B4 NL.IMRO.1963.BPSchout27PTH23-ON01 Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Schouteneinde 27 Puttershoek Gemeente Hoeksche Waard Bijlagen bij toelichting
Bestemmingsplan Schouteneinde 27 Puttershoek Gemeente Hoeksche Waard Bijlagen bij toelichting
GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Fam Kranendonk & Fam Roos Dhr. H. Kranendonk & Dhr. J. Roos Strijenseweg 57 & Christiaan de Vrieslaan 37 3295 KN 's-Gravendeel & 3241 GC Middelharnis
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:
NL.IMRO.1963.BPSchout27PTH23-ON01 K21176 Schouteneinde 27 Puttershoek
Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
Datum
Projectleider: Auteur:
Donald Meis MSc Donald Meis MSc
28-9-2021 17-11-2022
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
4
Bijlage 1
Stroomschema beoordeling stikstofdepositie gebruiksfase
4
Bijlage 2
QuickScan flora en fauna
9
Bijlage 3
Verkennend archeologisch onderzoek
53
Bijlage 4 proefsleuven
Inventariserend archeologisch veldonderzoek door middel van
Bijlage 5
Programma van Eisen (PvE) archeologisch sleuvenonderzoek
138
Bijlage 6
Watertoets Schouteneinde 27 Puttershoek
172
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
175
Bijlage 8
Onderzoek externe veiligheid - aardgasbuisleiding (Prins Bernhardlaan 1)
219
97
Schouteneinde 27 Puttershoek
3
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Stroomschema beoordeling stikstofdepositie gebruiksfase
Schouteneinde 27 Puttershoek
4
Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen woningbouw voor nieuwe initiatieven met stikstofdepositie (versie 6.1, 15 maart 2022)
1. Is er sprake van een WABOaanvraag voor woningbouw?
Dit schema is niet van toepassing
nee
ja
2 Betreft het een woningbouwproject met (mogelijke) stookemissies?*
Nee
3a. Is het woningbouwproject kleiner of gelijk aan de aantallen woningen in tabel 1 en is de afstand tot een Natura 2000-gebied groter dan in tabel 1 genoemd?
ja
Er hoeft geen AERIUS berekening bij de aanvraag gevoegd te worden
nee
Ja
ja
nee
4. Vraag om een stikstofdepositieberekening met de meest recente versie van het AERIUS rekenmodel. Bij een rekenresultaat van meer dan 0,00 mol/ha/jr. kan in een ecologische voortoets worden bepaald of significante effecten kunnen worden uitgesloten
*Voor meer informatie over stookemissies zie de toelichting onder de tabellen.
3b. Is het woningbouwproject kleiner of gelijk aan de aantallen woningen in tabel 2 en is de afstand tot een Natura 2000-gebied groter dan in tabel 2 genoemd?
Tabel 1: Combinaties aantal woningen zonder stookemissies1) en afstanden voor verschillende soorten landgebruik2) waarbij depositie 0,00 mol/ha/jaar is Afstanden (m) aantal woningen stedelijk akkerbouw / grasland & water 1 1100 1100 2 1200 1200 3 1250 1250 4 1350 1350 5 1400 1400 10 2700 2900 15 3100 3400 20 3300 3500
Tabel 2: Combinaties aantal woningen met (mogelijke) stookemissies1) en afstanden voor verschillende soorten landgebruik2) waarbij depositie 0,00 mol/ha/jaar is Afstanden (m) aantal woningen stedelijk akkerbouw grasland & water 1 1100 1150 1150 2 1250 1300 1350 3 1350 1450 1550 4 1450 1650 1750 5 1600 1800 1900 10 3000 3400 3500 15 3400 4000 4300 20 3800 4500 4900
Toelichting bij de tabellen 1) Indien de woningen gasloos en zonder open haard en/of rookkanaal (t.b.v. kachels) zijn uitgevoerd, kan worden uitgegaan van de afstanden in tabel 1: woningen zonder stookemissies. Indien dit niet het geval is (dus bij een gasaansluiting, open haard of rookkanaal voor kachels) moet worden uitgegaan van de afstanden in tabel 2: woningen met (mogelijke) stookemissies. 2) Het landgebruik (stedelijk, akkerbouw, grasland/water) moet worden getoetst op het gebied tussen de locatie van de woning en de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Voor het bepalen van het type landgebruik kan gebruik gemaakt worden van de kaarten landgebruik die zijn bijgevoegd bij dit beoordelingskader. Bij meerdere typen landgebruik moet van het landgebruik worden uitgegaan, waarbij de bij het aantal woningen in de tabel gegeven afstand tot het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied het grootst is. Als er tussen de bouwlocatie en het Natura 2000-gebied bijv. akkerbouw en stedelijk gebied ligt, moet worden uitgegaan van akkerbouw.
