3.8 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Tijdelijke huisvesting Goudswaard.docx - Bevrore
Tekst van het document
AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING TIJDELIJKE HUISVESTING GOUDSWAARD Gemeente Hoeksche Waard 17 augustus 2023
1/23
DATUM KENMERK
17 augustus 2023 20220886.003/104099/
PROJECT PROJECTLEIDER
onderzoeken locatie Goudswaard ing. S. la Grand
OPDRACHTGEVER HW Wonen PROJECTNUMMER 20220886.003 AUTEUR STATUS
2/23
S. Lie Concept
INHOUD 1.
2.
3.
4.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
4 4 4
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer
Plaats en omvang van het project
5
2.1 2.2
Plaats van het project Omvang van het project
5 8
Kenmerken van de milieufactoren
11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10
11 12 13 14 14 15 16 16 18 18
Verkeer en parkeren Geluid Bodem Water Natuur Luchtkwaliteit Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid Archeologie, cultuurhistorie en landschap Sloop- en aanlegwerkzaamheden Maatregelen
Conclusie
Bijlagen bij aanmeldnotitie Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bijlage 2 Bodemonderzek Bijlage 3 Archeologisch proefsleuvenonderzoek
3/23
19 20 21 22 23
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
De gemeente wil ten oosten van Goudswaard 20 tijdelijke woningen realiseren voor een periode van 10 tot 15 jaar. Hiermee wordt invulling gegeven aan de behoefte van spoedzoekers met en zonder recht op urgentie. Het initiatief geeft mede invulling aan de gemeentelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders. Het vigerende bestemmingsplan “Kernen Korendijk 2018” biedt op de locatie geen ruimte voor woonfuncties. De gemeente Hoeksche Waard heeft aangegeven te willen meewerken aan de ontwikkeling door middel van een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). Daarvoor dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld, waarin het project wordt toegelicht en wordt aangetoond dat het voornemen om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op ‘een oppervlakte van 10 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer’ (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Met de beoogde ontwikkeling worden 20 tijdelijke woningen mogelijk gemaakt.
Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is waarin dit document in voorziet.
1.2
Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen.
1.3
Leeswijzer
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken toegevoegd aan de bijlagen.
4/23
2. PLAATS EN OMVANG VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het projectgebied bevindt zich ten oosten van de kern Goudswaard ten zuiden van de Molendijk. De locatie is na een breed locatieonderzoek binnen de gemeente geschikt bevonden om tijdelijke woningen te realiseren. Het projectgebied heeft een grootte van ongeveer 0,9 hectare. De Gemeente Hoeksche Waard is eigenaar van het stuk grond. Voor de beoogde tijdelijke woningen is een deel van dit perceel nodig. Het projectgebied is weergegeven op figuur 2.1.
Figuur 2.1 Projectgebied beoogde ontwikkeling
BIJZONDERE GEBIEDEN EN HET OPNAMEVERMOGEN VAN HET NATUURLIJK MILIEU Het plangebied is niet gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met beschermde status zoals grondwaterbeschermingsgebieden (zie figuur 2.2). Ook bevindt het plangebied zich niet in een stiltegebied (zie figuur 2.3). Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt op circa 995 meter van het Natura 2000-gebied Haringvliet en circa 10,6 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’. De dichtstbijzijnde delen van het Natuurnetwerk bevinden zich op een afstand van circa 955 meter (zie figuur 2.4).
