B4 NL.IMRO.1963.BPSchout27PTH23-ON01 TOELICHTING
Tekst van het document
Bestemmingsplan Schouteneinde 27 Puttershoek Gemeente Hoeksche Waard TOELICHTING
Bestemmingsplan Schouteneinde 27 Puttershoek Gemeente Hoeksche Waard TOELICHTING
GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Fam Kranendonk & Fam Roos Dhr. H. Kranendonk & Dhr. J. Roos Strijenseweg 57 & Christiaan de Vrieslaan 37 3295 KN 's-Gravendeel & 3241 GC Middelharnis
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:
NL.IMRO.1963.BPSchout27PTH23-ON01 K21176 Schouteneinde 27 Puttershoek
Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
Datum
Projectleider: Auteur:
Donald Meis MSc Donald Meis MSc
28-9-2021 17-11-2022
Inhoudsopgave
TOELICHTING
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerende planologische situatie Opzet bestemmingsplan en toelichting
6 6 8 10
Beschrijving van de situatie
11
Huidige situatie Toekomstige situatie
11 12
Beleidskader
14
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking Provinciaal beleid Provinciale Omgevingsvisie Zuid-Holland Provinciale Omgevingsverordening Regionale woonvisie en woningbouwprogramma Hoeksche Waard Gemeentelijk beleid Structuurvisie Woningmarktanalyse Gemeente Hoeksche Waard Welstandsnota
14 14 14 15 16 16 17 18 19 19 21 21
Uitvoeringsaspecten
22
Flora en fauna Wettelijk kader Gebiedsbescherming Soortenbescherming Conclusie Bodemkwaliteit Wettelijk kader Resultaten onderzoek Conclusie Cultuurhistorie en archeologie Wettelijk kader Cultuurhistorie Archeologie Conclusie
22 22 23 23 24 24 24 24 24 24 24 25 25 27
1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4
Schouteneinde 27 Puttershoek
3
4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8 4.8.1 4.8.2 4.8.3 4.9 4.10 4.10.1 4.10.2 4.10.3 4.10.4 4.11 4.11.1 4.11.2 4.11.3 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.4 5.4.1 5.4.2 5.5 5.5.1 5.5.2 Hoofdstuk 6
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Beoordeling Conclusie Parkeren en verkeer Parkeren Verkeer Conclusie Geluidhinder Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Externe veiligheid Wettelijk kader Beoordeling Conclusie Kabels en leidingen Water Inleiding Beleidskader Watertoets Conclusie M.e.r.-beoordeling Wettelijk kader Vormvrije m.e.r.-beoordeling Conclusie
27 27 28 28 29 29 29 29 29 29 30 30 30 30 31 32 32 32 33 36 37 37 37 37 38 39 39 39 40 40
Juridische planbeschrijving
41
Inleiding Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Opbouw bestemmingen Bestemmingen Algemene regels Anti-dubbeltelregel Overige algemene regels Overgangs- en slotregels Overgangsregel Slotregel
41 41 41 41 42 42 42 43 43 43 43 43 43
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
44
Schouteneinde 27 Puttershoek
4
6.1 6.2 6.2.1 6.2.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg met omwonenden Overleg met overheidsinstanties
Schouteneinde 27 Puttershoek
44 44 44 44
5
T OELICHT ING Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Schouteneinde 27 te Puttershoek bevindt zich een woning met aangrenzend een schuur. Het onderhavige plan heeft betrekking op de sloop van deze gebouwen, het in tweeën splitsen van de kavel en het bouwen van twee losstaande woningen, elke op een eigen kavel. De woningen zullen worden gerealiseerd door twee afzonderlijke initiatiefnemers, die eveneens de toekomstige eigenaren c.q. bewoners zullen zijn. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat het in strijd is met de bijbehorende regels. Om de realisatie van de twee woningen planologisch-juridisch mogelijk te maken, is een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Er zal gebruik gemaakt worden van de coördinatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 3.6 Wro), waarbij de vaststelling van het bestemmingsplan wordt gecoördineerd met een omgevingsvergunning. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Schouteneinde 27 in Putershoek. De locatie ligt in de bebouwde kom en wordt omgeven door andere woningen met hier en daar een bedrijfspand of kantoor. Het gebied wordt gekenmerkt door de smalle dijk, de lintbebouwing en de nabijheid van de Oude Maas. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Puttershoek, sectie C, percelen 3125 en 3126. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 848 m2. In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied weergegeven.
Schouteneinde 27 Puttershoek
6
Luchtfoto met aanduiding plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Schouteneinde 27 Puttershoek
7
Uitsnede kadastrale kaart (bron: www.perceelloep.nl) 1.3
Vigerende planologische situatie
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Puttershoek'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Binnenmaas (dat later is overgegaan in de gemeente Hoeksche Waard) op 11 april 2013. In het bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemming 'Wonen', 'Tuin', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', en de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - molenbiotoop' en 'geluidzone industrie'. Op 8 november 2018 is bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Puttershoek' vasgesteld, waarbij de geluidzone industrie ter plekke van het plangebied is komen te vervallen.
