CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Analoge Bestemmingsplan bp Burg. de Zeeuwstraat ong. tegenover 68 Numansdorp - volledig

Beeldvormende bijeenkomst 2 maart 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Burg. De Zeeuwstraat t.h.v. nr. 68 te Numansdorp25.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Burg. de Zeeuwstraat (ong. tegenover nr. 68) Numansdorp’ gemeente Hoeksche Waard - Toelichting - Verbeelding - Regels Bijlage 1 bij regels (Stedenbouwkundige onderbouwing, Wissing, 28 september 2020)

Bijlagen bij toelichting: -verkennend bodemonderzoek (Inventerra, 15 april 2019, nr. 19-2074-R01ML) -akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch advies, 26 maart 2019, nr. VL.1911.R01) -quick scan Wet natuurbescherming (BEC, 9 januari 2020, nr. 191105-001) -Stedenbouwkundige onderbouwing (Wissing, 28 september 2020: zie bijlage bij regels) -Nota beantwoording zienswijzen d.d. januari 2021

Toelichting Bestemmingsplan ‘Burg. de Zeeuwstraat (ong. tegenover 68) Numansdorp’ Gemeente Hoeksche Waard

NL.IMRO.1963.BPBZeeuwstrNMD20-VG01 maart 2021

Bestemmingsplan ‘Burg. de Zeeuwstraat (ong. tegenover nr. 68) Numansdorp’ gemeente Hoeksche Waard

Toelichting Regels Verbeelding Datum: Status:

maart 2021 vastgesteld

-2-

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 1.1 Situering 1.2 Aanleiding en doelstelling 1.3 Het bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer 2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding 2.2 Omgeving plangebied 2.3 Huidige situatie 2.4 Toekomstige situatie 3. Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer 4.3 Flora en fauna 4.4 Archeologische waarden 4.5 Waterhuishouding 4.6 Milieuzonering 4.7 Geluid 4.8 Bodem 4.9 Geur 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Kabels en leidingen 5. Juridische toelichting 5.1 Juridische planopzet 5.2 Bestemmingswijzer 5.3 Plantoetsing en handhaving 6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Planschade 7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg 7.2 Inspraak 7.3 Zienswijzen

PAG.

4 4 4 5 6 7 7 7 7 8 10 10 10 11 12 15 15 15 15 16 17 18 19 19 20 20 22 23 24 24 24 24 25 25 25 26 26 26 26

Bijlagen: -verkennend bodemonderzoek (Inventerra, 15 april 2019, nr. 19-2074-R01ML) -akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch advies, 26 maart 2019, nr. VL.1911.R01) -quick scan Wet natuurbescherming (BEC, 9 januari 2020, nr. 191105-001) -Stedenbouwkundige onderbouwing (Wissing, 28 september 2020)

-3-

1. Inleiding 1.1 Situering Het plangebied ligt in het centrum van de bebouwde kom van Numansdorp aan de Burg. de Zeeuwstraat. Het plangebied is gesitueerd tussen de Middelweg en de Burg. de Zeeuwstraat.

plangebied

Figuur 1.1: luchtfoto plangebied met omgeving

1.2 Aanleiding en doelstelling Het perceel Middelweg 8 is aan de noordzijde bebouwd. Het zuidelijke deel van het perceel is in gebruik als tuin. De eigenaar van de grond (hierna: initiatiefnemer) heeft het plan opgevat op de achterzijde van het perceel een woning te bouwen.

-4-

Het perceel is kadastraal bekend gemeente Numansdorp, sectie F nummer 2634, ter grootte van 659 m².

Figuur 1.2: kadastrale tekening

Het plan tot het bouwen van een extra woning op het perceel stemt niet overeen met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen ‘Buitensluis’, waardoor een herziening van het bestemmingsplan vereist is. Burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Cromstrijen hebben bij brief van 7 november 2018, kenmerk Z 10569/uit 10288, bericht dat de gemeente in principe bereid is medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling.

1.3 Het bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisering van één extra woning mogelijk. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende stukken: - Verbeelding (plankaart); - Regels. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van deze toelichting.

-5-

1.4 Leeswijzer Deze toelichting omvat een omschrijving op hoofdlijnen van het plangebied en het plan (hoofdstuk 2). Het relevante beleid voor het plangebied (hoofdstuk 3) en een omschrijving van de verschillende omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 wordt een juridische toelichting gegeven. Hoofdstuk 6 omvat de aspecten planschade en economische uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het overleg ex artikel 3.1.1 Bro beschreven, alsmede de uitkomst van het vooroverleg en de zienswijzenprocedure.

