwaarde door de ecologische zone verbeterd. Dit is conform de doelstelling van de beschermingszone. In paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op de ecologische zone en de landschappelijke inpassing.
Figuur 3.1 Uitsnede Kaart 14: Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
20/84
3.2.3
Fietsplan Zuid‐Holland 2016‐2025
De provincie Zuid‐Holland heeft in 2016 een fietsplan opgesteld waarin de fietsambities voor 2025 genoemd worden. Op basis van een participatieproject zijn drie fietsambities geformuleerd: 1. vaker en verder op de fiets; 2. veilig op de fiets; 3. innovatieve, energieneutrale fietspaden. Een speerpunt uit deze ambities is het optimaliseren van het fietsnetwerk. In de 'Uitvoeringsagenda Fiets' is een concrete uitwerking van het fietsplan opgenomen. De Uitvoeringsagenda beschrijft een aantal opgaven waar de provincie met diverse partners de komende jaren aan werkt. Dit is uitgewerkt in 3 thema's. Eén van deze thema's is het ervoor zorgen dat fietsers sneller, veiliger en makkelijker van A naar B kunnen. Toetsing De aanleg van de beoogde fietsroute wordt niet genoemd in dit beleidsplan als bestaand project. De fietsroute draagt echter wel bij aan het verbeteren van het fietsnetwerk. 3.2.4
Conclusie provinciaal beleid
Het planvoornemen sluit aan bij het provinciale programma naar het verbeteren van de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid en sluit hiermee aan bij de omgevingsvisie. De ontwikkeling sluit aan bij de huidige gebiedsidentiteit en hiermee met de omgevingsverordening. De ontwikkeling van de fietsroute zal bijdragen aan het optimaliseren van het fietsnetwerk en sluit hiermee aan op het fietsplan van de provincie Zuid‐Holland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard De gemeente Hoeksche Waard heeft een Omgevingsvisie voor het gehele grondgebied opgesteld. De Omgevingsvisie biedt handvatten en inspiratie aan iedereen die een bijdrage wil leveren aan de Hoeksche Waard. Dat noemen ze Waardmaken. Ten aanzien van bereikbaarheid stelt men het volgende. Bereikbaar, nabij en toegankelijk De afgelopen jaren is de bereikbaarheid steeds meer onder druk komen te staan. Het college wil daarom de komende jaren een forse inhaalslag maken met de in‐ en externe bereikbaarheid. Hoe gaan we dit bereiken? De aanleg van infrastructuur is vooral een zaak van overheden. De maatregelen die vanuit Rijk en provincie worden voorgesteld willen we benutten voor het verbeteren van het onderliggende wegennet en versterken van de verbindingen voor fietsverkeer en het openbaar vervoer. Eigen investeringen van de gemeente fungeren zoveel mogelijk als multiplier voor investeringen van andere overheidspartijen zoals provincie, Waterschap en Rijkswaterstaat. Ook voor initiatieven van overheden geldt de Hoeksche Waard als vertrekpunt. De inpassing van eventueel nieuwe infrastructuur werken we uit met onze inwoners.
21/84
Toetsing Het Tiengemetenpad wordt gedeeltelijk gefinancierd door subsidies van andere overheden dan de gemeente. De ecologische zone wordt gefinancierd door de provincie Zuid‐Holland. Het tracé van het fietspad is tot stand gekomen in samenwerking met de bewoners van Piershil. 3.3.2 Fietsplan Hoeksche Waard 2018‐2026 In 2018 stelden de 5 voormalige gemeenten het Fietsplan Hoeksche Waard 2018‐2026 op. Dit fietsplan is gericht op het verbeteren van de bestaande fietsnetwerken, het uitwerken en uitbreiden van ontbrekende schakels in het fietsnetwerk en het toepassen van aanvullende voorzieningen. De gemeente Hoeksche Waard (2019) wil niet alleen veiligere en snellere routes realiseren voor fietsende scholieren en forenzen, maar de Hoeksche Waard ook aantrekkelijker maken voor zowel dagrecreanten als verblijfsrecreanten. Toetsing Het aanleggen van de recreatieve fietsroute levert een actieve bijdrage aan de doelstelling van het fietsplan. 3.3.3 Conclusie gemeentelijk beleid Het aanleggen van de recreatieve fietsroute is in lijn met het gemeentelijke beleid.
