CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

20110084 Rapportage IVO Heinenoord Blaaksedijk 55

Besluitvormende raad 14 juni 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Blaaksedijk Oost 55 Heinenoord6.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transect-rapport 3258 Heinenoord, Blaaksedijk Oost 55 Gemeente Hoeksche Waard (ZH) Een Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase)

Auteur

J. (Jurgen) Rap MA

Versie

Versie 1.1

Projectcode

20110084

Datum

25-02-2021

Opdrachtgever

J.A. van der Hoek Holding b.v. Blaaksedijk Oost 55 3274 LC Heinenoord

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

4952513100

Bevoegde overheid

Gemeente Hoeksche Waard

Status

Nog te beoordelen door de bevoegde overheid

Beheer documentatie

Transect b.v., Nieuwegein

Voorblad

Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (23-02-2021)

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior prospector

Datum

Paraaf

03-03-2021

ISSN: 2211-7067

© Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van J.A. van der Hoek Holding b.v. heeft Transect b.v. in februari 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Blaaksedijk Oost 55 in Heinenoord (gemeente Hoeksche Waard). De aanleiding voor het onderzoek werd gevormd door de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van twee woningen en bijgebouwen, waarvoor de ondergrond over een oppervlakte van circa 230 m² geroerd zal worden tot een nog onbekende diepte. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader van deze bestemmingsplanwijziging is het noodzakelijk de archeologische verwachting van het plangebied te bepalen. In het plangebied heeft in een eerder stadium een bureauonderzoek plaatsgevonden (VerboomJansen, 2018; onderzoeksmelding 4635714100). Op grond van dit onderzoek bestond een verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Daarom is een booronderzoek voorgesteld om meer inzicht te krijgen in de bodemopbouw, de mate van intactheid ervan en de daadwerkelijke aanwezigheid van resten in het plangebied. Op basis hiervan is een inschatting te maken van de archeologische potentie van het gebied. Onderhavig rapport beschrijft de resultaten van dit onderzoek en probeert antwoord te geven op de volgende vragen: • • • •

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de verwachting op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied bij te stellen. •

•

Vanaf maaiveld is sprake van een aantal ophooglagen die waarschijnlijk zijn aangelegd vanaf de Midden-Nieuwe tijd en hoogstwaarschijnlijk te relateren zijn aan het erf dat op de kadastrale Minuut te zien is, of eventuele voorgangers van dit erf. Ter plaatse van het veronderstelde wiel verschillen de ophooglagen niet wezenlijk van karakter ten opzichte van elders in het plangebied en het ontbreekt hier aan zaken als plastic en modern bouwpuin in de ophooglagen. Daarom is in het hele plangebied tot een diepte van 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP) sprake van een middelhoge (wiel) tot hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf de Midden-Nieuwe tijd (bijlage 2). De aangetroffen ophooglagen zijn aangebracht op geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (voormalig Duinkerke-transgressies), die op hun beurt hebben gezorgd voor een erosie van het onderliggende Hollandveen-Laagpakket en de oorspronkelijke veroorzaker van het wiel zullen zijn geweest. Ter plaatse van twee van de boringen is nog sprake van intact veen, waarin echter geen veraarde niveaus zijn aangetroffen. Daarom is sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen.

De vooraf verwachte oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel zijn niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek, deze lagen buiten het boorbereik van 400 cm -Mv (2,7-5,1 m -NAP). Het is echter niet uit te sluiten dat dergelijke oeverafzettingen nog op grotere diepte aanwezig zijn. Ze vallen

door hun diepteligging echter wel buiten het bereik van de voorgenomen werkzaamheden (heipalen uitgezonderd). Advies Op basis van het veldonderzoek behoudt het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten tot een diepte van 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP). Deze resten kunnen in het gehele plangebied worden aangetroffen, waarbij de nadruk naar verwachting op het oostelijk deel van het plangebied ligt. Bij de voorgenomen ingrepen, de bouw van woningen met een oppervlakte van circa 230 m², zullen de historische ophooglagen aangetast worden, waardoor ook eventuele archeologische resten verstoord kunnen raken. Daarom adviseren wij tot het uitvoeren van karterend en waarderend onderzoek naar de aanwezigheid en aard van eventuele resten. Dit kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), dat moet worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). In overeenstemming met het eerdere advies van Verboom-Jansen (2018) adviseren wij geen nader onderzoek ten behoeve van het aanbrengen van de heipalen. Hoewel mogelijk nog oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel in de ondergrond aanwezig zijn, zijn heipalen archeologievriendelijk aan te brengen conform de hiertoe bestemde handreiking (Roorda et al, 2016) Bovenstaande vormt een advies.