Schouteneinde 27 Puttershoek
8
Uitnsede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het bestaande aantal woningen uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen: 'vrijstaand' vrijstaande woningen; b. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 van de bij dit bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, alsmede voor paden. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element. Door middel van een berekening op basis van de hoogte van de wieken en de afstand van het plangebied tot de molen kan worden achterhaald wat de maximale bouwhoogte is voor het plangebied. In voorliggend intiatief is de uitkomst van deze berekening iets meer dan 9 meter. Dit zal dus geen belemmering vormen.
Schouteneinde 27 Puttershoek
9
Conclusie Onderhavig initiatief is in strijd met het bestemmingsplan 'Puttershoek', omdat voorliggend plan niet voldoet aan de bestemmingsregels van 'Wonen'. Het aantal woningen wordt meer de dan het toegestane aantal woningen. 1.4
Opzet bestemmingsplan en toelichting
Het bestemmingsplan 'Schouteneinde 27 Puttershoek' bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding; planregels. De toelichting is niet juridisch bindend, maar vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot heeft de toelichting als doel om het bestemmingsplan te begrijpen en de regels op een correcte manier na te leven. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied; in Hoofdstuk 3 is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de verschillende overheden die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 beschreven; in Hoofdstuk 5 worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; Hoofdstuk 6 behandelt ten slotte de economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hierin worden de resultaten beschreven van de gevolgde inspraakprocedure en het vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro.
Schouteneinde 27 Puttershoek
10
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van de situatie
Huidige situatie
Aan het Schouteneinde 27 in Puttershoek staat een vrijstaande woning met aangebouwde schuur. in totaal beslaat deze bebouwing circa 245 m2. Onderstaande afbeeldingen geven de bebouwing in de huidige situatie weer.
Het Schouteneinde is gelegen op één van de oudste dijken van Puttershoek, waarop onder andere ook het oude gemeentehuis, de korenmolen en poldermuseum liggen. De straat kenmerkt zich zich door de redelijke smalle dijk en de dversiteit aan gebouwen (vooral woningen en een aantal bedrijfsgebouwen). Ook bouwkundig gezien kenmerkt de straat zich door diversiteit. De positionering van de de panden t.o.v. de dijk is de ene keer haaks en dan weer parallel. Ook zijn er diverse dakvormen gebruikt.
Schouteneinde 27 Puttershoek
11
Aan de noordwestelijke zijde van het plangebied bevindt zich een aftakking van de Oude Maas. 2.2
Toekomstige situatie
In het voorliggend plan zal de bestaande woning en de schuur gesloopt worden en het perceel gesplitst in twee delen (27A en 27B, in navolgende tekst tevens gebruikt om het onderscheid aan te duiden). Op elk van de nieuwe percelen wordt een nieuwe woning gebouwd. Onderstaande afbeelding geeft de gesplitste delen en de bijbehordende woningen in de nieuwe situatie weer.
Schouteneinde 27 Puttershoek
12
De twee woningen krijgen een verschillende vorm en uitstraling. De woning van 27A krijgt een meer klasieke opzet, terwijl de woning van 27B een meer modern landelijke typering krijgt. Ondanks de verschillen zijn de woningen tradioneel van opzet en zal er gebruik gemaakt worden van authentieke materialen. Dit zorgt ervoor dat de woningen in de omgeving passen. Ook in het gevelbeeld past de ontwikkeling bij het huidige straatbeeld, zoals onderstaande doorsnede laat zien.
Naast de woningen wordt er in het voorliggend plan rekening gehouden met een grote achtertuin op kavel 27B en een grote zij-en achtertuin op kavel 27A. Verder is voor elk van de huizen ruimte overgehouden om het parkeren van tenminste twee auto's op eigen terrein mogelijk te maken.
Schouteneinde 27 Puttershoek
13
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Conclusie Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit het nationale beleid te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit het nationale beleid. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;
Schouteneinde 27 Puttershoek
14
Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwik keling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen: 1. er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte; 2.
indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Stedelijke ontwikkeling Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de bouw van 2 woningen en de sanering van overtollige bebouwing, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is. Conclusie Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is.
