CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

18 december 2022 Hoeksche waard beoordeling onderzoek

Oordeelsvormende vergadering 20 december 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Externe toetsen3.741 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beoordeling onderzoek: “Samenwerking en cultuur binnen de gemeente Hoeksche Waard” 18 december 2022

Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

1

Vraagstelling Op 6 december 2022 is het rapport ‘Samenwerking en cultuur binnen de gemeente Hoeksche Waard’ (hierna ook; ‘het rapport’ of ‘het onderzoek’) besproken. De eventuele oordeelsvorming volgt op 20 december 2022. Op 7 december 2022 heeft de griffier namens drie fracties bij Marjan Olfers van Verinorm (een onderzoeksbureau dat zich richt op sociale veiligheid) geïnformeerd naar de bereidheid om het onderzoeksrapport ‘Samenwerking en cultuur binnen de gemeente Hoeksche Waard’ te beoordelen. Voornoemd onderzoek is gedaan in opdracht van de waarnemend burgemeester van Hoeksche Waard. De directe aanleiding voor het onderzoek aldus de e-mail van 7 december 2022 zijn een vijftal meldingen met betrekking tot onveiligheid die binnen zijn gekomen bij de burgemeester. 1. Voldoet het voorliggende rapport aan een aanpak om een veilige werkcultuur te realiseren? Waar wel en waar niet? 2. Hoe kijkt de onderzoeker aan tegen de uitgewerkte casus van de kroonbenoemde burgemeester in het onderzoek? 3. Ziet de onderzoeker in het rapport voldoende aanleiding om de schorsing van de gemeentesecretaris te handhaven? 4. Hoe ziet u de algehele werkwijze van de onderzoekers als het gaat om de opzet van het onderzoek, de wijze van rapporteren en concluderen? In deze notitie treft u de beantwoording aan op uw vragen. Voor de opstelling van deze notitie is gebruik gemaakt van: • Het rapport: H.

Andersson, Samenwerking en cultuur binnen de gemeente Hoeksche Waard, 4 oktober 2022 inclusief de bijlagen waaronder het Intern en extern (pers)bericht; • H. Andersson en R. van de Lustgraaf: Overzicht gesprekspartners, 28 november 2022; • 6 december 2022: De behandeling/debat in de vergadering van het rapport Cultuur en samenwerking Hoeksche waard, via hoekschewaard.raadsinformatie.nl. • Bijlage bij de vergadering van 6 december 2022: vragen van raadsfracties en antwoorden zoals verstrekt door de onderzoekers. • Op verzoek: het personeelshandboek. Bij de beantwoording van de vragen vallen wij naast de bovenstaande beschikbaar gestelde informatie terug op hetgeen gebruikelijk is, als het gaat om onderzoeken op het gebied van een mogelijk onveilige werksituatie. Alvorens de onderzoeksvragen te beantwoorden, geven wij inzicht in de eisen die worden gesteld aan een goed en zorgvuldig uitgevoerd onderzoek. Er is sprake van een goed onderzoek wanneer aan de volgende eisen is voldaan. Het moet gaan om helder geformuleerde onderzoeksvragen en een goed geformuleerd doel van het onderzoek. Het onderzoeksproces en de onderzoeksmethodiek moeten beschreven worden, zodat de lezer begrijpt op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd en wat de eventuele beperkingen zijn van het onderzoek. Er dient een goede analyse plaats te vinden.

De bevindingen moeten -vanzelfsprekend- volgen uit het onderzoek. Onderzoekers dienen onpartijdig en objectief te zijn en zich bij de oordeelsvorming niet te laten leiden door persoonlijke belangen, voorkeur, genegenheid of vooroordeel of door de belangen van de opdrachtgever (naar analogie van de wetenschapscode).

Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

2

Beantwoording van de onderzoeksvragen 1. Voldoet het voorliggende rapport aan een aanpak om een veilige werkcultuur te realiseren? Waar wel en waar niet?