5/23
Figuur 2.2 Grondwaterbeschermings- en waterwingebieden nabij de projectlocatie (rode cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland)
Figuur 2.3 Stiltegebieden ten opzichte van projectgebied (rode cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland)
6/23
Figuur 2.4 Natura 2000 en NNN nabij de projectlocatie (rode cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland)
7/23
2.2
Omvang van het project
Programma Voorliggend project maakt 20 tijdelijke woningen mogelijk met bijbehorende parkeervoorzieningen en fietsenstallingen. In de volgende categorieën: ● 10 driekamerhuisjes ● 4 studio’s ● 6 2-kamer appartementen Stedenbouwkundig plan
Figuur 2.5 Stedenbouwkundig plan
Aansluiting op omgeving Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een ontspannen opstelling van de nieuwe tijdelijke woningen en een efficiënte verkeerskundige aansluiting. De plaatsing van de woningen wordt afgestemd op de stedenbouwkundige structuur van de reeds bestaande woningen aan de Rietakker en de nog te bouwen woningen aan op de Boomgaard. Zo worden in het noordelijk deel 3 kleine blokjes van 3 en 4 grondgebonden tweelaagse woningen geplaatst die meedoen in de opzet van de Boomgaard. Dit betreffen allemaal 3 kamer-woningen. Daar waar de nieuwe appartementen in de Boomgaard worden gebouwd met de voorzijde naar het landschap wordt een plek open gehouden. Hier is ruimte voor groen, spelen en waterberging. Dit kan zowel door de nieuwe bewoners als door de bestaande buurt worden gebruikt. De locatie wordt op twee plekken ontsloten. De appartementen worden ontsloten via de Rietakker. De grondgebonden woningen via de reeds aangelegde infrastructuur voor de Boomgaard. Via deze aansluitingen worden vanuit de buurt doorzichten naar het landschap veilig gesteld. Op deze manier wordt de bestaande infrastructuur efficiënt ingezet en is relatief weinig nieuwe verharding nodig.
8/23
Tussen de Boomgaard en de nieuwe ontwikkeling wordt een brede watergang gerealiseerd die iets uitbuikt in het groene middengebiedje. Hierin wordt zowel het water van de Boomgaard als de nieuwe ontwikkeling gecompenseerd. Er is ruimte voor natuurvriendelijke oevers die naast meer biodiversiteit ook bijdragen aan de groene beleving van dit woongebied. De locatie met de nieuwe woningen wordt vooral groen ingericht in aansluiting met de Boomgaard. Een voetpad in de vorm van een lus verbindt de twee clustertjes en de daartussen gelegen groene ruimte. Ten zuiden van deze open groene plek wordt één blokje in twee bouwlagen geplaatst. Dit blokje bevat de studio’s en tweekamerappartementen. Dit blokje wordt in lijn met het nog te bouwen blokje rijwoningen aan de Boomgaard geplaatst. Bebouwing De bouwblokken worden maximaal twee bouwlagen hoog. De grondgebonden woningen worden in korte rijtjes van 3 of 4 woningen geplaatst en krijgen een kleine (lessenaars)kap. Deze bouwhoogten zijn duidelijk ondergeschikt aan de bestaande woningen aan de Rietakker en de nog te realiseren bebouwing op de Boomgaard.
Figuur 2.6 Impressie van de woningtypen.
Landschappelijke inpassing Rond de locatie komt richting de bestaande buurt en de Boomgaard een landschappelijke rand. Deze rand doet mee in de hele rand langs deze zijde van de kern. In deze rand is ruimte voor waterberging en een voetpad voor het doortrekken van een ommetje met een informeel pad. Aan de landschapszijde wordt ter plaatse van de woningen enkele clusters van bomen ingezet om het beeld te verzachten en de overgang te maken. Ter plaatse van de groene ruimte tussen de twee clusters wordt vooral met laag groen gewerkt om het beeld hier juist open te houden. Een pad langs de rand maakt onderdeel uit van het ommetje. De paden worden uitgevoerd in een waterdoorlatend materiaal, dat de informele en landschappelijke uitstraling ondersteund. Op deze manier ontstaat een zachte overgang tussen het landschap en de bestaande kernrand aan deze zijde van het dorp.
9/23
GEBRUIK NATUURLIJKE HULPBRONNEN EN PRODUCTIE VAN AFVALSTOFFEN Natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt tijdens de bouw en het gebruik van de ontwikkeling. Het betreft hier natuurlijke hulpbronnen als energie, water en grondstoffen. Dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen hiervan zijn van een dusdanig beperkte omvang, dat hierdoor geen beslag wordt gelegd op natuurlijke hulpbronnen. Het ontstaan van afval tijdens de bouw van de ontwikkeling is vanzelfsprekend. Bouwafval wordt zoveel mogelijk hergebruikt of afgevoerd naar een erkende verwerker. Het afval van de medewerkers zal volgens de geldende regelgeving worden gerecycled/verwerkt. Dit zou op elke locatie het geval zijn. Er is geen aanleiding om dit aspect nader te laten onderzoeken in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport.