Schouteneinde 27 Puttershoek
15
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Provinciale Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie van Zuid-Holland is op 1 augustus 2020 geconsolideerd en omvat het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit een aantal gebiedsprofielen van verschillende regio's in de provincie, waaronder die van de regio Hoeksche Waard. Voor het gebiedsprofiel Hoeksche Waard zijn 12 themakaarten gemaakt, waarvan de volgende relevantie bevatten voor het plangebied: 1. Herkenbaar openzeekleipolderlandschap 2. Weg door stad en land 3. Kwaliteit in dorpsgebied 4. Linten blijven linten Hieronder worden de belangrijkste ambities per relevant thema uiteengezet: 1. Herkenbaar openzeekleipolderlandschap In de meer verstedelijkte polders aan de noordrand, waar de openheid onder druk staat, wordt ingezet op integrale gebiedsontwikkeling, waarbij stedelijke ontwikkelingen worden gecombineerd met investeringen in het landschap.
Er wordt hierbij gestreefd naar behoud van de nog resterende openheid van de polders, door stedelijke ontwikkelingen waar mogelijk te concentreren en lange zichtlijnen te behouden; In het minder verstedelijkte deel van de polders wordt ingezet op behoud en waar mogelijk versterking van de openheid. Voorkom versnippering van de ruimte door bebouwing en beplanting waar mogelijk te koppelen aan de dijklinten en de erven of in te zetten voor de afronding van de compacte dorpskernen. Hier is ruimte voor ontwikkeling van de landbouw (schaalvergroting en/of specialisatie) als belangrijke drager van het open polderlandschap. 2. Weg door stad en land Lokale wegen zijn een vanzelfsprekend onderdeel van het landschap met zo weinig mogelijk verkeerstechnische ingrepen (rotondes, drempels, bebording, verlichting, etc.). Het wegprofiel is functioneel, waarbij rekening gehouden wordt met het medegebruik en de oversteekbaarheid door langzaam (recreatief) verkeer. De dijkwegen worden – in overeenstemming met de dijktypologie - ingeplant (zie ook Herkenbaar open zeekleipolderlandschap). De dijk en het talud worden t.b.v. de verkeersfunctie zo min mogelijk aangetast. Bij de aansluitingen tussen dijk- en polderwegen is als uitgangspunt de landschappelijke karakteristiek leidend voor de inrichting van de aansluiting en niet de verkeerskundige karakteristiek van de wegen.
Dit betekent dat de continuïteit van de dijk(weg) prioriteit heeft, de polderweg is daaraan ondergeschikt. 3. Kwaliteit in dorpsgebied Ambities Dijkdorp Behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de verblijfskwaliteit van het historische dorpscentrum; Er wordt uitgegaan van onderscheidende compacte dorpen met een dorps karakter. Elk dorp is uniek en uitbreidingen worden zoveel mogelijk binnen bestaand bebouwd gebied gerealiseerd. Dit mag echter niet ten koste gaan van de ‘lucht’ in het dorp; Inzetten op behoud en versterking van de historische dijklinten. Er is hier beperkt ruimte voor nieuwe ontwikkelingen, vanwege de dichtheid van het dijklint. Bij de inpassing van (vervangende) nieuwbouw wordt rekening gehouden met de huidige korrel, het profiel en variatie in bebouwing; De dijklinten worden opgenomen in het recreatieve netwerk, waarbij het centrum fungeert als concentratiepunt voor routes en attracties;
Schouteneinde 27 Puttershoek
16
Bij ontwikkelingen buiten de historische dijklinten worden waardevolle structuren ingezet als dragers van de stedenbouwkundige structuur. Waar mogelijk wordt de relatie met het omliggende landschap opgezocht door nieuwe (zicht)relaties. Ambities Historische dorpsk ernen Behoud en versterking van de ruimtelijke en verblijfskwaliteit van het historische dorpscentrum. Ontwikkelingen bouwen voort op de cultuurhistorisch waardevolle structuur en houden rekening met de maat, schaal, beleefbaarheid en identiteit van het dorp; Behoud en ontwikkeling van de havenkanalen als belangrijke cultuurhistorische en recreatieve elementen. Ambities Windvang molen Inzet op behoud en bescherming van de oriëntatiepunten en het zicht daarop vanuit het landschap. De directe omgeving van oriëntatiepunten en belangrijke zichtlijnen vanuit het landschap vrijhouden van grootschalige ontwikkelingen. Molens als oriëntatiepunt in stand houden, inclusief de molenbiotopen die de vrije windvang regelen. Bij transformaties van de omgeving de vrije windvang en het zicht op de molen garanderen. Oriëntatiepunten bepalen het dorpssilhouet. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen nooit hoger zijn dan deze gebouwen en zorgvuldig worden ingepast. Het toevoegen van hogere bebouwing is een integrale gebiedsopgave die zowel vanuit het dorp als vanuit het landschap bekeken moet worden. 4.
