CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

0101 2020-05-11 Hoeksche Waard-Rapport-Schouteneinde 54-200511

Besluitvormende raad 5 juli 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Schouteneinde 52-54 en Zijdewinde 12 Puttershoek8.474 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, Plangebied Schouteneinde 54, Puttershoek, Gemeente Hoeksche Waard L. R. van Wilgen

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, Plangebied Schouteneinde 54, Puttershoek, Gemeente Hoeksche Waard L. R. van Wilgen

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, Plangebied Schouteneinde 54, Puttershoek, Gemeente Hoeksche Waard L. R. van Wilgen SOB Research Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek ©SOB Research Heinenoord, mei 2020 ISBN/EAN: 978-94-6192-753-8 SOB Research Project nr.: 2745-2003

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, Plangebied Schouteneinde 54, Puttershoek, Gemeente Hoeksche Waard Inhoud 1.

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Planontwikkeling Archeologisch onderzoek Opdrachtverlening en fasering Doel van het onderzoek Onderzoeksteam

3 3 4 4 5

2.

Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken

9

2.1 2.2 2.3 2.4

Archeologisch Bureauonderzoek Archeologisch Verwachtingsmodel Veldonderzoek Uitwerking en rapportage

9 9 9 10

3.

Archeologisch Bureauonderzoek

11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Geologische gegevens Archeologische gegevens Historische gegevens Luchtfoto’s Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologisch Verwachtingsmodel

11 15 18 20 20 21

4.

Resultaten veldonderzoek

23

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Inleiding Booronderzoek Bodemopbouw Archeologische indicatoren Deselectie vondstmateriaal

23 23 24 25 26

5.

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

27

5.1 5.2

Samenvatting en conclusies Aanbevelingen

27 28

Literatuur

29

Verklarende woordenlijst

31

1

Bijlage 1

Administratieve gegevens

33

Bijlage 2

Archeologische en geologische tijdschaal

35

Bijlage 3

Overzicht voor het Holocene gebied van de gebruikelijke, klassieke lithostratigrafische indeling en de vertaling naar de lithostratigrafie van De Mulder et al., 2003

37

Overzicht Boorgegevens

39

Bijlage 4

2

1. Inleiding 1.1 Planontwikkeling Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de vergunningprocedure voor de sloop van een deel van de bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwe woningen en een toegangsweg ter plaatse van het Schouteneinde 54 te Puttershoek (Gemeente Hoeksche Waard). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 0.23 hectare (zie Afbeelding 3 en 4). Momenteel bestaat de bebouwing op de kavel uit een leegstaand bedrijfsgebouw en een winkelruimte. Het bouwplan voorziet in nieuwbouw van een aantal gebouwen: 2 moderne gebouwen aan het Schouteneinde en paviljoens op het achterterrein. Iedere gebouwmassa bevat meerdere woningen met diverse oppervlaktes (zie Afbeelding 5a). De belangrijkste te voorziene bodemverstoringen betreffen de (graaf)werkzaamheden ten behoeve van de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing en de aanleg van de bouwputten voor de nieuwbouw. Daarnaast zullen ook heipalen worden aangebracht.

Afbeelding 1. De globale ligging van het plangebied (rode stip) in Nederland.

1.2 Archeologisch onderzoek Op de kaart van het vigerende ‘Bestemmingsplan Puttershoek’ 1 wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie - 1). 2 Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 21 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 30 m² en met een diepte van meer dan 0.3 meter beneden het maaiveld. 1

Dit bestemmingsplan is door de Gemeente Binnenmaas vastgesteld op 11 april 2013. Deze dubbelbestemming en de daarbij behorende bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard, waarop ter plaatse van het plangebied en de omgeving daarvan een zone met een hoge verwachting (historische kern) voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden wordt weergegeven; zie Huizer e.a., 2009. 2

3

In het kader van de vergunningprocedure/ bestemmingsplanwijziging moest dan ook eerst een Archeologisch Bureauonderzoek en een verkennend archeologisch booronderzoek (IVO-Overig) moest worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus.

Afbeelding 2. De globale ligging van het plangebied (rode stip) in de Gemeente Hoeksche Waard. Op deze kaart zijn nog de oude tot de herindeling van 1 januari 2019 van toepassing zijnde gemeentegrenzen weergegeven.

1.3 Opdrachtverlening en fasering Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 4 maart 2020) heeft de heer J. H. Roest van Roest Architectuur uit Rotterdam, namens de heer A. Barth van Schouteneinde BV uit ’sGravendeel, op 20 maart 2020 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Vervolgens is op 16 april 2020 het veldonderzoek (IVO-Overig, verkennend) uitgevoerd. Daarbij zijn 4 boringen gezet tot een diepte van 4.0 meter beneden het maaiveld. De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in het voorliggende conceptrapport.

1.4 Doel van het onderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was om op basis van de bestaande archeologische, historische en geologische informatie de gespecificeerde archeologische verwachting voor deze locatie nader vast te stellen. Daarnaast zijn gegevens verzameld over de (sub-)recente bouwgeschiedenis ter plaatse van het plangebied en is een inventarisatie gemaakt van de als gevolg van de planrealisatie te verwachten bodemverstoringen. Het doel van het verkennend booronderzoek (IVO-Overig) was om deze gespecificeerde archeologische verwachting nader te toetsen. Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw, de kans op de aanwezigheid van archeologische resten en de diepteligging daarvan en de kans dat mogelijk aanwezige archeologische resten als gevolg van de met de planrealisatie samenhangende bodemverstoringen verloren zouden kunnen gaan.

4

Afbeelding 3. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron Topografische Kaart: Kadaster Geo-Informatie, 2020. Schaal 1: 25.000.

1.5 Onderzoeksteam Het onderzoek is uitgevoerd door: L. R. van Wilgen F. J. H. Kasbergen J. E. van den Bosch

bureauonderzoek en rapportage veldonderzoek, uitwerking gegevens veldonderzoek eindredactie en interne autorisatie

5

Afbeelding 4. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. De bestaande, te slopen bebouwing is grijs gemarkeerd. Het blauw omkaderde terrein is eigendom van de Gemeente Hoeksche Waard. Daar is al een inrit naar het plangebied aanwezig, die nog op de nieuwe situatie zal worden aangepast (zie Afbeelding 5b). Daarbij worden vooralsnog geen significante bodemverstoringen voorzien. Bron GBKN: Kadaster Geo-Informatie, 2020. Schaal 1: 1.000.

6

Afbeelding 5a. De concept plankaart met de geplande nieuwbouw. De plannen zijn nog aan wijziging onderhevig. Bron: Architectenbureau Roest, aangepaste versie d.d. 20 februari 2020. Schaal 1: 600.

Afbeelding 5b. De plankaart met het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een luchtfoto van Google Maps. Bron: Architectenbureau Roest, aangepaste versie d.d. 20 februari 2020. Schaal 1: 500.

