CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

aangepaste tekst toelichting bp archeologie

Besluitvormende raad 17 september 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan ’s-Gravendeel West fase 1 voor de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met 179 woningen1.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

4.7 Archeologie 4.7.1 Wettelijk kader Het nationale beleid voor archeologie is afkomstig uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd. Dit is gedaan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Sinds de Wamz hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is ook verwerkt in de Erfgoedwet sinds 1 juli 2016. Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet, de archeologische zorgplicht is hierin opgenomen. Dit plan is voor 1 januari 2024 als ontwerp ter visie gelegd, daarom blijft het oude recht onder de Wet ruimtelijke ordening van kracht.

Het archeologisch erfgoed in de bodem moet zoveel mogelijk behouden worden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Dit moet gedaan worden met archeologisch onderzoek. Het archeologisch belang moet vanaf het begin meewegen in de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.

4.7.2 Beoordeling plangebied Het verkennend archeologische onderzoek is uitgevoerd in twee fasen: het archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek ter plaatse van het nieuwe woongebied en een aanvullend (boor)onderzoek in verband met de aanleg van de ontsluitingsweg. Het onderzoek voor de ontsluitingsweg is vanwege het gewijzigde tracé geactualiseerd.

Aan de oostzijde van het plangebied worden enkele langzaam verkeerroutes aangelegd, deze werkzaamheden vallen binnen het geldende bestemmingsplan 's-Gravendeel. Ter plaatse geldt de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3'. De geplande werkzaamheden overschrijden de drempelwaardes voor archeologisch onderzoek niet, aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. 1. Het nieuwe woongebied Binnen het nieuwe woongebied vigeert in het bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1'. Deze dubbelbestemming geldt voor het gehele nieuwe woongebied. Binnen deze dubbelbestemming geldt dat er geen bodemingrepen mogen plaatsvinden met een oppervlakte groter dan 500 m2 en welke dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveldniveau. Om

de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en het daarbinnen mogelijk gemaakte bouwplan aan te tonen is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen en is in zijn volledigheid toegevoegd als bijlage.

Archeologisch bureauonderzoek Het archeologisch bureauonderzoek dient om een goed beeld te krijgen van de ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van het plangebied en de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Op basis van het bureauonderzoek is een specifieke archeologische verwachting opgesteld, welke verschilt per deel van het plangebied en in belangrijke mate verband houdt met de lokale geologische- en landschappelijke elementen. Samenvattend geldt er conform de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart en het archeologisch bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting voor de al dan niet begraven stroomruggen in het plangebied. Voor de lager liggende delen in de ondergrond geldt een middelhoge verwachting.

Inventariserend veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is het inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Er zijn 6 verkennende boringen per hectare gezet. In het totaal zijn 43 boringen in een regelmatig verspringend grid over het plangebied verdeeld, welke zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) en een guts (3 cm Ø). In het toegevoegde archeologische rapport is een volledige uiteenzetting van het uitgevoerde veldonderzoek opgenomen.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: De laagopeenvolging binnen het plangebied bestaat uit een jong overstromingsdek op getijdeafzettingen op veen. Binnen het plangebied zijn twee getij-inversieruggen aanwezig die ouder zijn dan het veenpakket, waardoor plaatselijk van onder het veenpakket gelegen hogere kleigronden sprake is. Binnen de overige, laaggelegen delen van het plangebied werden deze gronden binnen de maximaal uitgevoerde boordiepte van 4 meter niet bereikt. Er zijn geen grote recente verstoringen gezien in het plangebied en het natuurlijk bodemprofiel lijkt intact te zijn. Hoewel tijdens het veldonderzoek geen concrete aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van archeologische resten, kan echter op grond van de bevindingen gesteld worden dat potentieel sprake is van drie afzonderlijke archeologische niveaus.

Deelconclusie Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied. Om deze archeologische verwachting te toetsen is een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Echter, dit verkennend veldonderzoek heeft geen uitsluitsel kunnen geven over de aan- of afwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied. Op grond van het vastgestelde bodemprofiel – met name de aanwezige inversieruggen – blijft de hoge verwachting voor een deel van het plangebied in stand. De ontwikkelingen ter plaatse van de inversieruggen vormen mogelijk een bedreiging voor aanwezige archeologische

waarden, totdat aanvullend archeologisch onderzoek de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van archeologische waarden afdoende onderbouwd heeft aangetoond. Vanwege de op basis van onderzoek aangetoonde hoge verwachting wordt de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting hoog 1 opgenomen ter plaatse van de inversieruggen Hierdoor dient ter plaatse van de inversierugggen een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd, indien voorgenomen ontwikkelingen de nieuwe vrijstellingsnorm van 100 m2 en 0,5 m beneden maaiveldniveau overschrijden