Bijlage: Toelichting beoordeling stroomschema WABO-aanvragen bouw Onderstaand treft u een nadere toelichting op de beoordelingsvragen en antwoorden. Doel: Het doel van het schema is om een richtlijn te geven om te bepalen of woningbouwprojecten stikstofrelevant zijn. Er is gerekend bij welke combinaties van aantal woningen en afstanden bij verschillende gebiedstyperingen er 0,00 mol/ha/jaar depositie optreedt. In die gevallen is geen stikstofberekening nodig. De berekeningen voor dit beoordelingskader zijn worst case uitgevoerd. Er is gerekend met AERIUS Calculator versie 2021. Beoordelingsvragen 1. Het schema is alleen van toepassing voor een aanvraag voor een vergunning voor het bouwen van woningen. Voor aanvragen voor andere gebouwen dan woningen is dit schema niet van toepassing. Ook kan het schema niet gebruikt worden indien er sprake is van meerdere activiteiten (bijvoorbeeld bouw- en strijdig gebruik). Dit schema is niet bedoeld voor procedures omgevingsvergunningen milieu. Het betreft alleen de stikstofdepositie van de gebruiksfase. Voor de stikstofdepositie in de aanlegfase geldt een vrijstelling op grond van de Wet stikstof en natuurverbetering. De aanlegfase is daarom buiten beschouwing gelaten in dit schema.
In de volgende gevallen is geen sprake van (relevante) stikstofemissie: - bouw van een aanbouw/serre - plaatsing van een dakkapel - plaatsen van een airco-unit - kleine reclame-uitingen (geen hoge masten) 2. Voor vraag 2 is onderscheid gemaakt tussen woningen waarbij mogelijk sprake is van stookemissies en woningen die gas- en haardloos zijn uitgevoerd. 3. Afhankelijk of er sprake is van mogelijke stookemissies kan tabel 1 of 2 gebruikt worden om te bepalen of er op basis van de afstand van Natura 2000-gebieden een stikstofberekening nodig is. 4. Blijkt uit de berekening dat de stikstofdepositie > 0,00 mol N/ha/j is, dan kan in een ecologische voortoets worden bepaald of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Het is de keuze van de aanvrager om al dan niet een ecologische voortoets uit te laten voeren. Indien significante effecten niet kunnen worden uitgesloten moet een Wnb-toestemming worden aangevraagd (*1). Bij het bepalen of significante effecten kunnen worden uitgesloten dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds een ecologische voortoets op basis van algemeen geaccepteerde documenten, zoals het beheerplan voor het betreffende Natura 2000-gebied, en anderzijds een ecologische voortoets op basis van zelf verricht ecologisch onderzoek.
In het eerste geval is in verband met stikstof geen Wnb-vergunning nodig als uit de voertoets blijkt dat geen significante effecten kunnen optreden. In het laatste geval kan dit niet op voorhand worden gesteld, er is daarvoor een ecologische beoordeling (door het Wnb bevoegd gezag) nodig van het verrichtte onderzoek.
Indien uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie 0,00 is, kan de gemeente ervoor kiezen een Wabo vergunning bouwen af te geven. Let op: ook al is stikstof niet aan de orde kan een initiatief ook nog andere effecten op N2000gebieden hebben, waarvoor alsnog een Vvgb/vergunning Wet natuurbescherming nodig kan zijn (bijvoorbeeld door geluid, licht, ingrepen in waterhuishouding e.a.)! *1 In dat geval moet het bevoegde gezag WABO een zogenaamde vvgb aanvragen bij het bevoegde gezag van de Wnb (dat is de provincie Zuid-Holland, de Wnb-taken worden in mandaat uitgevoerd door de Omgevingsdienst Haaglanden). Het is ook mogelijk dat de initiatiefnemer zelf een aanvraag op basis van de Wnb indient.
Bijlage 2 QuickScan flora en fauna
Schouteneinde 27 Puttershoek
9
Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland Plangebied: Schouteneinde 27, Puttershoek Opsteller(s): C.E. Bakker
Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland Ondertitel
Plangebied: Schouteneinde 27, Puttershoek
Opsteller(s)
E. Bakker
Datum
21-06-2021
Versienummer
01
Rapportkenmerk
ER20210610v01
Aantal pagina's
43
Opdrachtgever
Kubiek Ruimtelijke Plannen
Contactpersoon
D. Meis
Kwaliteitscontrole
F.A. van Meurs & K.J. van Veen
Wijze van citeren
Bakker, C.E. 2021. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland. Plangebied: Schouteneinde 27, Puttershoek. Rapportkenmerk: ER20210610v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.