Linten blijven lijnten Bij ingesloten dijklinten wordt ingezet op behoud en verbetering van de (recreatieve) route tussen het dorp en de polder; Bij ingesloten dijklinten is weinig ruimte voor nieuwe ontwikkelingen door de dichtheid van het lint, tenzij bebouwing vervangen wordt. Hier vraagt de inpassing extra aandacht; De ruimte tussen lint en aangrenzende buurten open en groen van karakter houden. Conclusie Voorliggend initiatief houdt rekening met de beperkte ruimte door een oude woning en schuur te slopen en de beschikbare ruimte op een efficiëntere manier te benutten, zodat er twee woningen gerealiseerd kunnen worden. Door het slopen en de nieuwbouw wordt er een bijdrage gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkeling draagt daarnaast bij aan het behoud van de architectonische uitstraling door het ontwerp de woningen erop aan te passen, waardoor het aansluit bij het bestaande straatbeeld. Er is geen sprake van strijd met de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2
Provinciale Omgevingsverordening
De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is vastgesteld door de Provinciale Staten op 1 juli 2020. In de omgevingsverordening zijn verschillende verordeningen samengevoegd, om een duidelijk overzicht te geven van de geldende regels op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierbinnen zijn geen specifieke regels opgenomen voor wonen, maar wel ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Met betrekking tot wonen wordt benoemd dat er van regio's wordt verwacht dat een woonvisie wordt opgesteld. Deze regionale visies zijn een leidraad voor woningbouw in de verschillende regio's. Ruimtelijke kwaliteit Artikel 6.9 van de Omgevingsverordening gaat in op de bepalingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Deze komen voort uit de gestelde ambities zoals verwoord in de Omgevingsvisie en borgen daarmee de uitvoering van dat belang. Onderstaande figuur geeft artikel 6.9 lid 5 weer, welke weergeeft onder welke voorwaarden een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling.
Schouteneinde 27 Puttershoek
17
Artikel 6.9 lid 5 uit de Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland Gelet op de aard van de voorgenomen ontwikkeling is sprake van 'aanpassing' ex artikel 6.9, lid 5 onder b van de Omgevingsverordening. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. De woning en schuur uit de huidige situatie worden gewijzigd naar twee vrijstaande woningen. De gebiedsidentiteit en ruimtelijke kwaliteit veranderen niet veel in vergelijking met de huidige situatie, gezien de zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving. De twee woningen krijgen een verschillende vorm en uitstraling. De woning van 27A krijgt een meer klasieke opzet, terwijl de woning van 27B een meer modern landelijke typering krijgt. Ondanks de verschillen zijn de woningen tradioneel van opzet en zal er gebruik gemaakt worden van authentieke materialen. Dit zorgt ervoor dat de woningen in de omgeving passen. Ook in het gevelbeeld past de ontwikkeling bij het huidige straatbeeld. Conclusie Vanuit de provinciale omgevingsverordening bestaan er geen belemmeringen die invloed hebben op de beoogde ontwikkeling. 3.2.3
Regionale woonvisie en woningbouwprogramma Hoeksche Waard
In 2017 is door de de vijf gemeenten van het eiland de Hoeksche Waard de woonvisie 'Wonen in een Vitale Hoeksche Waard' vastgesteld. Het begrip vitaliteit staat centraal in deze regionale woonvisie. Er wordt hierbij voornamelijk gewezen naar een regio die in staat is om op eigen kracht goed te blijven functioneren. Daar zitten echter wel enkele randvoorwaarden aan. Voldoende aanbod van voorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg en welzijn en detailhandel zijn essentieel. Inwoners en werkgelegenheid worden genoemd als onmisbare schakel Tot 2025 zijn er circa 3.000 woningen nodig. Een groot deel van de instroom van inwoners is afkomstig uit de Rotterdamse regio. Dit is echter niet voldoende om een vitale regio te kunnen blijven. Vanaf 2030 neemt het aantal inwoners en huishoudens namelijk langzaam maar zeker af, omdat er onvoldoende geboorten zijn om de demografische opbouw in balans te kunnen houden. Daarnaast is er ook nog eens sprake van vergrijzing. Hierdoor neemt het draagvlak voor bijvoorbeeld onderwijsvoorzieningen af, waarmee de vitaliteit onder druk komt te staan. Daarom is er een nieuwe instroom van jonge huishoudens noodzakelijk. Om deze instroom goed te kunnen faciliteren en verder aan te jagen is er extra inspanning op het gebied van woningbouw nodig.
Daarnaast is ook de kwaliteit, naast de kwantiteit, van woningen belangrijk voor een aantrekkelijk woonmilieu en hiermee van invloed op de vitaliteit van de Hoeksche Waard. De toekomstige woningvoorraad is bij voorkeur energieneutraal, geschikt voor jonge én oude bewoners, bereikbaar per auto en OV en van hoge ruimtelijke kwaliteit. Er is de regio een behoorlijke vraag naar middeldure rijwoningen, maar ook vrijstaande woningen zijn in trek. Daarnaast bestaat er een behoefte aan huur- en koopappartementen.
