CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Ontwerpbestemmingsplan - on bp Dr. Bossersstraat 11 en Schenkeldijk 22 s-Gravendeel met bijla

Beeldvormende bijeenkomst 3 september 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22 ’s-Gravendeel’ voor het realiseren van 31 woningen25.355 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32

In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Het bestemmingsplan voorziet in bouwplannen van in totaal 31 woningen. Er was een partycentrum aanwezig en een woning met schuur. Hierdoor neemt het aantal verkeersbewegingen hoogstens beperkt toe. De luchtkwaliteit wordt hierdoor in ieder geval niet zwaarder belast. Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen. Gegevens (2021) van de monitoringstool van het Ministerie van IenM en van de Atlasleefomgeving laten zien dat de jaargemiddelde concentraties op rekenpunt 15876714 (circa 240 m van de plangebieden) voldoen aan de gestelde voorwaarden.

Figuur 4.8: NSL-monitoringstool

Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtconcentraties ruim voldoen aan de normering Wet milieubeheer onderdeel luchtkwaliteit (grenswaarde voor stikstofdioxide en PM10 bedragen 40 μg/m3) en voor PM2,5 is dit 25 μg/m3). De conclusie is dat vanuit het aspect luchtkwaliteit er geen belemmering bestaat voor de geplande ontwikkeling. Conclusie Gezien de aard en omvang van het planvoornemen, kan geconcludeerd worden dat de ruimtelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaat er geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

33

4.11

Externe veiligheid

Het wettelijk kader voor de beoordeling van veiligheidsaspecten ten aanzien van inrichtingen, is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI), voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor vaarroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Tevens dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. In de directe nabijheid liggen geen risicobronnen waarvan de invloedssfeer zich uitstrekt over het plangebied.

Figuur 4.9: deel risicokaart Nederland

De planlocaties liggen wel in het invloedsgebied van de Dordtse Kil, het bedrijf Standic uit Dordrecht en Afvalstoffen Terminal Moerdijk (verder: ATM). De afstand tot de Dordtse Kil is ruim 240 tot 280 m, de afstand tot het bedrijf Standic is ruim 800 m en de afstand tot ATM is ruim 9,5 km. Daarnaast liggen beide locaties binnen het invloedsgebied (1%-letaliteitsafstand) van de vaarweg Dordtsche Kil en Hollandsch Diep (oversteek naar havens Moerdijk). Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen zou een kwantitatieve verantwoording van het groepsrisico (QRA) kunnen worden uitgevoerd, conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi). De ligging van beide planlocaties binnen de bebouwde kern van ’s-Gravendeel maakt dat de toevoeging van de woningen slechts een uiterst

34

beperkte invloed heeft op het aantal bewoners nabij die risicovolle inrichtingen. Om die reden heeft het uitvoeren van een QRA geen toegevoegde waarde. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico, dit op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (hierna; Bevt), het volgende: het betreft het toevoegen van woningen aan de bebouwde kern van ’s-Gravendeel, op een plaats waar nu nog een zalencentrum en een woning met schuuraanwezig is. De bewoners van de woningen zijn zelfredzaam, terwijl er voldoende ontvluchtingsmogelijkheden zijn bij veiligheidsincidenten. Om deze redenen leveren deze potentiële risicobronnen geen belemmering op voor de bewoning van de woningen aan de Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22. Voor de volledigheid wordt opgemerkt, dat er geen onderzoek naar aanwezigheid van niet gesprongen explosieven behoeft te worden uitgevoerd. Het plangebied aan de Dr. Bossersstraat 11 is in de 50-er jaren bebouwd op vrijwel het gehele perceel, er zijn toen geen explosieven aangetroffen. Ook het plan gebied aan de Strijensedijk 22 is ook grotendeels bebouwd, aanwezigheid van explosieven in de onderdijkse achtertuin ligt ook niet voor de hand. Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de gemeente Hoeksche Waard haar bewoners actief informeert op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing.

Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat in het onderhavige plan voldaan wordt aan de wettelijke eisen en het geldende beleid op het gebied van externe veiligheid. Conclusie Vanuit oogpunt van externe veiligheid kan het bestemmingsplan als aanvaardbaar worden bestempeld.

4.12

Kabels en leidingen

Binnen het plangebied liggen diverse kabels en leidingen, zoals elektriciteit, telefoon en kabeltelevisie, doch deze planologisch gezien niet relevant.

4.13

Vormvrije Mer

In mei van 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) en de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wijziging is een gevolg van een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bouwen van woningen is een activiteit die valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Echter hierna wordt nogmaals gemotiveerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden, een en ander overeenkomstig de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - De omvang van het project betreft de afbraak van een zalencentrum en een woning met schuur, om daarvoor in de plaats 31 woningen te bouwen; - Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft het afvoeren van hemelwater in de nabij gelegen watergang, er worden geen uitlogende materialen gebruikt; 35

-

-

De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd.; Er is geen sprake van verontreiniging en hinder. Verwezen wordt naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 4.6.; Er is geen onaanvaardbaar risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 4.11.; Er zijn geen onaanvaardbare risico's voor de menselijke gezondheid. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 4.11.

2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - Het bestaande grondgebruik betreft enerzijds horeca en anderzijds wonen. - Het gebied ligt deels in een beschermingszone van een waterkering, maar zal geen nadelige effecten hebben op de stabiliteit van die waterkering. Daarnaast ligt het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied, het betreft een herontwikkeling passend in het bestaande gebied ter plaatse. - Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, te wetende De Biesbosch, ligt op meer dan 3,5 km ten zuidoosten van de plangebieden. De herontwikkeling van de plangebieden heeft geen nadelige gevolgen voor en leidt niet tot een grotere belasting van het Natura 2000gebied.

3. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de beperkte omvang van het project zijn er geen potentiële aanzienlijke effecten te verwachten. Dit is ook beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Op basis van bovenstaande zullen burgemeester en wethouders voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpwijzigingsplan een besluit nemen omtrent het ontbreken van de noodzaak om een milieueffectrapport op te stellen.

36

5. Juridische toetsing 5.1 Juridische planopzet In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat bestemmingsplannen geheel digitaal moeten worden opgesteld en vastgesteld. Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels zijn qua opzet en inhoud, uiteraard voor zover relevant, gelijk aan de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan s’-Gravendeel.

5.2 Bestemmingswijzer 5.2.1 Inleidende bepalingen De artikelen 1 en 2 bevatten de algemene regels zoals de begripsbepalingen en de wijze van meten. 5.2.2. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Op het deel van het plangebied waar het woongebouw wordt gerealiseerd wordt de bestemming ‘Wonen’ gelegd. Via aanduidingen wordt de bouwhoogte van de bebouwing geregeld. Via aanduidingen worden nadere kaders gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van het maximaal aantal woningen in het plangebied. De bestemming ‘Wonen’ is van toepassing op het grootste deel van de woonbebouwing in het plangebied. Voor het overige is de bestemming ‘Verkeer’ van toepassing. Daarnaast worden de bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen om de aanwezige archeologische waarden te beschermen. Tevens wordt voor het plangebied Strijensedijk 22 de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen, ter bescherming van de belangen van de aanwezige waterkering. 5.2.3 Algemene bepalingen De Anti-dubbeltelregel en de overgangsregels zijn overgenomen uit het Bro. Daarnaast is een artikel opgenomen voor de titel van het plan, voor toegelaten overschrijdingen, algemene afwijkingsbepalingen en aanvullende werking van de bouwverordening.

5.3 Plantoetsing en handhaving De gemeente Hoeksche Waard is belast met het toezicht op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden overeenkomstig het bepaalde in dit bestemmingsplan.