-6-

2. Beschrijving plangebied en gebruiksplan 2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het plangebied en het aangepaste plan beschreven. 2.2 Omgeving plangebied

Het plangebied ligt aan een zijtak van de Burg. de Zeeuwstraat. Aan deze zijtak is al enige woonbebouwing aanwezig. Het plangebied wordt ontsloten via de Burg. de Zeeuwstraat. De omgeving van het plangebied bestaat met name uit woonbebouwing.

plangebied

2.3 Huidige situatie

Op dit moment is het perceel aan de Burg. de Zeeuwstraat ong. tegenover nr. 68 in gebruik als achtertuin bij de woning aan de voorzijde van het perceel Middelstraat 8. Hierna zijn enige foto’s van het gebied opgenomen.

-7-

Figuur 2.1 luchtfoto perceel Middelweg 8/Burg. de Zeeuwstraat ong. tegenover 68

Figuur 2.2 foto woning Middelweg 8

2.4 Toekomstige situatie Het voorliggende bestemmingsplan geeft aan het plangebied de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’ met als doel om de realisering van een extra woning mogelijk te maken.

-8-

Het plan betreft de bouw van een woning aan de achterzijde van het perceel Middelweg 8. Er wordt een vrijstaande woning gebouwd die past binnen de al bestaande bebouwing in deze zijtak van de Burgemeester de Zeeuwstraat. De woning wordt gesitueerd tegenover de aan de zijtak gelegen woningen Burg. de Zeeuwstraat 66, 68 en 70, zie groen kader in de tekening hierna.

Figuur 2.3 situering nieuwe woning

De maximale goothoogte bedraagt 6 m, de maximale bouwhoogte 10 m. De toegang tot het perceel is aan de Burgemeester de Zeeuwstraat.

De woning zal levensloopbestendig zijn en duurzaam worden gebouwd. Dit is ook, overeenkomstig de gemeentelijke woonvisie, als voorwaarde gesteld door de gemeente. In paragraaf 3.4 wordt ingegaan op de stedenbouwkundige beoordeling van het bouwplan.

-9-

3. Beleidskader 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente. 3.2

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2006. In de SVIR kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In de SVIR wordt ten aanzien van het onderwerp ‘Verstedelijkings- en landschapsbeleid’ aangegeven, dat het Rijk dit overlaat aan de provincies en gemeenten. Dit bestemmingsplan heeft tot doel om een extra woning toe te voegen aan de Burg. de Zeeuwstraat ong. tegenover 68 te Numansdorp. Het plan is niet in strijd met de uitgangspunten van de SVIR. Ladder voor duurzame verstedelijking (SER-ladder) In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (en ook de provinciale Verordening Ruimte en de Visie Ruimte en Mobiliteit (beschreven in paragraaf 2.2.2) bevat de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' als motiveringseis waaraan een bestemmingsplan moet voldoen.

Sinds 1 juli 2017 luidt de formulering van de Ladder in genoemd artikel van het Bro: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

- 10 -

Op grond van de ladder moeten de volgende punten worden behandeld: 1. Er moet worden nagegaan of het bij de nieuwe ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan, gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling; 2. Als het gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet worden beschreven dat er daadwerkelijk voldoende vraag bestaat naar deze ontwikkeling; 3. Als er voldoende vraag naar de nieuwe stedelijke ontwikkeling bestaat, moet de vraag worden beantwoord of bestaand stedelijk gebied (of bestaande bebouwing) de ruimte voor deze ontwikkeling niet kan bieden. Toepassing van de Ladder op dit wijzigingsplan levert het volgende op: Ad 1. Is er hier sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt omschreven als: een "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". De bouw van een woning is in beginsel een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt echter, dat de bouw van een enkele woning niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.16, tweede lid, Bro wordt beschouwd (zie uitspraak Abrs Raad van State d.d. 28 juni 2017, nr. 201608869/1/R3). Ad 2. en Ad 3.

Aan de vragen of er voldoende vraag bestaat naar de nieuwe stedelijke ontwikkeling en of bestaand stedelijk gebied hiervoor geen ruimte kan bieden, wordt dus niet toegekomen. De conclusie met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking luidt als volgt. Het bestemmingsplan voor de Burg. de Zeeuwstraat ong. tegenover nr. 68 maakt een ontwikkeling mogelijk die niet kan worden aangemerkt als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in het Bro. De Ladder hoeft dus niet verder te worden doorlopen voor deze ontwikkeling.

3.3

Provinciaal beleid

De Omgevingsverordening Zuid-Holland en de Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie Zuid-Holland zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Deze vervangen de Verordening Ruimte en de Visie Ruimte. Het nieuwe omgevingsbeleid bestaat uit de volgende onderdelen: De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit.