VERONTREINIGING, HINDER, RISICO VAN ZWARE ONGEVALLEN EN RAMPEN, RISICO’S VOOR DE MENSELIJKE GEZONDHEID Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk.
CUMULATIE MET ANDERE PROJECTEN Voor zover bekend zijn er geen beoogde ontwikkelingen in de directe omgeving van het plangebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
10/23
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUFACTOREN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit toekomstige situatie, gebaseerd op de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen en trends. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie uit de ruimtelijke onderbouwing die voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.
3.1
Verkeer en parkeren
Ontsluiting Het projectgebied wordt ontsloten via de zuidzijde via de Rietakker op de Polderboom. Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/u. In westelijke richting leidt de Polderboom naar de Nicolaas van Puttenstraat. De Nicolaas van Puttenstraat is ten westen van de aansluiting van de Polderboom ingericht als een erftoegangsweg en leidt naar het centrumgebied van de kern Goudswaard. Ten noorden van de aansluiting van Polderboom is de Nicolaas van Puttenstraat ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u en leidt de weg naar de aansluiting op de Molendijk. De Molendijk is binnen de bebouwde kom ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u, terwijl de weg buiten de bebouwde kom overloopt in een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/u. De Molendijk leidt in oostelijke richting naar de kernen Piershil en Nieuw-Beijerland. Verkeersgeneratie Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381. Op basis van de parkeernormen van gemeente Hoeksche Waard is de stedelijkheidsgraad vastgesteld als ‘weinig stedelijk’. De beoogde ontwikkeling is gelegen in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Tenslotte wordt conform de gemeentelijke parkeernormen per kencijfer uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte.
Met behulp van de CROW kencijfers is de verkeersgeneratie voor een gemiddelde weekdag berekend, terwijl voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde werkdag maatgevend is. Conform CROW publicatie 381 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In de bestaande situatie is op de locatie landbouwgrond aanwezig. Dit genereert geen verkeersomvang die van belang is. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 20 tijdelijke woningen. Op basis van het programma is de verkeersgeneratie bepaald voor op een gemiddelde weekdag en gemiddelde werkdag. Voor de tijdelijke woningen is vanuit het CROW geen specifiek kengetal bekend. Als uitganspunt voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt aangehouden dat een relatief laag aandeel van de eigen inwoners een auto bezit en dat daarnaast slechts een gedeelte van de Oekraïners met de auto komt. Gezien het beperkte autobezit bij de doelgroep wordt daarom aangesloten bij de functie ‘kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)’. Tabel 3.1 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling
Functie
Functie CROW-381
Aantal
Kengetal
Verkeersgeneratie weekdag
Studio’s
werkdag
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
4
2,1 per woning 8,4
9,32
Tweekamerwoningen kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
6
2,1 per woning 12,6
13,99
Driekamerwoningen
10
2,1 per woning 21
23,31
42
46,62
Totaal
11/23
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeerstoename van 42 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdagintensiteiten leidt de beoogde ontwikkeling tot een verkeerstoename van 47 mvt/etmaal. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel gehanteerd dat gedurende het drukste uur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling resulteert dit in een verkeersgeneratie van (47 * 10% =) 5 mvt/uur gedurende het maatgevende uur. Dit komt neer op een toename van circa 1 voertuig per 12 minuten. Deze toename is dermate laag dat de invloed op de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar zal zijn. Parkeren Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt net zoals in de berekening van de verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling uitgegaan van de functie ‘kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)’. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekend. Tabel 3.2 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling
Beoogde ontwikkeling Functie
Functie gemeentelijke parkeernormen
Aantal
Parkeernorm
Studio’s
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
4
0,7 per woning 2,8
Tweekamerwoningen kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
6
0,7 per woning 4,2
Driekamerwoningen
10
0,7 per woning 7
Totale normatieve parkeerbehoefte
kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)
Parkeerbehoefte
15
De totale normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 14 parkeerplaatsen. Conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid dient de parkeerbehoefte binnen het projectgebied te worden opgevangen. Binnen het projectgebied is voldoende ruimte op zowel de openbare weg als op eigen terrein om het benodigde parkeeraanbod te realiseren. Conclusie verkeer en parkeren De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeerstoename van 47 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op het omliggende wegennet gering zal zijn. Daarnaast heeft het projectgebied een parkeerbehoefte van 14 parkeerplaatsen. Binnen het projectgebied is voldoende ruimte beschikbaar om iets meer parkeerplaatsen dan de minimale norm aan te leggen. Er zijn dan ook 20 parkeerplaatsen voor de nieuwe woningen ingetekend. Vanuit het aspect verkeer en parkeren worden geen negatieve effecten verwacht.