37

6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het plan omvat het leggen van een woonbestemming voor in totaal 31 woningen. De gronden zijn in eigendom bij de initiatiefnemer van het bouwplan. Er wordt een anterieure overeenkomst afgesloten zodat de uitvoerbaarheid wordt gewaarborgd. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemers. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

6.2 Planschade Tussen de gemeente en de ontwikkelaar wordt ter afdekking van eventuele planschadeclaims een planschadeovereenkomst ex artikel 6.4a Wro afgesloten.

38

7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg met de overlegpartners zijn x inhoudelijke reacties ontvangen.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22 ’s-Gravendeel’ heeft van x 2023 tot en met x 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

39

Bestemmingsplan ‘Strijensedijk 22 ‘s-Gravendeel´ gemeente Hoeksche Waard Regels

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 Artikel 6 Waarde – Archeologie 3 Artikel 7 Waterstaat – Waterkering Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels Artikel 10 Algemene gebruiksregels Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel

Bijlage -Staat van Bedrijfsactiviteiten -Beeldkwaliteitsplan Strijensedijk - Dr. Bossersstraat ’s-Gravendeel (RoosRos Architecten, 9 november 2023)

Ontwerp: november 2023

1

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan ´Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22 ‘s-Gravendeel´ met identificatienummer NL.IMRO.1963. BP Bosser11SGD23-ON01 van de gemeente Hoeksche Waard; 1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten met bijbehorende regels; 1.3verbeelding de analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen digitale ruimtelijk informatie; 1.4 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aanduidingsvlak een vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens; 1.8 aaneengebouwde woning een woning die deel uitmaakt van een aaneenbouwde rij van woningen; 1.9 aan huis verbonden beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door

zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

2

1.10 aan huis verbonden bedrijf het beroepsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en waarbij de woonfunctie blijft behouden en dat niet krachtens milieuwetgeving vergunning- of meldingplichtig is; 1.11 achtererf gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen; 1.12 afwijken van de bouwregels en/of van de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.13 archeologische deskundige een deskundige met betrekking tot archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders te stellen kwalificaties; 1.14 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende of te verwachten archeologische relicten; 1.15 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.16 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.17 bestaand a.

bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.18 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.19 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.20 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

3

1.21 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.22 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.23 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.24 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.25 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.26 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.27 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.28 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of ter plaatse leveren van goederen aan personen die, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.29 (medische) dienstverlening

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van (medische) diensten aan derden, waaronder zijn begrepen tandarts-, dokter en fysiotherapie praktijken en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen; 1.30 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.31 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover dit bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt;

4

1.32 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.33 gebruiken gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.34 gestapelde woning een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen; 1.35 grondwaterpeil Bovenste niveau van het water dat zich in de bodem bevindt; 1.36 hoofdgebouw een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.37 kantoor een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstel-lingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen; 1.38 maatschappelijke voorzieningen educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.39 omgevingsvergunning een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.40 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening; 1.41 onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat

wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven het peil is gelegen; 1.42 oorspronkelijk gevel een gevel zoals deze is weergegeven in de omgevingsvergunning voor het bouwen voor de oprichting van het hoofdgebouw;

5

1.43 overkapping een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot/gebruiksgenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren; 1.44 (straat)peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst of ten hoogste 5 m uit de weggrens is gelegen: de hoogte van de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in alle andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte maaiveld maar niet hoger dan de kruin van de weg het meest nabij het bouwwerk gelegen; c.

indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water, in het peilbesluit vastgestelde peil, grenst aan het vaste land; 1.45 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.46 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.47 Staat van bedrijfsactiviteiten een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen; 1.48 uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.49 uitvoeren uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven; 1.50 voorerf gedeelte van een erf dat aan de voorkant (voor de voorgevel) van het gebouw is gelegen;

6

1.51 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt, dan wel de gevel naar die weg die volgens het straatnamenregister bepalend is voor de adressering; 1.52 wijziging een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening; 1.53 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.54 zijerf gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen; 1.55 zijdelingse bouwperceelsgrens een evenwijdig aan de zijgevel van een hoofdgebouw liggende grens van het perceel.