- 11 -

De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Stedelijke ontwikkeling Nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) zijn op basis van artikel 6.10 van de verordening pas mogelijk als na toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat dit binnen bestaand stads- en dorpsgebied niet mogelijk is. Het bouwplan voorziet in de bouw van woning binnen BSD. Het plan past binnen het provinciaal planologisch beleid. Voor de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijk wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van deze toelichting. Conclusie De conclusie is dan ook dat de voorgestane ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard De Omgevingsvisie is door de gemeenteraad van Hoeksche Waard vastgesteld op 17 december 2019 vastgesteld. In de Omgevingsvisie is er voor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. Het accent is gelegd op wat de Hoeksche Waard wil; niet op wat niet mag. Of in Omgevingswet termen: ‘Ja mits’, in plaats van ‘Nee, tenzij’. Het gaat dus om een gewenste koers, niet om een alomvattend beleid. Het is niet nodig gevonden om nu al alle aspecten die in het Omgevingsplan worden uitgewerkt te benoemen. Alle beleidsaspecten opnemen zou ten koste gaan van het karakter van de visie: gericht op inspireren en uitnodigen. • De Omgevingsvisie richt zich op de gewenste koers van de gemeente. • De Programmaplannen richten zich er op hoe daar te komen. • Het Omgevingsplan geeft aan binnen welke regels dit gaat gebeuren. In de Omgevingsvisie is o.a. aangegeven dat er gestreefd wordt naar een krachtige en vitale participatiesamenleving waarin inwoners zelfbewust en in samenwerking met maatschappelijke organisaties en de gemeente regie voeren op het eigen bestaan, waarin voldoende vangnetten zijn ingericht en waarin preventie een grote rol speelt. Inzet is dat er voor alle inwoners een duurzaam veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit aanwezig is.

Partijen worden uitgenodigd om vooral zelf met concrete uitwerkingen te komen. Daarbij is het van belang om de Hoeksche Werken te noemen, waaraan het initiatief een bijdrage levert. Daarnaast moet worden gekeken naar het gebied waar het initiatief aan de orde is. Hier zijn de Hoeksche Waarden van belang, die met het initiatief behouden of versterkt worden.

- 12 -

Hoeksche Werken Bij de Hoeksche Werken zijn er diverse enkele maatschappelijke opgaven die de aandacht vragen de komende jaren. De bijdrage van het plan tot het realiseren van de woning aan de Burg. de Zeeuwstraat aan de Hoeksche Werken is als volgt te omschrijven: - Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig De nieuwe woning wordt gasloos en zal zo veel mogelijk eigen energie opwekken middels zonnepanelen voor elektriciteit en zonnecollectoren voor warm water. De locatie zal daarmee een bijdrage leveren aan reductie van CO2 en andere broeikasgassen. - Vitale dorpen en actieve samenleving. Het plangebied ligt bij het centrum van de bebouwde kern van Numansdorp. De intensivering van woonbebouwing in de kern van Numansdorp levert een positief effect op het gebruik van het voorzieningenniveau in de woonkern. Hoeksche Waarden De Hoeksche Waard is bij het maken van de Omgevingsvisie ingedeeld in vijf gebieden. Elk deelgebied bestaat uit eigen Hoeksche Waarden, bestaand en verder te ontwikkelen. Het plangebied ligt in het gebied ‘Dorpse Trots’. Een belangrijk uitgangspunt bij ‘Dorpse Trots’ is dat voor wat betreft de verdere ontwikkeling van de woonbebouwing in woonkernen, eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd.

Het plan tot de bouw van een extra woning draagt bij aan de beantwoording van de vraag naar vrijstaande koopwoningen in Numansdorp. In het kader van de wens om het bouwplan in goed overleg met omwonenden te realiseren, omwonenden worden vooraf geïnformeerd over het plan. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

3.4.2 Bestemmingsplan Buitensluis Ter plaatse van het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan ‘Buitensluis’. Dit bestemmingsplan is op 15 juli 2008 vastgesteld door de gemeenteraad van Cromstrijen en op 10 maart 2009 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van ZuidHolland. 2009-124925. Het plangebied heeft de bestemming Wonen. Op het perceel is geen bouwvlak waardoor de bouw van de extra woning niet is toegestaan.

- 13 -

plangebied

Figuur 3.2 deel verbeelding bp Buitensluis

De bouw van een woning stemt niet overeen met het geldende bestemmingsplan. Om die reden is dit nieuwe bestemmingsplan gemaakt.