Schouteneinde 27 Puttershoek
18
Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling bijdraagt aan het in standhouden van de vitaliteit in de regio. Voorliggend plan speelt daarnaast in op de vraag naar vrijstaande woningen. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie
Op 17 december 2019 heeft de gemeenteraad van Hoeksche Waard de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie nodigt inwoners, ondernemers, investeerders, maatschappelijke organisaties en anderen uit om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de Hoeksche Waard. De omgevingsvisie helpt de gemeente om samen te blijven werken aan een aantrekkelijke Hoeksche Waard. 'Hoeksche Werken' Binnen de visie zijn er vijf maatschappelijke opgaven (de zogenaamde Hoeksche Werken) die specifiek vragen om gemeentelijke aandacht: Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; Vitaal economisch klimaat; Bereikbaar, nabij en toegankelijk; Duurzame, innovatie landbouw; Vitale dorpen en actieve samenleving. Voorliggend plan draagt aan het grootste gedeelte van de deze opgaven op de volgende manier bij: Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
Hier wordt op de volgende manier rekening mee gehouden bij voorliggend initiatief: de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie; de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd. Als aanvullende maatregelen op het gebied van duurzaamheid en energietransitie is het gebruik van hoogwaardige bouwmaterialen zoals keramische dakpannen en bakstenen. Dit zorgt voor een langere levensduur en maakt de kans kleiner dat op korte termijn renovatie plaats moet vinden. Vitaal economisch klimaat:
Schouteneinde 27 Puttershoek
19
Door het realiseren van nieuwe woningen wordt een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk woonmilieu. Daarnaast zorgt het voor extra inwoners, waarmee het ervoor zorgt dat de bestaande voorzieningen meer potentiële gebruikers krijgen. Bereikbaar, nabij en toegankelijk: De woningen zullen goed bereikbaar zijn. Daarnaast word er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd, waarmee de toegankelijkheid gerealiseerd is. Vitale dorpen en actieve samenleving: Het stedenbouwkundig plan voorziet in een ontwerp waarbij rekening is gehouden van het dorpse karakter, beleving en uitstraling. Hiermee biedt de ontwikkeling kansen voor een vitaal dorp, zowel op sociaal vlak als op economisch vlak. 'Hoeksche Waarden' Naast de 'Hoeksche Werken' zijn er ook 'Hoeksche Waarden' geformuleerd. De Hoeksche Waard is sterk verweven met de regio. Het maakt deel uit van de Delta, waarbinnen elk eiland zijn eigen kenmerken en kwaliteiten heeft. Als eiland heeft de Hoeksche Waard een directe relatie met de stedelijke agglomeratie van Rotterdam en ook Dordrecht. Omgekeerd vormt de Hoeksche Waard vanuit het stedelijk gebied ook de toegang tot de Delta. Veel recreanten en toeristen maken hier gebruik van. De verwevenheid met haar omgeving biedt de Hoeksche Waard kansen. Het eiland is dan ook ingedeeld in vijf karakteristieke deelgebieden. De planlocatie is gelegen in het deelgebied 'Dorpse Trots'.
Dit deelgebied omvat alle dorpen in de Hoeksche Waard. De Hoeksche Waard kent kleine, hechte gemeenschappen met veelal een eigen identiteit. De combinatie van ondernemerszin en de zorg voor elkaar maakt het eiland zeer aantrekkelijk voor gezinnen. Bij ontwikkelingen in de dorpen wordt niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, gekeken, maar met name ook naar de gevolgen voor het sociale netwerk in het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin in het dorp. Daarbij geldt als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkelig binnen het dorp benut worden, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp. Kort samengevat zijn onderstaande de te ontwikkelen waarden: Versterken van de onderscheidende identiteit per dorp Versterken van de gemeenschapszin in het dorp Versterken van de vitaliteit en leefbaarheid per dorp Versterken van de natuurlijke overgang van het dorp naar het landelijk gebied Sociale cohesie onder de bevolking faciliteren én versterken DNA Daarnaast is voor iedere kern in de gemeente het DNA bepaald. Er wordt gesteld dat Puttershoek een uitgesproken identiteit als gezellig en dorps heeft. De concentratie van (winkel-)voorzieningen,de haven en de openheid van nieuwe woonwijken dragen hieraan bij.
Gelegen aan de Oude Maas kent de noordrand een typerende verkaveling met lange lijnen dwars op de dijk. Op sociaal-economisch gebied wordt gesteld dat het dorp enigszins kwetsbaar is. Met name dit laatste punt kan worden versterkt door de ontwikkeling, waarbij er woningen worden gerealiseerd. Conclusie Er kan worden gesteld dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de in de Omgevingsvisie gestelde waarden. Door de stedenbouwkundige en architecturele opzet draagt het plan bij aan het dorpse karakter. Daarnaast zorgen de nieuwe woningen voor een bijdrage aan de vitaliteit en leefbaarheid van het dorp.
