2102 Verantwoording groepsrisico Schouteneinde Puttershoek
Tekst van het document
Handreiking voor verantwoording groepsrisico Schouteneinde 52 / 54, Puttershoek
Adromi B.V. Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl K.v.K. 230.825.46 te Rotterdam BTW: 8050.63.286.B.01 IBAN: NL75RABO0385477481
Projectnummer: Versie: Datum: Auteur: Gecontroleerd:
M202140 2102 20-10-2021 T. Timmer J. Wildschut
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 3
2.
Externe veiligheid algemeen ............................................................................................................ 4
3.
4.
2.1.
Plaatsgebonden risico .............................................................................................................. 4
2.2.
Groepsrisico ............................................................................................................................. 4
Aanwezigheid personen en groepsrisico ......................................................................................... 5 3.1.
Huidige en beoogde aanwezigheid personen .......................................................................... 5
3.2.
Groepsrisico per kilometer buisleiding huidige en beoogde situatie ....................................... 5
Handreiking tot verantwoording van het groepsrisico .................................................................... 5 4.1.
Mogelijkheden en voorgenomen maatregelen door buisleiding exploitant ............................ 5
4.2.
Mogelijkheden tot andere ruimtelijke ontwikkelingen ............................................................ 6
4.3. Mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst ................................................................................................................................... 7 4.4.
Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van een ramp ....................... 7
4.5.
Mogelijkheden van personen om zichzelf in veiligheid te brengen ......................................... 8
5.
Gemeentelijk beleid ......................................................................................................................... 8
6.
Conclusie.......................................................................................................................................... 9
Adromi B.V.
M202140
Pagina 2 van 9
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
1.
Inleiding
Deze handreiking ter verantwoording van het groepsrisico is opgesteld naar aanleiding van het plan om aan het Schouteneinde 52 en 54 en op het perceel achter nummer 50 te Puttershoek 15 woningen te realiseren. De bestaande bebouwing, welke is bestemd voor detailhandel, wonen en bedrijf zal worden gesloopt. Nabij het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding gelegen. Hiervoor is eerder door Adromi met behulp van het rekenprogramma CAROLA een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd, om het effect van de ontwikkeling in het plangebied op het groepsrisico te bepalen (zie: Rapportage kwantitatieve risicoanalyse hogedruk aardgastransportleidingen, Schouteneinde 54, Puttershoek, d.d. 8-9-2021, projectnummer M202140/2101a). Uit deze QRA volgt dat naar aanleiding van het plan het groepsrisico niet toeneemt. Er is echter wel sprake van een groepsrisico welke groter is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, waardoor het groepsrisico volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen volledig verantwoord dient te worden. Zie onderstaande figuur 1 voor de ligging van het plangebied en de hogedruk aardgastransportleiding.
Figuur 1: Ligging plangebied (indicatief blauw omlijnd) ten opzichte van de buisleiding (rood) (bron: ruimtelijkeplannen.nl en risicokaart.nl; bewerkt).
Adromi B.V.
M202140
Pagina 3 van 9
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
2.
Externe veiligheid algemeen
Het doel van het externe veiligheidsbeleid is om de kans op overlijden van mensen in de omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen binnen aanvaardbare grenzen te houden. Uit de aard der zaak is dit beleid ook gericht op het minimaliseren van de risico’s. In het kader van de ruimtelijke ordening dienen bestaande risico’s evenwel als een gegeven te worden beschouwd en worden de mogelijke effecten van een calamiteit in de afweging betrokken. Deze benadering kent een tweetal begrippen om het risiconiveau weer te geven, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 2.1. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddeld persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute of industriële risicobron overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen, ervan uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op die plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour).
Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicovolle bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten, dan wel dat een (te realiseren) kwetsbaar object op een bepaalde plaats aan aanvaardbare risico’s wordt blootgesteld. Voor het plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6 per jaar. 2.2. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimale omvang overlijdt als direct gevolg van één calamiteit waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het groepsrisico is te beschouwen als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een incident. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Dit betekent dus dat als het aantal personen in het schadegebied door een ontwikkeling toeneemt, dat het groepsrisico vervolgens ook toeneemt. Het groepsrisico wordt in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico als oriënterende waarde gehanteerd.
Adromi B.V.
M202140
Pagina 4 van 9
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
3.