Beantwoording: De onderzoeksvragen en -bevindingen in samenhang bezien geven geen antwoord op de vraag of sprake is van een onveilige werkcultuur, in welke mate en op welke onderdelen van de werkcultuur. Ook geeft het onderzoek geen antwoord op de vraag waar de onveiligheid nu precies op ziet. Het betreft een grove beschrijving van bevindingen van de onderzoekers die zij aangeven te hebben opgehaald uit meer dan 100 interviews. Hoe dit proces is verlopen valt achteraf niet te construeren. Vanwege het ontbreken van een onderzoeksdoel en het ontbreken van een doorwrochte onderzoeksmethodiek ten aanzien van het afnemen van en het analyseren van de interviews, is niet na te gaan of de bevindingen juist en volledig zijn. Wat is denkbaar/gangbaar in een dergelijke situatie? Stap 1: Het is gebruikelijk om meldingen van onveiligheid nader te onderzoeken. Dus om de feiten en omstandigheden te onderzoeken in relatie tot de meldingen. Daartoe kent de gemeente een in het personeelshandboek beschreven procedure. Waarom deze procedure niet is gevolgd blijft onduidelijk. De wil om niet “uit de school te klappen”, is hiervoor een onvoldoende verklaring. Er zijn in de procedure voldoende borgen voorzien voor een adequate afhandeling van meldingen. NB: Soms wordt direct doorgestapt naar een cultuuronderzoek, omdat de melders anoniem wensen te blijven.

Dan nog is het mogelijk om verslag te doen van de omvang van de meldingen. Ook is het mogelijk, zonder herleidbaarheid naar personen, iets te zeggen over de aard van de meldingen. “Cultuur” en “samenwerking” zijn hiervoor wel erg ruime begrippen. Niet valt na te gaan of de meldingen een dergelijk onderzoek rechtvaardigen. Stap 2. Er wordt gesproken van een cultuur- en samenwerkingsonderzoek. In de regel wordt hiertoe gewerkt met een vragenlijst, zodat helder en meetbaar is welke elementen van de cultuur en samenwerking goed zijn en welke verbetering behoeven. Interviews worden dan in de regel gebruikt ter verdieping van de kwantitatieve resultaten en ter kleuring van de onderzoeksresultaten. Waarom hiervoor niet is gekozen blijft eveneens onduidelijk. Indien sprake is van interviews is in de regel sprake van een interviewformat, zodat sprake is van semigestructureerde interviews. Dit format treffen wij niet bij het rapport aan, ook in de verantwoording wordt hierover niets gemeld. Het blijft hierdoor onduidelijk langs welke vragen de interviews zijn opgebouwd.

Vanwege het ontbreken van cruciale elementen biedt het rapport onvoldoende aanknopingspunten om een veilige werkplek te creëren en is het de vraag of dit wel het onderzoeksdoel was.

2. Hoe kijkt de onderzoeker aan tegen de uitgewerkte casus van de kroonbenoemde burgemeester in het onderzoek?

Als het gaat om samenwerking had het in de lijn van het onderzoek gelegen om nader in te gaan op de benoeming naast het vertrek. Over de benoeming wordt niet gerept. Is dit in verband met de samenwerking dan niet relevant? Hebben bijvoorbeeld klankbordgesprekken met een

Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

3

afvaardiging uit de gemeenteraad plaatsgevonden? Waarom wordt niet ingegaan op de samenwerking met de raad? Ook is een verwonderpunt dat de raad niet in het onderzoek is betrokken, terwijl dit wel vooraf binnen de scope van het onderzoek viel, temeer er ook raadsleden zijn geïnterviewd (Overzicht gesprekspartners). Hoe de verhouding en samenwerking waren tussen de raad en de voormalig burgemeester, valt weliswaar buiten het onderzoek, maar kan in dit verband wel relevant zijn. In het rapport wordt hier geen verantwoording over gegeven. De meeste signalen, aldus de onderzoekers in de conclusie, “zijn gerelateerd aan situaties waarin mensen in de knel komen tussen bestuurlijke en ambtelijke top”. In de conclusie (5) staat verder “Steeds weer komt naar voren, dat een kantelpunt in de onderlinge verhoudingen het plotselinge vertrek van de eerste kroonbenoemde burgemeester (…) is. Met name de onduidelijke en gebrekkige communicatie rond zijn vertrek riep grote vragen en gevoel van onzekerheid/gebrek en respect bij medewerkers op. Binnen de ambtelijke gelederen wordt er totaal verschillend tegen aangekeken.” Dit zou één van de factoren zijn “die hebben bijgedragen aan de groeiende kloof tussen college en ambtelijke organisatie”. Hoezo is dit een kantelpunt? En een kantelpunt tussen wat? Cultuur ontstaat niet van vandaag op morgen.

De conclusies missen een feitelijke grondslag. Niet valt in te zien waarom wel aandacht wordt besteed aan het vertrek en niet aan de benoeming. Wat het kantelpunt inhoudt blijft onduidelijk. Of de onduidelijke en gebrekkige communicatie een factor is die heeft bijgedragen aan (een gevoel of situatie) van onveiligheid valt niet te reconstrueren uit het rapport.