Met het bovenstaande komt de gemeente Hoeksche Waard gedeeltelijk terug op een eerdere volledige vrijgave (zoals opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan) van het plangebied. Dat wil zeggen waar het specifiek de hogere gronden op en rond de aanwezige inversieruggen betreft, omdat vooralsnog onvoldoende is aangetoond dat aanwezige archeologische waarden met de herinrichting niet geschaad worden. De gemeente Hoeksche Waard heeft daarmee een deel van de in de rapportage geformuleerde conclusies en aanbevelingen niet overgenomen. De overige gronden blijven conform conclusies een aanbevelingen uit de rapportage wel vrijgegeven. 2. De nieuwe ontsluitingsweg Ter plaatse van de nieuwe ontsluitingsweg binnen de geldende bestemmingsplannen 'Immanuëlhof', ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ en ‘’s-Gravendeel’ vigeren respectievelijk de dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologie', ‘Waarde- Archeologische verwachting middelhoog 1’ en ‘Waarde-Archeologie 3’. Binnen de dubbelbestemmingen geldt dat er geen bodemingrepen mogen plaatsvinden met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm ('Immanuëlhof' en ‘’s-Gravendeel’) tot 50 cm (‘Landelijk Gebied Binnenmaas’) beneden maaiveldniveau.

Om de uitvoerbaarheid van de aanvankelijk voorgenomen ontsluitingsweg aan te tonen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek met aanvullend een verkennend archeologisch booronderzoek. De rapportage van het booronderzoek is toegevoegd als bijlage.

Archeologisch bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat de laagopeenvolging binnen het plangebied uit jonge getijdenafzettingen op een veenpakket bestaat, gelegen op een oudere mariene afzetting. Het plangebied is reeds verstoord door de aanleg van het bestaande park tot een diepte van circa 1,70 meter.

Voor de aanleg van de ontsluitingsweg is een maximale ontgravingsdiepte van ca. 2 meter voorzien, met name voor de aanleg van het riool. Uit het bureauonderzoek volgt dat op deze diepte nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Het gaat specifiek om de top van de getijafzettingen (Late Middeleeuwen), de top van het veenpakket (Bronstijd-IJzertijd) en mogelijk de top van de afzettingen die bij de inversierug horen (Neolithicum-Bronstijd).

Op basis van deze conclusies is een aanvullend booronderzoek uitgevoerd, om de specifieke archeologische verwachting te toetsen.

Inventariserend veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. In het totaal zijn 6 boringen geplaatst regelmatig verspreid over het plangebied, welke zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) en een guts (3 cm Ø). In het toegevoegde archeologische rapport is een volledige uiteenzetting van het uitgevoerde veldonderzoek opgenomen.

Deelconclusie Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar laag. Sinds de uitvoering van het verkennend booronderzoek is er echter een wijziging in het voorgenomen tracé voor de nieuwe ontsluitingsweg doorgevoerd. Vanwege deze wijziging is ook het nieuwe tracé beoordeeld in het kader van Archeologie. Hierbij is mede gebruik gemaakt van bekende boorgegevens in de direct aangrenzende terreinen (Rotonde N217), zie bijlage. De geraadpleegde, aanvullende gegevens hebben niet geleid tot een ander inzicht: er zijn geen concrete aanwijzingen voor een reële archeologische verwachting ter plaatse. Er zijn daarom geen belemmeringen om de voorgenomen, nieuwe ontsluitingsweg conform gewijzigd plan te realiseren.

De gemeente Hoeksche Waard heeft op basis van de conclusie een selectiebesluit genomen en daarmee dit deel van het plangebied archeologisch vrijgegeven voor de aanleg van de voorgenomen ontsluitingsweg.

4.7.3 Algemene conclusies Op basis van de uitgevoerde archeologische onderzoeken dient het plangebied ’s-Gravendeel West opgedeeld te worden in twee delen: het nieuwe woongebied en de nieuwe ontsluitingsweg.

Binnen het deel van het plangebied dat het nieuwe woongebied zal vormen zijn mogelijk archeologische resten aanwezig ter plaatse van de inversieruggen. Ter plaatse wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting hoog 1’ opgenomen. Bij overschrijding van de vrijstellingsnorm dient aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Voor de overige gronden binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘s-Gravendeel West geldt dat aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Deze gronden zijn door de gemeente Hoeksche Waard door middel van een selectiebesluit archeologisch vrijgegeven. Dit geldt eveneens voor de nieuwe ontsluitingsweg, waar sprake is van archeologische vrijgave en de voorgenomen ontsluitingsweg zonder aanvullend archeologisch onderzoek kan worden gerealiseerd.

Ook in het vrijgegeven deel van het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen, de zogenaamde toevalsvondst. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Hoeksche Waard.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14401019/1