Zienswijze gemeenteraad Hilversum II
Tekst van het document
GEMEENTE HILVERSUM POSTBUS 9900 1201 GM HILVERSUM
Aan Regio Gooi en Vechtstreek t.a.v. het algemeen bestuur Postbus 251 1400 AG BUSSUM
DATUM ZAAKNUMMER
BEZOEKADRES: RAADHUIS DUDOKPARK 1 TELEFOONNUMMER: 14 035 WWW.HILVERSUM.NL
15 juni 2022 1285451
UW KENMERK UW BRIEF VAN
3 maart 2023
BIJLAGEN BETREFT
Zienswijze startnotitie actualisering gemeenschappelijke regeling Actualisering Gemeenschappelijke Regeling Geachte leden van het Algemeen Bestuur,
Op 3 maart 2023 ontvingen wij van u de startnotitie actualisering gemeenschappelijke regeling. De huidige Gemeenschappelijke Regeling Regio Gooi en Vechtstreek dateert van 1 maart 2022. Voornoemde startnotitie hebben wij behandeld in onze raadsvergadering van 14 juni 2023. U stelt ons in de gelegenheid hierop een zienswijze in te dienen. Deze treft u hierbij aan. Allereerst spreken wij onze waardering uit voor de totstandkoming van de startnotitie. Deze geeft inzicht in de procedure en het afwegingskader om tot een nieuwe gemeenschappelijke regeling te komen. Het preadvies in hoofdstuk 3 van de startnotitie is daarbij uitermate nuttig. De raad van Hilversum hecht eraan dat in deze bestuursperiode uitvoering wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Werkgroep Governance onder leiding van burgemeester Mol. Daarmee wordt recht gedaan aan de bestuurlijke/democratische legitimiteit van de regionale samenwerking. In onze zienswijze gaan we in op de vragen die zijn gesteld in hoofdstuk 4 van de startnotitie. 1.
Kunt u zich vinden in het voorgestelde proces, planning en procedureafspraken?
Reactie Hilversum: De planning en aanpak zijn helder. Aandachtspunt is de termijn voor het geven van een zienswijze. In de startnotitie wordt uitgegaan van een termijn van minimaal 8 weken. Deze termijn blijkt in de praktijk (te) kort en bovendien is/lijkt het gebruikelijk binnen de regio om een zienswijzetermijn van (ten minste) 12 weken te hanteren. 2.
Wat is uw reactie op het preadvies van het algemeen bestuur gericht op de wijzigingen in de Wgr (beschreven in hoofdstuk 3; het voorstel voor zienswijze voor besluiten, participatie en gemeenschappelijke adviescommissie)?
Reactie Hilversum: I Ten aanzien van voorstel zienswijze voor besluiten: Het preadvies bevat een conceptartikel. Voorgesteld wordt om een zienswijzeprocedure in te stellen voor besluiten van het AB of DB die betrekking hebben op:
a. het aangaan van een duurzame vorm van samenwerking; b. het in uitvoering (over)nemen van markttaken; c. het doen van een investering van boven de 10 miljoen euro.
Onderdeel a: het gestelde onder sub a volgt mogelijk al uit artikel 13 lid 3 (Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en de raden in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen). Onze vraag aan u: wat wordt met het gestelde onder a aanvullend bereikt? Ten faveure van de leesbaarheid stellen wij in ieder geval voor om onderwerpen zoveel als mogelijk in een centraal artikel op te nemen in de gemeenschappelijke regeling. Onderdeel b: vooraf is duidelijkheid wenselijk over de vraag in hoeverre op basis van de huidige gemeenschappelijke regeling markttaken uitgevoerd kunnen worden. Onderdeel c: dit onderdeel spreekt voor zich. Het is van belang dat de raden vooraf worden meegenomen bij belangrijke investeringsbeslissingen en niet alleen in geval van begrotingswijzigingen. Het bedrag van de investering is echter aan de zeer hoge kant. Voorstel is daarom het bedrag niet alleen te verlagen, maar ook te onderbouwen. Dit onderwerp vraagt om een heldere definitie. Bovendien vinden wij het wenselijk om de zienswijze niet alleen in te stellen in geval van (substantiële) investeringen maar ook in geval van nieuwe projecten/initiatieven waarbij op voorhand redelijkerwijs duidelijk is dat deze – op termijn – (substantiële) invloed hebben op de programmabegroting.