In de paragraaf die over de burgemeester en zijn vertrek gaat (4.3.1) wordt gesproken over een “open wond”. Vanwege het feit dat er geen duidelijk omschreven doel is van het onderzoek en de onderzoeksvragen breed geformuleerd zijn, is niet helder waarom en met welk doel de onderzoekers ingaan op het vertrek van de burgemeester. In het kort gaat het erom dat zijn vertrek eerder in de media bekend was en dat er gebrek bestond aan communicatie over wat er speelde. Over het gebrek aan communicatie wordt niet ingegaan op de mogelijkheid dat er mogelijk afspraken zijn gemaakt over eventuele geheimhouding, wat eventueel een verklaring zou kunnen zijn over de terughoudendheid en gebrek aan communicatie. Uit het rapport wordt dit niet duidelijk. Aan de andere kant staat in het rapport dat breed gedragen signalen de burgemeester ertoe heeft bewogen zijn ontslag in te dienen. Onduidelijk blijft wat dit zegt over de cultuur en samenwerking binnen de gemeente. Gelet op de conclusie wordt de indruk gewekt dat het doel van het onderzoek niet de brede cultuur en samenwerking binnen de ambtelijke en de politiekbestuurlijke organisatie betreft (extern persbericht) maar de relatie tussen het college en de ambtelijke top. Ook blijft onduidelijk of er een verband bestaat met een -gevoel van?onveiligheid. Uit het rapport wordt niet duidelijk wat concreet met “onveiligheid” wordt bedoeld.

Bij wie of wat (bijvoorbeeld welk orgaan) in welke setting deed zich objectief gezien een onveilige situatie voor? Waar bestond deze onveilige situatie uit? Correlatie (dat er gevoelens van onveiligheid zijn) zegt nog niets over de eventuele causaliteit (dat de onveiligheid komt door bijvoorbeeld een gebrek aan communicatie).

Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

4

3. Ziet de onderzoeker in het rapport voldoende aanleiding om de schorsing van de gemeentesecretaris te handhaven?

Op 16 juni 2022 wordt door de burgemeester gecommuniceerd dat “in verband met het onderzoek” de gemeentesecretaris haar functie niet zal uitoefenen. Dit feit wordt in het onderzoek aangegeven onder het kopje “onverwachte gebeurtenis”.

Het rapport biedt op zichzelf beschouwd onvoldoende grondslag voor de schorsing van de gemeentesecretaris en ook niet voor het handhaven van de schorsing. Hiertoe dient een andere stevigere grondslag te bestaan. Het betreft immers geen persoonsgericht onderzoek. Als dit wel het geval zou zijn geweest, had dit uit de onderzoeksvragen en de aanpak moeten blijken.

NB: Bovendien ligt het in het geval van een persoonsgericht onderzoek in de lijn om dit onderzoek te doen laten uitvoeren door een bureau dat een vergunning bezit voor het mogen uitvoeren van persoonsgericht onderzoek. Het niet hebben van de “gunfactor” 4.3.4 is voor schorsing onvoldoende. Kwalificaties als “systemisch, star, hard en control-gedrag tot in perfectie” worden in het onderzoek niet nader onderbouwd. Verwijten dat de gemeentesecretaris onvoldoende oog lijkt te hebben voor de menselijke kant, missen in het rapport eveneens een feitelijke grondslag (4.3.4). Waaruit blijkt dat dan? In een onderzoek moet voldoende evenwicht bestaan. Hoe kan een persoon zich verweren tegen kwalificaties, zonder dat deze nader worden onderbouwd en geïllustreerd met concrete voorbeelden? Hoeveel mensen geven dit aan? Waar zijn deze kwalificaties op gebaseerd? Om hoeveel en wat voor situaties gaat het? In welke setting? Belangrijk ook: Waarom is er geen afdoende verweer in de rapportage opgenomen als het mogelijk toch om een -verkaptpersoonsgericht onderzoek gaat? 4. Hoe ziet u de algehele werkwijze van de onderzoekers als het gaat om de opzet van het onderzoek, de wijze van rapporteren en concluderen?