3.4
Conclusie
De aanleg van een recreatief fietspad en ecologische verbindingszone dat onderdeel uitmaakt van een groter netwerk is in lijn met zowel het Rijks‐, provinciaal als gemeentelijk beleid.
22/84
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Verkeer
Ontsluiting fietspad Het fietspad dat door middel van voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is onderdeel van het Tiengemetenpad, dit is een recreatieve fietsverbinding tussen de Randstad, Voorne‐Putten en de Hoeksche Waard. Reistijd en comfort Het vrijliggende fietspad komt het fietscomfort ten goede. Fietsers kunnen ongehinderd snelheid maken op een voor de fietsers ingerichte verkeersruimte. Alleen ter hoogte van de kruisingen moet rekening gehouden worden met het gemotoriseerde verkeer. Ontwerp fietspad in relatie tot verkeersveiligheid Conform de richtlijnen zoals opgenomen in de CROW ontwerpwijzer fietsverkeer is het voor gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom (60 km/h of 80 km/h) niet wenselijk dat fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer. Het voornemen om een vrijliggend fietspad te realiseren voldoet daarom aan de richtlijnen. Met betrekking tot de verkeersveiligheid zijn de locaties waar gekruist moet worden met het gemotoriseerde verkeer van belang. Binnen het plangebied is dit formeel niet aan de orde omdat het fietspad voor de kruising aansluit op de bestaande infrastructuur. Echter volledigheidshalve wordt wel ingegaan op dit aspect. Fietsers moeten voorrang verlenen aan het gemotoriseerde verkeer. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.
In situaties buiten de bebouwde kom ligt de snelheid van het gemotoriseerde verkeer dermate hoog dat automobilisten het kruispunt met hoge snelheid naderen en daarbij de situatie niet altijd even goed kunnen inschatten. Fietsers hebben met hun lage naderingssnelheid beter zicht op de situatie en kunnen daardoor beter inschatten wanneer overgestoken kan worden. Sociale veiligheid Het fietspad ligt grotendeels in landelijk gebied, waar sociale onveiligheid een bedreiging kan vormen. De aandachtspunten zoals verlichting en plaatsing van objecten dragen extra bij aan de sociale veiligheid. Hoofdeisen fietsvriendelijke infrastructuur Het CROW noemt in haar publicatie Ontwerpwijzer Fietsverkeer (publicatie 230) 5 hoofdeisen waaraan fietsvriendelijke infrastructuur moet voldoen, waaraan op de volgende wijze wordt voldaan. 1. Aantrekkelijkheid: beleving en het naast elkaar kunnen fietsen Met een breedte van 4 m kunnen 2 x 2 fietsers elkaar in tegengestelde richting makkelijk passeren. De verbinding geeft zicht op het open agrarisch gebied, waarmee sprake is van een aantrekkelijke beleving. 2. Directheid: het minimaliseren van weerstanden Door de aanleg van het vrijliggende fietspad zijn weerstanden afwezig.
23/84
3. Comfort: het optimaliseren van de mentale belasting en het profiel van vrije ruimte Het fietspad is breed genoeg om twee fietsers twee andere fietsers in tegengestelde richting makkelijk te kunnen passeren. Naast het fietspad staan zo weinig mogelijk obstakels. 4. Veiligheid: de kwetsbaarheid van fietsers zoals genoemd maakt de breedte van het fietspad veilig passeren van fietsers in tegengestelde richting mogelijk. Verlichting waarborgt de sociale veiligheid. 5. Samenhang: de noodzaak van complete en begrijpelijke fietsinfrastructuur De nieuwe fietsverbinding past uitstekend in het gewenste fietspadennetwerk. Conclusie Het vrijliggende fietspad vormt een onderdeel van het Tiengemetenpad. Fietsers hebben op de route een eigen verkeersruimte welke is gescheiden van de rijbaan voor het gemotoriseerde verkeer. Dit komt het comfort en de verkeersveiligheid ten goede. Het fietspad kruist binnen het plangebied geen rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Volledigheidshalve geldt dat vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid het wenselijk is het gemotoriseerd verkeer voorrang te geven op het fietsverkeer. Fietsers hebben met hun lage naderingssnelheid namelijk beter zicht op het naderende kruisingsvlak dan het gemotoriseerde verkeer. Er wordt geen verlichting toegepast langst het fietspad, dit kan voor verstoring van de ecologische zone zorgen.
Vanuit verkeerskundig perspectief zijn er geen bezwaren die de realisatie van het fietspad in de weg staan.