Op grond van de resultaten van het rapport zal de bevoegd overheid (de gemeente Hoeksche Waard) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1. Aanleiding

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3. Afbakening van het plangebied

3

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

5

5. Beleidskader

6

6. Achtergrondinformatie en archeologisch verwachtingsmodel

7

7. Werkwijze

9

8. Resultaten veldonderzoek

10

9. Beantwoording onderzoeksvragen

12

10. Conclusie en Advies

14

11. Geraadpleegde bronnen

15

Bijlage 1: Boorpuntenkaart

16

Bijlage 2: Foto’s van de boringen

18

Bijlage 3: Boorbeschrijvingen

19

1. Aanleiding In opdracht van J.A. van der Hoek Holding b.v. heeft Transect b.v. in februari 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Blaaksedijk Oost 55 in Heinenoord (gemeente Hoeksche Waard). De aanleiding voor het onderzoek werd gevormd door de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van twee woningen en bijgebouwen, waarvoor de ondergrond over een oppervlakte van circa 230 m² geroerd zal worden tot een nog onbekende diepte. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader van deze bestemmingsplanwijziging is het noodzakelijk de archeologische verwachting van het plangebied te bepalen. Vanuit het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Binnenmaas (2013)’ heeft het plangebied een archeologische waarde (‘dubbelbestemming waarde-archeologische verwachting hoog 1’). Gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen kan deze archeologische waarde met de geplande ingrepen worden aangetast. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied. In dit rapport worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven op basis waarvan de gemeente een selectiebesluit kan nemen.

In het plangebied heeft in een eerder stadium een bureauonderzoek plaatsgevonden (VerboomJansen, 2018; onderzoeksmelding 4635714100). Op grond van dit onderzoek bestond een verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Daarom is een booronderzoek voorgesteld om meer inzicht te krijgen in de bodemopbouw, de mate van intactheid ervan en de daadwerkelijke aanwezigheid van resten in het plangebied. Op basis hiervan is een inschatting te maken van de archeologische potentie van het gebied. Onderhavig rapport beschrijft de resultaten van dit onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Rap, 2021).

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de archeologische verwachting, zoals die door Verboom-Jansen (2018) is opgesteld. Het Inventariserend Veldonderzoek omvat hier een verkennende fase. Tijdens de verkennende fase worden de bodemopbouw, bodemintactheid en bodemreliëf in kaart gebracht. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: •

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen?

•

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het Inventariserend Veldonderzoek is een rapport met een conclusie omtrent de mogelijke aan- of afwezigheid van archeologische waarden in het plangebied en het risico dat deze worden verstoord als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen. Op basis van het rapport kan de bevoegde overheid een beslissing nemen in het kader van de planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden.

2

3. Afbakening van het plangebied Plaats

Heinenoord

Toponiem

Blaaksedijk Oost 55

Gemeente

Hoeksche Waard

Provincie

Zuid-Holland

Kaartblad

37H

Perceelnummer(s)

HNO02-H-1101 en H-1111 (beide gedeeltelijk)

Centrumcoördinaat

94.599 / 425.320

Oppervlakte plangebied

Circa 3780 m2

Het plangebied bevindt zich aan de Blaaksedijk Oost 55 in Heinenoord (gemeente Binnenmaas). Het plangebied maakt deel uit van de kadastrale percelen HNO02-H-1101 en H-1111. De west- en noordgrens van het plangebied worden gevormd door de Blaaksedijk Oost. De oostgrens is de kadastrale grens met het aangrenzende perceel. De zuidelijke grens van het plangebied is niet gecorreleerd aan kadastrale grenzen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt ongeveer 3780 m 2. Het plangebied is deels in gebruik als plantsoen, groenstrook en deels verhard.

3

Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron topografische kaart: www.pdok.nl.

4

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Planvorming

Nieuwbouw woningen

Aard bodemverstoringen

Graafwerkzaamheden

Verstoringsoppervlakte

Ongeveer 230 m2

Verstoringsdiepte

Onbekende funderingen, heipalen tot circa 17,5 m -Mv

Binnen het plangebied zullen twee woningen met twee bijgebouwen worden gerealiseerd (figuur 3). De totale oppervlakte van beide woningen samen is ongeveer 170 m 2. De bijgebouwen beslaan samen ongeveer 65 m2, waarmee het totale te verstoringen oppervlak door bebouwing op ongeveer 230 m2 uit komt. Hoe diep de bodem ontgraven wordt voor de gebouwen is in het huidige stadium van de plannen nog niet bekend. Wel is zeker dat de woningen niet onderkelderd worden. Voor de woningen worden heipalen geslagen, die ongeveer 17,5 m lang zijn (schriftelijke communicatie R3 Advies). Verder zal een oprit worden gerealiseerd en zullen kabels en leidingen worden aangelegd. Hoe diep de bodem hiervoor ontgraven wordt is vooralsnog niet bekend.