Bevindingen Aanleiding tot het onderzoek: de meldingen a. Het betreft meldingen over een onveilige werksituatie. Opvallend is dat deze meldingen niet, zoals gebruikelijk is, zijn gedaan via de daartoe geëigende kanalen. b. Onduidelijk is waarom de waarnemend burgemeester voor het gevolgde proces en onderzoek heeft gekozen, los van de daartoe geëigende regels/procedures. NB: Op grond van artikel 170 Gemeentewet ziet de burgemeester toe op een zorgvuldige behandeling van klachten door het gemeentebestuur en bevordert de burgemeester de bestuurlijke integriteit. In het onderzoek is aan dit artikel geen aandacht besteed. c. De meldingen kwamen binnen bij de burgemeester: “In zijn beginperiode als waarnemend burgemeester ontving hij meldingen over onveilige werksituaties, die in combinatie met eigen waarnemingen voor hem aanleiding waren de Commissaris van de Koning te raadplegen; vervolgens heeft hij besloten tot een onderzoek. Dat heeft geleid tot een opdracht om de samenwerking en cultuur in de gemeente te onderzoeken.” (het rapport, pagina 2). Onduidelijk is of de burgemeester heeft gewezen op de procedure voor meldingen. In het personeelshandboek staat onder het hoofdstuk Integriteit aangegeven in 15.5 hoe binnen de

Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

5

d.

e. f.

g. h.

gemeente wordt omgegaan met een “melding vermoeden misstand”, waarbij ook de mogelijkheid van onderzoek staat vermeld. Gelet op de zorgvuldigheid van het in dit handboek beschreven proces en de daarin opgenomen borgen voor de melders, begrijpen wij op voorhand niet, waarom hiervan is afgeweken. Hier wordt in het onderzoeksrapport geen verantwoording over gegeven. Er wordt slechts gesproken over het feit dat medewerkers moeite hebben om “uit de school te klappen” en dat om die reden “het gevoel ontstaat nergens met hun werk-gerelateerde signalen terecht te kunnen” (5. Conclusies). De procedures zijn in het onderzoek niet tegen het licht gehouden. Vooralsnog is er gelet op de op schrift gestelde procedures door ons geen aanleiding te veronderstellen dat melders nergens terecht kunnen. Onduidelijk blijft daarnaast wat de aard en omvang is van de meldingen. De omvang wordt pas later -niet in het rapport- duidelijk. Ook in het interne bericht aan de medewerkers van 4 oktober 2022, wordt geen verdere duiding gegeven. Het zou gaan om “de cultuur en samenwerking”. Het is gebruikelijk in een onderzoek om over de aard en omvang van de meldingen te rapporteren.

Om hoeveel meldingen gaat het in totaal? Wat houden de meldingen in? Denk bijvoorbeeld aan: Ongelijke behandeling? Pestgedrag? Machtsmisbruik? Angstcultuur? Wat heeft de burgemeester zelf waargenomen? Vond dit volgens de melders plaats binnen de ambtelijke organisatie of in de verhouding tot het college, of anders? Hierdoor ontstaat een onduidelijke start van het onderzoek en ontstaat ook ongerichtheid in het onderzoek. Onduidelijk is en blijft -ook- op welke periode de meldingen zien. Een groot verwonderpunt blijft -dus- waarom de meldingen niet zijn onderzocht en geen onderzoek is gestart naar de feiten en omstandigheden.

De opdracht en de gunning i. Gebruikelijk is dat er dan door de gemeente onderzoeksvragen worden geformuleerd en vervolgens meerdere partijen worden benaderd, die vervolgens offerte uitbrengen, om daarna een weloverwogen beslissing te nemen welke partij het meest geschikt is om het onderzoek te doen uitvoeren. In dit geval is zonder -onderhandse- aanbesteding, een onderzoeksbureau door de waarnemend burgemeester aangezocht. Ons is niet bekend waarom dit proces anders is gelopen, dan daartoe gebruikelijk is. Onderzoeksmethodiek en onderzoeksverantwoording Het doel van het onderzoek j. Naar aanleiding van meldingen wordt een onderzoek ingesteld naar de samenwerking en cultuur. Wat wordt nu precies onderzocht? Er is geen scherp onderzoeksdoel geformuleerd. Er is niet helder wanneer sprake is van bijvoorbeeld een goede samenwerking en een goede cultuur. Onderzoeksvragen k. Anders dan gebruikelijk is, heeft het onderzoeksbureau de vragen geformuleerd. Het is meestal zo dat er een uitvraag wordt gedaan door de gemeente. Het kan dan wel zo zijn dat in samenspraak met de gemeente de onderzoeksvragen worden aangevuld en/of aangescherpt. l. De onderzoeksvragen richten zich niet op het onderzoek naar de meldingen (de feiten en omstandigheden) maar op de volledige cultuur binnen de Gemeente. Waarom dit zo is, wordt in de rapportage niet beantwoord. Begripdefiniëring en -afbakening m.