4.2
Geluid
De ontwikkeling van een fietspad is geen geluidsgevoelige functie volgens de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. Gemotoriseerd verkeer is niet toegestaan op het fietspad, er zal derhalve geen uitstralingseffect van gemotoriseerd verkeer optreden. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.3
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
24/84
Onderzoek en conclusie In opdracht van Rho adviseurs heeft IDDS een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd, De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. De conclusie van dit onderzoek is als volgt: De grond is hooguit licht verontreinigd met enkele zware metalen, minerale olie en PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel of naftaleen. De lichte verhogingen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Beperkingen inzake de voorgenomen aanleg van het fietspad en de natuurvriendelijke oever worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.4
Archeologie
Beleid Op 19 januari 2010 stelde de Commissie Hoeksche Waard de archeologische verwachtingenkaart voor de Hoeksche Waard vast. Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van het bodemarchief niet langer bij het Rijk, maar bij de gemeenten. Een archeologische verwachtingskaart kan als leidraad worden gebruikt voor de bescherming van archeologische waarden. Ook kan de kaart gebruikt worden om vast te stellen welk archeologisch onderzoek nodig is bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Deze beleidskaart is overgenomen in het vigerende bestemmingsplan '1e herziening Buitengebied 2015'. Onderzoek en conclusie Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie 3 en 4'. Dit houdt in dat ter plaatse van de bestemming 'Waarde Archeologie ‐ 3' archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een bodemverstoring groter dan 500 m² en ter plaatse van de bestemming 'Waarde Archeologie ‐ 4' archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een bodemverstoring groter dan 10 ha. In opdracht van Rho adviseurs heeft IDDS archeologisch onderzoek uitgevoerd, De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3.
De conclusie van dit onderzoek is als volgt: Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het plangebied alleen afzettingen aanwezig zijn met een lage archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Dit advies dient controleert te worden door het beoordelende bevoegd gezag.
25/84
4.5
Water
Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Provinciale omgevingsvisie; Provinciale omgevingsverordening. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijven zij de doelen die zij tijdens de planperiode 2022‐2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen.
De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die zij in 2027 bereikt willen hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding.
26/84
Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Onderzoek Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied ten westen van Piershil. De locatie beslaat de huidige agrarische gronden. Het gebied is onverhard. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart bestaat de bodem van het plangebied uit lichte klei met een homogeen profiel. Er is sprake van grondwatertrap V met een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 120 cm ‐mv en een laagste grondwaterstand van 40 cm ‐mv. Waterkwantiteit Conform de Legger van het waterschap Hollandse Delta bevindt zich ten oosten van het plangebied een watergang behorende tot de categorie 'hoofdwatergang'. De beschermingszone van een hoofdwatergang betreft 5 m. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
Figuur 4.1
Waterlopen en kunstwerken waterschap Hollandse Delta
Waterkwaliteit Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevindt zich een natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland ten oosten van het plangebied, deze wordt met het plan versterkt.
27/84
Veiligheid en waterkeringen In en om het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied ter hoogte van het beoogde fietspad is momenteel niet aangesloten op de riolering. Toekomstige situatie Algemeen Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een fietspad ten westen van Piershil en parallel aan de hoofdwatergang. Het fietspad zal circa 3.500 m² beslaan. Waterkwantiteit Om de kans op wateroverlast te verkleinen is het van belang om ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Het waterschap Hollandse Delta hanteert een grens van 500 m². Wanneer een ontwikkeling deze grens overschrijdt, dient er voor de verharding gecompenseerd te worden. De locatie is momenteel onverhard. Op 2 plaatsen kruist het fietspad een wegsloot waardoor deze worden gedempt. De dempingen op deze 2 locaties worden voorzien van duikers. De bestaande duikers worden waar nodig verlengd. Voordat met enige demping gestart wordt, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd. Met het oog op ongewenste kwel of inzijging dient de bodemgesteldheid bekeken te worden. In bepaalde situaties kan de goede kwaliteit van kwelwater benut worden.
In watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Ter plaatse van kruisingen van infrastructuur met (hoofd)watergangen gaat de voorkeur uit naar het aanleggen van bruggen in plaats van duikers. De lengte van een duiker mag niet langer zijn dan voor het doel hiervan strikt noodzakelijk is. Een duiker wordt alleen toegestaan indien het verval hierover kleiner is dan 4 mm. Een duiker mag niet kleiner zijn dan rond de 1.000 mm in hoofdwatergangen en rond de 500 mm in niet‐hoofdwatergangen. In het geval van kruisingen met grootschalige infrastructuur en/of bebouwing kan een overkluizing worden overwogen. Hoofdwatergangen dienen te voldoen aan een technisch profiel en hebben een minimale waterdiepte van 1 m bij het laagst vigerend peil, een minimale bodembreedte van 1 m en een talud van 1:2 of flauwer. De maximaal toelaatbare gemiddelde stroomsnelheid voor onbeschoeide watergangen bedraagt: 0,6‐0,8 m/s voor kleigrond, 0,3‐ 0,6 m/s voor zavel en veen, 0,2‐0,5 m/s voor grof zand en 0,15‐0,3 m/s voor fijn zand. Door de realisatie van het fietspad zal het verhard oppervlak toenemen met 3.380 m². Hiervoor dient 338 m² gecompenseerd te worden. Hiernaast wordt een watergang deels gedempt ten behoeve van de aanleg van de fietsroute.
Naast het fietspad wordt de berm ecologisch ingericht, hierbij is natte (plas‐dras) natuur beoogd, dit moet voorzien in de benodigde compensatie. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit de Bouwstoffenbesluit bodem‐ en oppervlaktewaterenbescherming en het Interprovinciaal beleid voor de hygiënisch verantwoorde toepassing van secundaire grondstoffen in werken. Voor beschoeiing zijn alleen niet‐oxydeerbare en niet uitlogende materialen toegestaan.
28/84
Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Natuurvriendelijke oevers hebben een talud van 1:5 of flauwer; afhankelijk van de beschikbare ruimte en functie kan een steiler talud worden toegepast. Grotere waterpartijen en plassen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 m bij streefpeil (mede i.v.m. stabiliteit); plaatselijk zijn verdiepingen van de waterbodem tot een diepte van 2 m gewenst. Bij de inrichting van het watersysteem dient water met een hogere kwaliteit te stromen naar water met een lagere kwaliteit. De aanvoer van water dient zoveel mogelijk te worden beperkt als het aanvoerwater van mindere kwaliteit is dan de kwaliteit van het water binnen het plangebied. Er is voldoende watercirculatie. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling ligt in een kern‐ en beschermingszone van een waterkering. Om in deze zones werkzaamheden te mogen uitvoeren, dient er een ontheffing bij het waterschap aangevraagd te worden. Afvalwaterketen en riolering Het plan betreft een realisatie van een fietspad, hierbij wordt geen afvalwater verwacht. De beoogde ontwikkeling zal niet aangesloten worden op het rioolstelsel. Bij de realisatie van het fietspad zal het hemelwater via de berm in de naastgelegen sloot afstromen. Een zuivering is hierbij niet noodzakelijk.
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of de berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Het functioneren van het huidige wegsysteem mag door de planuitvoering niet verslechteren. De wegbermen dienen zo veel mogelijk vrij te blijven van obstakels niet zijnde objecten die een functionele bijdrage hebben. Conclusie Ten oosten van het plangebied ligt een hoofdwatergang. Om werkzaamheden te mogen uitvoeren in de beschermingszone, dient er een ontheffing bij het waterschap te worden aangevraagd.
Daarnaast dient er ook compensatie plaats te vinden voor de demping en de toename aan verharding, met de aanleg van de ecologische zone wordt natte natuur beoogd dit zorgt voor voldoende compensatie. Hiermee worden negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten.
29/84
4.6
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Onderzoek en conclusie Het beoogde fietspad betreft geen milieugevoelige of ‐hinderlijke functie. Hierdoor hoeft er niet getoetst te worden aan de richtafstanden uit de VNG‐brochure. Dit aspect is voor de onderhavige ontwikkeling niet relevant en vormt geen belemmering.
4.7
Ecologie
4.7.1 Relevant toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NEN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000‐gebieden De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
30/84
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'‐principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
31/84
4.7.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.2). Wel maakt het plangebied deels onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Haringvliet ligt op een afstand van circa 2,2 km en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Voornes Duin bevindt zich op circa 13,5 km (zie figuur 4.2).
Figuur 4.2 NNN‐gebieden en Natura 2000 t.o.v. het plangebied. Bron: Provincie Zuid‐Holland Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Ten aanzien van stikstofdepositie zijn motorvoertuigen als auto's en vrachtwagens niet toegestaan op het beoogde fietspad. Het is derhalve niet noodzakelijk om een berekening voor de gebruiksfase uit te voeren. Voor de aanlegfase is een vrijstelling vanuit de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing.