Aanwezigheid personen en groepsrisico
3.1. Huidige en beoogde aanwezigheid personen In de huidige situatie is sprake van de aanwezigheid van 9 personen gedurende de dag en 5 personen gedurende de nacht, verdeeld over ‘inwoners’ en ‘werkend in industrie’ volgens de BAG populatieservice, onderdeel EV-objecten, waarin een polygoon is getekend ter grootte van het plangebied. Voor de beoogde aanwezigheid van personen binnen het plangebied is uitgegaan van het kental van 2,4 personen per huishouden en de 15 woningen zoals opgegeven in het plan. Voor de aanwezigheid van mensen in de woningen wordt standaard uitgegaan van 50% gedurende de dag en 100% gedurende de nacht. Dit komt neer op afgerond 18 personen in de dag en 36 personen in de nacht. De kentallen zijn ontleend aan tabel 1 (woonfunctie) van de Handleiding Populatieservice (Versie 1.0, juli 2018). 3.2. Groepsrisico per kilometer buisleiding huidige en beoogde situatie Uit de ‘Rapportage kwantitatieve risicoanalyse hogedruk aardgastransportleidingen, Schouteneinde 54, Puttershoek’ blijkt dat zowel in de huidige als in de beoogde situatie sprake is van een overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde van 0,284, welke correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 3300.00 en stationing 4300.00 van de buisleiding met leidingnaam 7593_leiding-W-507-01-deel-1.
4.
Handreiking tot verantwoording van het groepsrisico
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de mogelijkheden om het risico te minimaliseren en/of de toename van het groepsrisico te verminderen of te vermijden. 4.1. Mogelijkheden en voorgenomen maatregelen door buisleiding exploitant Gasunie heeft ter waarborging van de veiligheid omtrent gasleidingen strenge eisen gesteld aan hun leidingnetwerk. Leidingintegriteit Voor de betrouwbaarheid van de leidingen worden een aantal preventieve maatregelen genomen: − Bovengrondse pijpleidingen worden gecoat en regelmatig aan zichtinspecties onderworpen. − Ondergrondse leidingen worden gecoat en kathodisch beschermd. − Bewaking met behulp van een doorlopend inspectieprogramma. − Inwendige inspecties met intelligent pigs meegevoerd door de gasstroom. − leidingen die niet met behulp van de robots kunnen worden geïnspecteerd, worden gecontroleerd met bovengrondse inspectiemethodes in het kader van de External Corrosion Direct Assessment (ECDA) -integriteitsaanpak. Voorkomen schade door graafwerkzaamheden Graafwerkzaamheden vormen nog steeds de belangrijkste oorzaak van beschadigingen aan het ondergrondse leidingnetwerk. Sinds 31 maart 2018 is in Nederland de Wet Informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) is werking getreden. De grondroerder
Adromi B.V.
M202140
Pagina 5 van 9
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
is verplicht graafwerkzaamheden aan te melden. Ook de voorzorgsmaatregelen voor de betreffende netten, zoals het markeren van de leiding op de plaats waar voorgenomen werkzaamheden zijn gepland en toezicht tijdens de werkzaamheden, maken deel uit de van de wet1. Met de bovenstaande maatregelen weet Gasunie zo goed mogelijk zorg te dragen voor het leidingnetwerk om daarmee de risico’s te beperken. Beoordeling Gelet op het voorgaande worden zijdens de leidingbeheerder reeds de maximaal mogelijke maatregelen genomen om het risico t.a.v. de gasleiding te minimaliseren. Relevant hierbij is ook dat de gasleiding in principe niet kan worden verplaatst omdat deze mede noodzakelijk is voor de energievoorziening van de omgeving. Alhoewel dit niet in de primaire beschouwingen ten aanzien van het groepsrisico wordt betrokken, is hierbij relevant dat een eventueel risico zich voornamelijk verwezenlijkt op het moment dat er werkzaamheden aan of nabij een gasleiding worden uitgevoerd, als de leiding met andere woorden blootgesteld wordt aan menselijk handelen. Werkzaamheden worden over het algemeen onder reguliere werktijden uitgevoerd. Het aantal personen in het plangebied zal op dat moment het laagst zijn (50% aanwezigheid gedurende de dagperiode). 4.2.
Mogelijkheden tot andere ruimtelijke ontwikkelingen Er is onderzocht of het plangebied kan dienen voor andere ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. Hierbij is gekeken welke bestemmingen aanwezig zijn in de directe omgeving van het plangebied. Deze alternatieve invullingen hebben evenwel eigen nadelen op het vlak van externe veiligheid, terwijl deze om andere redenen ook niet zonder meer realiseerbaar zijn. In deze paragraaf wordt hier verder op ingegaan. Alternatief: bedrijvigheid Een alternatief met een laag groepsrisico is in principe bedrijvigheid. Het voordeel hiervan is dat extensieve bedrijvigheid volgens het Bevb niet gezien wordt als kwetsbaar object. Echter gezien de karakteristiek van de omgeving (smalle weg met aan weerszijden overwegend woonbebouwing) is bedrijvigheid niet een gewenste ontwikkeling op deze locatie. Ervan uitgaande dat de grootste kans op een calamiteit zich voordoet door werkzaamheden aan de leiding tijdens reguliere werktijden, geldt op dit vlak ook dat de bezettingsgraad van eventuele bedrijvigheid juist ook op een dergelijk moment maximaal is, terwijl een eventuele calamiteit vanuit een werksituatie (een dichte loods o.i.d.) minder snel zal kunnen worden opgemerkt. Alternatief: horeca Het perceel ten zuidwesten van het plangebied was bestemd voor horeca, maar de bestemming hiervan is in 2019 gewijzigd in ‘wonen’.