Ecoresult B.V. Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl
© copyright Ecoresult B.V. 2021 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding.................................................................................................................................................................................................................................6 1.1 Aanleiding....................................................................................................................................................................................................................6 1.2 Doel..................................................................................................................................................................................................................................6 1.3 Onderzoeksmethodiek........................................................................................................................................................................................6 1.4 Leeswijzer.....................................................................................................................................................................................................................8 2 Toelichting onderzoekskader...................................................................................................................................................................................9 2.1 Wet
natuurbescherming....................................................................................................................................................................................9 2.1.1 Bescherming van gebieden.....................................................................................................................................................................9 2.1.2 Bescherming van soorten.........................................................................................................................................................................9 2.1.3 Bescherming van houtopstanden....................................................................................................................................................11 2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland...................................................................................................................................................11 3 Omschrijving plangebied........................................................................................................................................................................................13 3.1
Algemeen..................................................................................................................................................................................................................13 3.2 Beschrijving..............................................................................................................................................................................................................13 3.3 Geplande ingrepen.............................................................................................................................................................................................15 3.3.1 Omschrijving werkzaamheden...........................................................................................................................................................15 3.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode........................................................................................................................15 3.3.3 Methode uitvoering: materieel en werkwijze............................................................................................................................15 3.3.4
(ontwerp-)tekening....................................................................................................................................................................................15 4 Onderzoeksresultaten beschermde gebieden..........................................................................................................................................16 4.1 Wet natuurbescherming..................................................................................................................................................................................16 4.1.1 Natura 2000.....................................................................................................................................................................................................16 4.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland...................................................................................................................................................18 4.2.1 Natuurnetwerk Nederland.....................................................................................................................................................................18 4.2.2 Belangrijk weidevogelgebied..............................................................................................................................................................19 4.2.3
Strategische reservering natuur.........................................................................................................................................................19 5 Beschermde houtopstanden................................................................................................................................................................................20 6 Onderzoeksresultaten beschermde soorten..............................................................................................................................................21 6.1 Soorten Vogelrichtlijn........................................................................................................................................................................................21 6.1.1 Bronnenonderzoek.....................................................................................................................................................................................21 6.1.2 Verkennend veldonderzoek..................................................................................................................................................................21 6.1.3 Effectbeoordeling en toetsing.............................................................................................................................................................24 6.2 Soorten
Habitatrichtlijn....................................................................................................................................................................................26 6.2.1 Bronnenonderzoek.....................................................................................................................................................................................26 6.2.2 Verkennend veldonderzoek..................................................................................................................................................................26 6.2.3 Effectbeoordeling en toetsing.............................................................................................................................................................28 6.3 Nationaal beschermde soorten..................................................................................................................................................................29 6.3.1 Bronnenonderzoek.....................................................................................................................................................................................29 6.3.2 Verkennend veldonderzoek..................................................................................................................................................................30 6.3.3
Effectbeoordeling en toetsing.............................................................................................................................................................30 6.4 Invasieve exoten...................................................................................................................................................................................................31 7 Conclusies en aanbevelingen...............................................................................................................................................................................32 7.1 Algemeen..................................................................................................................................................................................................................32 7.2 Beschermde gebieden.....................................................................................................................................................................................32 7.2.1 Wet natuurbescherming.........................................................................................................................................................................32 7.2.2 Omgevingsverordening
Zuid-Holland...........................................................................................................................................32 7.3 Beschermde houtopstanden........................................................................................................................................................................33 7.4 Beschermde soorten..........................................................................................................................................................................................33
7.4.1 Soorten Vogelrichtlijn.................................................................................................................................................................33 7.4.2 Soorten Habitatrichtlijn.............................................................................................................................................................34 7.4.3 Nationaal beschermde soorten...........................................................................................................................................34 7.5 Invasieve exoten.....................................................................................................................................................................................34 7.6 Samenvatting benodigd onderzoek.........................................................................................................................................34 7.7 Aanbevelingen........................................................................................................................................................................................35 8 Geraadpleegde bronnen..........................................................................................................................................................................36 8.1
Literatuur.....................................................................................................................................................................................................36 8.2 Internet.........................................................................................................................................................................................................36 Bijlage 1 Foto-impressie plangebied.....................................................................................................................................................38
5
1 Inleiding 1.1 Aanleiding In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Schouteneinde 27, Puttershoek. De aanleiding van dit verzoek is de voorgenomen sloop en nieuwbouw in het plangebied (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Weten regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.
1.2 Doel Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: •
Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).
•
Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).
•
Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).