7

8

2. Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken 2.1 Archeologisch Bureauonderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was het verwerven van informatie, op basis van bestaande bronnen, over bekende of te verwachten archeologische waarden, ter plaatse - of in de omgeving - van het plangebied, om op basis daarvan een gespecificeerde, archeologische verwachting vast te stellen. In het kader van de uitvoering van het Archeologisch Bureauonderzoek zijn diverse archieven geraadpleegd, waaronder de archieven van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3) en Dans Easy (KNAW), de TNO-GDN (DINO-loket), het Kadaster Geo-Informatie en de Stichting Archeologie Hoeksche Waard (SAHW). Daarnaast is er over het plangebied en de directe omgeving daarvan nadere archeologische en historische informatie vergaard uit meerdere bronnen. Het Archeologisch Bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.1) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Protocol 4002 Bureauonderzoek.

2.2 Archeologisch Verwachtingsmodel Op basis van de bij het Archeologisch Bureauonderzoek verworven informatie is het Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Dit betreft de gespecificeerde archeologische verwachting ten aanzien van de mogelijk aanwezige archeologische vondstcomplexen (mogelijke aard, gaafheid en ouderdom), in relatie tot de geologische ondergrond (mogelijke diepteligging en context).

2.3 Veldonderzoek 2.3.1 Booronderzoek Op basis van het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak is ter plaatse van het plangebied het booronderzoek (IVO-Overig, verkennend) uitgevoerd. Dit ter toetsing en aanvulling van het op basis van het bureauonderzoek opgestelde Archeologische Verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.1, 2018) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Er zijn 4 boringen uitgevoerd. De boringen zijn tot een maximale diepte van 0.5 meter beneden het maaiveld uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van 7 centimeter en zijn vervolgens dieper doorgezet met een gutsboor met een diameter van 3 centimeter, tot een diepte van maximaal 4.0 meter beneden het maaiveld. Bij iedere boring zijn de verschillende geologische afzettingen ingemeten ten opzichte van het maaiveld. De NAP-hoogte van het maaiveld en de locaties van de boringen zijn bepaald met gebruikmaking van een GPS (Sokkia Rover GRX1). De maximale onnauwkeurigheid van dit meetsysteem bedraagt +/- 3 centimeter. Door middel van boringen kan de aard en de mate van intactheid van de bodemopbouw worden bepaald en kan inzicht worden verkregen in de geologische opbouw van een gebied.

Dit is vooral van belang omdat de bewoningsmogelijkheden in Nederland tot de Romeinse Tijd volledig afhankelijk waren van de landschappelijke situatie. Ook voor wat betreft de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen was er, ondanks de toegenomen mogelijkheden om door middel van bedijking, afdamming of kanalisering het landschap vorm te geven, nog steeds sprake van een sterke relatie tussen het natuurlijke landschap en de mogelijkheden tot bewoning.

9

Booronderzoek is geen valide methode voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. Wel kan met een booronderzoek de stratigrafie en de aard van mogelijk archeologisch interessante grondlagen globaal worden bepaald. Soms kunnen ook direct al archeologische indicatoren worden getraceerd. Indicatoren voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen zijn onder meer de aanwezigheid van houtskool, verbrand bot, aardewerkfragmenten, potgruis, vuursteen, puin of verstoorde grondlagen. 2.3.2 Oppervlaktekartering Bij een oppervlaktekartering wordt een terrein onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten op het maaiveld. In gebieden waar archeologisch belangrijke lagen op geringe diepte beneden het maaiveld liggen kan het uitvoeren van een oppervlaktekartering zinvol zijn. Vooral recent geploegde akkers bieden goede mogelijkheden voor de toepassing van deze onderzoeksmethodiek. Ter plaatse van het plangebied was ten tijde van het veldonderzoek bebouwing, verharding en begroeiing aanwezig. De uitvoering van een oppervlaktekartering was daarom niet mogelijk.

2.4 Uitwerking en rapportage Na het onderzoek zijn de onderzoeksgegevens uitgewerkt en geanalyseerd. Tevens is een advies opgesteld, op basis waarvan een beslissing kan worden genomen ten aanzien van de noodzaak tot een vervolgonderzoek of een planaanpassing. Ter afronding van het Archeologisch Bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek is het nu voorliggende rapport opgesteld. SOB Research hanteert voor dit gebied de klassieke nomenclatuur, zoals deze ook door de Rijks Geologische Dienst is gehanteerd bij het opstellen van de Geologische Kaart van Nederland. De door de Mulder et al. (2003) voorgestelde nieuwe lithostratigrafie biedt geen meerwaarde voor wat betreft de koppeling tussen archeologie en geologie. Integendeel, met name in het Holocene gebied gaat hierdoor de mogelijkheid voor een dergelijke koppeling volledig verloren. Daarnaast is er daarbij ook geen goede koppeling mogelijk tussen het reeds sinds 1950 uitgevoerde archeologisch en geologisch onderzoek en de voorgestelde nieuwe lithostratigrafische terminologie. Tevens ontbreken ook geologische kaarten, waarbij deze terminologie is gehanteerd, zodat een betrouwbare presentatie niet mogelijk is. Het is vanuit haar eigen kwaliteitsborging dat SOB Research, zeker voor wat betreft het Holocene deel van Nederland, de gangbare lithostratigrafie toepast en vooralsnog zal blijven toepassen.

Voor een overzicht van de klassieke geologische nomenclatuur en de voorgestelde nieuwe terminologie wordt verwezen naar Bijlage 3. De documentatie is in beheer bij SOB Research. Na de definitieve oplevering van het eindrapport zullen het rapport en de digitale informatie worden aangeleverd aan het landelijke E-depot (Danseasy) en zal het rapport tevens worden gedeponeerd in de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3). Alle kaarten in het rapport zijn zuid (onder) - noord (boven) georiënteerd, of wanneer dat niet het geval is, voorzien van een noordpijl of een opmerking in het bijschrift.

10

3. Archeologisch Bureauonderzoek 3.1 Geologische gegevens 3.1.1 Inleiding Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving daarvan, is gebruik gemaakt van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Willemstad Oost (43 O). 3 Deze door de Rijks Geologische Dienst in 1971 gepubliceerde kaart en de bijbehorende toelichting bieden een gedegen beeld voor wat betreft de geologische opbouw in dit deel van Nederland. Daarnaast is gebruik gemaakt van de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en van de Geomorfologische kaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en is het archief van TNO-GDN (DINO-loket) geraadpleegd. Een nadeel bij het gebruik van de kaarten is de relatieve grofschaligheid van de informatie. De informatie is niet bedoeld en ook niet bruikbaar voor een beoordeling op perceelniveau. Wel bieden de kaarten kaders voor een globale inschatting van de geologische en paleogeografische situatie. 3.1.2 Regionale geologische context Het plangebied is gelegen in het perimariene gebied, waar de landschapsontwikkeling tijdens de laatste 15000 jaar vooral is bepaald door de invloed van de Rijn en Maas.