3.4.3 Stedenbouwkundige onderbouwing Om de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het bouwplan, in samenhang met eventuele verdere bouwontwikkelingen aan dit deel van de Burg. de Zeeuwstraat te beoordelen, is een stedenbouwkundige onderbouwing gemaakt (Wissing, 28 september 2020). Deze onderbouwing is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Het voornemen is om in de achtertuin van de Middelweg 8/Burg. de Zeeuwstraat tegenover nr. 86 één woning te ontwikkelen die aan de zijtak van de Burgemeester de Zeeuwstraat komt te staan. De gemeente is akkoord met de ontwikkeling van deze woning. Daarbij is door de gemeente wel gevraagd om meer inzicht te geven in de mogelijke soortgelijke ontwikkeling op buurkavels (in de achtertuin van de Middelweg 4 en Middelweg 10). Het bouwplan tegenover nr. 68 dient daarom ook vanuit dat perspectief bekeken te worden. De stedenbouwkundige onderbouwing geeft inzicht in hoe de ontwikkeling van de buurkavels kan plaatsvinden zodat er sprake is van een goede stedenbouwkundige opzet. Aangegeven wordt hoe er wordt omgegaan met de aansluiting van bouwmassa op bestaande omgeving (profiel) en de openbare ruimte. Tevens wordt aandacht besteed aan de beeldkwaliteit. De onderbouwing laat zien dat de woning aan de Burg. de Zeeuwstraat tegenover nr. 68 uit stedenbouwkundig oogpunt passend is.

Daarnaast laat de onderbouwing zien dat de mogelijke bouw van nog een enkele woning in dit gedeelte van de straat evenzeer

- 14 -

mogelijk is onder de daar beschreven randvoorwaarden. Voor verdere details wordt verwezen naar genoemde stedenbouwkundige onderbouwing.

4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zullen de verschillende omgevingsaspecten nader worden beschreven en toegelicht.

4.2 Verkeer/parkeren Het plangebied wordt ontsloten op de Burg. de Zeeuwstraat. Het aantal verkeersbewegingen voor een woning kan gesteld worden op 6 á 7 per etmaal. De bestaande wegen zijn voldoende gedimensioneerd om dat verkeersaanbod te verwerken. Parkeren Voor de berekening van het vereist aantal parkeerplaatsen voor onderhavig bouwplan is uitgegaan van het vigerend parkeerbeleid van de gemeente. In de al gememoreerde brief van de voormalige gemeente Cromstrijen d.d. 7 november 2018 is aangegeven dat conform de CROW normen er 1,9 parkeerplaats (afgerond 2 parkeerplaatsen) op eigen terrein moeten worden aangelegd.

4.3 Flora en fauna In het kader van de verscherpte natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Dit vloeit voort uit de Wet natuurbescherming (Wnb). Er is een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd (BEC, 9 januari 2020, nr. 191105-001). Hierin wordt het volgende geconcludeerd: -De planlocatie is niet gelegen in en/of nabij Natura2000/ NNN-gebied. Aangezien geen sprake is van werkzaamheden in Natura 2000 en/of NNN gebied is kwaliteitsverlies dan wel versnippering van deze natuurgebieden als gevolg van de plannen is niet aan de orde. 2 Bij werkzaamheden aan de schuur op Middelweg 6 (buren) dient rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van boerenzwaluw in de periode maart-augustus. 3 Op de planlocatie zelf zijn verder algemeen voorkomende soorten te verwachten. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. 4 Door de (voorbereidings)werkzaamheden (bouwrijp maken) buiten het broed/voortplantingsseizoen (15 maart t/m 15 juli) uit te voeren wordt invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig handelen. Hiermee wordt voorkomen dat nesten van vogels worden verstoord.

Indien werkzaamheden wel in deze periode uitgevoerd moeten worden is het noodzakelijk om voorafgaande deze periode een ecologisch check op nesten uit te voeren in hagen en bomen en eventuele maatregelen te nemen, en de werkzaamheden onder ecologische begeleiding uit te voeren.

- 15 -

Stikstof Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag, of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied. In en rondom de gemeente Hoeksche Waard liggen de Natura 2000-gebieden Haringvliet, Hollands Diep, Oudeland van Strijen en Oude Maas. Deze Natura 2000-gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Op enige afstand liggen de Biesbosch en Krammer-Volkerak. Die gebieden zijn wel stikstofgevoelig. Het plangebied ligt op meer dan 5 km van het Natura 2000 gebied Krammer-Volkerak en op meer dan 13 km van de Biesbosch. Het gaat derhalve om een grotere afstand van het plangebied ten opzichte van genoemde Natura2000 gebieden. Inmiddels blijkt, dat bij de bouw van 1 woning, op een afstand van meer dan 1.400 m van stikstofgevoelig Natura2000 gebieden, er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie in die gebieden. Conclusie is, dat er geen frictie ontstaat met de natuurwetgeving op het terrein van stikstofdepositie. Dit betekent dat het plan uit ecologisch oogpunt gezien uitvoerbaar is.