•
Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur). In het kader van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
1.3 Onderzoeksmethodiek De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. 6
•
Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 31-05-2021 door C.E. Bakker, ecologisch deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is – daar waar nodig met hulp van een verrekijker en een zaklamp– onderzocht.
•
Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van 5 kilometer tot het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 6 zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Afbeelding 1). Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken.
•
Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd aan actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.
Afbeelding 1: Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode cirkel geeft het plangebied weer. Bron: NDFF.
1
7
Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/ruimtelijkeingrepen/ontheffing-vrijstelling/ecologisch-deskundige
1.4 Leeswijzer In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten en houtopstanden beschreven en beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samen gevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk nader onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek.
8
2 Toelichting onderzoekskader 2.1 Wet natuurbescherming De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en regelt de soortbescherming. De provincies zijn voor de Wet Natuurbescherming het bevoegd gezag en regelt tevens de vergunning en ontheffingen. De bescherming van de Wet Natuurbescherming is grofweg op te delen in 3 categorieën.
2.1.1 Bescherming van gebieden De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op de Natura 2000-gebieden. De verschillende Natura 2000 gebieden zijn deels aangewezen voor specifieke Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en/of habitattypen. Invloeden (ook van buiten het Natura 2000 gebied) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Daarnaast mag het oppervlakte van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast.
2.1.2 Bescherming van soorten De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Voor de soorten binnen dit beschermingsregime geldt een onderzoeksplicht, en bij negatieve effecten een ontheffingsplicht. De provincies kunnen aangeven of zij soorten uit deze lijst willen vrijstellen van ontheffingsplicht. Naar deze soorten is nader onderzoek of een ontheffing niet nodig, wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen 2.
2
Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen
9
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Art 3.1 lid 1 Art 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende Het is verboden soorten in hun vogels opzettelijk te doden of te natuurlijke verspreidingsgebied vangen. opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten (andere soorten) § 3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art 3.1 lid 3 Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren te rapen en Het is verboden eieren van dieren deze onder zich te hebben. in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Het is verboden vogels opzettelijk Het is verboden dieren opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van te verstoren. wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb
10
2.1.3 Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het onderdeel beschermde houtopstanden heeft geen betrekking op: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, • houtopstanden op erven of in tuinen, • fruitbomen en windschermen om boomgaarden, • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar, • kweekgoed, • uit populieren of wilgen bestaande: • wegbeplantingen, • beplantingen langs waterwegen, en • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden, • het dunnen van een houtopstand, • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: • ten minste eens per tien jaar worden geoogst, • bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn
aangelegd na 1 januari 2013.
2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd. Onderdeel van de beschermd gebieden in de Omgevingsverordening is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het
11
NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoud dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN. Elke provincie heeft zelf de regie over de invulling van deze kenmerken en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Zuid-Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen. Naast het NNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In de provincie Zuid-Holland betreft dit Belangrijk weidevogelgebieden en de Strategische Reservering Natuur. In sommige provincies zijn deze gebieden vervlochten binnen het kader van het NNN en geldt hiervoor eenzelfde toetsingskader.
12
3 Omschrijving plangebied 3.1 Algemeen Het plangebied voor deze quickscan omvat een vrijstaande woning met aangebouwde schuren en een paardenbox in Puttershoek, gemeente Hoeksche Waard, provincie Zuid-Holland (zie Afbeelding 2). Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom aan de oostzijde van Puttershoek.
Afbeelding 2: Ligging plangebied en het onderzochte gebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven (Bron: PDOK)
3.2 Beschrijving •
De bebouwing in het plangebied bestaat uit een woonhuis met aangebouwde schuren uit 1910. Ook is er een paardenbox aanwezig uit 1963.
•
Hoofdwoning: ◦ De hoofdwoning is opgebouwd uit bakstenen gevels zonder open stootvoegen. ◦ De woning heeft een pannen dak. Er liggen hier en daar pannen scheef waardoor er openingen ontstaat die toegang geven tot de ruimte onder de pannen. ◦ Aan de voor- en achterzijde van de woning zijn er houten betimmeringen aanwezig rond de dakgoten. Er zijn hier enkele spleten in aanwezig. 13
◦ Op het dak zijn dakkapellen aanwezig. Er zijn spleten aanwezig bij de aansluiting van het dak. •
Schuur: ◦ De schuur is opgebouwd uit bakstenen gevels zonder open stootvoegen. ◦ De schuur heeft een kunststof dak. Boven de dakgoot zijn er openingen die toegang geven tot ruimte onder het dakvlak. ◦ Achter de houten betimmering van de dakgoten zijn er brede spleten tussen de gevel en het dak. ◦ Er zijn kunststof dakgoten aanwezig.