Schouteneinde 27 Puttershoek
20
3.3.2
Woningmarktanalyse Gemeente Hoeksche Waard
Het Woningbehoefteonderzoek uit 2019 geeft richting aan welke woningbouwprojecten de gemeente Hoeksche Waard wil opnemen in de Woningbouwprogrammering 2019-2030. In de Woningbouwprogrammering staat waar binnen de gemeente nieuwe woningen worden gebouwd. Het zijn de afspraken tussen de gemeente en de provincie. Het Woningbehoefteonderzoek geeft richting aan wat er zoal in het programma wordt opgenomen. Daarnaast wordt er rekening gehouden met kwaliteit, zoals duurzaamheid, toekomstbestendigheid, meerwaarde voor de omgeving, de manier waarop de nieuwbouw past binnen het dorp of het landschap en de kernkwaliteiten van de Hoeksche Waard behoudt én versterkt. Op onderhavig plangebied is één woning planologisch toegestaan. De andere woning is opgenomen in de gemeentelijke woningbouwprogrammering. De grootste woningbehoefte bestaat er in de koopsector, in rij-/hoekwoningen, maar ook in het luxere segment. Bij de rijwoningen is veel vraag in het goedkopere segment tot € 200.000 (woningen voor starters), maar ook in de wat duurdere segmenten. Daarnaast is er een aanzienlijke vraag naar twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen in het middeldure tot duurdere segment. Deze vraag is afkomstig van gezinnen die een volgende stap willen zetten in de wooncarrière. Daarnaast is de vraag naar koopappartementen toegenomen.
Deze vraag is afkomstig van oudere huishoudens die vanuit veelal een grotere twee-onder-een-kap woning of vrijstaande woning kleiner willen gaan wonen. Deze groep is veelal op zoek naar specifieke locaties dichtbij voorzieningen en verwachten enige mate van luxe. Deze oudere doelgroep zal meer dan vroeger een woning kopen, waardoor er een grotere oriëntatie bestaat op de koopsector van de generatie die nu oud begint te worden. Conclusie De ontwikkeling voorziet in vrijstaande woningen waarnaar een vraag bestaat in de gemeente. 3.3.3
Welstandsnota
De gemeente Hoeksche Waard toetst bouwplannen aan bepaalde criteria omtrent welstand. Bouwplannen worden voorgelegd aan de welstandscommissie, onder andere indien het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 woningen. Deze zullen worden gebouwd in een passende stijl, waarmee het ontwerp van de woningen aansluit bij recent de omgeving. De exacte uitwerking van de woningen zal worden afgestemd met de Stichting Dorp, Stad en Land. Deze stichting beoordeelt de stedenbouwkundige kwaliteit van nieuwbouwplannen voor de gemeente Hoeksche Waard. Conclusie De ontwikkeling van de woningen voorziet in een verbeterde uitstraling van het plangebied en haar omgeving. Het voldoet hiermee aan de eisen van een goede welstand.
Schouteneinde 27 Puttershoek
21
Hoofdstuk 4
Uitvoeringsaspecten
In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid. 4.1
Flora en fauna
4.1.1
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.
Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de plantenen diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.
Schouteneinde 27 Puttershoek
22
4.1.2
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op circa 3 kilometer afstand van het Natura-2000 gebied 'Oude Maas'. Het plangebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurntwerk Nederland ligt op circa 160 meter afstand. Dit betreft het Lorregat. Dichtstbijzijnd Beschermd Natuurmonument ligt op circa 9 kilometer afstand. Dit betreft Huys ten Donck in Ridderkerk. Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Belangrijke weidevogelgebied en Strategische reservering natuur. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Vanwege de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten van trilling, geluid of optische verstoring op voorhand worden uitgesloten. Stikstofdepositie Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer.
Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit bestemmingsplan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Om initiatieven met stikstofdepositie in de gebruiksfase te beoordelen, wordt een stroomschema van de Omgevingsdienst gebruikt. Het stroomschema is in Bijlage 1 bijgevoegd. Het doorlopen van het schema geeft de volgende conclusie. Vanwege de aard van de werkzaamheden (sloop van bestaande en herbouw van twee woningen) en de afstand van ten minste 3 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, en 9 km ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied met stikstofgevoelige habitats kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden derhalve op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS berekening voor de gebruiksfase is niet noodzakelijk. 4.1.3
Soortenbescherming
Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd door Ecoresult (QuickScan flora en fauna). Dit verkennend onderzoek zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Huismus en Gierzwaluw De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw. Hierdoor kunnen verbodsbepaling Art 3.1 lid 2, 4 en 5 van de Wnb worden overtreden. Nader veldonderzoek is nodig om de aanwezigheid van huismus vast te stellen. Van gierzwaluw is de aanwezigheid van één bezet nest al vastgesteld. Nader onderzoek is noodzakelijk om het totaal aantal nesten vast te stellen. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig.