Figuur 2. Inrichtingsschets van het plangebied (rood omlijnd). Bron: R3 Advies.

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Beleidskaart archeologie voormalige gemeente Haren

Onderzoeksgrens

Groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2022 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Hoeksche Waard inzake het plangebied is verwoord in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas (2013)’. Het is gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Binnenmaas. Op deze kaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Het plangebied ligt op de gemeentelijke verwachtingskaart in een zone met een hoge archeologische verwachting.

In het bestemmingsplan is dit vertaald naar een dubbelbestemming ‘waarde-archeologische verwachting hoog 1.’ Dit betekent dat bouwwerken die kleiner zijn dan 100 m2 worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Omdat met de voorgenomen werkzaamheden deze vrijstellingsgrens wordt overschreden, is archeologisch onderzoek in het kader van de onderbouwing van de bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.

6

6. Achtergrondinformatie en archeologisch verwachtingsmodel In het plangebied is reeds een bureauonderzoek uitgevoerd (Verboom-Jansen, 2018; onderzoeksmelding 4635714100). Hieruit vloeit voort dat het plangebied zowel een hoge als een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten heeft. Hieronder is de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied uit het bureauonderzoek weergegeven. Archeologische verwachting Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge en een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen uit de periode Neolithicum- Vroege-Middeleeuwen. Voor wat betreft de periode Neolithicum is de archeologische verwachting gebaseerd op het voorkomen van de Gorkum-Arkel stroomrug in de ondergrond van het plangebied. Direct ten zuiden van het plangebied is deze niet aangetroffen, maar gezien het AHN zou deze wel in het plangebied aanwezig kunnen zijn. In de top van het veen kunnen archeologische waarden uit de periode Bronstijd-Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn. In de omgeving zijn hier vondsten uit de periode Bronstijd-Romeinse Tijd en Middeleeuwen-Nieuwe Tijd bekend. Op historisch kaartmateriaal is een schuur en een erf in het plangebied aanwezig (figuur 3). Het woonhuis zelf lag echter buiten het plangebied.

Bebouwing uit 1811-1832 is vaak indicatief voor oudere bebouwing, dus mogelijk zijn op het erf nog oudere sporen van landgebruik aanwezig. Oudere bewoningssporen worden echter niet verwacht. Stratigrafische positie • Vondsten en/of sporen uit het Neolithicum worden verwacht in de top van de oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel. Op basis van onderzoeken in de omgeving wordt de top tussen -3,1 en -4,5 m NAP verwacht (2 tot 4 m -Mv). • Vondsten en/of sporen uit de periode Bronstijd-Vroege-Middeleeuwen worden in de top van het veen verwacht. Op basis van onderzoeken in de omgeving wordt de top tussen -2 en -3,2 m NAP verwacht (1 tot 3 m -Mv). Complextypen en aanwezigheid • Eventuele prehistorische vindplaatsen in de top van het Gorkum-Arkel systeem bestaan in de meeste gevallen uit concentraties van vuurstenen artefacten, bewerkt en gebruikt natuursteen (onder andere kookstenen, klop- en percussiestenen), al dan niet verbrand bot (in de meeste gevallen gecalcineerd bot) en houtskool. Vaak komen binnen dergelijke vindplaatsen haardkuilen en andersoortige grondsporen voor, zoals grafkuilen en vanaf het Neolithicum ook paalkuilen. Verder kunnen op Neolithische vindplaatsen ook aardewerk, maal- en slijpstenen en grafvelden worden verwacht. Vindplaatsen uit deze periodes kunnen een oppervlakte beslaan van enkele tientallen tot honderden vierkante meters.

• Het archeologische niveau uit de periode Bronstijd-Vroege Middeleeuwen kenmerkt zich doorgaans door het voorkomen van een cultuurlaag dan wel de aanwezigheid van een veraarde veenlaag. De veraarding van het veen kan het gevolg zijn van de lokale ontwatering van veen, waardoor plekken droog vielen en bewoonbaar werden. In de nederzettingslaag kan aardewerk, houtskool, bot en puin aanwezig zijn. Vindplaatsen uit deze periode beslaan over het algemeen een oppervlakte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters. • Uit de Nieuwe Tijd en mogelijk uit de Late-Middeleeuwen kunnen grondsporen aanwezig zijn die gerelateerd zijn aan het gebruik als erf, zoals waterputten, beerputten en sporen van nijverheid. Of de bestaande schuur op de funderingen van een oudere schuur stat is niet bekend. Ook kunnen vondst- of cultuurlagen aanwezig zijn met baksteen, aardewerk en bot. Deze kunnen