•
Paardenbox: ◦ De paardenbox is opgebouwd uit bakstenen gevels zonder open stootvoegen. ◦ De woning heeft een pannen dak. Boven de dakgoot en bij de kantpannen is er ruimte die toegang biedt tot de ruimte onder de dakpannen ◦ Het houten beschot achter de dakgoot is kapot waardoor er toegang is tot de achterliggende ruimte.
•
De buitenruimte rond de bebouwing is deels bestraat, en deels verhard met asfalt.
•
In de tuin is veel (sier)beplanting aanwezig in de vorm van bomen (o.a. esdoorn, els en taxus spec.) en sierplanten. Ook is er een composthoop aanwezig. Er zijn geen holten of spleten aanwezig in de bomen. Er zijn geen grote boomnesten of vogelhuisjes aanwezig in de tuin.
•
Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Boezemvliet. Overig open water of vijvers zijn niet aanwezig in of rond het plangebied.
•
Verlichting is aanwezig in de vorm van straatverlichting (in de directe omgeving) en buitenlampen aan de gevels.
Zie Afbeelding 3 en bijlage 1 voor een algehele foto-impressie van het plangebied.
Afbeelding 3: Overzicht plangebied. Foto: C.E. Bakker | Ecoresult B.V. 14
3.3 Geplande ingrepen 3.3.1 Omschrijving werkzaamheden De werkzaamheden zullen op grote lijnen bestaan uit: •
Sloop van de huidige bebouwing.
•
Het verwijden van het aanwezige groen.
•
Bouwrijp maken van het terrein.
•
Nieuwbouw van 2 woningen. Gedetailleerde plannen zijn niet bij het opstellen van voorliggende rapportage beschikbaar.
3.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode Een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar en de doorlooptijd van de werkzaamheden is nog niet bekend. De planning is deels afhankelijk van de conclusies uit voorliggende rapportage en overige onderzoeken.
3.3.3 Methode uitvoering: materieel en werkwijze De exacte invulling is nog niet bekend.
3.3.4 (ontwerp-)tekening Er zijn (ons) geen tekeningen van de nieuwe situatie bekend.
15
4 Onderzoeksresultaten beschermde gebieden 4.1 Wet natuurbescherming 4.1.1 Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is de Oude Maas op 3 km ten noordoosten van het plangebied. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitats liggen in Natura2000 gebied de Biesbosch, op 9 km van het plangebied (zie Afbeelding 4). De werkzaamheden binnen het plangebied behelzen de sloop van alle bebouwing binnen het plangebied en nieuwbouw van 2 woningen. Bij het bouwen van 5 grondgebonden woning (dus een ruime inschatting van de daadwerkelijke situatie) in een open landschapstype is de effectafstand voor stikstofdepositie 2,3 km3, de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitats liggen ruim buiten deze afstand. Negatieve effecten van de realisatiefase in het kader van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS berekening is niet noodzakelijk. Doelsoorten binnen het beheerplan van de Oude Maas zijn de bever en de noordse woelmuis (zie Afbeelding 5). De afstand tussen het plangebied en het Natura 2000 gebied is te groot om negatieve effecten te veroorzaken. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden worden derhalve op deze vlakken niet aangetast.
3
Cardinaals et al, 2019.
16
Afbeelding 4: Plangebied (rood omlijnd) en de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Bron: AERIUS Calculator.
Afbeelding 5: Habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten incl. de doelstellingen, waarvoor Natura 2000gebied Oude Maas is aangewezen. Bron: https://www.https://www.natura2000.nl/gebieden/zuidholland/oude-maas/oude-maas-doelstelling
17
4.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 4.2.1 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie Afbeelding 6. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland is de polder Groot Koninkrijk op 275 meter ten oosten van het plangebied en de dichtstbijzijnde Ecologische verbindingszone bevindt zich op 150 meter ten oosten van het plangebied. Dit betreft het Zuiddiep en de naastliggende dijk. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemde gebieden. Ook hoeft er in de provincie Zuid-Holland geen rekening gehouden te worden met externe effecten op NNN-gebieden. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt niet overtreden
Afbeelding 6: Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijk weidevogelgebied. Bron: https://pzh.maps.arcgis.com
18
4.2.2 Belangrijk weidevogelgebied Het plangebied is niet gelegen in een Belangrijk weidevogelgebied4. Polder Zuidzijde ten zuiden van Oud-Alblas, op een afstand van ruim 9 km ten noordoosten van het plangebied, is bestemd als Belangrijk weidevogelgebied. Op basis van de afstand van dit gebied tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.
4.2.3 Strategische reservering natuur Dichtstbijzijnde gebied die aangewezen is voor Strategische reservering natuur ligt in Polder Kortland nabij Alblasserdam, op een afstand van ruim 10 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening ZuidHolland wordt niet overtreden.