4.4. Archeologische waarden en cultuurhistorie Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992). Nederland heeft dit Verdrag ondertekend en goedgekeurd. Op grond van de hieruit voortvloeiende Erfgoedweg is de bescherming van het archeologische erfgoed een taak van de gemeente. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen als de onderhavige, aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. Uit de Erfgoedverordening 2014 met bijbehorende archeologische verwachtingskaart van de gemeente Cromstrijen blijkt, dat er sprake is van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen dieper dan 50 centimeter en groter dan 500 m² dient een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. De woning met bijgebouwen is beperkter van omvang dan genoemde 500 m². Er behoeft om die reden geen archeologisch onderzoek te worden gedaan.

- 16 -

In het voorliggende bestemmingsplan behoeft om deze reden geen archeologische dubbelbestemming te worden opgenomen. Er is wel een dubbelbestemming ‘Waarde archeologie’ opgenomen ter bescherming van eventuele archeologische waarden. Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig op het perceel. Het perceel valt ook niet binnen een molenbiotoop.

4.5 Waterhuishouding De watertoets ten behoeve de voorgestane ontwikkeling wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Waterveiligheid Het bouwplan wordt niet gerealiseerd binnen de beschermingszone van een waterkering. Voldoende water - wateroverlast Het watersysteem van het Waterschap wordt niet aangetast door het bouwplan. Er is ter plaatse ook geen sprake van wateroverlast.

- 17 -

Uit de ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’van het Waterschap blijkt dat 10 % van de toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in open water. In buitenstedelijk gebied geldt die eis pas bij een toename van verharding van 1.500 m², in stedelijk gebied bij een toename van 500 m². De nieuwe bebouwing en terreinverharding betreft een geringere toename aan verharding dan 500 m². Er is om deze reden geen eis tot het aanleggen van compenserend water. Schoon water De woning wordt aangesloten op de bestaande riolering.

Conclusie Het bouwplan is in overeenstemming met de geldende normen en beleidsuitgangspunten van het aspect ‘water’.

4.6 Milieuzonering Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In deze VNGpublicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Zo ontstaat een zone rond een perceel met een bedrijfsbestemming waar in principe geen milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen onaanvaardbare milieuoverlast voor milieugevoelige bestemmingen aan de orde zal zijn. Woningen zijn milieugevoelige objecten. Uit dien hoofde wordt bij de voorbereiding van het bestemmingsplan bezien of de woningen worden gesitueerd in de milieuzone van omliggende milieubelastende functies.

Onderzoek In de nabijheid van het plangebied is op het perceel Burg. de Zeeuwstraat 72a een bedrijf aanwezig. Op grond van het bestemmingsplan Buitensluis mogen ter plaatse bedrijven zijn gevestigd t/m milieucategorie 2. De daarmee corresponderende milieuzone is maximaal 30 m. De kortste afstand tot het plangebied is meer dan 35 m. Ten oosten is een basisschool aanwezig. Het gebouw staat op circa 23 m van het plangebied, het schoolplein is op minimaal 40 m van het plangebied. Een basisschool heeft een richtafstand/milieuzone van 30 m. Het enige milieuaspect dat relevant is, is het

- 18 -

aspect geluid. Aangezien de grootste geluidsbron, te weten het schoolplein op meer dan 30 m van het plangebied ligt, is er uit dien hoofde sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Overigens zijn er geen bedrijven/objecten wiens milieuzone zich uitstrekt tot het plangebied. Uit oogpunt van milieuzonering voldoet het plan aan de daarvoor geldende uitgangspunten.

4.7 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Industrie en/of spoorweglawaai Het plangebied valt niet binnen een zone voor industrie- en/of spoorweglawaai. Wegverkeerslawaai Wettelijk kader: Voor woningen binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden overgelegd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hebben niet een dergelijke geluidszone. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde Lden van 48dB. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Kraaij akoestisch advies, 26 maart 2019, nr. VL.1911.R01). Uit het onderzoek blijkt dat de woning een lagere geluidsbelasting zal hebben ten gevolge van wegverkeerslawaai dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Conclusie Het bouwplan is uit oogpunt van het aspect geluid uitvoerbaar.

4.8 Bodem In de Woningwet is bepaald dat door de gemeenteraad in de bouwverordening regels moeten worden opgenomen om het bouwen op verontreinigde bodem te voorkomen. Deze regels hebben onder andere betrekking op het uitvoeren van een (bodem)onderzoek naar de aard en schaal van de verontreiniging van de bodem.

- 19 -

Ook is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders (B en W) een beslissing op een aanvraag om omgevingsvergunning moeten aanhouden als blijkt dat de bodem is verontreinigd dan wel het vermoeden bestaat dat er sprake is van ernstige verontreiniging. Uit artikel 3.1.6, lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vloeit voort dat bij ruimtelijke besluiten inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. In het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (Inventerra, 15 april 2019, nr. 19-2074R01M wordt geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen aanwezig zijn voor het toekomstig gebruik van de locatie voor woondoeleinden. De Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid (OZHZ) heeft aangegeven, dat ten aanzien van de eventuele hergebruik van grond het volgende geldt. In de regio Zuid-Holland Zuid is de bodem verdacht op aanwezigheid van Perfluoroctaanzuur (PFOA) en Perfluoroktaansulfanaat (PFOS). PFOA en PFOS maken onderdeel uit van de stoffenfamilie poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS). De locatie is gelegen in zone 0, waar alle gemeten concentraties ruim onder de humane risicogrenzen liggen.