Dit alleen al geeft aan dat de behoefte aan woningen groter is 1
Gasunie. Externe veiligheid. https://www.gasunie.nl/organisatie/veiligheid-gezondheid-en-milieu/corporate-vgmbeleid/externe-veiligheid. Bezocht op 20-10-2021
Adromi B.V.
M202140
Pagina 6 van 9
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
dan de behoefte aan horeca in de omgeving waar het plangebied onderdeel van is. Daarnaast kan horeca er tevens voor zorgen dat er regelmatig grote aantallen personen op die locatie aanwezig zijn, wat een hoger groepsrisico dan de beoogde invulling van het plangebied tot gevolg heeft. Alternatief: detailhandel Het perceel ten noordoosten van het plangebied is bestemd voor detailhandel, wat aangeeft dat het binnen het plangebied mogelijk zou worden toegestaan. Voor detailhandel is het niet direct zeker of sprake is van een financieel levensvatbare situatie indien daar een nieuw bedrijf wordt gestart. De bereikbaarheid over het relatief smalle Schouteneinde is daarbij niet optimaal. Tevens is de kans aanwezig dat detailhandel zorgt voor een hoger groepsrisico dan de beoogde invulling van het plangebied. Van bovenstaande alternatieve invullingen is alleen met zekerheid sprake van een lager groepsrisico indien er bedrijvigheid zal worden gerealiseerd in het plangebied. Gezien de omgeving met overwegend woonbebouwing is dit echter niet wenselijk. 4.3. Mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst De leiding wordt door de exploitant Gasunie op regelmatige basis geïnspecteerd en is voorzien van preventieve coating. Daarnaast is de leiding ondergronds gelegd. Grondroering vindt niet plaats zonder toestemming vooraf.
Bij eventueel transport van andere gassen dan aardgas zal in principe een herbeoordeling van het externe veiligheidsrisico worden uitgevoerd door Gasunie. Daarnaast is op de planlocatie gekozen voor grondgebonden woningen. Ten opzichte van bijvoorbeeld een flat zorgt dit voor een zo klein mogelijk groepsrisico binnen de functie ‘wonen’. 4.4. Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van een ramp Bij een lek in de gasleiding kan het aardgas verstikkend werken doordat het de zuurstof in de lucht kan verdringen. Vanwege de geurstof die aan het reukloze aardgas wordt toegevoegd is het lekken van gas te ruiken voordat er een explosiegevaarlijk mengsel van lucht en aardgas ontstaat. Mocht er een lek ontstaan, dan dienen ramen en deuren van de woningen gesloten te kunnen worden en ventilatie uitgeschakeld te kunnen worden. Verder dienen de woningen afdoende luchtdicht en tochtdicht te worden uitgevoerd. Bij het ontwerp van de woningen dient hier rekening mee te worden gehouden. Zodra het gas geroken wordt dienen de hulpdiensten te worden ingeschakeld om de gastoevoer naar de gasleiding af te sluiten en de lekkage te verhelpen. In het geval van een fakkelbrand geldt voor de buisleiding die nabij het plangebied loopt (12 inch, 40 bar) dat binnen 70 meter van de fakkelbrand sprake is van ontbranding van een gebouw, de zogenaamde ‘house burning distance’2.
In dat geval is het advies om uit het gebouw, weg van de fakkelbrand te vluchten. Op meer dan 70 meter afstand is het schuilen in een woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Voor deze specifieke gasleiding zijn effecten tot en met 210 meter vanaf de fakkelbrand te verwachten (overlijden, licht- of zwaargewond raken) indien een 2 AVIV. Rapport Maatregelen binnen aandachtsgebied hogedruk aardgastransportleidingen, d.d. 8 november 2019, project
183765
Adromi B.V.
M202140
Pagina 7 van 9
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
persoon zich onbeschermd in de open lucht bevindt3. Zodra een persoon zich op meer dan 210 meter van de fakkelbrand bevindt, is deze persoon in veiligheid. Om de ontbranding van een gebouw te vertragen kunnen bouwkundige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de woningen minder snel ontbranden. Maatregelen waaraan kan worden gedacht is het toepassen van brandwerend metselwerk, gebruik maken van minerale wolisolatie, toepassen van brand- en hittewerende beglazing, gebruik maken van houten en stalen kozijnen en gebruik maken van dakpannen. Daarnaast kan worden gedacht aan maatregelen die de zelfredzaamheid van personen bevorderen, om zo goed mogelijk te zijn voorbereid op en calamiteit. De gemeente dient met de bewoners te communiceren over de externe veiligheidsrisico’s en wat te doen in geval van een calamiteit. Hierbij kan bijvoorbeeld worden aangeven waar een veilige verzamelplaats is in geval van een fakkelbrand. Verder moeten vluchtwegen zoveel mogelijk aan de schaduwzijde van de woningen worden geplaatst. Denk hierbij aan deuren of aan ramen die ver genoeg open kunnen zodat een persoon hierdoor naar buiten kan. Op deze manier beschermt de woning tegen warmtestraling tijdens het vluchten. 4.5.