Schouteneinde 27 Puttershoek
23
Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht. 4.1.4
Conclusie
Vanuit het onderdeel gebiedsbescherming, waaronder stikstofdepositie, zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wat betreft soortenbescherming is er aanvullend onderzoek nodig naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. De laatste aanvullende onderzoeken zullen in de periode 15 mei tot 15 juli 2022 worden uitgevoerd. Nadien zullen de resultaten worden toegevoegd. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Wettelijk kader
De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.2.2
Resultaten onderzoek
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van twee nieuwe woningen, waar voorheen één vrijstaande woning was toegestaan. Ten aanzien van het initiatief zullen er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd, waardoor een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door buro BOOT. Het onderzoek betrof een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. Tijdens het onderzoek zijn er verontreinigingen in de bodem gevonden. Deze geven aanleiding tot de volgende aanvullende onderzoeken: Aanvullend verkennend onderzoek (voormalige) verdachte deellocaties; Nader onderzoek naar lood en zink; Verkennend asbest in bodemonderzoek i.v.m. de asbestverdachtheid door ongedefinieerde puinlagen/bijmengingen. Aanvullend verkennend onderzoek PFAS. Met het oog op een vermoedelijke bodemsanering dient er tevens inzicht te zijn in de concentraties PFAS. 4.2.3
Conclusie
Nadat deze onderzoeken zijn uitgevoerd dienen er maatregelen te worden genomen om het perceel milieuhygiënisch te laten voldoen aan het toekomstig gebruik (bijvoorbeeld sanering). Buro BOOT zal de aanvullende onderzoeken voor haar rekening nemen. Op basis van de uitkomsten zullen de juiste maatregelen worden genomen om het perceel milieuhygiënisch in orde te maken voor bewoning. 4.3
Cultuurhistorie en archeologie
4.3.1
Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
Schouteneinde 27 Puttershoek
24
4.3.2
Cultuurhistorie
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Wel ligt het plangebied in de molenbiotoop van de De Lelie aan de Molendijk. Voorliggend initiatief voldoet echter aan de bouwregels betreffende de molenbiotoop. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.3.3
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. De gronden ter plaatse van de gewenste ontwikkeling zijn volgens het bestemmingsplan 'Puttershoek' verwachtingsgebied voor archeologische vondsten. Aangezien er graafwerkzaamheden nodig worden geacht en de nieuw te bouwen woningen een oppervlakte van meer dan 30 m2 (onderzoeksgrens) hebben, is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Verkennend archeologisch onderzoek). Het archeologische onderzoek is uitgevoerd door Synthegra en bestond uit een bureauonderzoek naar de specifieke archeologische verwachting van het gebied en een inventariserend veldonderzoek, waarbij boringen zijn uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. De essentie hiervan is weergegeven in de onderstaande tabel.
Op basis van het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek is aan de hand van de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van ten minste 10 boringen per hectare uitgevoerd. Aangezien het plangebied circa 840 m2 groot is, was er een boorplan om in totaal 6 boringen verspreid over het plangebied (zie onderstaande afbeelding) te zetten. Echter doordat 3 boringen stuitten op een ondoordringbaar pakket, zijn er in het veld 3 additionele boringen gezet, dus in totaal 9 boringen. Voor zover de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) het toelieten, is een boorgrid van 8 x 12 m gehanteerd, waarbij de afstand tussen de raaien 12 m en de afstand tussen de boringen 8 m bedraagt.
Schouteneinde 27 Puttershoek
25
Boringen 1, 2, 8 en 9 geven aan dat er binnen het plangebied een intact archeologisch niveau aanwezig is. Het gaat hierbij om een sterk humeuze laag, kleiige laag, met een grote variëteit aan archeologische indicatoren (baksteen, puin, mortel en keramiek). Dit betreft een mogelijke woonlaag. Daarnaast zijn boringen 3, 5 en 6 op een mogelijk ondoordringbaar pakket, mogelijke muur/funderingsresten gestuit. Deze kunnen gerelateerd zijn aan het gebouw dat is afgebeeld op het kadastrale minuutplan uit het begin van de 19e eeuw. De combinatie van de mogelijke woonlaag en de funderingsresten duiden op de aanwezigheid van een vindplaats uit de Middeleeuwen tot aan de Nieuwe Tijd. Uit de boringen blijkt ook dat deze laag plaatselijk verstoord is, aangezien er ophogingslagen zijn aangebracht binnen het plangebied. Deze ophogingslaag hangt mogelijk samen met de constructie van de huidige bebouwing, maar de diepte van de verstoring is onbekend. Tot slot zijn er in boring 7 ook archeologische indicatoren aangetroffen, zoals fragmenten Frieslands aardewerk (Nieuwe Tijd). Echter zijn deze afkomstig uit lagen die samenhangen met de dijk. Waarschijnlijk gaat het hierbij om opgebrachte grond van elders, waardoor deze vondsten mogelijk niet samenhangen met de archeologische resten van het plangebied.
