CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

190118 memo quickscan voor de ontwikkeling heinenoord

Besluitvormende raad 14 juni 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Blaaksedijk Oost 55 Heinenoord2.430 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo

memonummer datum aan van project projectnr. betreft

180118-018 14 maart 2019 He heer D. van Horssen Juridisch Planologisch Adviesbureau R3 S.J.M.P. Halters Buijs Eco Consult B.V. Ontwikkeling woningbouw aan de Blaaksedijk Oost 55 in Heinenoord 090118 Ecologische quickscan Wet natuurbescherming Blaaksedijk Oost 55 in Heinenoord

Ecologische veldcontrole (quickscan) Op 18 januari 2019 heeft een terreinbezoek plaatsgevonden op bovengenoemde locatie. De globale locatie van de werkzaamheden is opgenomen in figuur 1.

Figuur 1: Globale planlocatie (Bron: opdrachtgever)

Aanleiding en doel Er wordt beoogd om de bedrijfsactiviteiten te staken en het plangebied na sloop om te vormen naar een gebied met diverse woningen. (zie figuur 1). De huidige openbare ruimte (straat, bermen) blijft ongewijzigd. Omdat hier sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling dient de opdrachtgever op de hoogte te zijn van eventueel aanwezige natuurwaarden, danwel beschermde soorten flora en fauna in/nabij de planlocatie. In het kader van het aspect ‘ecologie’ van dit niet bestendig beheer/ruimtelijke ontwikkeling dient er een quickscan gedaan te worden om te bepalen of er mogelijk negatieve effecten voor aanwezige beschermde plant- en/of diersoorten in de (per 1-1-2017 van kracht geworden) Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen activiteiten ontstaan en vastleggen of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en welke voorwaarden hier eventueel voor gelden. De opdrachtgever heeft aan Buijs Eco Consult de opdracht gegeven om in dit kader een quickscan Wet natuurbescherming, onderdeel soortbescherming in het plangebied uit te voeren.

blad 1 van 14

Wettelijk kader Vanuit de Wet natuurbescherming is bij ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het doel van de Wet natuurbescherming is o.a. het in standhouden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer, stil te staan bij aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt. Voor een uitgebreide toelichting op de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 1. Voor vogels wordt voor niet bestendig beheer en ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing verleend in het kader van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden zijn hierdoor enkel mogelijk buiten de kwetsbare periode (buiten het broedseizoen) of indien geen sprake is van aanwezige vogelnesten. Bestaande situatie De planlocatie ligt ten noorden van de Oost Kinderdijk. Een overzichtsplaatje van de planlocatie is opgenomen in figuren 2 en 3. Hieruit blijkt eveneens dat de planlocatie niet in NNN-gebied en nabij Natura 2000 gebied gelegen is (en hier geen deel van uit maakt).

Figuur 2: Ligging plangebied in rode contour met in groen NNN-gebied (bron: kaarten Zuid Holland)

Figuur 3: Ligging plangebied in rode contour met groene arceringen Natura 2000 gebied Oude maas (bron: kaarten Zuid Holland)

blad 2 van 14

De locatie is niet gelegen in Natura2000 gebied (Oude Maas, Habitatrichtlijngebied). Het perceel ligt tevens niet in NNN-gebied. Natura 2000 gebied (Oude Maas ligt op > 1.700 m afstand. Het dichtstbij zijnde NNN-gebied ligt op ca 1.500 m afstand. Gezien het feit dat de plannen niet in de NNN gebieden gelegen zijn en werkzaamheden> 100 m van deze gebieden zullen plaatsvinden zijn de werkzaamheden niet van invloed op deze gebieden. Aangezien de werkzaamheden niet Natura 2000 gebied en/of NNN-gebied plaatsvindt, vindt geen kwaliteitsverlies of versnippering plaats. Het aspect stikstofdepositie wordt in een separate rapportage behandeld en vormt geen onderdeel van deze beoordeling. Toekomstige situatie Op de locatie is het voornemen om de loods te slopen en vervolgens twee woningen op te realiseren. Uitvoering veldcontrole Op 18 januari 2019 is door middel van een veldbezoek ter plaatse van plangebied figuur 1 door S.J.M.P. Halters van Buijs Eco Consult (hierna BEC) beoordeeld of sprake is van rust en/of verblijfplaatsen van beschermde soorten volgens de Wet natuurbescherming. Bij de veldcontrole is een algemene beoordeling gemaakt voor de geschiktheid van het gebied voor overige (niet aangetroffen) beschermde soorten. In onderstaande figuur 4 is een impressie van de planlocatie opgenomen.