4
19
https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html? id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199&extent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813%2C477053.1 124%2C28992
5 Beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Puttershoek (zie Afbeelding 7). In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden.
Afbeelding 7: Het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom van Puttershoek.
20
6 Onderzoeksresultaten beschermde soorten 6.1 Soorten Vogelrichtlijn 6.1.1 Bronnenonderzoek 6.1.1.1
Nationale Databank Flora en Fauna
Soort Beschermingscategorie Soortgroep Steenuil 1 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Gierzwaluw 2 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Huismus 2 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Roek 2 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Grote gele kwikstaart 3 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Kerkuil 3 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Ooievaar 3 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Slechtvalk 3 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Boomvalk 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Buizerd 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Havik 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Ransuil 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Sperwer 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Wespendief 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats Zwarte wouw 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats
Tabel 2: Waargenomen vogels met jaarrond beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF geraadpleegd op 28-05-2021
6.1.2 Verkennend veldonderzoek 6.1.2.1
Jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Voor huismus zijn ruimten onder het dakvlak van de woning/schuur en de paardenbox potentieel geschikt als nestplaats. Het gaat uitsluitend om de eerste rijen dakpannen bij de dakgoot langs de lange gevel en enkel ruimten onder loodflappen bij de dakkapellen. Rondom het plangebied zijn tijdens het veldbezoek huismussen waargenomen. 21
Voor gierzwaluw zijn geschikte openingen aanwezig aan de achterzijde van het woonhuis/schuur bij de dakgoten en spleten tussen de gevel en het dak. Tijdens het veldbezoek is één invliegende gierzwaluw waargenomen, zie Afbeelding 8. Vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw zijn derhalve zeker aanwezig. Functioneel leefgebied voor huismus is aanwezig in het plangebied in de vorm van de de beplanting in de achtertuin. Van een essentiële functie is geen sprake, in de omgeving zijn ruim voldoende vergelijkbare en geschiktere alternatieven voorhanden.
Afbeelding 8: Locatie invliegende gierzwaluw. Foto: C.E. Bakker | Ecoresult B.V. Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen. Er zijn geen geschikte nissen of steenuil- en/of kerkuilnestkasten aanwezig. Ook biedt de schuur geen openingen waardoor uilen de schuur in kan komen. Daarnaast werden geen sporen (mestsporen, braakballen) aangetroffen. Voor ooievaar zijn geen geschikte plekken in het plangebied aanwezig. Ooievaarsnesten (nestpalen) zijn afwezig. Voor slechtvalk (broedt vrijwel uitsluitend op hoogbouw) is het plangebied eveneens ongeschikt. 22
In de bomen binnen en grenzend aan het plangebied ontbreken grote boomnesten of holten. Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen de bebouwde kom. Mede op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als ransuil, boomvalk, buizerd, havik en sperwer worden uitgesloten. Essentieel functioneel leefgebied voor roofvogels en uilen is, mede door de ligging binnen de bebouwde kom, afwezig. Daarnaast zijn er voldoende alternatieven voorhanden in de omgeving.
6.1.2.2
Niet jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten (zogenaamde Categorie 5-soorten), zoals spreeuw. Deze zouden in het dakvlak tot broeden kunnen komen. De bebouwing is daarmee geschikt voor vogels met niet-jaarrond beschermde nesten.
6.1.2.3
Algemene broedvogels
Er is tijdens het veldbezoek een (oud) nest aangetroffen van kauw in de ruimte tussen de gevel en het dak aan de voorzijde van de schuur (zie Afbeelding 9). Daarnaast is het groen binnen en grenzend aan het plangebied is geschikt als voortplantingsplaats voor andere algemene broedvogels als houtduif, Turkse tortel, merel en heggenmus.
Afbeelding 9: Nest van kauw in de schuur. Foto's: C.E. Bakker | Ecoresult B.V. 23
6.1.3 Effectbeoordeling en toetsing 6.1.3.1
Jaarrond beschermde nesten
Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing zijn in het plangebied aanwezig. Huismus en gierzwaluw kunnen in het plangebied tot broeden komen. Aanwezigheid van één vaste rust en verblijfplaats van gierzwaluw is reeds vastgesteld. Door de voorgenomen sloop van de bebouwing in het plangebied kunnen permanente schadelijke effecten optreden op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus. Verbodsbepalingen Art. 3.1 lid 2 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Nader veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of: •
Of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei (2 veldonderzoeken) of 4 bezoeken tussen 20 maart en 20 juni. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen5 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk.