Dit is de reden dat OZHZ van oordeel is dat de aanwezigheid van PFOA in de bodem geen bezwaar vormt om de omgevingsvergunning te verlenen. De verwachte aanwezigheid van PFOA in de grond geeft mogelijk wel beperkingen bij hergebruik van eventueel vrijkomende grond. Grond die tijdens de bouwwerkzaamheden vrijkomt kan op de locatie worden hergebruikt. Bij hergebruik van deze grond elders dienen de eisen in acht te worden genomen, zoals gesteld binnen het Besluit bodemkwaliteit, de bodembeheernota regio Zuid-Holland Zuid en de "Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond regio Zuid-Holland Zuid". Het landelijke beleid ten aanzien van PFAS is weergegeven in het "Tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond en baggerspecie" van 8 juli 2019. De conclusie is dat de grond geschikt is om te worden gebruikt overeenkomstig de woonbestemming. Als grond wordt afgevoerd zal worden gehandeld conform hetgeen OZHZ hieromtrent heeft opgemerkt.

4.9 Geur Agrarische bedrijven veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven, mestbassins en de productie en opslag van voer. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. Het plangebied bevindt zich echter niet binnen een geurcirkel van een (agrarisch) bedrijf. 4.10 Luchtkwaliteit

- 20 -

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. Er is geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk; c. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisering van 1 woning. De uitkomst van de hierna opgenomen berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen, op basis van de zogenaamde Nibm-tool wordt voldaan aan de hiervoor geldende norm. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit worden geen belemmeringen ondervonden.

Figuur 4.3: Nibm tool.

Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen. Op basis van de landelijk beschikbare GCNwaarden (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) kan gesteld worden dat de

- 21 -

jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide 16,5 (2016 gebaseerd op gegevens gcn 2016) microgram per kubieke meter lucht bedraagt en voor fijn stof pm 10 is dit 17,4 en fijnstof pm 2,5 is dit 9,5 (2016, gebaseerd op gcn 2016) microgram per kubieke meter. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 μg/m3) en PM2,5 (25 μg/m3) wordt niet overschreden. Als in de toekomst gebruik wordt gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid wordt op dat moment opnieuw aandacht besteed aan het aspect luchtkwaliteit. Conclusie De algehele conclusie is dat vanuit het aspect luchtkwaliteit er geen belemmering bestaat voor de geplande ontwikkeling.

4.11 Externe veiligheid In 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) van kracht geworden. In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Tevens dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk.

Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is.

- 22 -

Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. De dichtstbijzijnde is het LPG-verkooppunt aan de Burg. de Zeeuwstraat 130 op circa 400 m van het plangebied. Het plangebied ligt ver buiten de risicozone van die inrichting. Het Hollands Diep ligt op ruim 2 km afstand, waardoor risicobronnen c.q. veiligheidsrisico’s vanwege deze watergang niet relevant zijn. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van Shell Chemie (Moerdijk), de afstand tot het plangebied bedraagt meer dan 9 km. Het plangebied ligt in een bestaande woonwijk. Het plangebied kent vluchtmogelijkheden en de bewoners zijn zelfredzaam c.q. kunnen vanuit zorgoogpunt geholpen worden bij eventuele evacuatie. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het enkel om toxische scenario's gaat waarbij zelfredzaamheid ook behaald kan worden door deuren en ramen te sluiten en de mechanische ventilatie af te schakelen. Om deze reden is er geen strijd met veiligheidsrisico’s ten gevolge van Shell Chemie.

Uit de risicokaart Nederland blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen of -leidingen aanwezig zijn in ieder geval niet binnen een straal van 800 m vanaf het plangebied.

plangebied

Figuur 4.4: deel risicokaart Nederland

Het bestemmingsplan is uit oogpunt van externe veiligheid uitvoerbaar.

- 23 -

4.12 Kabels en leidingen Binnen of langs het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die een specifieke bescherming hebben in het bestemmingsplan, het gaat om ‘gewone’ leidingen waar bij de uitvoering van een eventueel bouwplan rekening mee wordt gehouden.