32/84
Wet stikstofreductie en natuurverbetering De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is per 1 juli 2021 van kracht en regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Eventuele stikstofeffecten van de aanlegfase behoeven daarom niet meer te worden berekend en beoordeeld. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van aanlegwerkzaamheden op Natura‐2000 gebieden, zoals verdroging, verstoring etc. 4.7.3 Soortenbescherming In opdracht van Rho adviseurs is door Habitus een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. De resultaten van dit onderzoek zijn als volgt. De voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting in strijd met het onderdeel soortbescherming uit de Wnb. In de holtebomen kunnen zich verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. Boven de watergang en langs bomen kan sprake zijn van een essentiële vliegroute voor vleermuizen. De Noordse woelmuis kan aanwezig zijn in het plangebied of zich vestigen. Daarnaast kunnen nesten van vogels zonder jaarrond beschermd nest op de planlocatie aanwezig zijn.
Voor iedere soort waarvoor de Wnb en/of het natuurbeleid van de provincie (mogelijk) wordt overtreden, wordt hieronder de vervolgstap beschreven. Maatregelen beschermde soorten Vogels zonder jaarrond beschermd nest Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van een in Europa inheemse vogelsoort. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende in Europa inheemse vogelsoorten zijn te allen tijde beschermd. Maatregel: verricht de werkzaamheden buiten de broedperiode van de aanwezige soorten. Op basis van het veldbezoek waarin op aanwezige vogelsoorten is gelet én op basis van de aanwezige biotopen, verwachten wij dat de broedperiode loopt van half maart t/m half augustus. Indien het niet mogelijk is om buiten deze broedperiode te werken, kan maatregel 2 uitkomst bieden. Maatregel 2: laat voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren door een ecoloog. Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de werkzaamheden alsnog doorgang vinden. Let op: in de aangegeven broedperiode is er veelal een grote kans op het aantreffen van broedende vogels.
Een gunstige uitkomst van de inspectie is vooraf niet te geven. Oeverzwaluw Voorkom vestiging van oeverzwaluw door in de periode april t/m juni steilwanden te voorkomen (in de vorm van grond‐ of zanddepots en afgravingen). Of zorg voor geleidelijke overgangen met een minimale verhouding van 1:3 óf dek de zandhopen af met een stevig zeil. Witte kwikstaart De witte kwikstaart kan aanwezig zijn op bouwterreinen en broeden in hopen afval of bouwmateriaal. Als de soort tot broeden komt op het terrein is het nest beschermd en zal hier rekening mee gehouden moeten worden.
33/84
Maatregel: voorkom vestiging van deze soorten door in de broedperiode (globaal van half maart t/m eind juli) bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het plangebied. Of dek de bouwmaterialen geheel af met een stevig zeil of doek. Vleermuizen Onderzoek naar vliegroutes en/of holtebomen in de omgeving is niet benodigd, wanneer voldaan kan worden aan de onderstaande maatregelen. Verblijfplaatsen: voorkom dat de holtebomen in het onderzoeksgebied beschenen worden door verlichting tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. De geschikte holtebomen die aanwezig zijn, dienen geheel onbeschenen te blijven. Daarnaast dient binnen een straal van 25 m geen langdurige, harde trillingen plaats te vinden die inwerken op de verblijfplaats (let op: geen kortstondige, harde trillingen). Indien dit niet mogelijk is, dan dient het nader onderzoek naar vleermuizen uitgebreid te worden met deze holtebomen. Vliegroute: verricht geen werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst én zorg dat er 's nachts geen bouwplaatsverlichting aanwezig is dat schijnt op de watergang, bomenrijen en struweel. Zorgplichtmaatregelen Zoogdieren In het plangebied kunnen soorten voorkomen zoals benoemd in paragraaf 3.3. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn.
Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen, egels) om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes. Amfibieën In het plangebied kunnen diverse soorten voorkomen 3.3. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: Verplaats individuen die aanwezig zijn binnen het werkterrein naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Werk bij voorkeur in september of oktober in de oever. Werk bij voorkeur niet in de oever of het water bij temperaturen beneden de 10 graden. Neem contact op met een ecoloog om negatieve effecten te voorkomen als niet aan (één van) beide maatregelen voldaan kan worden