3.2
Geluid
Wegverkeerslawaai Woningen zijn geluidgevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder (Wgh). Omdat de woningen liggen binnen de wettelijke geluidzone van de Molendijk en de Noordweg wordt getoetst aan de grenswaarden Wgh in het akoestisch onderzoek (zie bijlage 1). Resultaten Uit het onderzoek blijkt dat: ● Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Noordweg; ● Vanwege de Molendijk wordt op drie woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden maar de maximale ontheffingswaarde niet;
12/23
● ● ●
Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren vanwege de Molendijk zijn om verkeerskundige-, landschappelijke-, stedenbouwkundige en financiële redenen ongewenst; Er wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid voor het aspect geluidluwe gevel, ook is er een geluidluwe collectieve buitenruimte aanwezig; Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig vanwege de Molendijk.
Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig voor 3 woningen. De nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uitstralingseffect De ontwikkeling heeft een beoogde verkeersgeneratie van 42 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Consequentie is dat de geluidbelasting op bestaande woningen langs deze ontsluitingswegen van de ontwikkeling kan toenemen. Voor de beoordeling van deze toename bestaat geen wettelijk kader in de Wet geluidhinder (dit wordt aangeduid als het “handhavingsgat”). In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan kwalitatief worden beoordeeld of de toename van verkeersgeluid na realisatie van de nieuwe woningen ten opzichte van de toekomstige situatie zonder realisatie van de nieuwe woningen aanvaardbaar is. Een vuistregel is dat de geluidtoename akoestisch verwaarloosbaar is als de verkeersintensiteit op een weg of wegvak minder dan 40% toeneemt, wanneer andere variabelen (locatie bebouwing, samenstelling van het verkeer, verhardingssoort e.d.) onveranderd blijven. Een toename van 40% komt dan overeen met een toename van 1,5 dB, zijnde het reconstructiecriterium uit de Wet geluidhinder. Voor het menselijk gehoor geldt dat pas bij een toename hoger dan 1,5 dB (afgerond 2 dB) dit als zodanig net waarneembaar is.
Gezien de hoogte van de intensiteiten op deze weg en een verkeersgeneratie van 42 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag voor de toekomstige ontwikkeling is er geen sprake van een verkeerstoename van meer dan 40%. Concluderend kan worden gesteld dat de toename van verkeersgeluid zodanig is dat het niet akoestisch relevant, dan wel nauwelijks waarneembaar zal zijn en daarmee in het kader van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig voor 3 woningen. De nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toename van verkeersgeluid is beperkt en zodanig dat het niet akoestisch relevant, dan wel nauwelijks waarneembaar zal zijn. Hiermee worden vanuit het aspect geluid geen negatieve effecten verwacht.
3.3
Bodem
Huidige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van tijdelijke woningen. Momenteel is de locatie bestemd als ‘Agrarisch’, waardoor er sprake is van een functiewijziging. Middels een bodemonderzoek dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In opdracht van Rho adviseurs, is door DS milieu-consult in juni 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied nabij Goudswaard. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Het doel van het bodemonderzoek was het vastleggen van de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of de locatie geschikt is voor het toekomstige gebruik, wonen met tuin. Op basis van de beschikbare gegevens, als historische informatie, de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de verkregen analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters, kan het volgende worden geconcludeerd: ● De bovengrond is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket. ● De bodem ter plaatse van de gedempte sloot is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket.