7

Artikel 2 Wijze van meten 2.1 Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q.

de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd; de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; de oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping; verticale diepte van een ondergronds bouwwerk van het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk. 2.2 Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

2.3 Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen wordt de goothoogte van een dakkapel buiten beschouwing gelaten mits de dakkapel voldoet aan de volgende eisen: 1. zijwanden ondoorzichtig; 2. hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, minder dan 1,5 m; 3. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 4. bovenzijde meer dan 0,5 onder de daknok; 5. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en

8

6. niet gebouwd op een woning of woongebouw gebouwd met een tijdelijke vergunning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op een woonwagen of op een woning of woongebouw die niet voor permanente bewoning is bestemd. 2.4 Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

9

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer 3.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten, pleinen, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen; c. ondergrondse vuilopslag; d. nutsvoorzieningen; e. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2 bouwregels 3.2.1 Ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen waarbij de verticale bouwdiepte van een (ondergronds) bouwwerk maximaal 3 m mag bedragen. 3.2.2 Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal: a. bouwwerken voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer 6 m; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m.

10

Artikel 4 Wonen 4.1 bestemmingsomschrijving 4.1.1 De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. aaneengebouwde en gestapelde woningen b. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in de categorie 1 van de bij dit bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. 4.1.2 Onder de uitoefening van aan huis verbonden beroepen/bedrijven in samenhang met het wonen wordt verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van een aan huis verbonden beroepen/bedrijven voor zover: a. het vloeroppervlak in gebruik voor aan huis verbonden beroepen niet groter is dan 30% van het vloeroppervlak van hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen, tot een maximum oppervlak van 50 m2; b. ten behoeve van aan huis verbonden beroepen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; c. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaat met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan het uitoefenen van het aan huis verbonden beroep of bedrijf. 4.2 bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale goothoogte toegestaan; c.

ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan; d. het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan het aantal dat bij de maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden’ aangegeven. 4.2.2 Bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 1 m; b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 2 m; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m. 4.3 Voorwaardelijke verplichting De op te richten gebouwen moeten in overeenstemming zijn met het Beeldkwaliteitsplan Strijensedijk - Dr. Bossersstraat ’s-Gravendeel (RoosRos Architecten, 9 november 2023), dat als bijlage bij deze regels is gevoegd.

11

Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 5.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden. 5.2 bouwregels 5.2.1 Op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 5.1 bedoelde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. 5.2.2 Ten behoeve van andere, voor de gronden als bepaald in artikel 5.1, geldende bestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 30 m2; c. een bouwwerk dat zonder graaf- of heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 5.3 afwijken van de bouwregels 5.3.1 Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2.2, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels.

5.3.2 Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 5.3.1, wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische resten aanwezig zijn. 5.3.3 Een omgevingsvergunning, zoals bepaald in artikel 5.3.1, wordt voorts verleend, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: - het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; - het doen van opgravingen; - begeleiding van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige.

12

5.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 omgevingsvergunning te verwachten archeologische waarden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' als bepaald in artikel 5.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking, zoals in artikel 5.3 bedoeld, is toegepast; b. het ophogen van gronden met meer dan 30 cm; c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of verhogen van het grondwaterpeil; e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

5.4.2 weigering Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door de graafwerkzaamheden of grondbewerkingen, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de in de grond aanwezige archeologische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 5.4.3 advies Alvorens te besluiten over de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige. 5.4.4 uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 is niet vereist voor: a. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; c. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen, welke uitgevoerd worden in het kader van een vergunningsplichtigbouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, en/of een vergunningsvrij bouwwerk. 5.4.5 De verboden, zoals in artikel 5.4.1 bedoeld, zijn niet van toepassing, indien de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: a.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 of een ontgrondingsvergunning; c. onderdeel uitmaken van een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