•
Hoeveel voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 juni – 15 juli. Totaal zijn 3 veldonderzoeken nodig. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen 6 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Omdat één vaste rust- en verblijfplaatsen reeds is vastgesteld dient een ontheffing in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn voor de start van het volgende broedseizoen (mei t/m juli).
• 5 6
24
Het plangebied is voor overige soorten met jaarrond beschermde nesten ongeschikt.
https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf
Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: •
Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).
•
Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).
•
Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.
6.1.3.2
Niet jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (o.a. spreeuw). Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. •
Schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.
6.1.3.3
Algemene vogels
Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te
25
werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch deskundige.
6.2 Soorten Habitatrichtlijn 6.2.1 Bronnenonderzoek 6.2.1.1
Nationale Databank Flora en Fauna
S oor t Gewone dwer gvleer muis Gewone gr ootoor vleer muis L aatvlieger Meer vleer muis R uige dwer gvleer muis Water vleer muis B ever Noor ds e woelmuis Muur hagedis R ivier r ombout Teunis bloempijls taar t P latte s chijfhor en
S oor t gr oe p Zoogdier en Zoogdier en Zoogdier en Zoogdier en Zoogdier en Zoogdier en Zoogdier en Zoogdier en R eptielen Ins ecten – libellen Ins ecten – nachtvlinder s Week dier en
Tabel 3: Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 03-05-2021.
6.2.2 Verkennend veldonderzoek 6.2.2.1
Vleermuizen
De bebouwing het plangebied biedt potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De woning/schuur en de paardenbox in het plangebied bevat ruimten bij het dakvlak (scheefliggende dakpannen, kantpannen) of achter de gootbetimmering. De verwachte soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het plangebied kan voor deze soorten derhalve een functie hebben als zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaats (zie Tabel 4). Het laatste verblijftype (winterblijfplaats) geldt voor enkele solitaire dieren. Massawinterverblijfplaatsen zijn in het plangebied uitgesloten door beperkte omvang, geringe 26
hoogte en laag temperatuurregulerend vermogen van de bebouwing. Tweekleurige vleermuis, daarnaast wordt deze soort op basis van verspreidingsgegevens en zeldzame karakter ook niet verwacht in het plangebied. Ook meervleermuis wordt niet verwacht. Thans voert Ecoresult B.V. meerdere onderzoeken uit in de omgeving van het plangebied. De soort is hierbij niet aangetroffen. De bebouwing rondom het plangebied is eveneens potentieel geschikt voor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. De bomen in het plangebied zijn ongeschikt voor boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. De bomen bevatten geen holten of scheuren welke door deze soorten gebruikt kunnen worden als zomer- en paarverblijfplaats. Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied bestaande uit vliegroutes 7 en foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van het plangebied zijn alternatieve
Essentiele Vliegroute
Essentieel Foerageergebied
Massawinterverblijfplaats
Winterverblijfplaats
Paarverblijfplaats
Kraamverblijfplaats
Soort
Zomerverblijfplaats
mogelijkheden van een vergelijkbare of betere kwaliteit aanwezig.
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger
Tabel 4: Soorten welke verwacht worden en bijbehorende functies.
6.2.2.2
Overige Habitatrichtlijn soorten
Overige Habitatrichtlijnsoorten, te weten zoogdieren (bever, noordse woelmuis), reptielen (muurhagedis), libellen (rivierrombout), nachtvlinders (teunisbloempijlstaart) en weekdieren (platte schijfhoren) worden niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt habitat. Voor noordse woelmuis ontbreken zeer extensief beheerde en structuurrijke vegetaties zoals natte moerasgebieden. 7
Een vliegroute is essentieel wanneer er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de verblijfplaats het betreffende foerageergebied te bereiken dan wel dat er wel een alternatieve vliegroute is, maar het gebruik hiervan kost vergeleken met de originele vliegroute teveel energie (te ver omvliegen of te onbeschut). Een foerageergebied is van essentieel belang voor het functioneren van de verblijfplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om de eventuele aantasting ervan op te vangen.
27
Voor bever ontbreken grote wateren met een rijke, opgaande oeverbegroeiing. Voor muurhagedis ontbreken geschikte ouden muren en/of stenenhopen en is in de omgeving enkel bekend uit het havengebied van Dordrecht8. Dit betreft een niet natuurlijke (uitgezette) populatie. Rivierrombout plant zich enkel voor in grote beken en rivieren. Teunisbloempijlstaart kan worden uitgesloten op basis van het ontbreken van kruidenrijke, ruderale terreinen met de juiste waardplanten (o.a. harig wilgenroosje, basterdwederik en (middelste) teunisbloem) voor de soort. Overige soort(groep)en worden naast het ontbreken van geschikt habitat ook op basis van landelijke verspreiding niet verwacht in het plangebied.