Daarnaast stellen we voor de opsomming uit te breiden naar (voorgenomen) besluiten omtrent overgedragen taken waarvoor ook eerder een ‘zienswijzeprocedure’ is ingesteld. Denk aan de grondstoffenvisie en de uitvoeringsplannen GAD. Daar waar de besluitvorming in de regio direct de lokale dienstverlening aan de inwoners raakt, vinden wij het belangrijk hiervoor een zienswijzeprocedure in te stellen en dit ook met zoveel woorden vast te leggen in de gemeenschappelijke regeling. II
Ten aanzien van de gemeenschappelijke adviescommissie
Er zijn reeds stappen gezet om de raden beter in positie te brengen. Het verdient ons inzien aanbeveling om eerst de instrumenten van de startnotitie en de regiopodia verder toe te passen en deze te evalueren, alvorens een adviescommissie in te stellen. Dan wordt ook duidelijker wat er echt nodig is.
III
Ten aanzien van participatie
De startnotitie bevat een tekstvoorstel betreffende participatie: ‘Bij de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van regionaal afgestemd beleid kan, in samenwerking met de gemeente(raden)n, gelegenheid worden geboden aan ingezetenen en belanghebbenden om betrokken te worden, overeenkomstig de wijze beschreven in de Participatieverordening Regio Gooi en Vechtstreek.’ Participatie van inwoners is al gemeengoed binnen de Regio Gooi en Vechtstreek. Volgens het advies van de juridische werkgroep is het aan de gemeenteraden om te bepalen wel of geen participatie toe te passen. De keuze wel/geen participatie moet in ieder geval wel worden opgenomen in de gemeenschappelijke regeling. De nadere uitwerking vindt nu plaats in de regionale participatieverordening. Deze moet nog worden geactualiseerd. Wij vertrouwen erop dat u hiermee voortvarend aan de slag gaat.
3.
Zijn er naast de adviezen van de werkgroep governance (bijlagen 1 en 2) en de verzamelde aanpassingen (opgenomen in bijlage 3) aanvullende onderwerpen/thema’s die bij het verdere proces rondom de actualisering van de GR meegenomen moeten worden?
Reactie Hilversum In onderstaand overzicht wordt artikelsgewijs weergegeven wat de verbeterpunten/aandachtspunten zijn. a)
artikel 5 inzake overgedragen taken: regionale inkoop
het proces met betrekking tot de regionale inkooptrajecten is niet helder. Welke besluiten moeten lokaal worden genomen? Dit sluit aan bij het advies van de Werkgroep verbetering governance uit 2021 (bijlage 2 van de startnotitie) waarin aandacht wordt gevraagd voor rolduidelijkheid (pag. 15): ‘Het is de werkgroep namelijk ook niet duidelijk hoe bijvoorbeeld de portefeuillehouderoverleggen zich verhouden tot het Algemeen Bestuur en wie welke besluiten neemt en wanneer een voorstel wel of niet door gemeenteraden moet worden vastgesteld.’ Op dit moment stellen de colleges het toelatingsdocument vast met het programma van eisen. Dat gebeurt nu vaak pas achteraf, waarbij het traject betreffende de inwonersparticipatie soms regionaal dan weer lokaal wordt opgepakt. In de versie van de Gemeenschappelijke Regeling Regio Gooi en Vechtstreek van 1 januari 2021 (vervallen per 28 februari 2022) was er nog een uitgebreide toelichting opgenomen bij artikel 5. In de toelichting stond het volgende: ‘De Regio is belast met de opdrachtverstrekking van resp. maatwerkvoorzieningen aan aanbieders in het kader van de Wmo 2015, jeugdhulpvoorzieningen aan aanbieders in het kader van de Jeugdwet en reintegratievoorzieningen aan aanbieders in het kader van de Participatiewet.