13

5.4.6 verlening Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische resten aanwezig zijn. 5.4.7 Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 wordt voorts verleend, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: - het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; - het doen van opgravingen; - begeleiding van de activiteiten door de archeologische deskundige. 5.4.8 adviesprocedure Alvorens omtrent het verlenen van omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwwerken, werken of werkzaamheden de archeologische belangen niet onevenredig worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

5.5 wijzigingsbevoegdheid 5.5.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door een of meer bestemmingsvlakken met de medebestemming 'Waarde - Archeologie 1' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn. 5.5.2 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de medebestemming 'Waarde - Archeologie 1' te wijzigen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische vindplaats', indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, waarvan nadere bescherming en veiligstelling door middel van dit bestemmingsplan noodzakelijk of gewenst is.

14

Artikel 6 Waarde – Archeologie 3 6.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden. 6.2 bouwregels 6.2.1 Op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 6.1 bedoelde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. 6.2.2 Ten behoeve van andere, voor de gronden als bepaald in artikel 6.1, geldende bestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m2; c. een bouwwerk dat zonder graaf- of heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 6.3 afwijken van de bouwregels 6.3.1 Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.2.2, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels.

6.3.2 Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 6.3.1, wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische resten aanwezig zijn. 6.3.3 Een omgevingsvergunning, zoals bepaald in artikel 6.3.1, wordt voorts verleend, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: - het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; - het doen van opgravingen; - begeleiding van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige.

15

6.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 omgevingsvergunning te verwachten archeologische waarden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' als bepaald in artikel 21.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking, zoals in artikel 6.3 bedoeld, is toegepast; b. het ophogen van gronden met meer dan 30 cm; c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of verhogen van het grondwaterpeil; e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

6.4.2 weigering Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door de graafwerkzaamheden of grondbewerkingen, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de in de grond aanwezige archeologische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 6.4.3 advies Alvorens te besluiten over de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige. 6.4.4 uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 is niet vereist voor: a. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; c. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen, welke uitgevoerd worden in het kader van een vergunningsplichtigbouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, en/of een vergunningsvrij bouwwerk. 6.4.5 De verboden, zoals in artikel 6.4.1 bedoeld, zijn niet van toepassing, indien de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: a.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 of een ontgrondingsvergunning; c. onderdeel uitmaken van een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 16

6.4.6 verlening Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische resten aanwezig zijn. 6.4.7 Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt voorts verleend, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: - het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; - het doen van opgravingen; - begeleiding van de activiteiten door de archeologische deskundige. 6.4.8 adviesprocedure Alvorens omtrent het verlenen van omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwwerken, werken of werkzaamheden de archeologische belangen niet onevenredig worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

6.5 wijzigingsbevoegdheid 6.5.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door een of meer bestemmingsvlakken met de medebestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn. 6.5.2 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de medebestemming 'Waarde - Archeologie 3' te wijzigen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische vindplaats', indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, waarvan nadere bescherming en veiligstelling door middel van dit bestemmingsplan noodzakelijk of gewenst is.

17

Artikel 7 Waterstaat – Waterkering 7.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van zowel de primaire als de secundaire waterkering, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals duikers, keerwanden en merktekens. 7.2 bouwregels 7.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. 7.2.2 Gebouwen mogen niet worden gebouwd. 7.2.3 Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 3 m. 7.3 afwijken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits advies is verkregen van de beheerder van de waterkering. 7.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 7.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b.

het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; d. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen. 7.4.2 verlening Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.

18

7.4.3 uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.