13/23
●
Het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 is zeer licht verontreinigd met dichloormethaan. De oorzaak is niet achterhaald.
De hypothese dat de locatie niet verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de voorliggende onderzoeksresultaten van het grondwater, formeel te worden verworpen. De hypothese dat de bodem ter plaatse van de gedempte sloot verdacht is van het voorkomen van bodemvreemde materialen die tot een verontreiniging kunnen hebben geleid, dient te worden verworpen. Aanbevelingen Het licht verhoogde gehalte aan dichloormethaan in het grondwater geeft geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik, wonen met tuin. Er bestaan geen milieu-hygiënische bezwaren tegen de afgifte van een Omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Planvoornemen Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie Er zijn geen saneringen nodig voor de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten kunnen uitgesloten worden.
3.4
Water
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta. Huidige situatie Ten noorden en oosten wordt het projectgebied begrensd door hoofdwatergangen. Ten zuiden bevindt zich een watergang in de categorie ‘overig’. Voor werkzaamheden in de beschermingszones van respectievelijk 5 en 1 meter van de watergangen dient een watervergunning aangevraagd te worden. Het plangebied grenst niet aan een waterkering. Planvoornemen Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd te worden. Er wordt circa 2.615 m2 verhard, er moet daarom 261 m² oppervlaktewater gecompenseerd worden. Voor de watercompensatie is een plek voor extra water en natuurontwikkeling aangewezen tussen de Boomgaard en de planlocatie. Op deze plek wordt zowel het water voor de Boomgaard als de nieuwe ontwikkeling van de tijdelijke woningen gecompenseerd. De watergang wordt gekoppeld met de omliggende watergangen om doorstroming te bevorderen ten behoeve van de waterkwaliteit.
De inrichting hiervan zal natuurvriendelijk worden ingezet met voldoende flauwe oevers. Dit is reeds in het ontwerp opgenomen Conclusie Met de compensatie voor verharding en watervergunning wanneer er werkzaamheden in de beschermingszone van de watergangen plaatsvinden heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
3.5
Natuur
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het projectgebied bevindt zich op circa 955 meter van het Natura 2000-gebied Haringvliet. Dit is ook het meest
14/23
dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het meest dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied betreft Krammer-Volkerak op circa 10,6 kilometer. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de grote afstand tot natuurgebieden en de geringe ontwikkeling kunnen ook verstoring, verandering van de waterhuishouding en vermesting/verzuring worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. Vanwege de afstand tot de Natura 2000-gebieden zou de beoogde ontwikkeling kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanleg- en gebruiksfases van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De achterliggende stikstofberekening voor de realisatie- en gebruiksfase is opgenomen in bijlage 4. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Soortenbescherming Het projectgebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
Wel is het mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 3.3 Overzicht van de Soortenbescherming.
Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
3.6
Luchtkwaliteit
In de Wet luchtkwaliteit zijn normen gesteld voor de concentraties voor met name NO2, PM10 en PM2.5. Huidige situatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2022 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Krommedijk, ten noorden van het projectgebied. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 13,9 µg/m³ voor NO2, 14,9 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Planvoornemen De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van 20 tijdelijke woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie
15/23
De luchtkwaliteit ter plaatse voldoet momenteel aan de geldende normen uit de Wet milieubeheer. De bijdrage van de ontwikkeling is beperkt en is niet in betekenende mate. Hierdoor wordt er geen significant negatief effect op de omgeving verwacht.
3.7
Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid
EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid wordt beoordeeld rondom risicobronnen waar opslag, gebruik en transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s worden getoetst aan het plaatsgevonden risico en beoordeeld aan het groepsrisico/invloedsgebied. Huidige situatie Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water. Ten noorden van het projectgebied aan de Noordweg 1 is een risicovolle inrichting gelegen. Het betreft Coorndijck Exploitatiemaatschappij B.V. met een bovengrondse propaantank met een inhoud van 5 m3. De locatie is buiten de veiligheidszone gelegen. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Planvoornemen Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Conclusie externe veiligheid Het plangebied bevindt zich niet in een invloedsgebeid en er worden geen nieuwe risicobronnen gerealiseerd. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanuit het aspect externe veiligheid.