7

direct onder de huidige bouwvoor aanwezig zijn en een oppervlakte beslaan van enkele honderden tot duizenden vierkante meters. Bovenstaande archeologische verwachting is sterk afhankelijk van de mate van intactheid van het bodemprofiel. In het westen van het plangebied heeft een wiel gelegen. Hier zijn eventuele archeologische waarden waarschijnlijk reeds verdwenen en kan de verwachting vermoedelijk worden bijgesteld naar laag. In het oosten van het plangebied zijn geen aanwijzingen voor vergravingen of bodemverstoringen. Hier blijft de archeologische verwachting vooralsnog dan ook hoog. Het is echter wel mogelijk dat met de overstroming waarbij het wiel is ontstaan de top van het veen geërodeerd. In hoeverre dit binnen het plangebied het geval is, is vooralsnog niet bekend. Er is geadviseerd om het vervolgonderzoek te beperken tot die zone van het plangebied waar sprake is van een hoge verwachting. De bevoegde overheid en haar adviseurs hebben echter besloten dat in het gehele plangebied een verkennend onderzoek dient te worden uitgevoerd, zodat ook de aanwezigheid van het wiel en eventuele verstoringen hierdoor veroorzaakt worden aangetoond. Onderhavig onderzoek geeft invulling aan dit besluit.

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl.; Verboom-Jansen, 2018 8

7. Werkwijze Methode

Verkennend booronderzoek

Aantal boringen

7 boringen

Techniek

Edelmanboor (7 cm) en guts (3 cm)

Boordiepte

Maximaal 400 cm -Mv

Dataverwerking

Conform NEN5104

In het plangebied is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied zeven boringen gezet ter plaatse van zowel de zones met een hoge als een lage verwachting (boring 1-7). De boorpuntenkaart is opgenomen in bijlage 1. De boringen hebben een maximale diepte van 400 cm -Mv. De boringen zijn gezet met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Onder het grondwater is gebruik gemaakt van een guts met een diameter van 3 cm. De boringen zijn gefotografeerd en beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). De foto’s van de boringen zijn terug te vinden in bijlage 3, de beschrijvingen in bijlage 4. De locatie van de boringen is bepaald met een meetlint aan de hand van de lokale topografie. De hoogteligging is bepaald door middel van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Daarbij is aan de hand van de actuele situatie ten velde afgeweken van het vooraf ingediende Plan van Aanpak (Rap, 2021). De vastgestelde locatie van de boringen is opgenomen in bijlage 1.

9

8. Resultaten veldonderzoek Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het noordwestelijk deel van het plangebied ingericht als werkterrein voor rioleringswerkzaamheden en is als zodanig niet geschikt voor booronderzoek. In het centrale en oostelijke deel van het plangebied is veelal sprake van verharding door middel van asfalt en betonplaten. De boringen zijn daardoor uitgevoerd in groenstroken en direct buiten de bestaande bestrating. Ter plaatse van boring 7 is vanaf maaiveld sprake van een laag met opgebracht puin ter stabilisatie van het terrein, waardoor de ondergrond ondoordringbaar is. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn opgenomen in figuur 4.

Figuur 4. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 23-02-2021. Links een zicht richting het oosten vanaf boorpunt 2, rechts een zicht richting het zuiden op de locatie van boorpunt 5. Fotograaf: J. Rap

Bodemopbouw en lithologie Vanaf maaiveld is in het hele plangebied sprake van zwak tot sterk zandige bruingrijze en grijsbruine klei. Deze klei bevat ook brokken geelgrijs zand, donkerbruin veen en grijze siltige klei. Hierin zijn eveneens vanaf maaiveld brokken sterk kruimelend geel, rozerood, oranjerood en roze baksteenpuin aangetroffen (appelbloesempuin), tot een diepte van 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP). Dit betreffen waarschijnlijk ophooglagen uit de Nieuwe tijd. Er zijn geen ‘vaste’ puinlagen aangetroffen die een aanwijzing vormen voor funderingen. •