19

HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels 9.1 In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. 9.2 In die gevallen dat de bestaande afstand tot enige op de verbeelding aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan. 9.3 In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. 9.4 De regels zoals opgenomen in de artikelen 9.1 tot en met 9.3 hebben betrekking op: a. bestaande bouwwerken; b. uitbreiding van bestaande bouwwerken; c.

sloop en vervangende nieuwbouw van bestaande bouwwerken; met dien verstande dat deze regels uitsluitend betrekking hebben op bouwwerken binnen het bouwperceel waarin de bouwwerken met van de regels afwijkende maatvoering, zijn gesitueerd. 9.5 algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen Ondergrondse ruimten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing, tenzij in de bouwregels van de betreffende bestemming anders is bepaald. Op het bouwen van ondergrondse bouwwerken zijn de aanduidingen op de verbeelding en de bouwregels van het plan op overeenkomstige wijze van toepassing, met dien verstande dat: a. de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer bedraagt dan 4,5 m beneden peil; 20

b. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk dat in gebruik is als rioolgemaal niet meer bedraagt dan 6 m beneden peil. 9.6 Met betrekking tot het parkeren dient voldaan te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de ‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’ d.d. 6 juli 2021, dan wel een nadien vastgestelde beleidsregel.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels 10.1 Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming(en). 10.2 Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 10.1 wordt in elk geval verstaan: a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie. 10.3 Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het in artikel 10.1 gestelde verbod, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, dat niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 11.1 Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen; b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; c. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden voor ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het peil; 21

d. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvangen/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m; e. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m. 11.2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.1 kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

22

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht 12.1 overgangsrecht bouwwerken 12.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 12.1.2 Bij omgevingsvergunning kan eenmalig worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 12.1.1 met maximaal 10%. 12.1.3 Artikel 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 12.2 overgangsrecht gebruik 12.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 12.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in artikel 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 12.2.4 Artikel 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

23

Artikel 13 Slotregel Deze regels worden aangehaald als Regels van het bestemmingsplan ‘Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22 ‘s-Gravendeel ´ gemeente Hoeksche Waard.

24

Bijlage 1: Staat van bedrijfsactiviteiten (categorie 1 t/m 3.1) SBI-code

SBI-code 2008

Nr.

Omschrijving

Cat.

01

01

-

Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw

014

016

0

Dienstverlening t.b.v. de landbouw:

014

016

1

014

016

2

014

016

3

014

016

4

   

0142

0162

02

02

020

021, 022, 024

05

03

0501.2

0312

0502

032

0

Vis- en schaaldierkwekerijen:

0502

032

2

 visteeltbedrijven

15

10, 11

-

Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken

151

101, 102

0

Slachterijen en overige vleesverwerking:

151

101

5

151

101

6

151

101, 102

7

151

108

8

   

152

102

0

Visverwerkingsbedrijven:

152

102

6

 verwerken anderszins: p.o. <= 300 m

1531

1031

0

Aardappelproducten fabrieken:

1531

1031

2

1552

1052

2

 vervaardiging van snacks met p.o. < 2.000 m 2 Consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m

1581

1071

0

Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen:

1581

1071

1

 v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens

1584

10821

0

Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk:

1584

10821

3

2

1584

10821

6

 cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocola2 dewerken met p.o. <= 200 m 2  suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m

1585

1073

Deegwarenfabrieken

3.1

1593 t/m

1102 t/m 1104

Vervaardiging van wijn, cider e.d.

2

2

algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m 2 algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o.<= 500 m 2 plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m 2 plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m

-

3.1 2 2

Bosbouw en dienstverlening t.b.v. bosbouw Bosbouwbedrijven

-

2

3.1

Visserij- en visteeltbedrijven Binnenvisserijbedrijven

3.1 3.1

vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. <= 1000 m 2 vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. <= 200 m loonslachterijen vervaardiging van snacks en vervaardiging van kant-en2 klaar-maaltijden met p.o. < 2.000 m

2

2

3.1 3.1 3.1 3.1

3.1 2

3.1 2 2

2

1595 17

13

173

133

-

Textielveredelingsbedrijven

3.1

174, 175

139

Vervaardiging van textielwaren

3.1

176, 177

139, 143

Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen

3.1

18

14

181

141

Vervaardiging kleding van leer

3.1

182

141

Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer)

2

-

Vervaardiging van textiel

Vervaardiging van kleding; bereiden en verven van bont

| BESTEMMINGSPLAN

KI-stations

3.1

|XXD SD

1

SBI-code

SBI-code 2008

183

142, 151

2

19

15

|XXD SD

Nr.