Perioden met verhoogde rivieractiviteit (transgressiefasen), waarbij de rivieren tot ver buiten de hoofd- en zijgeulen zand en klei afzetten (Afzettingen van Gorkum), werden afgewisseld door perioden waarin de rivierafzettingen alleen binnen de oeverzones werden afgezet (regressiefasen). Tijdens de laatstgenoemde fasen was ook sprake van veenontwikkeling in de komgebieden (het Hollandveen). Het Binnenmaassysteem was in deze periode de belangrijkste Rijn-/ Maasarm in deze regio en is dat ook tot in de Late Middeleeuwen gebleven. De huidige Binnenbedijkte Maas kan worden gezien als een bewaard gebleven restgeul van het oude Rijn-/ Maassysteem, die hier vanaf het einde van de laatste IJstijd actief is geweest. Vanaf circa 1.000 A.D. was sprake van steeds hogere waterstanden en werden met toenemende regelmaat delen van het gebied getroffen door overstromingen. Vanaf de 12de eeuw werd dan ook begonnen met de bedijking van het gebied. Desondanks vonden er gedurende de Late Middeleeuwen vele overstromingen plaats, met name tijdens de stormvloeden die tot dijkdoorbraken leidden. Sommige polders bleven na een dergelijke overstroming lange tijd onder water staan en raakten overdekt met zand- en kleiafzettingen (Afzettingen van Duinkerke III).

Pas na de aanleg van zwaardere dijken en de zeedijken in de 16de en 17de eeuw werden bij de overstromingen, die nog steeds met regelmaat plaatsvonden, geen afzettingen van betekenis meer afgezet. De watersnoodramp in 1953 kan worden beschouwd als de vooralsnog laatste grote overstroming die deel uitmaakte van deze reeks van overstromingen. 3.1.3 Geologische opbouw ter plaatse van het plangebied Op de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Kaartblad Willemstad Oost (43O) wordt ter plaatse van het plangebied de niet gekarteerde bebouwde kom van Puttershoek weergegeven (zie Afbeelding 6).

3

Verbraeck en Bisschops, 1971

11

Op basis van extrapolatie van het kaartbeeld kan ter plaatse van het plangebied een bodemopbouw worden verwacht met Afzettingen van Duinkerke IIIb (afgezet tot circa 1439 A.D., zie 3.3. Historische gegevens), mogelijk op oudere Afzettingen van Duinkerke, op Afzettingen van Tiel 1B, op Hollandveen, op Afzettingen van Gorkum met inschakelingen van Hollandveen, op Pleistocene (rivier-)Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye.

Afbeelding 6. De ligging van het plangebied (rood gemarkeerd), geprojecteerd op een vergrote uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Willemstad (43O). Schaal 1: 25.000.

Op de Geomorfologische Kaart van Nederland (Archis3/ Alterra) wordt ter plaatse van het plangebied de niet gekarteerde bebouwde kom van Puttershoek weergegeven. Op basis van extrapolatie van het kaartbeeld ligt het plangebied waarschijnlijk ter plaatse van een zone met een ‘vlakte van getijafzettingen’ (code 2M72, zie Afbeelding 7). Op de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra) wordt ter plaatse van het plangebied de niet gekarteerde bebouwde kom van Puttershoek weergegeven. Op basis van extrapolatie van het kaartbeeld kan ter plaatse van het plangebied een bodem bestaande uit kalkrijke Poldervaaggronden, klei (code Mn35A) worden verwacht (zie Afbeelding 8).

12

Afbeelding 7. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Archis3/ Alterra, 2020. Legenda: 2M72 = Vlakte van getij-afzettingen; 22R71 = Getijkreekbedding; 3L74 = Welvingen in getij-afzettingen; 4F91 = Plateau-achtige storthoop, opgespoten terrein of kunstmatig eiland; 2M41 = Terrasafzettingsvlakte. Toevoeging zone codes door auteur.

Afbeelding 8. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Archis3/ Alterra, 2020. Legenda: Mn35A = kalkrijke Poldervaaggronden, lichte klei; Mn25A = kalkrijke poldervaaggronden, zware zavel; AK = kreekbedding; Mn82A = kalkrijke poldervaaggronden, klei; Mn85C = kalkarme Poldervaaggronden, klei; wit = bebouwd gebied. Toevoeging zone codes door auteur.

13

In het DINO-loket (TNO-GDN) zijn de boorgegevens gearchiveerd van boringen die in het verleden zijn uitgevoerd. In het kader van het onderzoek zijn de gegevens geanalyseerd van 9 in het DINOloket gearchiveerde boringen, die in het verleden in de omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd. Dit betreft Boring nr. B43F1303, B43F1315, B43F1316, B43F1318, B43F1319, B43F1320, B43F1321, B43F1323 en B43F1117 (zie Afbeelding 9). De ter plaatse van deze boringen aangetroffen bodemopbouw komt op hoofdlijnen overeen met de bodemopbouw die op basis van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000 kon worden verwacht. Op basis van de analyse en de interpretatie van de boorgegevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de meeste van deze boringen sprake is van een bodemopbouw met (klei- en zand) Afzettingen van Duinkerke III, op Hollandveen, op Afzettingen van Gorkum. Ter plaatse van de ten noordoosten van het plangebied uitgevoerde Boring nr. B43F1303 was er tot op een diepte van 9.0 meter beneden het maaiveld (7.04 meter –NAP) sprake van een bodemopbouw met een afwisseling van zand en klei (Afzettingen van Duinkerke III), op Hollandveen. Ter plaatse van de ten zuiden van het plangebied uitgevoerde Boring nr.

B43F1117 is een bodemopbouw aangetroffen met klei op zand (Afzettingen van Duinkerke III) tot 3.0 meter beneden het maaiveld (3.20 meter –NAP), op een laag Hollandveen met een dikte van 3.0 meter (3.2 - 6.2 meter –NAP), op ( klei-) Afzettingen van Calais. Ter plaatse van het cluster van boringen ten noordwesten van het plangebied werd een bodemopbouw aangetroffen met zand en klei (Afzettingen van Duinkerke III), op Hollandveen. De top van het veen werd hier aangetroffen op een diepte van 1.4 - 1.9 meter beneden het maaiveld (2.52 - 2.74 meter – NAP).

Afbeelding 9. De locatie van de in het DINO-loket gearchiveerde boringen (lichtgroen gemarkeerd en genummerd), in de omgeving van het plangebied (rood omkaderd).

14

3.2 Archeologische gegevens Voor een overzicht van de reeds bestaande kennis ten aanzien van archeologische vindplaatsen ter plaatse - en in de omgeving - van het plangebied zijn onder meer de Archeologische Verwachtingskaart, Kaartbijlage 2, Deelgebied III, Maasdam-Puttershoek-‘s-Gravendeel, van de Gemeente Hoeksche Waard en het archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3) geraadpleegd. Tevens is informatie ingewonnen bij de Stichting Archeologie Hoeksche Waard (SAHW). Op de Archeologische Verwachtingskaart, Kaartbijlage 2, Deelgebied III, Maasdam-Puttershoek-‘sGravendeel, van de Gemeente Hoeksche Waard, wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een hoge verwachting (historische kern) voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd (zie Afbeelding 10). 4

Afbeelding 10. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard, Kaartbijlage 2, Deelgebied III. Het plangebied ligt ter plaatse van een zone met een hoge archeologische verwachting vanwege de aanwezigheid van de oude dorpskern van Puttershoek (de blauwe zone). Bron: Huizer et al, 2009. Schaal 1: 10.000.

Ter plaatse van het plangebied werd nog geen geregistreerd archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn in het verleden wel geregistreerde archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie Afbeelding 11 en Tabel 1). Waar deze onderzoeken tot resultaten hebben geleid is op de kaart van Archis3 een archeologische waarneming weergegeven (zie Afbeelding 12). 4

Huizer et al., 2009

15

Afbeelding 11. De ligging van de in Archis3 geregistreerde archeologische onderzoeksmeldingen in de omgeving van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Archis3, 2020.