RISICO’S VOOR DE MENSELIJKE GEZONDHEID Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Een significant effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.
3.8
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
ARCHEOLOGIE In opdracht van de gemeente Hoeksche Waard is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3. De aanbevelingen uit dit onderzoek zijn als volgt: Voorafgaand aan het onderzoek was al geconcludeerd dat wanneer de bodemverstoringen beperkt zouden blijven tot een diepte van 2.0 meter –NAP de top van het Hollandveen alleen zou kunnen worden verstoord in de zone rondom Boring nr. 53 van het in 2011 uitgevoerde booronderzoek. Daarom is daar, ter plaatse van het tracé van de nieuwe rioolsleuf Proefsleuf nr. 1 aangelegd. De top van het Hollandveen is daar aangetroffen op een diepte van circa 2.0 meter –NAP (en dus circa 0.1 meter beneden het niveau van de onderkant van de rioolsleuf). Bovendien werden in de top van het Hollandveen geen archeologische resten aangetroffen. Voorafgaand aan het onderzoek was = al geconcludeerd dat bij de aanleg van de nieuwe watergang, tot een diepte van 2.25 meter –NAP, langs een deel van de westzijde van het plangebied, de top van het Hollandveen niet zou worden verstoord. De top van het Hollandveen is daar bij het in 2011 uitgevoerde boor- en proefsleuvenonderzoek aangetroffen op grotere diepte (grotendeels 2.30 - 2.56 meter –NAP).
16/23
Voor het grootse deel van het plangebied geldt dus dat de uitvoering van de geplande inrichtingswerkzaamheden niet zal leiden tot de verstoring van behoudenswaardige archeologische resten. Geadviseerd wordt om de archeologische dubbelbestemming te handhaven voor de archeologische vindplaats ter plaatse van het noordoostelijke deel van het projectgebied (zie figuur 3.1). Binnen deze zone worden in het kader van de voorgenomen planrealisatie geen graaf- of inrichtingswerkzaamheden verwacht (zie figuur 3.2), zodat aanvullend archeologisch onderzoek op dit moment niet noodzakelijk wordt geacht. Voor het overige deel van het plangebied kan de archeologische dubbelbestemming worden beperkt tot de dieper en zeer diep gelegen geologische horizonten (de Afzettingen van Calais en de Pleistocene afzettingen).
Figuur 3.1 Contouren van de archeologische vindplaats (de gearceerde zone) en de ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI, 2023. Schaal 1: 5.000.
Figuur 3.2 De contouren van de archeologische vindplaats (geel omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van het bouwplan.
17/23
Conclusie Voor het grootse deel van het plangebied geldt dus dat de uitvoering van de geplande inrichtingswerkzaamheden niet zal leiden tot de verstoring van behoudenswaardige archeologische resten. Binnen de locaties waar mogelijk archeologische resten zijn gelegen worden in het kader van de voorgenomen planrealisatie geen graaf- of inrichtingswerkzaamheden verwacht.
CULTUURHISTORIE Het projectgebied maakt geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. Aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.
3.9
Sloop- en aanlegwerkzaamheden
Gelet op de aard en tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Vanwege de aard en omvang zal dan ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluiden stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.
3.10 Maatregelen Mitigerende maatregelen Voor het project zijn geen mitigerende maatregelen bekend. Voorwaarden Voor het plan zijn de volgende voorwaarden bekend: ● Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het laten vaststellen van hogere waarden nodig is voor 3 woningen. ● Er wordt circa 2.615 m2 verhard, er moet daarom 261 m² oppervlaktewater gecompenseerd worden. Voor de watercompensatie is een plek voor extra water en natuurontwikkeling aangewezen tussen de Boomgaard en de planlocatie. Op deze plek wordt zowel het water voor de Boomgaard als de nieuwe ontwikkeling van de tijdelijke woningen gecompenseerd.
18/23
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Door rekening te houden met de mitigerende maatregelen uit paragraaf 3.10 is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
19/23
Bijlagen bij aanmeldnotitie
20/23
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek
21/23
Bijlage 2 Bodemonderzek
22/23
Bijlage 3 Archeologisch proefsleuvenonderzoek
23/23