192

151

Lederwarenfabrieken (excl. kleding en schoeisel)

3.1

193

152

Schoenenfabrieken

3.1

20

16

-

2010.2

16102

0

Houtconserveringsbedrijven:

2010.2

16102

2

 met zoutoplossingen

3.1

1

Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o.

3.1

-

Omschrijving

Cat.

Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van bont

3.1

Vervaardiging van leer en lederwaren (excl. kleding)

Houtindustrie en vervaardiging artikelen van hout, riet, kurk

| BESTEMMINGSPLAN

e.d.

203, 204, 205 162

< 200 m2 205

162902

Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken

2

21

17

-

Vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren

2112

1712

0

Papier- en kartonfabrieken:

2112

1712

1

 p.c. < 3 t/u

22

58

-

Uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen

221

581

2222.6

18129

2223

1814

A

2223

1814

B

2224

1813

2225 223 24

20

-

Vervaardiging van chemische producten

2442

2120

0

Farmaceutische productenfabrieken:

2442

2120

1

2120

2

 formulering en afvullen geneesmiddelen  verbandmiddelenfabrieken

3.1

2442 2466

205903

A

Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken

3.1

25

22

-

Vervaardiging van producten van rubber en kunststof

2512

221102

0

Loopvlakvernieuwingsbedrijven:

2512

221102

1

252

222

3

 vloeropp. < 100 m  productie van verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmaterialen

26

23

-

Vervaardiging van glas, aardewerk, cement-, kalk- en gips-

2615

231

262, 263

232, 234

0

Aardewerkfabrieken:

262, 263

232, 234

1

 vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW

267

237

0

Natuursteenbewerkingsbedrijven:

267

237

2

 zonder breken, zeven en drogen: p.o. <= 2.000 m

3.1

media Uitgeverijen (kantoren)

1

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

2

Grafische afwerking

1

Binderijen

2

Grafische reproductie en zetten

2

1814

Overige grafische activiteiten

2

182

Reproductiebedrijven opgenomen media

1

2

2

3.1 3.1

producten Glasbewerkingsbedrijven

3.1 2 2

3.1

Nr.

Omschrijving

Cat.

2681

2391

Slijp- en polijstmiddelen fabrieken

3.1

28

25, 31

-

281

251, 331

0

Constructiewerkplaatsen:

281

251, 331

1a

 gesloten gebouw, p.o. < 200 m

284

255, 331

B1

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. < 200 m

287

259, 331

B

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. <200 m

30

26, 28, 33

-

Vervaardiging van kantoormachines en computers

30

26, 28, 33

A

Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie

31

26, 27, 33

-

Vervaardiging van over. elektr. machines, apparaten en

3

Vervaard. en reparatie van producten van metaal (excl. mach./transportmidd.) 2

3.1 2

2

3.1 3.1

2

benodigdh. 316

293

32

26, 33

Elektrotechnische industrie n.e.g. -

2

Vervaardiging van audio-, video-, telecom-apparaten en benodigdh.

321 t/m 323

261, 263, 264,

Vervaardiging van audio-, video- en telecom-apparatuur e.d. incl.

331

reparatie

3210

2612

Fabrieken voor gedrukte bedrading

33

26, 32, 33

-

33

26, 32, 33

A

3.1 3.1

Vervaardiging van medische en optische apparaten en instrumenten Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d.

2

incl. reparatie 35

30

-

Vervaardiging van transportmiddelen (excl. auto’s, aanhangwagens)

351

301, 3315

0

Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:

351

301, 3315

1

 houten schepen

36

31

-

Vervaardiging van meubels en overige goederen n.e.g.

361

9524

2

Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m

362 363

3.1

2

1

321

Fabricage van munten, sieraden e.d.