Afbeelding 12. De ligging van de in Archis3 geregistreerde archeologische waarnemingen in de omgeving van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Archis3, 2020.

16

Zaakidentificatie nr. 4034912100

Toponiem/project

Uitvoerder

Soort onderzoek

Advies

SOB Research, 2017 SOB Research, 2003 IDDS, 2011

4754655100

Prinsenhof

Transect, 2019

4738406100

Boezemkade 9

Transect, 2019

4608222100

Schouteneinde 58 60

Bureau voor Archeologie, 2018

Bureau- en booronderzoek Bureau- en booronderzoek Bureau- en booronderzoek Bureau- en booronderzoek Bureau- en booronderzoek Bureau- en booronderzoek

geen vervolgonderzoek

2331166100

Nieuw Weverseinde Kwaliteit in Kern Julianastraat

2076698100

Schouteneinde

RAAP, 2000

2239126100 4618137100

Simonsdijkje Molendijk 14

2090661100

De Kreek-Noord

Arcadis, 2009 SOB Research, 2018 SOB Research, 2002

2035719100

de

Bureau- en booronderzoek Bureauonderzoek Bureau- en booronderzoek Bureau- en booronderzoek

geen vervolgonderzoek geen vervolgonderzoek (nog) niet bekend (nog) niet bekend geen bodemingrepen dieper dan 0.50 meter beneden het maaiveld, anders AB bij sloop en uitgraven bouwput niet bekend niet bekend geen vervolgonderzoek Voormalige molenwerf aan het eind van het Floriswegje: op de AMK plaatsen als terrein van zeer hoge archeologische waarde

Tabel 1. Overzicht van de in de omgeving van het plangebied uitgevoerde archeologische onderzoeken (zie ook Afbeelding 11)

Op de kaart van Archis3 (het centrale archief voor de bekende archeologische vindplaatsen in Nederland) worden ter plaatse van het plangebied geen archeologische monumenten weergegeven. De meest nabijgelegen archeologische monumenten liggen op een afstand van 1 kilometer of meer van het plangebied en zijn derhalve buiten beschouwing gelaten. Op de kaart van Archis3 worden ter plaatse van het plangebied geen archeologische vondstmeldingen of waarnemingen weergegeven. Op deze kaart worden in de directe omgeving van het plangebied wel een aantal archeologische waarnemingen weergegeven (zie Afbeelding 12). Dit betreft: - Zaakidentificatie nr. 2045277100, Schouteneinde 66. Op deze locatie is in 2003 door SOB Research in het kader van de sloop van bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwbouw een booronderzoek uitgevoerd. In opgebrachte lagen werden fragmenten van aardewerk uit de 17de tot en met de 20ste eeuw aangetroffen. Ter plaatse kunnen tot op een diepte van circa 3.0 meter beneden het maaiveld bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd worden verwacht. Geadviseerd werd om graafwerkzaamheden in het kader van sloop, nieuwbouw en bodemsanering onder archeologische begeleiding te doen laten uitvoeren. - Zaakidentificatie 320539100. Hier werd tijdens graafwerkzaamheden scheepshout aangetroffen in een verzande haven.

Het hout is door middel van dendrochronologisch onderzoek gedateerd in 1427 A.D. Het terrein betreft de mogelijke locatie van een scheepswerf. - Zaakidentificatie 4708233100. In de Arent van Lierstraat zijn bij grondwerkzaamheden achter het rijksmonument ‘Springende Peert’ twee toogkelders aangetroffen. - Zaakidentificatie nr. 4608222100. Voor dit plangebied (Schouteneinde 58 - 60) is in 2018 door Bureau voor Archeologie een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten daarvan is geadviseerd om de graafwerkzaamheden met een diepte van meer dan 0.5 meter beneden het maaiveld onder Archeologische Begeleiding te doen uitvoeren (Roodenburg, 2018).

17

Deze AB (Zaakidentificatie nr. 4772612100) is in februari 2020 uitgevoerd door Aeres. Daarbij zijn in ieder geval resten aangetroffen van bebouwing en bewoning in de Nieuwe Tijd (er is nog geen rapport beschikbaar en er zijn in Archis ook geen eerste bevindingen gemeld). De overige, op grotere afstand van het plangebied gelegen archeologische waarnemingen zijn buiten beschouwing gelaten. Bij de Stichting Archeologie Hoeksche Waard (SAH) zijn geen gegevens bekend van vondsten die in het plangebied zijn gedaan. 5

3.3 Historische gegevens Het dorp Puttershoek had mogelijk een voorloper die omstreeks 1200 onder de naam Wendelnesse in historische bronnen wordt vermeld. De naam is een samenstelling van het woord “wendel” (bocht) en “nes”, een in “water uitstekende punt, landtong”.

Afbeelding 13. Puttershoek op een uitsnede van de Polderkaart van Nieuw Bonaventura uit 1592. Bron: Nationaal Archief, Kaartcollectie Binnenland Hingman, inventaris nr. 1231. Het noorden is links.

Het plangebied ligt aan de oostzijde van het Schouteneinde, dat als dijklichaam deel uitmaakte van het westelijke deel van de ringdijk om de ‘Grootte- of Zuidhollandsche Waard’. De bedijking van deze waard werd tussen 1270 en 1288 A.D. voltooid. Het plangebied maakte deel uit van het tussen de Maas, de Merwede en de Dubbel gelegen Tiesselijns- of Tysselingswaard, die samen met de Dordtsche Waard en de Strijensche Waard de Grootte Waard vormde. Onder invloed van de Sint Elisabethsvloed van 1421 A.D. braken op verschillende plaatsen de dijken van de Groote Waard door en stroomde deze onder water. Dit had tot gevolg dat het huidige plangebied van 1421 A.D. tot in de 16de eeuw deel uitmaakte van een getijdenvlakte of gorzengebied. Het dorp lijkt deze vloeden te hebben overleefd, hoewel de naam Pittershoeck pas in 1480 in historische bronnen wordt vermeld. Later stond het dorp bekend als Pietershouck (1540), Putters Houck (1573) en Putters-hoeck van der Zijtwinde (1654). De naam is een samenstelling van de persoonsnaam Pitter (Pieter) en de aanduiding hoeck (hoek) voor een scherpe of uitspringende bocht. In 1593 werd de Polder Nieuw Bonaventura bedijkt. Via de direct ten oosten van het plangebied gelegen Boezemvliet kon met behulp van de sluizen in de Molendijk het overtollige water uit de polder via het Lorregat op de Oude Maas worden geloosd. 5

Mondelinge mededeling de heer J. Ras, voorzitter SAHW, d.d. 16-4-2020.

18

In het kader van de analyse van de historische informatie zijn de Polderkaart van Nieuw Bonaventura uit 1592, de kaart van de dijken van de Polder Bonaventura uit 1619, de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 en de Topografische Kaart uit 1905, 1959 en 1990 geraadpleegd. Op de Polderkaart van Nieuw Bonaventura uit 1592 wordt het dorp Pietershouck weergegeven met bebouwing langs het huidige Schouteneinde (zie Afbeelding 13). Omdat de precieze ligging van het plangebied op deze kaart niet kan worden weergeven, kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de op de kaart afgebeelde bebouwing ook voormalige bebouwing ter plaatse van het huidige plangebied betreft. Op de kaart van de dijken van de Polder Bonaventura uit 1619 wordt ter plaatse van het plangebied bebouwing weergegeven (zie Afbeelding 14).