Mogelijkheden van personen om zichzelf in veiligheid te brengen De woningen binnen het plangebied zijn niet bedoeld voor een specifieke doelgroep die per definitie niet zelfredzaam is, zoals personen die minder valide zijn. De bewoners van de woningen worden als voldoende zelfredzaam beschouwd. Eventuele kinderen die de leeftijd hebben dat ze niet in staat zijn zelf te vluchten, zullen nooit zonder een zelfredzame persoon in het huis zijn. De kinderen kunnen zodoende worden geholpen met vluchten. Omdat bij een fakkelbrand zeer duidelijk is waar deze plaatsvindt, is het eenvoudig om van de bron af te vluchten.
5.
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijke beleid is vastgesteld in de ‘Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeenten Hoeksche Waard’ (d.d. 10 augustus 2016). In het beleid wordt aangegeven dat in nieuwe situaties het groepsrisico in het invloedsgebied zo laag mogelijk gehouden dient te worden. Deze dient minimaal onder de oriëntatiewaarde te blijven. Het streven is echter dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Daarnaast is de gemeente ingedeeld is 3 gebiedstypes, risicoluw, risico-intensief en een gemengd gebied (overgangsgebied tussen risicoluw en risico-intensief). Risicoluw gebied is een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid dat voornamelijk woongebieden en dorpscentra betreft. In risico-intensieve gebieden ligt het accent op bedrijvigheid. Het plangebied ligt in een risicoluw gebied. In een risicoluw gebied zijn in de nabijheid van risicobronnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan, mits het planontwerp wordt geoptimaliseerd (mogelijkheden voor beheersbaarheid van calamiteiten, zelfredzaamheid van de burgers).
3
Scenarioboek Externe Veiligheid, Hoge druk aardgasleiding – Fakkelbrand. https://www.scenarioboekev.nl/hoge-drukaardgasleiding-fakkelbrand/. Bezocht op 13-10-2021
Adromi B.V.
M202140
Pagina 8 van 9
Handreiking voor verantwoording groepsrisico
Met betrekking tot het plaatsgebonden risico is het in een risicoluw gebied niet toegestaan dat kwetsbare objecten in nieuwe situaties binnen de PR 10-6-contour zijn gelegen en dat in bestaande situaties de risico’s voor beperkt kwetsbare objecten liggend binnen de PR 10-6-contour zoveel als mogelijk worden beperkt. Het ambitieniveau voor het gebiedstype risicoluw met betrekking tot het groepsrisico is dat een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt geaccepteerd en dat per definitie een toename van het groepsrisico niet wordt geaccepteerd. De externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een PR 10-6-contour. Daarnaast is het effect op het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding onderzocht. Als gevolg van het plan neemt het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding niet toe en wordt evenmin de oriëntatiewaarde overschreden. Er is wel sprake van een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde, gezien deze 0,284 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Dit is echter het gevolg van de al bestaande bebouwing, en niet het gevolg van de beoogde ontwikkeling.
6.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zullen bewoners van de huizen binnen het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s. Deze risico’s zullen worden verminderd door het treffen van bouwtechnische maatregelen: − Mogelijkheid tot sluiten van ramen en deuren en afsluiten van de ventilatie; − Afdoende luchtdichtheid/tochtdichtheid. Daarnaast kunnen andere maatregelen worden overwogen zoals het toepassen van brandwerend metselwerk, gebruik maken van minerale wolisolatie, toepassen van brand- en hittewerende beglazing, gebruik maken van houten en stalen kozijnen en gebruik maken van dakpannen. Verder moet de gemeente zorgen voor afdoende communicatie over de externe veiligheidsrisico’s en moet met de bouw van de woningen rekening worden gehouden dat van de calamiteit af gevlucht kan worden. Tot slot worden er vanuit de exploitant van de buisleiding zowel preventieve maatregelen en monitoring toegepast op de buisleiding. Deze maatregelen dragen bij aan het verminderen van de gevolgen van een eventuele calamiteit. Op basis van de genoemde maatregelen kan de realisatie van de woningen als planologisch verantwoord worden beoordeeld.
Adromi B.V.
M202140
Pagina 9 van 9