•

•

Ter plaatse van boringen 1 en 2 liggen deze ophooglagen op zwak siltig matig fijn zand, waarin ook dunne siltlaagjes en fijne schelpfragmenten aanwezig zijn. Tevens zijn veenbrokken aanwezig in dit gelaagde zand. Dit betreffen waarschijnlijk geulafzettingen, die zijn aangetroffen vanaf circa 150-170 cm -Mv (1,5 m -NAP). Er zijn geen oeverafzettingen aangetroffen. Door de ligging onder het grondwaterpeil lopen deze afzettingen uit de gutsboor op een diepte van 300-400 cm -Mv (3,0-3,8 m -NAP). Ter plaatse van boringen 3 en 4 is onder de ophooglagen eveneens sprake van matig fijn zwak siltig en kalkrijk zand, vanaf een diepte van 170-180 cm -Mv (1,1-1,3 m -NAP). Hierin zijn geen veenbrokken aanwezig, maar wel verspoelde plantenresten en schelpfragmenten. Gezien de ligging van deze afzettingen is hier waarschijnlijk het wiel aangeboord, maar het kunnen ook geulafzettingen betreffen. Deze afzettingen zijn aangetroffen tot een diepte van 350 cm -Mv (2,73,1 m -NAP). Ter plaatse van boringen 5 en 6 is vanaf de onderzijde van de ophooglagen sprake van twee lagen veen aangetroffen, waarbij de top mineraalarm is (vanaf 120-145 cm -Mv; 2,3-2,6 m -NAP) en de onderzijde zwak kleiig. Het veen is gecomprimeerd door de opliggende kleilagen. In het veen is sprake van grove stukken wortel en plantenresten, tot een diepte van 400 cm -Mv (5,1 m -NAP). 10

Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de ondergrond, anders dan het reeds beschreven puin. Deze types baksteen zijn geproduceerd gedurende de Midden Nieuwe tijd. Er zijn geen veraarde veenniveaus aangetroffen ter plaatse van het Hollandveen. Archeologische interpretatie Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek is de verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied te nuanceren. • In het noordelijk deel van het plangebied is geen veen aangetroffen binnen 2,7-3,8 m -NAP. Dit is waarschijnlijk het gevolg van erosie door de aangetroffen zandige geulafzettingen en het wiel, getuige ook de aanwezigheid van brokken plantenmateriaal in deze afzettingen. Deze afzettingen maken waarschijnlijk deel uit van het Laagpakket van Walcheren en vormen geulen en inbraken van middeleeuwse inbraken (voormalig Duinkerke-transgressies), die zijn aangetroffen tot een diepte van 3,0-3,8 m -NAP. • Ter plaatse van boringen 5 en 6 is nog wel sprake van een pakket veen vanaf een diepte van 120145 cm -Mv (2,3-2,6 m -NAP) tot een diepte van 400 cm -Mv (5,1 m -NAP), waarin echter geen sprake is van veraarde niveaus. Het veen is gecomprimeerd door de opliggende klei- en ophooglagen. Daarom is geen sprake van een intact archeologisch relevant niveau voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen.

• Er zijn geen oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel aangetroffen binnen de boordiepte van 2,7-5,1 m -NAP. Mogelijk zijn deze afzettingen nog wel op grotere diepte aanwezig in de ondergrond, maar deze zijn door het uitstromen van het zand uit de guts niet bereikbaar geweest tijdens het onderzoek. De verwachting op het aantreffen van resten uit het Neolithicum is daarmee ongetoetst gebleven. • Op de geulafzettingen en veenlagen is sprake van humeuze en puinhoudende zandige kleilagen, die zijn geïnterpreteerd als ophooglagen. Op basis van het aangetroffen puin zijn deze ophooglagen waarschijnlijk aangebracht vanaf de Midden-Nieuwe tijd. Deze lagen vormen een intact archeologisch relevant niveau, er zijn immers maar zeer beperkt “moderne” indicatoren aangetroffen in de top van de ophooglagen. Daarmee is vastgesteld dat tot een diepte van circa 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP) nog sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de Nieuwe tijd. • Ter plaatse van het veronderstelde wiel (boringen 3 en4) verschillen de aangetroffen ophooglagen op basis van hun uiterlijk niet wezenlijk van de ophooglagen elders in het plangebied. Ook zijn hier geen grote hoeveelheden plastic aangetroffen, zoals kan worden verwacht bij dempingen uit de tweede helft van de 20e eeuw.

De exacte aard van de ophooglagen is daarom vooralsnog duidelijk, mogelijk is gebruik gemaakt van lokaal aanwezig materiaal.

11

9. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt ter plaatse van een inbraakgeul die zich ingesneden heeft in het HollandveenLaagpakket. Hierop zijn vanaf de Nieuwe tijd ophooglagen aangebracht.