Afbeelding 14. Puttershoek op een uitsnede van de Kaart van de dijken van de polder Bonaventura uit 1619 (Symonsen, 1619). De globale ligging van de bebouwing in het plangebied is aangeduid met een rood pijltje. Bron: Nationaal Archief, Kaartcollectie Binnenland Hingman, inventaris nr. 2136. Het noorden is links.

Op de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 worden ter plaatse van het huidige plangebied een vijftal percelen weergegeven (zie Afbeelding 15). Dit betreft: Perceel 55: Perceel 57: Perceel 59: Perceel 60: Perceel 61:

watering, in eigendom van Leendert Schravendeel, arbeider Schuur. In eigendom van Leendert Schravendeel, arbeider rietland, in eigendom van de chirurgijn Marcelis de Raadt watering in eigendom van de chirurgijn Marcelis de Raadt huis en erf in eigendom van de chirurgijn Marcelis de Raadt

Ook op de Topografische Kaart uit 1905, 1959, 1968 en 1990 wordt ter plaatse van het plangebied bebouwing weergegeven. Het huidige, te slopen pand dateert volgens het BAG register met bouwjaren van structuren in het plangebied uit 1964. Tot 1967 liep de noordelijke dijk langs het Lorregat door het plangebied, in de richting van het Schouteneinde.

19

Afbeelding 15. De globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) op een uitvergrote uitsnede van de Kadastrale Minuut Puttershoek B, Blad 02 (Min081166B02). Bron: Archis3, 2020.

3.4 Luchtfoto’s In het kader van het onderzoek zijn vanwege de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom van Puttershoek geen luchtfoto‘s geraadpleegd.

3.5 Actueel Hoogtebestand Nederland In het kader van het onderzoek is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd (zie Afbeelding 16). Het maaiveld ligt ter plaatse van het plangebied op een hoogte van circa 1.0 - 2.0 meter +NAP.

20

Afbeelding 16. De globale ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De oranje en gele zones betreffen de hoger gelegen zones, de blauwe en groene zones betreffen de lager gelegen zones. Bron: AHN (http://www.ahn.nl), 2020.

3.6 Archeologisch Verwachtingsmodel Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met opgebrachte lagen op Afzettingen van Duinkerke, op Hollandveen, op Afzettingen van Gorkum met inschakelingen van Hollandveen. Op de kaart van het vigerende ‘Bestemmingsplan Puttershoek’ wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een hoge archeologische verwachting (Waarde - Archeologie - 2). 6 In deze regio kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode van het Laat Paleolithicum t/m de Nieuwe Tijd. In deze regio zijn tot nu toe archeologische resten aangetroffen uit alle perioden van het Laat Neolithicum t/m de Nieuwe Tijd. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kunnen hier dagzomend of direct onder de ploegvoor worden aangetroffen, op en in ophooglagen, of in de top van de Afzettingen van Duinkerke III, op een diepte vanaf circa 2.10 meter +NAP. Dit betreft resten van bebouwing (woonhuis en schuren) en erfgerelateerde sporen langs het Schouteneinde. 6

Deze verwachtingswaarde is gebaseerd op de in de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard, Kaartbijlage 2, Deelgebied II (Huizer e.a., 2009) vastgelegde archeologische verwachting voor deze zone.

21

Ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied betreft het mogelijk aanwezige resten gerelateerd aan infrastructuur (bedijking, kade en waterbeheersing), of industrie (rietwinning, visserij, bleekveld, scheepsmakerij). Oudere archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen, de Romeinse tijd en de IJzertijd zouden hier kunnen worden aangetroffen op en in de top van het Hollandveen. Voor zover deze niet door erosie is aangetast, ligt dit niveau naar verwachting ver beneden de diepte van de civieltechnische graafwerkzaamheden en is deze verwachting verder buiten beschouwing gelaten. Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische sporen kunnen op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek geen conclusies worden getrokken.

22

4. Resultaten veldonderzoek 4.1 Inleiding Ten tijde van het booronderzoek (IVO-Overig, verkennend) was ter plaatse van het plangebied bebouwing, verharding en begroeiing aanwezig. De uitvoering van een oppervlaktekartering was hierdoor niet mogelijk. Het maaiveld lag op een hoogte van circa 1.04 tot 3.28 meter +NAP.

Afbeelding 17. Het plangebied (rood omkaderd) en de locaties van de boringen (gemarkeerd met rode stippen), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. Schaal 1: 750.

4.2 Booronderzoek In het kader van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, verkennend, zijn binnen het plangebied zijn 4 boringen uitgevoerd tot een diepte van maximaal 4.0 meter beneden het maaiveld (zie Afbeelding 17 en 18).

23

4.3 Bodemopbouw Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied een bodemopbouw aanwezig is met subrecente en oudere ophooglagen, in het geval van Boring nr. 2 een oude slootvulling, op Afzettingen van Duinkerke III.

Afbeelding 18. Grafische weergave van Boring nr. 1 t/m 4.

24

Ophooglagen Ter plaatse van Boring nr. 1 is een bodemopbouw aangetroffen met een 0.40 meter dikke, sub-recent opgebrachte laag van donkerbruine, sterk zandige, sterk humeuze klei met baksteenspikkels, wortels en kleibrokken, op een 2.98 meter dik ophoogpakket met te onderscheiden lagen van bruine en donkergrijze klei en zeer fijn grijs zand met grind, baksteenspikkels, mortelresten, houtskoolspikkels en aardewerk, op Afzettingen van Duinkerke III. Ter plaatse van Boring nr. 2 is een bodemopbouw aangetroffen met een 1.11 meter dikke ophooglaag van bruine, matig siltige, naar onderen matig zandige klei met roestvlekken, op een circa 1.50 meter dik pakket van grijze, matig zandige klei met dy-vlekken, schelpgruis en mosselschelpresten (slootvulling), op een laag met donkerbruine, zwak zandige, sterk humeuze klei met houtskoolspikkels en mortelresten, op een venige laag van donkergrijs, zwak zandig veen met plantenresten (Afzettingen van Duinkerke). Ter plaatse van Boring nr. 3 is een bodemopbouw aangetroffen met een 0.45 meter dikke laag van sub-recent opgebracht donkerbruin, matig kleiig, matig humeus zand met veel grind en puin, op een vergraven laag van (donker)bruine, matig zandige klei met baksteenbrokken, cement en sub-recent glas, op een ophooglaag van donkergrijze, matig zandige klei met baksteenbrokjes en mortelresten. Ter plaatse van Boring nr.