Onder deze taakuitvoering valt de daartoe benodigde beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering, de inkoop, in en externe monitoring, contractbeheer, de financiële controle op declaraties en het contractmanagement alsmede de verwerking van persoonsgegevens voor specifieke doeleinden. De beleidsvoorbereiding vindt plaats via een door de gemeenten uniform verstrekt mandaat.’ Onduidelijk is wat er nu geldt. Is de oude toelichting nog van toepassing? Ons verzoek is daarom een bepaling op te nemen in de gemeenschappelijke regeling inzake regionale inkooptrajecten met vastlegging van taken en bevoegdheden. In het overzicht van de aanpassingen GR (bijlage 3 bij de startnotie) wordt vermeld om ook de inkoop van inburgeringstrajecten structureel te beleggen bij de Regio. Dit moet nog worden uitgewerkt en sluit aan bij het voorgaande. b)
artikel 7 inzake regionale samenwerkingsagenda: startnotitie
In lid 2 van artikel 7 wordt specifiek verwezen naar de startnotitie (lid 2) en de zienswijzeprocedure (lid 3). Omdat er al een voorstel ligt voor een artikel over de zienswijze vinden wij het logisch om in de gemeenschappelijke regeling oog te hebben voor de verbanden. Nu dreigt versnippering binnen één en dezelfde regeling. Optie is om bijvoorbeeld één grondbepaling over de startnotitie en de zienswijzeprocedure op te nemen in de regeling. Zie ook onze opmerking onder sub c. c)
artikel 28 inzake begroting: termijnen zienswijze
In lid 4 is bepaald dat de gemeenteraden 8 weken de tijd hebben voor een zienswijze op de conceptbegroting en het ontwerpvoorstel bestemming resultaat. Afgezien van het feit dat deze periode (te) kort is, wordt in de praktijk (veelal) een termijn van 12 weken gehanteerd. Ons voorstel is om een termijn van (ten minste) 12 weken in de regeling op te nemen. Verder geldt ook hier het gestelde onder sub b inzake de samenhang tussen de artikelen van de regeling.
d) artikel 28 en artikel 29 inzake begroting respectievelijk jaarrekening: inzake voorlopige jaarrekening en bestemming resultaat In artikel 28 betreffende de begroting wordt in lid 2 gesproken over de voorlopige jaarrekening en het ontwerpvoorstel bestemming resultaat en in lid 4 over de zienswijze betreffende het ontwerpvoorstel bestemming resultaat. Deze onderwerpen betreffen de jaarrekening. Ons voorstel is om de bepalingen betreffende de begroting en de jaarrekening qua inhoud van elkaar te scheiden. Dat bevordert de leesbaarheid. e)
artikel 30 inzake vaststelling en betaling eigen bijdrage: moment afrekening resultaten
Nu wordt soms in hetzelfde boekjaar T afgerekend, maar veelal wordt afgerekend in boekjaar T+1 bij de jaarstukken van de Regio GV zelf. Dit betreft in ieder geval het doelgroepenvervoer. Oorspronkelijk was het de bedoeling om 12x of 4 x per jaar af te rekenen op basis van de werkelijke kosten WMO vervoer en leerlingenvervoer. Dat is voor 2022 (en 2023) niet gebeurd. Afrekening geschiedt nu via de jaarstukken van de Regio GV in jaar T waarbij het resultaat van jaar T van de Regio GV dus bij de gemeenten in boekjaar T+1 verwerkt wordt. Het verdient aanbeveling om in de regeling op dit punt duidelijkheid te verschaffen.
Tot slot Met verwijzing naar de procedure in de startnotitie worden wij graag op de hoogte gesteld van de zienswijzen van de andere gemeenten, alsmede geïnformeerd over het vervolg van de procedure die moet leiden tot een nieuwe (geactualiseerde) gemeenschappelijke regeling.
Hoogachtend, De gemeenteraad van Hilversum,
de griffier,
de burgemeester,
A.J. van Meerveld CMC
dr. ir. G.M. van den Top