Op grond van de resultaten van het verkennend onderzoek is voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied nader archeologisch onderzoek geadviseerd. In de periode 27-01-2022 tot 28-01-2022 is dit onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is te vinden in Bijlage 4. Het gaat hier om een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) conform KNA Protocol 4003 om vast te stellen of er archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, dat is goedgekeurd door de bevoegd gezag (zie Bijlage 5). Er is tijdens het onderzoek aangetoond dat de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek en de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek correct zijn. Er was op basis van dit voorgaande onderzoek reden om aan te nemen dat er archeologische resten uit de 19e eeuw en mogelijk ouder konden worden aangetroffen. Dit blijkt uit het onderhavige onderzoek. De muurresten die zijn aangetroffen duiden op een structuur die dateert aan het begin van de 19e eeuw en dat sluit aan met de bebouwing die is weergegeven op de kadastrale minuut uit omstreeks 1830. Zowel baksteenformaat als mortel sluiten aan bij deze periode. Het merendeel van de mix van het aardewerk dat bij de aanleg van de werkputten is gevonden, stamt ook uit deze periode. Verspreid door de ophogingslagen en in een
Schouteneinde 27 Puttershoek
26
greppel die onder de muurresten werd aangetroffen, zijn er echter ook oudere scherven aangetroffen uit de 17e/18e eeuw. Dit geeft aan dat er al eerder activiteit binnen het gebied was, dit is echter niet verder te duiden dan dit. In het zuidelijk deel van werkput 1, tegen de weg Schouteneinde, is ook nog een wisseling van ophooglagen aangetroffen (afval- en humeuze lagen). Deze behoren tot het dijklichaam waarop de weg Schouteneinde is aangelegd. Deze bevinden zich boven het niveau dat uit ca. 1830 dateert en de ophogingslagen dateren dus uit de 19e of 20e eeuw. Binnen de grenzen van het plangebied zijn behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. Om die reden is aanbevolen beschermende maatregelen te nemen om de archeologische resten niet te verstoren. Dit geniet de voorkeur aangezien er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Indien planaanpassing echter niet mogelijk is, dient er een vervolgonderzoek uitgevoerd te worden in de vorm van een archeologische begeleiding (AB) van de sloop van de aanwezige fundamenten. Hierna dient dan een opgraving (DO) te worden uitgevoerd bij bodemverstorende activiteiten, indien er geen beschermende maatregelen kunnen worden genomen. Voor een dergelijk onderzoek is het wettelijk verplicht een Programma van Eisen (PvE) op te stellen dat goedgekeurd dient te worden door het bevoegde gezag.
Het definitieve selectiebesluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Hoeksche Waard. 4.3.4
Conclusie
Uit het verkennende onderzoek is gebleken dat een aanvullend onderzoek nodig is. Na goedkeuring van een PvE door het bevoegd gezag, zal het onderzoek in gang worden gezet. 4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.
Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een
Schouteneinde 27 Puttershoek
27
bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2
Beoordeling
Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtk waliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden voor de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de NSL-kaart van de Rijksoverheid. Hiertoe zijn de waarden genomen van het dichtsbijzijnde rekenpunt langs de Sportlaan op circa 800 meter van het plangebied. Stof
Jaar 2020
Jaar 2030
NO2
3
18,9 µg/m
3
Grensw aarde
15,9 µg/m
3
Adviesw aarde
40 µg/m
10 µg/m3
PM 10
16,5 µg/m3
14,8 µg/m3
40 µg/m3
15 µg/m3
PM 2,5
8,9 µg/m3
7,6 µg/m3
20 µg/m3
5 µg/m3
Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie aan de Sportlaan liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden. Voor wat betreft PM2,5 geldt dat er net niet wordt voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. 4.4.3
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
Schouteneinde 27 Puttershoek
28
4.5
Parkeren en verkeer
4.5.1
Parkeren
Het benodigd aantal parkeerplaatsen staat aangegeven in de "Parkeernormering gemeente Hoeksche Waard". Het plangebied wordt gekenmerkt als overige bebouwde kom in weinig stedelijk gebied. Voor een vrijstaande koopwoning geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. In de gewenste situatie komt de totale parkeerbehoefte dan ook uit op 4,4 parkeerplaatsen. Voorliggend initiatief voorziet in het plan van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. 4.5.2