4 is een bodemopbouw aangetroffen met een ophooglaag van bruin, matig fijn, zwak kleiig zand met baksteenspikkels, fijn grind en aan de basis mortelresten, op een ophooglaag van bruine, matig zandige klei met roestvlekken, schelpgruis en in de top houtskoolspikkels, op een ophooglaag van lichtgeel, matig grof zand. Deze boring stuitte op een diepte van 1.80 meter beneden het maaiveld (1.48 meter +NAP) op iets hards in de ondergrond, mogelijk puin, een fundering of muurwerk, maar een houtconstructie kan ook niet worden uitgesloten. Het pakket met ophooglagen had ter plaatse van Boring nr. 1 een dikte van 3.38 meter, ter plaatse van Boring nr. 2, met inbegrip van de slootvulling (of dempingspakket), een dikte van 2.58 meter en ter plaatse van Boring nr. 3 een dikte van 2.64 meter. Ter plaatse van Boring nr. 4 kon de werkelijke dikte niet worden vastgesteld, maar bedroeg deze in ieder geval 1.80 meter. Afzettingen van Duinkerke III Ter plaatse van Boring nr. 1 werd de top van de natuurlijke Afzettingen van Duinkerke IIIb aangetroffen op een diepte van 3.38 meter beneden het maaiveld (1.29 meter –NAP). De afzettingen betroffen grijs, zeer fijn zand. Ter plaatse van Boring nr. 2 werd de top van de natuurlijke Afzettingen van Duinkerke IIIb aangetroffen op een diepte van 2.58 meter beneden het maaiveld (1.11 meter –NAP).

De afzettingen bestonden hier uit een afwisselende gelaagdheid van grijze tot donker bruingrijze, matig gerijpte tot ongerijpte, soms matig siltige klei en donker bruingrijs tot grijs, matig grof zand. In de afzettingen werden plantenresten en schelpgruis aangetroffen. Ter plaatse van Boring nr. 3 werd de top van de natuurlijke Duinkerke IIIb-afzettingen aangetroffen op een diepte van 2.64 meter beneden het maaiveld (1.60 meter –NAP). Deze afzettingen bestonden uit grijze, matig tot ongerijpte, matig siltige klei, met schelpgruis en wat dy-vlekken in de top

4.4 Archeologische indicatoren In Boring nr. 1 werd in een ophooglaag van donkergrijze, matig zandige klei met schelpgruis, met baksteen- en houtskoolspikkels op een diepte van 2.98 meter beneden het maaiveld (0.89 meter – NAP) een fragment geglazuurd Roodbakkend aardewerk aangetroffen dat in de Nieuwe Tijd kan worden gedateerd (zie Afbeelding 19).

25

Afbeelding 19. Fragment Roodbakkend aardewerk uit Boring nr. 1.

Boring nr. 4 stuitte op een diepte van 1.80 meter beneden het maaiveld (1.48 meter +NAP) op harde weerstand in de ondergrond. Mogelijk betreft dit puin, een fundering of een muurrestant, maar de mogelijkheid van een houtconstructie kan niet worden uitgesloten.

4.5 Deselectie vondstmateriaal Omdat het vondstmateriaal uit slechts 1 aardewerkfragment bestond, is het materiaal, na in het veld te zijn schoongemaakt en gefotografeerd, conform Protocol 4001, PS06, Tabel 1 van de KNA 4.1, niet verzameld of meegenomen. Wel kan dit aardewerk, evenals de houtskoolspikkels, baksteenbrokjes, baksteenspikkels en mortelresten hoogstwaarschijnlijk worden gerelateerd aan bebouwing uit de Nieuwe Tijd die ter plaatse van het tegen het Schouteneinde aan gelegen deel van het plangebied aanwezig is geweest.

26

5. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 5.1 Samenvatting en conclusies Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de vergunningprocedure voor de sloop van een deel van de bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwe woningen en een toegangsweg ter plaatse van het Schouteneinde 54 te Puttershoek (Gemeente Hoeksche Waard). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 0.23 hectare. Momenteel bestaat de bebouwing op de kavel uit een leegstaand bedrijfsgebouw en een winkelruimte. Het bouwplan voorziet in nieuwbouw van een aantal gebouwen: 2 moderne gebouwen aan het Schouteneinde en paviljoens op het achterterrein. Iedere gebouwmassa bevat meerdere woningen met diverse oppervlaktes. De belangrijkste te voorziene bodemverstoringen betreffen de (graaf)werkzaamheden ten behoeve van de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing en de aanleg van de bouwputten voor de nieuwbouw. Daarnaast zullen ook heipalen worden aangebracht. Op de kaart van het vigerende ‘Bestemmingsplan Puttershoek’ wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie - 1).

Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 21 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 30 m² en met een diepte van meer dan 0.3 meter beneden het maaiveld. In het kader van de vergunningprocedure/ bestemmingsplanwijziging moest dan ook eerst een Archeologisch Bureauonderzoek en een verkennend archeologisch booronderzoek (IVO-Overig) moest worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus. Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 4 maart 2020) heeft de heer J. H. Roest van Roest Architectuur uit Rotterdam, namens de heer A. Barth van Schouteneinde BV uit ’sGravendeel, op 20 maart 2020 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Vervolgens is op 16 april 2020 het veldonderzoek (IVO-Overig, verkennend) uitgevoerd. Daarbij zijn 4 boringen gezet tot een diepte van 4.0 meter beneden het maaiveld. De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in het voorliggende conceptrapport.

Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek en het IVO-Overig, verkennend kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met ophogingslagen op natuurlijke Afzettingen van Duinkerke IIIb. 2. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kunnen hier dagzomend of direct onder de ploegvoor worden aangetroffen, op en in ophooglagen, of in de top van de Afzettingen van Duinkerke III, op een diepte vanaf circa 2.10 meter +NAP. Dit betreft resten van bebouwing (woonhuis en schuren) en erfgerelateerde sporen langs het Schouteneinde. Ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied betreft het mogelijk aanwezige resten gerelateerd aan infrastructuur (bedijking, kade en waterbeheersing), of industrie (rietwinning, visserij, bleekveld, scheepsmakerij). Ter plaatse van het plangebied is op basis van wat van oude kaarten kan worden afgeleid in ieder geval bebouwing aanwezig geweest vanaf het einde van de 16de eeuw, of het begin van de 17de eeuw. De aanwezigheid van resten van oudere, laatmiddeleeuwse bebouwing kan niet worden uitgesloten.

27

Ter plaatse van het westelijke deel van het plangebied kunnen de daar te verwachten bebouwingsresten uit de 17de en de 18de eeuw (gedeeltelijk) zijn verstoord bij de realisatie van de nieuwbouw in 20ste eeuw. 3. Oudere archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen, de Romeinse Tijd en de IJzertijd zouden hier kunnen worden aangetroffen op en in de top van het Hollandveen. Dit niveau ligt echter naar verwachting ver beneden de diepte van de civieltechnische graafwerkzaamheden en is dan ook verder buiten beschouwing gelaten. 4. Ter plaatse van alle boringen zijn onder de subrecente bovenlaag oudere ophooglagen aangetroffen met daarin baksteen- en houtskoolspikkels en mortelresten. Op basis van de aanwezigheid van een fragment Roodbakkend aardewerk ter plaatse van Boring nr. 1 op een diepte van 2.98 meter beneden het maaiveld (0.89 meter –NAP) kan het grootste deel van de ophooglagen worden gedateerd in de Nieuwe Tijd. Voor de onderste ophooglagen geldt dat ondanks het ontbreken van dateerbaar vondstmateriaal een laatmiddeleeuwse datering niet kan worden uitgesloten. 6. De horizonten met archeologische indicatoren uit de Nieuwe Tijd zullen bij de ondergrondse sloopwerkzaamheden en bij de aanleg van de bouwputten voor de nieuwe bebouwing woning worden aangesneden.