6.2.3 Effectbeoordeling en toetsing Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis) is in de bebouwing binnen het plangebied niet uit te sluiten. De werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn in de spouwmuur overige openingen/kieren. Nader onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot 15 juli middels 3 bezoeken en tussen 15 augustus en 15 september middels 2 bezoeken (zie Tabel 5) om te bepalen of: •
voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en/of laatvlieger aanwezig zijn in plangebied. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen9 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Per vleermuissoort en per functie functie kunnen andere gewenningsperioden gelden.
De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria:
8 9
28
•
Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).
•
Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).
NDFF Vleermuisprotocol 2021
•
Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende
december
november
oktober
september
augustus
juli
juni
mei
april
maart
februari
januari
mitigerende/compenserende maatregelen.
gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger zomerverblijfplaatsen zomer-/kraamverblijfplaatsen paarverblijfplaatsen
Tabel 5: Onderzoeksperiode vleermuizen.
6.3 Nationaal beschermde soorten 6.3.1 Bronnenonderzoek 6.3.1.1 Soort Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis
Nationale Databank Flora en Fauna Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren
Provinciale vrijstelling Zuid Holland Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja
Soort Vos Wezel Alpenwatersalamander Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Grote vos Grote weerschijnvlinder Dreps Kartuizer anjer Ruw parelzaad
Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Insecten Insecten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten
Provinciale vrijstelling Zuid Holland Ja Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee Nee Nee
Tabel 6: Waargenomen niet vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (Andere soorten § 3.3 Wnb) binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 03-05-2021
29
6.3.2 Verkennend veldonderzoek 6.3.2.1
Zoogdieren
Het plangebied en de directe omgeving zijn potentieel geschikt voor algemene soorten waarvoor in Zuid-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de egel en verschillende soorten (spits-) muizen een incidenteel passerend dier is niet uit te sluiten. Steenmarter kan worden uitgesloten op basis van het ontbreken van geschikte betredingsopeningen en de permanente bewoning van het de bebouwing. Tevens zijn van deze soort tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen.
6.3.2.2
Amfibieën
Het plangebied is enkel geschikt als terrestrisch habitat voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals gewone pad en bruine kikker (een incidenteel passerend dier is niet uit te sluiten). Niet vrijgestelde beschermde amfibieën als Alpenwatersalamander worden niet verwacht. Open water is in het plangebied niet aanwezig.
6.3.2.3
Vaatplanten
Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast zijn geen oude (kalk-)muren – geschikt voor beschermde muurvegetatie – aanwezig in het plangebied. Door de ligging van het plangebied in bebouwd gebied, met sterk gecultiveerde vegetatie zijn geschikte groeiplaatsen voor soorten als dreps, karthuizer anjer en ruw parelzaad niet in het plangebied aanwezig.
6.3.2.4
Overige soorten
Beschermde reptielen en vissen worden niet verwacht. Open water is in het plangebied niet aanwezig. Daarnaast ligt het plangebied in een urbane omgeving. Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor beschermde dagvlinders, zoals grote vos en grote weerschijnvlinder. Beide soorten komen voor in en nabij vochtige bossen. Overige soort(groep)en worden naast het ontbreken van geschikt habitat ook op basis van landelijke verspreiding niet verwacht in het plangebied.
6.3.3 Effectbeoordeling en toetsing Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals egel, algemene (spits)muizen, gewone pad en bruine kikker. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat 30
indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Voor niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt.
6.4 Invasieve exoten Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten vastgesteld in het plangebied. Uitheemse duizendknopen en reuzenberenklauw zijn, voor zover zichtbaar niet aanwezig. Wellicht is tijdens de quickscan nog geen volledig beeld van alle exoten verkregen.
31
7 Conclusies en aanbevelingen 7.1 Algemeen In opdracht van de Schouteneinde B.V. heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Schouteneinde 27, Puttershoek. De aanleiding betreft het herontwikkeling (sloop en nieuwbouw) binnen het plangebied. Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden.
7.2 Beschermde gebieden 7.2.1 Wet natuurbescherming 7.2.1.1
Natura 2000
Vanwege de aard van de werkzaamheden (sloop en nieuwbouw van één grondgebonden woning) en de afstand van ten minste 3 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, en 9 km ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied met stikstofgevoelige habitats kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden derhalve op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek (in de vorm van bijv. een AERIUS berekening) is niet noodzakelijk. Vanwege de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten van trilling, geluid of optische verstoring op voorhand worden uitgesloten.
7.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Belangrijke weidevogelgebied en Strategische reservering natuur. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig.
32
7.3 Beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.