Wat onder “cultuur” moet worden begrepen, wordt niet geduid. Hoe kunnen uitspraken worden gedaan over de cultuur, wanneer geen helderheid bestaat over de begripdefiniëring en de determinanten van cultuur? Wanneer is sprake van een goede en wanneer van een Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

6

slechte cultuur? Wat zegt bijvoorbeeld de werkdruk over de cultuur? Wat zegt de onduidelijkheid hoe dingen zijn geregeld over cultuur, laat staan de veiligheid? Wat zegt het vertrek van de voormalig burgemeester in paragraaf 4.3.1 bijvoorbeeld over de cultuur en de veiligheid? n. Wat betreft de samenwerking is de vraag relevant tussen wie of wat? Wanneer is sprake van een goede en wanneer van een slechte samenwerking? Methodiek o. In een cultuuronderzoek wordt in de regel gewerkt met vragenlijsten, juist om “de cultuur” te objectiveren. Op deze wijze kunnen specifieke elementen die een cultuur -mede- bepalen uitgevraagd worden. Het wordt dan ook duidelijk of en in welke mate bepaalde elementen een rol spelen. Waarom de onderzoekers niet gekozen hebben voor een kwantitatieve analyse van beproefde vragenlijsten, wordt niet opgehelderd in het onderzoek p. Er zijn zeer veel mensen gesproken. Er is een lijst met geïnterviewde personen overlegd. Sommigen zijn door de onderzoekers zelf benaderd “op basis van hun functie”. Anderen konden zich aanmelden voor een interview bij de onderzoekers (Berichten over en tijdens het onderzoek, bijlage 1 bij de rapportage). Er is geen verantwoording afgelegd over wie (welke functie(s)) zijn benaderd, hoeveel daarvan daarop vervolgens het gesprek zijn aangegaan, etc. q.

De vraag wordt niet beantwoord, welke vragen aan de geïnterviewde personen zijn voorgelegd, welke methodiek is gehanteerd, en op welke wijze een analyse van de interviews heeft plaatsgevonden. Gaat het bijvoorbeeld om semi-gestructureerde interviews? Is een programma zoals Atlas gebruikt bij de analyse? r. In paragraaf 4.1 staat dat het in de meer dan 100 gesprekken ging om “de betekenis, de herkenbaarheid en toetsing van de signalen over de onveiligheid van de werksituatie (…)” Het gaat om “het breed opvangen van signalen (…)”. “Soms zijn die signalen incidenteel, maar daar waar het aantal of de intensiteit van signalen duidelijk is, rapporteren we erover.” Het wordt niet duidelijk hoe de onderzoekers bepalen wanneer sprake is van een aantal of intensiteit. “Ook vermelden we het in situaties waarbij de signalen afkomstig zijn uit een bepaalde bron, die door anderen keer op keer herhaald worden.” Wat hier staat is onduidelijk. Wegen de onderzoekers “hear say” (informatie die herhaald wordt door een niet directe bron) in het rapport mee? Vervolgens spreken de onderzoekers van “voorkomende gevallen van patronen”, wanneer de onderzoekers vinden dat sprake is van een patroon, is echter niet herleidbaar.

Bij ruim 100 respondenten was het mogelijk geweest om ook meer kwantitatieve gegevens op te nemen (bijvoorbeeld helemaal eens/eens/oneens,helemaal oneens), waardoor meer duiding zou zijn gegeven en een genuanceerder en meer evenwichtig beeld zou zijn ontstaan. Kortom: het blijft onduidelijk wanneer, wat is opgenomen in de rapportage en wanneer een bevinding om welke reden buiten de rapportage is gebleven. Persoonsgerichtonderzoek en anonimiteit? a. Het onderzoek is geen persoonsgericht-onderzoek. Hiermee bedoel ik een onderzoek gericht op vermeend ongewenst gedrag van een persoon. b. Het gaat volgens de onderzoekers om een onderzoek naar de samenwerking en cultuur binnen de gemeente (paragraaf 1.1) waarbij de vertrouwelijkheid wordt geborgd (paragraaf 1.3). c. Het is opvallend dat in de rapportage melding wordt gemaakt van het feit dat de gemeentesecretaris/algemeen directeur (GS/AD) haar werkzaamheden niet zal uitvoeren. Deze informatie is, anders dan andere informatie in de rapportage, direct herleidbaar naar een persoon. Het betreft dus geen volstrekt anonieme rapportage. Waarom hiervan binnen dit onderzoek melding wordt gemaakt in relatie tot de onderzoeksvraag, blijft onopgehelderd. d.