5.2 Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek en booronderzoek (IVO-Overig, verkennend) moet worden geconcludeerd dat de voorgenomen planrealisatie kan leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom noodzakelijk geacht. Daarbij zal in ieder geval, voor zover de diepte van de bodemingrepen dit toelaat, de aard en ouderdom van de in Boring nr. 4 aangetroffen obstructie, mogelijk een puinlaag, fundering en/of muurrestant of een houtconstructie, nader moeten worden vastgesteld, evenals het daar gelegen dijklichaam. Ter plaatse van het westelijke deel van het plangebied zouden muurresten van de voormalige bebouwing uit de 17de en 18de eeuw kunnen worden aangesneden, voor zover deze niet zijn verstoord bij de realisatie van de nieuwbouw in de 20ste eeuw. Hoewel het heipalenplan nog niet bekend is wordt er van uitgegaan dat de heipalen een relatief beperkte oppervlakte zullen beslaan en dat de afstand tussen de heipalen ook voldoende zal zijn om hier ook in de toekomst nog archeologisch onderzoek uit te kunnen voeren. Het aanbrengen van de heipalen wordt daarom niet beschouwd als een significante bodemverstoring.

Voor het archeologisch vervolgonderzoek zal, in verband met de bestaande civieltechnische belemmeringen (de aanwezigheid van het bestaande bedrijfspand en winkelruimte), aansluiting moeten worden gezocht bij de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Dit ook om ‘dubbel’ graafwerk te voorkomen. Daarom wordt geadviseerd om alle ondergrondse sloopwerkzaamheden en de civieltechnische graafwerkzaamheden (uitgraven bouwputten) onder Archeologische Begeleiding te laten uitvoeren. Dit direct vanaf het maaiveld. Voor de Archeologische Begeleiding moet een Programma van Eisen worden opgesteld dat voorafgaand aan de uitvoering van het veldonderzoek moet zijn goedgekeurd door de Gemeente Hoeksche Waard.

28

Literatuur -

Gemeente Binnenmaas: Bestemmingsplan Puttershoek, Maasdam: 2013

-

Huizer, J., M. Benjamins en S. van der A: De Archeologische Verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard; ADC, Amersfoort: 2009

-

Koekkelkoren, A. M. H. C. en S. Moerman: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek verkennende fase, Julianastraat, Puttershoek (gemeente Binnenmaas), IDDS Archeologie-rapport 1256, Noordwijk:2012

-

Mulder, E. F. J. de, M. C. Geluk, I. L. Ritsema, W. E. Westerhof en T. E. Wong: De ondergrond van Nederland; Groningen: 2003

-

Ras, J.: Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen ‘Plangebied Nieuw Weverseinde’, Puttershoek, Gemeente Binnenmaas, SOB Research rapport 2478-1702, Heinenoord: 2017

-

Ras, J.: Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen ‘Plangebied Molendijk 14’, Puttershoek, Gemeente Binnemaas, SOB Research rapport 2599-1806, Heinenoord: 2018

-

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE): Archeologisch Informatie Systeem (Archis3); RCE, Amersfoort: 2020

-

Robas-producties/Topografische Dienst: Foto-atlas van Zuid-Holland; Den Ilp: 1989

-

Roodenburg, F.: Schouteneinde, Puttershoek, gemeente Ouderkerk: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase; Bureau voor Archeologie Utrecht: 2018

-

Schute, J. A.: Nieuwbouwlocatie Schouteneinde in Puttershoek, gemeente Binnenmaas: een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1), RAAP-briefrapport 2000-688/MW, Weesp: 2000

-

Verbraeck, A. en J. H. Bisschops: De Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Willemstad Oost (43O); Rijks Geologische Dienst (RGD), Haarlem: 1971

-

Verbraeck, A. en J. H. Bisschops: Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Willemstad Oost (43O); Rijks Geologische Dienst (RGD), Haarlem: 1971

-

Wilgen, L. R. van: Aanvullende Archeologische Inventarisatie Bouwlocatie Kwaliteit in de Kern, Puttershoek, SOB Research rapport, Heinenoord: 2003

-

Wilgen, L. R. van: Aanvullende Archeologische Inventarisatie Bouwlocatie Kwaliteit in de Kern Fase 2, Puttershoek, SOB Research rapport, Heinenoord: 2003

-

Wilgen, L.R. van: Archeologische Begeleiding Natuurontwikkelingsprojecten Argusvlinder Hoeksche Waard Oost, SOB Research rapport 1130-0104, Heinenoord: 2005

29

Geraadpleegde internetsites: - http://chs.zuid-holland.nl - http://maps.bodemdata.nl - http://pdokviewer.pdok.nl - http://www.gemeentehw.nl - http://www.hisgis.nl - http://www.ikme.nl - http://www.ruimtelijkeplannen.nl - http://www.topotijdreis.nl - https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer - https://archis.cultureelerfgoed.nl - https://noaa.cultureelerfgoed.nl - https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens - https://www.google.nl - https://www.nationaalarchief.nl

30

Verklarende woordenlijst antropogeen

door menselijk handelen

C14 datering

bepaling van het gehalte aan radioactieve koolstof (C14) van organisch materiaal (hout, houtskool, schelpen, etc.) waaruit de ouderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren voor 1950 A.D.

dekzand

Tijdens het Pleistoceen door de wind afgezette zandafzettingen

differentiële klink

verschijnsel waarbij zones door geologische of fysische processen laag of hoog ten opzichte van elkaar komen te liggen; ook wel omgekeerde klink of reliëfinversie genoemd

dy

organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken

erosie

verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door de inwerking van wind, ijs of stromend water

estuarium

een min of meer trechtervormige monding van een rivier, die binnen het bereik van getijdestromingen ligt

eutroof veen

veen dat is ontstaan in een voedselrijk milieu

fluviatiel

onder invloed van een rivier

geul

rivier- of kreekbedding

gorzenlandschap

gebied dat boven het gemiddelde hoogwaterpeil ligt en pas bij de hoogste vloeden onderloopt

gyttja

organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken

Hollandveen

Alle veenpakketten die gedurende het Holoceen zijn ontstaan met uitzondering van het basisveen. De definitie van ‘Hollandveen’ betreft dus in feite bijna alle veenpakketten die gedurende de afgelopen 8.000 jaar zijn ontstaan

Holoceen

jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste IJstijd: circa 10.000 jaar voor Chr. tot heden)

in situ

bewaard gebleven binnen de oorspronkelijke context/ locatie; dit met name met betrekking tot onverstoorde archeologische sporen en vondsten

klink

maaivelddaling van veen- en kleigronden door ontwatering, oxidatie van organisch materiaal en krimp

lagunair, lagune

ondiepe baai, beschermd tegen open zee door een strandwal of haf

31

marien

het milieu waar sedimentatie plaatsvindt die direct wordt beïnvloed door de zee

meanderen

zich bochtig door het landschap slingeren (van waterlopen)

mesotroof veen

veen, dat in matig voedselrijk milieu is ontstaan

modderklei

afzettingen in het perimariene gebied, bestaande uit kleiige venen en venige kleien

moernering

veenafgraving, hoofdzakelijk ten behoeve van zoutwinning en de winning van brandstof (turf)

oligotroof veen

veen dat is ontstaan in voedselarm, relatief droog milieu

oxidatie

(traag) verbrandingsproces van organisch materiaal in reactie met zuurstof

perimarien

het milieu, waarin de sedimentatie wordt beïnvloed door de zee (via het rivieren kreekstelsel), maar waar mariene afzettingen van betekenis ontbreken