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In het bureauonderzoek waren eventuele oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel aangemerkt als het archeologisch relevante niveau voor het Neolithicum. De veraarde top van het Hollandveen Laagpakket zou aan te merken kunnen zijn als een archeologisch relevant niveau voor de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen. De aanwezige ophooglagen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd vormen, wanneer intact, eveneens een archeologisch relevant niveau. Tijdens het veldonderzoek zijn geen oeverafzettingen of een veraarde veentop aangetroffen. Wel is vanaf maaiveld tot een diepte van circa 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP) sprake van ophooglagen uit de Midden Nieuwe tijd.

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Tijdens het veldonderzoek zijn geen oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel aangetroffen, aangezien deze buiten het bereik van de boringen liggen. In slechts twee van de boringen is Hollandveen aangetroffen, in de top hiervan is geen sprake van veraarde niveaus. Het veen is waarschijnlijk geërodeerd door de aangetroffen afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke-geul). De aangetroffen ophooglagen zijn nog wel intact.

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten te nuanceren. • Vanaf maaiveld is een aantal ophooglagen aangetroffen, die op basis van het aangetroffen puin waarschijnlijk uit de Midden Nieuwe tijd stammen. Er zijn geen lagen oud vast puin of baksteen aangetroffen, die wijzen op historische funderingen. Dit kan echter het gevolg zijn van de gehanteerde boorstrategie, waarbij door terreinomstandigheden nauwelijks ter plaatse van voormalige bebouwing geboord is. Daarom is vooralsnog sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf de Midden Nieuwe tijd ter plaatse van boringen 1, 2, 5 en 6. Deze resten zijn aan te treffen vanaf maaiveld tot een diepte van circa 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP). • Ter plaatse van het veronderstelde wiel is geen wezenlijk verschil in de opbouw van de ophooglagen vast te stellen ten opzichte van het overige deel van het terrein. Ook is geen sprake van plastic, hetgeen een aanwijzing vormt voor moderne verstoringen. De verwachting op het aantreffen van resten ter plaatse van het wiel is daarom nog als middelhoog te handhaven, aangezien hier wel allerlei resten van landgebruik en terreininrichting kunnen worden aangetroffen.

• De ophooglagen bevinden zich ofwel op zandige geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (voormalige Duinkerke-transgressies) die hebben gezorgd voor een erosie van het onderliggende veenpakket (boringen 1-4) of op een laag intact onveraard Hollandveen (boring 5-6). Daarmee is geen sprake van een intact archeologisch relevant niveau voor de 12

•

periode Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen en is een lage verwachting voor deze periodes vast te stellen. Door de activiteit van de aangetroffen geul is aan de westzijde van het plangebied een wiel ontstaan. De aanwezigheid van eventuele oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel is niet vastgesteld. Deze bevinden zich buiten het bereik van de uitgevoerde boringen. De verwachting voor deze periode moet daarom nog gehandhaafd worden vanaf een diepte van meer dan 2,7-5,1 m NAP.

13

10. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de verwachting op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied te nuanceren. •

•

Vanaf maaiveld is sprake van een aantal ophooglagen die waarschijnlijk zijn aangelegd vanaf de Midden-Nieuwe tijd en hoogstwaarschijnlijk te relateren zijn aan het erf dat op de kadastrale Minuut te zien is, of eventuele voorgangers van dit erf. Ter plaatse van het veronderstelde wiel verschillen de ophooglagen niet wezenlijk van karakter ten opzichte van elders in het plangebied en het ontbreekt hier aan zaken als plastic en modern bouwpuin in de ophooglagen. Daarom is in het hele plangebied tot een diepte van 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP) sprake van een middelhoge (wiel) tot hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf de Midden-Nieuwe tijd (bijlage 2). De aangetroffen ophooglagen zijn aangebracht op geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (voormalig Duinkerke-transgressies), die op hun beurt hebben gezorgd voor een erosie van het onderliggende Hollandveen-Laagpakket en de oorspronkelijke veroorzaker van het wiel zullen zijn geweest. Ter plaatse van twee van de boringen is nog sprake van intact veen, waarin echter geen veraarde niveaus zijn aangetroffen. Daarom is sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen.

De vooraf verwachte oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel zijn niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek, deze lagen buiten het boorbereik van 400 cm -Mv (2,7-5,1 m -NAP). Het is echter niet uit te sluiten dat dergelijke oeverafzettingen nog op grotere diepte aanwezig zijn. Ze vallen door hun diepteligging echter wel buiten het bereik van de voorgenomen werkzaamheden (heipalen uitgezonderd).