Vervolgens is een gehele paragraaf (4.3.4) gewijd aan de gemeentesecretaris, waarbij ook kwalificaties worden gegeven over haar persoon, bijvoorbeeld: “Systemisch, star, hard en controle-gedrag.” Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

7

e. Op pagina 16 wordt de anonimiteit van een andere persoon doorbroken. Er wordt gerefereerd aan een teammanager die onder GS/AD valt. “Na verloop van tijd is daar een teammanager tussengevoegd, die onder de GS/AD valt. Betrokkene is nadrukkelijk op zoek naar de ontwikkeling van meer “partnership” in het netwerk.” f. Er wordt een volledige paragraaf gewijd aan de vorige burgemeester. g. Waarom het rapport enerzijds geanonimiseerd is en anderzijds juist nadrukkelijk verwijst naar personen, is een verwonderpunt. h. Kortom: Het is ongebruikelijk om in een onderzoek naar de samenwerking en cultuur, waarbij anonimiteit zou zijn geborgd en afgesproken, direct op de persoon gerichte verwijzingen en kwalificaties op te nemen. Er wordt bovendien geen verantwoording afgelegd waarom dit op deze wijze is opgenomen in de rapportage. Scope van het onderzoek i. De onderzoekers hanteren een zeer brede scope. De scope was geformuleerd als een onderzoek naar de cultuur en samenwerking binnen de ambtelijke en de politiek-bestuurlijke organisatie. (Extern persbericht). j. In de loop van het onderzoek is gebleken dat de raad en griffie geen deel uitmaakten van het onderzoek (paragraaf 4.3.3). Terwijl raadsleden en griffieleden zich -op basis van het persbericht- wel hebben gemeld bij de onderzoekers.

Onduidelijk is waarom dit buiten beschouwing is gebleven en of de geïnterviewde raads- en griffieleden hiervan van tevoren door de onderzoekers op de hoogte zijn gesteld. k. Het onderzoek richt zich met name op de leidinggevenden in de organisatie en het bestuur (het college). Waarom deze beperking is aangebracht is onduidelijk. Conclusies l. De conclusies geven onvoldoende een antwoord op de vraag naar de cultuur en de samenwerking. m. De indruk wordt gewekt dat het doel van het onderzoek niet de brede cultuur en samenwerking binnen de ambtelijke en de politiek-bestuurlijke organisatie betreft (aldus het extern persbericht) maar de relatie tussen het college en de ambtelijke top. n. De conclusie, namelijk dat er een groeiende kloof tussen college en ambtelijke organisatie is ontstaan, waarbij het vertrek van de burgemeester als “een kantelpunt” wordt gezien, wordt onvoldoende in het rapport onderbouwd.

Bij de besluitvorming over een onderzoek, de specifieke opdracht, het mandaat en de doelstellingen vallen vraagtekens te plaatsen. Er is een anoniem cultuur- en samenwerkingsonderzoek ingezet dat nauwelijks een wetenschappelijke basis kent. Het nodige valt aan te merken op de opzet, methodiek, de ongerichtheid (doelstellingen? objectieve toetsingscriteria?), de ondoorzichtigheid, de (verandering van) scope, de herleidbaarheid naar bepaalde personen, het gebruik van begrippen, etc. Daarnaast valt de ‘onverwachte gebeurtenis’ (paragraaf 2.3) op en het bericht van de Burgemeester, waarbij het niet-uitoefenen van de functie als gemeentesecretaris in direct verband wordt gebracht met het betreffende onderzoek. Daarmee krijgt het onderzoek het karakter van een onderzoek op basis waarvan mogelijk een -disciplinaire?- maatregel is getroffen. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat de gemeentesecretaris de verpersoonlijking is geworden van een eventueel cultuur- en samenwerkingsprobleem.

Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

8

Wij sluiten niet uit dat alle kritiekpunten in samenhang bezien, mogelijk hebben bijgedragen aan een -toenemend- gevoel van onveiligheid binnen de gemeente Hoeksche Waard.

Deze notitie is opgesteld door prof. mr. Marjan Olfers in samenwerking met dr. mr. Anton van Wijk.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12213272/1