2

322

Muziekinstrumentenfabrieken

2

364

323

Sportartikelenfabrieken

3.1

365

324

Speelgoedartikelenfabrieken

3.1

3663.1

32991

Sociale werkvoorziening

2

3663.2

32999

Vervaardiging van overige goederen n.e.g.

3.1

45

41, 42, 43

-

Bouwnijverheid

45

41, 42, 43

1

Bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m

45

41, 42, 43

2

45

41, 42, 43

3

2

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m

3.1 2

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m

3.1 2

|XXD SD

SBI-code 2008

2

| BESTEMMINGSPLAN

SBI-code

SBI-code

SBI-code 2008

Nr.

Omschrijving

Cat.

50

45, 47

-

Handel/reparatie van auto’s, motorfietsen; benzineservice-

5020.4

45204

5020.4

45204

5020.5 503, 504 505

473

0

Benzineservicestations:

505

473

3

 zonder LPG

51

46

-

Groothandel en handelsbemiddeling

511

461

5121

4621

5122

4622

5124 5125, 5131

| BESTEMMINGSPLAN

501, 502, 504 451, 452, 454

|XXD SD

stations 4

Handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

2

B

Autobeklederijen

1

C

Autospuitinrichtingen

3.1

45205

Autowasserijen

2

453

Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires

2 2

Handelsbemiddeling (kantoren)

1

Grth in akkerbouwproducten en veevoeders

3.1

Grth in bloemen en planten

2

4624

Grth in huiden, vellen en leder

3.1

46217, 4631

Grth in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen

3.1

5132, 5133

4632, 4633

Grth in vlees, vleeswaren, zuivelproducten, eieren, spijsoliën

3.1

5134

4634

Grth in dranken

2

5135

4635

Grth in tabaksproducten

2

5136

4636

Grth in suiker, chocolade en suikerwerk

2

5137

4637

Grth in koffie, thee, cacao en specerijen

2

5138, 5139

4638, 4639

Grth in overige voedings- en genotmiddelen

2

514

464, 46733

Grth in overige consumentenartikelen

2

5151.1

46711

0

Grth in vaste brandstoffen:

5151.1

46711

1

 klein, lokaal verzorgingsgebied

5153

4673

0

Grth in hout en bouwmaterialen:

5153

4673

1

5153

4673

2

 algemeen: b.o. > 2000 m 2  algemeen: b.o. <= 2000 m

5153.4

46735

4

Zand en grind:

5153.4

46735

6

 algemeen: b.o. <= 200 m

5154

4674

0

Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur:

5154

4674

1

3.1

5154

4674

2

 algemeen: b.o. > 2.000 m 2  algemeen: b.o. < = 2.000 m

5155.2

46752

Grth in kunstmeststoffen

2

5156

4676

Grth in overige intermediaire goederen

0

2

3.1 3.1 2

2

2

2

2

2 2

5157

4677

1

5157.2/3

4677

1

Autosloperijen: b.o. <= 1000 m 2 Overige groothandel in afval en schroot: b.o. <= 1000 m

518

466

0

Grth in machines en apparaten:

518

466

2

 overige (geen machines voor de bouwnijverheid)

3.1

519

466, 469

Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.

2

52

47

527

952

55

55

5552

562

-

3.1

Detailhandel en reparatie t.b.v. particulieren Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto’s en motorfietsen)

-

3.1

1

Logies-, maaltijden- en drankenverstrekking Cateringbedrijven

2

SBI-code

SBI-code 2008

Nr.

Omschrijving

60

49

-

Vervoer over land

6022

493

Taxibedrijven

Cat.

2

50, 51

-

Vervoer over water / door de lucht

61, 62

50, 51

A

Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren)

63

52

-

Dienstverlening t.b.v. het vervoer

6312

52102, 52109

A

Distributiecentra, pak- en koelhuizen

3.1

6312

52109

B

Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)

2

6321

5221

1

Autoparkeerterreinen, parkeergarages

2

6322, 6323

5222

Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14400974/1