Advies Op basis van het veldonderzoek behoudt het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten tot een diepte van 120-180 cm -Mv (1,1-2,6 m -NAP). Deze resten kunnen in het gehele plangebied worden aangetroffen, waarbij de nadruk naar verwachting op het oostelijk deel van het plangebied ligt. Bij de voorgenomen ingrepen, de bouw van woningen met een oppervlakte van circa 230 m², zullen de historische ophooglagen aangetast worden, waardoor ook eventuele archeologische resten verstoord kunnen raken. Daarom adviseren wij tot het uitvoeren van karterend en waarderend onderzoek naar de aanwezigheid en aard van eventuele resten. Dit kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), dat moet worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). In overeenstemming met het eerdere advies van Verboom-Jansen (2018) adviseren wij geen nader onderzoek ten behoeve van het aanbrengen van de heipalen. Hoewel mogelijk nog oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel in de ondergrond aanwezig zijn, zijn heipalen archeologievriendelijk aan te brengen conform de hiertoe bestemde handreiking (Roorda et al, 2016) Bovenstaande vormt een advies.

Op grond van de resultaten van het rapport zal de bevoegd overheid (de gemeente Hoeksche Waard) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. .

14

11. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ruimtelijkeplannen.nl • Beleidskaart Archeologie gemeente Binnenmaas. Literatuur • Rap, J., 2021. Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek Blaaksedijk Oost 55, Heinenoord, Intern document. • Roorda, I., J. Stöver en R. Kroes, 2016, Handreiking Archeologievriendelijk bouwen, Amersfoort (RCE-publicatie) • Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen en M. Verbruggen, 2012, Leidraad Inventariserend Veldonderzoek; Deel karterend booronderzoek, Gouda (SIKB-Leidraad 2.0) • Verboom-Jansen, M., 2018, Heinenoord, Blaaksedijk Oost 55. Gemeente Binnenmaas (ZH). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO), Nieuwegein

15

Bijlage 1: Boorpuntenkaart

16

Bijlage 2: Verwachtingskaart

17

Bijlage 3: Foto’s van de boringen Relevante foto’s van representatieve boringen in het plangebied. Boorkernen van de Edelmanboor zijn uitgelegd per blok van 50 cm -Mv, waarbij het diepste punt van de kern naar boven wijst. De guts ligt met het diepste deel aan de rechterzijde.

Boring 1: 0-300 cm -Mv

Boring 3: 0-300 cm -Mv

Boring 5: 0-300 cm -Mv

18

Bijlage 4: Boorbeschrijvingen

19

boring: 21184-1 beschrijver: JR, datum: 23-2-2021, X: 94.598,00, Y: 425.310,00, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 37H, hoogte: 0,02, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Hoeksche Waard, plaatsnaam: Heinenoord, opdrachtgever: R3 Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 0,02 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkergrijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: moderne bouwvoor, slap, cement, plastic

15 cm -Mv / 0,13 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: matig stevig, appelbloesempuin

50 cm -Mv / 0,48 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, grijsbruin, kalkrijk Opmerking: matig stevig, sterk vergaan roodroze appelbloesempuin, dijkophoog?

130 cm -Mv / 1,28 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, zwak humeus, bruingrijs, kalkrijk Opmerking: matig stevig, geen puin, humeuze laag

150 cm -Mv / 1,48 m -NAP Lithologie: zand, zwak siltig, donkergrijs, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zand met siltige laagjes, geulvulling, veenbrok op 230 en op 260, loopt uit boor door GW

Einde boring op 300 cm -Mv / 2,98 m -NAP

1

boring: 21184-2 beschrijver: JR, datum: 23-2-2021, X: 94.577,00, Y: 425.320,00, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 37H, hoogte: 0,21, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Hoeksche Waard, plaatsnaam: Heinenoord, opdrachtgever: R3 Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 0,21 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkergrijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: moderne bouwvoor, slap, cement, plastic

25 cm -Mv / 0,04 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: matig stevig, appelbloesempuin

70 cm -Mv / 0,49 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, grijsbruin, kalkrijk Opmerking: matig stevig, sterk vergaan roodroze appelbloesempuin, dijkophoog?

125 cm -Mv / 1,04 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, zwak humeus, bruingrijs, kalkrijk Opmerking: matig stevig, geen puin, humeuze laag

170 cm -Mv / 1,49 m -NAP Lithologie: zand, zwak siltig, donkergrijs, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zand met siltige laagjes, geulvulling, veenbrok op 335 en 370, loopt uit boor door GW

Einde boring op 400 cm -Mv / 3,79 m -NAP

2

boring: 21184-3 beschrijver: JR, datum: 23-2-2021, X: 94.560,00, Y: 425.329,00, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 37H, hoogte: 0,41, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Hoeksche Waard, plaatsnaam: Heinenoord, opdrachtgever: R3 Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 0,41 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkloos Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: deklaag dijk, cement, plastic

20 cm -Mv / 0,21 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkergrijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: roze/oranje puin

50 cm -Mv / 0,09 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkrijk Opmerking: matig stevig, geel puin, kalkmortel

90 cm -Mv / 0,49 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, bruingrijs, kalkrijk Opmerking: zwak gelaagde Kz/Ks afwisseling, wiel?