Pleistoceen

geologisch tijdperk dat ongeveer 2.6 miljoen jaar geleden begon. De tijd van de IJstijden, maar ook van gematigd warme perioden. Het Pleistoceen eindigde met het begin van het Holoceen

pollenanalyse

statistische studie van stuifmeelkorrels en sporen, die in sedimenten gevonden worden. Doel is onder meer milieureconstructie

regressiefase

periode waarin het water zich terugtrekt (als gevolg van een daling van de zeespiegel, of als gevolg van sluiting van strandwallencomplex) na een transgressiefase

sediment

afzetting gevormd door bezinksel of neerslag

sondeerijzer

lange, dunne metalen 'prikstok', die onder meer wordt gebruikt om antropogene sporen te op te sporen

strandwal

een onder directe invloed van de zee ontstane zandrug evenwijdig met de kustlijn, meestal aan de rand van een strandvlakte

strandvlakte

een door de directe werking van de zee ontstane zandvlakte langs de kust

stroomrug

restant van een door zand- en klei-afzettingen verlandde, oude stroomgeul. Door differentiële klink meestal hoger gelegen dan de omgeving

transgressiefase

fase waarin de invloed van de zee zich landinwaarts uitbreidt (als gevolg van stijging van de zeespiegel of als gevolg van erosie van het strandwallencomplex)

verlandingsklei

klei die aan het einde van een transgressiefase wordt afgezet

32

Bijlage 1 Administratieve gegevens Projectnaam:

SOB Research Project nr. Opdrachtgever:

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen, Plangebied Schouteneinde 54, Puttershoek, Gemeente Hoeksche Waard 2745-2003 De heer H. Roest Roest Architectuur Goudsesingel 136, 2011 KD Rotterdam Mob.: 06 - 22661025 E-mail: hans@roest-architectuur.nl Namens:

Uitvoerder:

Bevoegde overheid:

Archeologisch adviseur van de bevoegde overheid:

Aanleiding onderzoek: Opdracht: Veldonderzoek: Conceptrapport: Definitief rapport: Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Huidig grondgebruik: Toekomstige situatie: Kaartblad:

De heer A. Barth Mijlweg 2, 3295 KH ’s-Gravendeel SOB Research, Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek Hofweg 13, Heinenoord Postbus 5060, 3274 ZK Heinenoord Tel.: 0186 - 604 432/ 0575 - 476439 E-mail: sobresearch@wxs.nl Website: https://www.sobresearch.nl College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Hoeksche Waard Postbus 2003, 3260 EA Oud-Beijerland Contactpersoon: de heer A. Brand Tel.: 088 - 6471748 E-mail: alex.brand@gemeentehw.nl Mevrouw C. Cohen Stuart Terra-Archeologie Lindeboom 45, 4101 WG Culemborg Tel.: 0345 - 518309 Mob.: 06 - 45059916 E-mail: info@terra-archeologie.nl Aanvraag omgevingsvergunning. 20 maart 2020 16 april 2020 1ste versie: 22 april 2020 2de versie: 4 mei 2020 11 mei 2020 Zuid-Holland Hoeksche Waard Puttershoek Schouteneinde 54 Kadastrale Gemeente Puttershoek, Sectie C, nr. 511, 1350 en 2419. Bebouwing, tuin en verharding. Bebouwing, parkeerplaatsen. 43F

33

Geologie: Geomorfologie: Bodemtype: Grondwatertrap: NAP-hoogte maaiveld: Coördinaten plangebied:

Oppervlakte plangebied: Kaart plangebied: CMA/ AMK-status: CAA -nr.: CMA -nr.: ARCHIS-Monument nr.: ARCHIS-Vondstmelding nr.: ARCHIS-Waarneming nr.: ARCHIS-Onderzoeksmelding nr.: Deponering:

Ophooglagen, op Afzettingen van Duinkerke IIIb. Op basis van extrapolatie ‘vlakte van getij-afzettingen (code 2M72) Op basis van extrapolatie ‘kalkrijke poldervaaggronden (code Mn35A) Bebouwing/ oppervlaktewater. Circa 1.0 - 2.1 meter +NAP. Zuidwest: 98.927/424.245 Zuidoost: 98.986/424.201 Noordwest: 98.945/424.263 Noordoost: 99.020/424.230 Circa 0.23 hectare. Zie Afbeelding 3 en 4. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. 4821099100 Depothouder: het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie ZuidHolland, voor deze het bureauhoofd van Bureau CVT Postbus 90602, 2509 LP Den Haag Contactpersoon voor vondstmateriaal:

de

selectie/

de-selectie

van

De Provinciaal Archeoloog van de Provincie Zuid-Holland, de heer R. H. P. Proos Postbus 90602, 2509 LP Den Haag Tel.: 070 - 4418445 Mob.: 06 - 18309889 E-mail: archeologie@pzh.nl Deponering vondstmateriaal:

Deponering digitale documentatie:

Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland Kalkovenweg 23, 2401 LJ Alphen aan den Rijn Depotbeheerder: de heer M. Phlippeau Tel.: 070 - 4417282 Mob.: 06 - 25734759 E-mail: archeologischdepot@pzh.nl E-depot (https://easy.dans.knaw.nl/ui/home)

34

Bijlage 2 Archeologische en geologische tijdschaal

In dit overzicht zijn de geologische en archeologische hoofdperioden weergegeven. De dateringen in de middenkolom (voor en na Chr.) zijn gekalibreerd en bieden de betrouwbaarste dateringen. Bron: RCE, 2014.

35

36

Bijlage 3 Overzicht voor het Holocene gebied van de gebruikelijke, klassieke lithostratigrafische indeling en de vertaling naar de lithostratigrafie van De Mulder et al., 2003 Klassieke nomenclatuur

Nomenclatuur van De Mulder et al., 2003

Afzettingen van Duinkerke III (a, b) Afzettingen van Duinkerke II Afzettingen van Duinkerke I (a, b) Afzettingen van Duinkerke O

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren

Hollandveen Basisveen

Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag

Afzettingen van Calais IV Afzettingen van Calais III Afzettingen van Calais II Afzettingen van Calais I

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer

Jonge Duin- en Strandafzettingen Oude Duin- en Strandafzettingen

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort

Afzettingen van de Formatie van Twente (dekzand)

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden

Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen (rivierduinen) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye Formatie van Kreftenheye Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen (Afzettingen van Wijchen) Afzettingen van Tiel III Afzettingen van Tiel II Afzettingen van Tiel I (a, b) Afzettingen van Tiel O

Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld

Afzettingen van Gorkum IV Afzettingen van Gorkum III Afzettingen van Gorkum II Afzettingen van Gorkum I

Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld Formatie van Echteld

37

38

Bijlage 4 Overzicht Boorgegevens

39

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11560688/1