5. Juridische toetsing 5.1 Juridische planopzet Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht bestemmingsplannen geheel digitaal op te stellen en vast te stellen. Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

5.2 Bestemmingswijzer 5.2.1 Inleidende bepalingen. De artikelen 1 en 2 bevatten de algemene regels zoals de begripsbepalingen en de wijze van meten. 5.2.2. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Binnen het plangebied worden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ gelegd. In de regels bij die bestemming worden de bouwregels en de gebruiksmogelijkheden geregeld. 5.2.3 Algemene bepalingen. De Anti-dubbeltelregel en de overgangsregels zijn overgenomen uit het Bro. Daarnaast is een artikel opgenomen voor de titel van het plan, voor toegelaten overschrijdingen, algemene afwijkingsbepalingen en aanvullende werking van de bouwverordening.

5.3 Plantoetsing en handhaving De gemeente Hoeksche Waard is belast met het toezicht op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden overeenkomstig het bepaalde in dit bestemmingsplan.

- 24 -

6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het bouwplan omvat de bouw van een woning aan de Burg. de Zeeuwstraat ong, tegenover nr. 68 te Numansdorp. Het perceel is in eigendom bij initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een zogenaamde anterieure exploitatieovereenkomst afgesloten. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro te worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemer. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

6.2 Planschade. Tussen de gemeente en initiatiefnemer zijn ex artikel 6.4a Wro in de gesloten exploitatieovereenkomst ook afspraken gemaakt over het afwentelen door de gemeente op de initiatiefnemer van eventueel toe te kennen tegemoetkomingen in planschade en bijbehorende advieskosten ter beoordeling hiervan.

- 25 -

7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan toegezonden aan vooroverlegpartners. De vooroverlegpartners hebben geen aanleiding gezien om een reactie in te dienen, behoudens het waterschap Hollandse Delta. Het Waterschap heeft verzocht om initiatiefnemer er op te attenderen dat een watervergunning nodig is vanwege de ligging in de zonering van een waterstaatwerk. Dit is ter kennis gebracht van initiatiefnemer.

7.2 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 24 oktober tot en met 4 december 2020 voor een ieder ter inzage gelegen, waarbij de gelegenheid is geboden om zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Er zijn gedurende genoemde periode drie zienswijzen ingediend. In de Nota beantwoording zienswijzen is op de drie zienswijzen ingegaan. De zienswijzen hebben aanleiding gegeven tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Artikel 4 van de planregels is aangepast door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting, die er op toeziet dat de te bouwen woning voldoet aan de richtlijnen uit de stedenbouwkundige onderbouwing die als bijlage bij de toelichting en de regels is gevoegd. .

- 26 -

Bestemmingsplan ‘Burg. de Zeeuwstraat (ong. tegenover 68) Numansdorp’ Gemeente Hoeksche Waard Regels

maart 2021

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde – Archeologische verwachting middelhoog Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelbepaling Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Artikel 9 Algemene wijzigingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht Artikel 11 Slotregel

Bijlage 1 Stedenbouwkundige onderbouwing, Wissing, 28 september 2020

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: plan het bestemmingsplan “Burg. de Zeeuwstraat (ong. tegenover 68) Numansdorp” van de gemeente Hoeksche Waard; bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1963. BPBZeeuwstrNMD20-VG01 met de bijbehorende regels; aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; aan-huis-verbonden bedrijf het bedrijfsmatig verlenen van diensten - geen detailhandelsbedrijf zijnde - en ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend zodat de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; aan-huis-verbonden beroep het beroeps- of bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermede naar de aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang in een woning zodanig is dat deze activiteiten

in een woning kunnen worden uitgeoefend zodat de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; beroeps-c.q. bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf, een dienstverlenende instelling of voor een aan huis verbonden beroep, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;

bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; bijgebouw een zelfstandig gebouw behorende bij en ruimtelijk ondergeschikt aan een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw, met een aan dat hoofdgebouw ondergeschikte functie; bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; bouwgrens de grens van een bouwvlak; bouwperceel een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van

goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruikof aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt; dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel en internetcafé; erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voorzover dit bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt;

gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; gestapelde woningen woningen in een gebouw, dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat met de daarbij behorende bergingen; peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; verbeelding de geometrische planobjecten als vervat in het de digitale dan wel analoge verbeelding met het identificatienummer NL.IMRO.0611.Fase3Oranjebnmd-vs01; voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan een naar de weg gekeerde gevels; woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van de regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat; 2.4 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.5 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.

de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.6 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, balkonhekken en overstekende daken en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en -hoogten niet meer dan 1 meter bedraagt. Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de verbeelding en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De op de verbeelding voor ‘Tuin´ aangewezen gronden zijn bestemd voor± a. tuinen b. parkeren ten behoeve van een woning ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van tuin – parkeren toegestaan’. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 3.2.2

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal bedragen: a. voor erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 1 m; b voor erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 2 m; c. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1 m.

Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, waarbij het aantal woningen binnen een bouwvlak ten hoogste bedraagt het met de aanduiding ´maximum aantal wooneenheden´ aangegeven aantal; b. tuinen en erven; c. aan de functie onder a gebonden parkeervoorzieningen.

4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Op de gronden mogen hoofdgebouwen worden gebouwd met dien verstande dat: a. uitsluitend grondgebonden woningen mogen worden gebouwd; b. de hoofdgebouwen alleen binnen de bouwvlakken mogen worden gebouwd; c. de goothoogte en bouwhoogte van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan de op de verbeelding aangegeven maatvoering d. de woning, inclusief bijgebouwen en aan-en uitbouwen, moet op tenminste 2,5 meter uit de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd; 4.2.2 Bijbehorende bouwwerken In afwijking van het bepaalde in artikel 4 lid 2.1 sub a mogen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ook buiten de bouwvlakken worden gebouwd mits: a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen bedraagt per woning ten hoogste 50% van het zij- en achtererf met een maximum van 75 m²; b. de goothoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan 3,0 m; c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan 6,0 m; d. d.indien aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet in de zijdelingse perceelsgrens en/of op twee aangrenzende percelen niet aaneen gebouwd worden, bedraagt de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 1,0 m; e.

de diepte van een aanbouw niet meer bedraagt dan 4,0 m, gemeten vanuit de achter- of de zijgevelbouwgrens; f. aanbouwen aan maximaal één zijde van de woning worden gerealiseerd; 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bij het hoofdgebouw mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de hoogte van erf- of terreinafscheidingen maximaal 2 meter mag bedragen, met uitzondering van de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan, deze mogen maximaal 1 meter mag bedragen; b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter mag bedragen.

4.3 Voorwaardelijke verplichting Bij de realisering van de woning en bijbehorende bouwwerken dienen de kwaliteitscriteria, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels (stedenbouwkundige onderbouwing, Wissing, 28 september 2020) in acht te worden genomen, met dien verstande dat met betrekking tot de afstand van de woning, inclusief bijgebouwen en aan-en uitbouwen tot de zijdelingse perceelsgrens, de bepalingen, zoals vermeld in artikel 4.2.1, lid d van toepassing zijn 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van bijgebouwen voor bewoning; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; c. het storten of het lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen; d. het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, voer- en vaartuigen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan; e. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens. 4.4.2 Aan-huis-verbonden beroepen Het gebruik van de woning voor aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, onder de voorwaarden dat: a. de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij geldt dat de grondoppervlakte niet meer mag bedragen dan 35% van de woning met een maximum van 50 m²; b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; c.

in de omgeving geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreedt; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein; e. de beroepsmatige activiteiten geschieden door degene die op het perceel woonachtig is; f. er, behoudens een beperkte kleinschalige verkoop in direct verband met de beroepsmatige activiteiten, geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan voor het gebruik van woningen ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij geldt dat de grondoppervlakte niet meer mag bedragen dan 35% van de woning met een maximum van 50 m²; b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; c. in de omgeving geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreedt; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein; e. de bedrijfsuitoefening geschiedt door degene die op het perceel woonachtig is; f. er geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden.

Artikel 5 Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Rapport archeologisch deskundige In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen uiterlijk ten tijde van het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die groter zijn dan de oppervlakte- en dieptematen welke genoemd zijn in 5.3.1. 5.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag de hierna onder 5.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0.5 m beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 500 m² beslaan. 5.3.2 Het vergunningsvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

5.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 5.3.4 Vergunning Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de werkzaamheden wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overlegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelbepaling Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Overschrijding bouwgrenzen De in deze planregels opgenomen regels ten aanzien van bouwgrenzen zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen met betrekking tot: 1. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen, voor zover zij de grens van een weg niet overschrijden en de overschrijding niet meer bedraagt dan 50 cm; 2. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de voorste bouwgrens niet meer dan 12 cm bedraagt en daarbij de grens van een weg niet wordt overschreden; 3. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, balkons, galerijen en luifels, mits zij de voorste bouwgrens met niet meer dan 50 cm overschrijden en niet lager zijn aangebracht dan: 4,20 m boven een rijweg of boven een strook ter breedte van 1,50 m langs een rijweg; 2,20 m boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de onder het vorige punt genoemde strook; 4.

ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; 5. goten en ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen; 7.2 Vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen Vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen, die deel uitmaken van een gebouw, mogen de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 8 m overschrijden. 7.3 Onderkeldering De regels inzake de toelaatbaarheid, de aard, de omvang en de situering van gebouwen zijn in geval van ondergrondse bouw overeenkomstig van toepassing, met dien verstande dat deze uitsluitend zijn toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. ondergrondse bouw is uitsluitend toegestaan onder de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen; b. gebouwd mag worden tussen peil en 3,5 m onder peil.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9758938/1