170 cm -Mv / 1,29 m -NAP Lithologie: zand, sterk siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: lichte zand/kleibrok

190 cm -Mv / 1,49 m -NAP Lithologie: zand, zwak siltig, donkergrijs, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zand met siltige laagjes, geulvulling/wiel?, loopt uit boor door GW

Einde boring op 350 cm -Mv / 3,09 m -NAP

3

boring: 21184-4 beschrijver: JR, datum: 23-2-2021, X: 94.547,00, Y: 425.341,00, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 37H, hoogte: 0,76, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Hoeksche Waard, plaatsnaam: Heinenoord, opdrachtgever: R3 Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 0,76 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkloos Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: deklaag dijk, cement, plastic

40 cm -Mv / 0,36 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkergrijsbruin, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: roze/oranje puin

90 cm -Mv / 0,14 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkrijk Opmerking: geel puin, brokjes rood/oranje, kalkmortel

110 cm -Mv / 0,34 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, bruingrijs, kalkrijk Opmerking: zwak gelaagde Kz/Ks afwisseling, wiel?

180 cm -Mv / 1,04 m -NAP Lithologie: zand, sterk siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: lichte zand/kleibrok

210 cm -Mv / 1,34 m -NAP Lithologie: zand, zwak siltig, donkergrijs, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zand met siltige laagjes, geulvulling/wiel?, loopt uit boor door GW

Einde boring op 350 cm -Mv / 2,74 m -NAP

4

boring: 21184-5 beschrijver: JR, datum: 23-2-2021, X: 94.586,00, Y: 425.299,00, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 37H, hoogte: -1,11, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Hoeksche Waard, plaatsnaam: Heinenoord, opdrachtgever: R3 Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 1,11 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkloos Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: bont klei/zandlaag ophoging

60 cm -Mv / 1,71 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, bruingrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: ophooglagen, zwak puinhoudend

75 cm -Mv / 1,86 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, uiterst siltig, matig humeus, lichtbruingrijs, kalkrijk Opmerking: dunne laag zand, overspoeling?

90 cm -Mv / 2,01 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, zwak humeus, donkerbruin, kalkrijk Opmerking: gebrokt/gelaagd ophoog op het veen

120 cm -Mv / 2,31 m -NAP Lithologie: veen, mineraalarm, zwak humeus, roodbruin, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: grovere plantenresten, gecomprimeerd

250 cm -Mv / 3,61 m -NAP Lithologie: veen, zwak kleiig, roodbruin, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: slappe veen, zeer lichte minerale bijmenging, grove wortel, gecomprimeerd

Einde boring op 400 cm -Mv / 5,11 m -NAP

5

boring: 21184-6 beschrijver: JR, datum: 23-2-2021, X: 94.578,00, Y: 425.296,00, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 37H, hoogte: -1,12, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Hoeksche Waard, plaatsnaam: Heinenoord, opdrachtgever: R3 Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 1,12 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkloos Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: bont klei/zandlaag ophoging

40 cm -Mv / 1,52 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, bruingrijs, kalkrijk Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: ophooglagen, zwak puinhoudend

90 cm -Mv / 2,02 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, uiterst siltig, matig humeus, lichtbruingrijs, kalkrijk Opmerking: dunne laag zand, overspoeling?

95 cm -Mv / 2,07 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, zwak humeus, donkerbruin, kalkrijk Opmerking: gebrokt/gelaagd ophoog op het veen

145 cm -Mv / 2,57 m -NAP Lithologie: veen, mineraalarm, roodbruin, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: grovere plantenresten, gecomprimeerd

250 cm -Mv / 3,62 m -NAP Lithologie: veen, zwak kleiig, roodbruin, matig fijn, kalkrijk Bodemkundig: C-horizont Opmerking: slappe veen, zeer lichte minerale bijmenging, grove wortel, gecomprimeerd

Einde boring op 400 cm -Mv / 5,12 m -NAP

6

boring: 21184-7 beschrijver: JR, datum: 23-2-2021, X: 94.532,00, Y: 425.318,00, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 37H, hoogte: -1,16, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Hoeksche Waard, plaatsnaam: Heinenoord, opdrachtgever: R3 Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 1,16 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, kalkloos Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: repac, 3 keer gestaakt op max 50 cm

Einde boring op 40 cm -Mv / 1,56 m -NAP

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11530904/1