blad 3 van 14

blad 4 van 14

blad 5 van 14

blad 6 van 14

blad 7 van 14

blad 8 van 14

Figuur 4: impressie plangebied

blad 9 van 14

In de omgeving van het plangebied zijn vogels zoals merel, huismus (woning ten zuiden van plangebied), kauw, ekster en zwarte kraai waargenomen. Daarnaast kunnen algemeen voorkomende soorten zoals kleine zoogdieren (muizen konijn, haas, egel etc.) en amfibieën voorkomen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze algemene soorten een algemene provinciale vrijstelling, uiteraard moet wel de zorgplicht in acht worden genomen. Beschermde flora is niet waargenomen en wordt niet verwacht. Vanwege de bouwwijze enkelsteens muren en golfplaten dak, afwerking openingen met pur, spaanplaat ed en ruimte onder platen vol met isolatie is het gebouw niet toegankelijk voor kerkuilen, boerenzwaluw ed. Wel is in de nok en in de ventilatie waarneming gedaan van activiteit van kauw en een oud nest. Omdat de schuur (aardappelbewaarloods) niet toegankelijk mocht zijn voor ongedierte en omdat weggkruipmogelijkheden vanaf de buitenzijde ( behalve de gaten in de nok waar kauw is waargenomen) wordt het gebouw niet geschikt geacht als verblijfplaats voor vleermuizen. Verder zijn enkele grotere bomen in het plangebied aanwezig. De grotere bomen achter op het terrein zijn vanaf de grond zonder gaten/kieren en/of scheuren. In deze bomen zijn geen grote nesten, waargenomen. Tabel 1 Soort/ functieaantasting Vogels met Jaarrond beschermde nesten Vogels

Overige zoogdieren

Aanwezigheid Geen nesten waargenomen Ja, diverse soorten in bijzonder kauw in gat in nok schuur Mogelijk diffuus diverse soorten geen geschikte locaties voor verblijfplaats Vermoedelijk

Amfibieën en reptielen

Algemene soorten

Overige soorten en algemene vrijstellingsregeling Overige soorten

Vissen

-

-

Overige fauna

-

-

Flora

-

-

Vleermuizen

Beschermingsregime Vogelrichtlijn, lijst jaarrond beschermde nesten Vogelrichtlijn

Vervolg/actie -

Habitatrichtlijn

Zorgvuldig handelen toepassen

Zorgvuldig handelen toepassen

(Voorbereidend) werk buiten broedseizoen

Zorgvuldig handelen toepassen Zorgvuldig handelen toepassen Zorgvuldig handelen toepassen -

Resume en aandachtspunten: 1 De planlocatie is niet gelegen in en/of nabij Natura2000/ NNN-gebied. Aangezien geen sprake is van werkzaamheden in Natura 2000 en/of NNN gebied is kwaliteitsverlies danwel versnippering van deze natuurgebieden als gevolg van de plannen is niet aan de orde. 2 Vanwege voorgenomen sloop is zorgvuldig handelen volgens Wet natuurbescherming van toepassing (bij voorkeur voorbereidend werk buiten broed-/voortplantingsseizoen en/of voorafgaande aan werkzaamheden controle laten uitvoeren op aanwezigheid van nesten. 3 Op de planlocatie zelf zijn verder algemeen voorkomende soorten te verwachten. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. 4 Door de (voorbereidings)werkzaamheden (sloop en kap) na het nader onderzoek en buiten het broed/voortplantingsseizoen (15 maart t/m 15 juli) uit te voeren wordt invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig handelen. Hiermee wordt voorkomen dat nesten van vogels worden verstoord. In- en uitpandig worden broedvogels tijdens het broedseizoen verwacht. Indien werkzaamheden wel in deze periode uitgevoerd moeten worden is het noodzakelijk om de werkzaamheden onder ecologische begeleiding uit te voeren. Literatuur  Bekker, D.L. & J.B.M Thijssen 2012. Verspreidingsonderzoek, Nederlandse Zoogdieren. VONZ 2011. Rapport 2012.03. Zoogdiervereniging, Nijmegen.  Diepenbeek, A.

van, 1999. Veldgids diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht.  Strumpel, T. & Strijbosch H., 2006. Veldgids amfibieën en reptielen, KNNV Uitgeverij, Utrecht.  Wynhoff, I., Swaay, van C., & Made van der J., Veldgids Vlinders, KNNV Uitgeverij, Utrecht.

blad 10 van 14

Websites:  www.zuidholland.nl  www.verspreidingsatlas.nl  www.telmee.nl  https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-017-Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf Volledigheid inventarisatie De inventarisatie is een uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het vooronderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

blad 11 van 14

Bijlage 1 Wettelijk kader Hieronder volgt een algemene beschrijving van de Natuurwetgeving, gevolgd door betreffende onderdelen van de wetgeving. De Nederlandse natuurwetgeving De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Per 01/01/2017 zijn beide onderdelen (en de Boswet) geïntegreerd in de Wet natuurbescherming (Wn). Gebiedsbescherming In de Natura 2000 gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied (Voorheen Speciale beschermingen Zones, Sbz’s) opgenomen. Globaal kan worden gesteld dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedsspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied. Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking.

Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wn) staan vernoemd in onderstaand kader.

blad 12 van 14

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wn)

Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken

De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied.  Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

 Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’.

blad 13 van 14

Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht.  Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander.  Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd.

Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk.

Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.

blad 14 van 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11530912/1