CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2023 - Getekend raadsbesluit

GEMEENTERAAD 1 februari 2023, gemeente HilversumBij agendapunt: Raadsvoorstel wijzing verzamelverordening inkomensvoorzieningen gemeente Hilversum 2021 (1223936)17.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

W

Hilversum Mediastad

RAADSBESLUIT

De raad van de gemeente Hilversum, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders betreffende Verzamelverordening Inkomensvoorzieningen 2023 d.d. 13 december 22022 met kenmerk 1223936, gelet op de artikelen 8, 8a, 8b en 47 Participatiewet; gelet op artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; gelet op artikel 35 wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gelet op het gewijzigde premiebeleid; Gelet op artikel 36 Participatiewet; overwegende dat met het verhogen van de inkomensgrens voor de Individuele Inkomenstoeslag een grotere groep inwoners ondersteund kan worden in een tijd van zeer hoge inflatie en koopkrachtverlies;

BESLUIT: met terugwerkende kracht per 1januari 2023 vast te stellen de;

Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2023 HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. Arbeidsontwikkeltraject: een samenhangend geheel van activiteiten, voorzieningen, scholing enlof begeleiding, dat wordt aangeboden aan een persoon uit de doelgroep met het oog op de arbeidsinschakeling; b. Beslagvrije voet: beslagvrje voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of c. redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de PW; d. Bijstandsnorm: toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de PW, of, voor de toepassing van Hoofdstuk 5, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ; e. Doelgroep: personen aan wie op grond van artikel 7 eerste lid onder a van de PW of op grond van artikel 34 van de IOAW, of op grond van artikel 34 van de IOAZ door de gemeente ondersteuning bij re-integratie kan worden geboden; f. Economische zelfredzaamheid: het zelfstandig kunnen voorzien in de noodzakelijke bestaanskosten door middel van arbeid; g.

Fraude: het verwijtbaar informatie achterhouden of verwijtbaar onjuiste informatie verstrekken, met het doel een (hogere) uitkering te ontvangen anders dan waarop men op grond van juiste enlof volledige informatie recht zou hebben. h. Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de PW, en de algemene bijstand, dat voor de toepassing van Hoofdstuk 4 in aanmerking wordt genomen; i. PW: Participatiewet;

GB23.04.3

j.

IOA W: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; k. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 1. Mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; m. Recidiveboete: bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de PW; n. Sociale zelfredzaamheid: het zelfstandig kunnen verrichten van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het beschikken over sociale vaardigheden die noodzakelijk zijn voor volwaardig maatschappelijk functioneren; o. Tegenprestatie: het naar vermogen verrichten van door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. p. Uitkering: bijstandsuitkering op grond van de PW of de grondslag op grond van de IOAW/ IOAZ; q. UWV. Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. r. Vrijwilligerswerk: werk dat op initiatief van belanghebbende, in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving; s. Werkstage: werk dat met behoud van uitkering wordt verricht, als opstap naar betaald werk, op initiatief van het college.

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

Met deze verordening wordt uitvoering gegeven aan de opdracht tot regelgeving, die krachtens de PW, de IOAW en de IOAZ aan de gemeenteraad is toegedeeld.

HOOFDSTUK 2. Re-integratie en Tegenprestatie

§ 2.1 algemene bepalingen Artikel 2.1. Opdracht en taak van het college 1. Het college ondersteunt personen die tot de doelgroep behoren en biedt hen voorzieningen

aan krachtens deze verordening, voor zover dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de economische en de sociale zelfredzaamheid. 2. Het college betrekt bij het bepalen van de ondersteuning de mate waarin dit leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt en draagt er zorg voor dat dit zo beperkt mogelijk blijft. 3. Het college houdt bij het aanbieden van ondersteuning rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon, eventuele structurele beperkingen en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijfjaar, en b. het verrichten van mantelzorg. 4. Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van andere voorzieningen die belemmeringen voor reintegratie en arbeidsinschakeling kunnen opheffen. 5. Het college kan de ondersteuning, waaronder de inzet van specifieke voorzieningen, met voorrang aanbieden aan bepaalde groepen belanghebbenden. Het college betrekt daarbij de belangen van de betreffende groep, de financiële mogelijkheden van de gemeente en de maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. Artikel 2.2. Budget- en andere plafonds

1.

2. 3.

Het college kan één of meer budget- of subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een dergelijk plafond vormt een weigeringsgrond voor het verkrijgen van een voorziening. Het college kan tevens een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een voorziening. Het college kan bepalen dat aan niet-uitkeringsgerechtigden zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a 7°, van de PW een bijdrage in de kosten van de voorziening wordt gevraagd. 2

GB23 .04.3

§ 2.2 Ondersteuning en voorzieningen Artikel 2.3. Aanspraak op ondersteuning en op voorzieningen

1.

2. 3. 4.

De ondersteuning door het college is gericht op het vergroten, bereiken of behouden van economische zelfredzaamheid van een persoon. Is economische zelfredzaamheid naar het oordeel van het college nog niet haalbaar, dan kan het college ondersteuning aanbieden die gericht is op het vergroten, bereiken of behouden van sociale zelfredzaamheid. Het college kan ondersteuning aanbieden door de inzet van de voorzieningen die in dit hoofdstuk zijn genoemd, dan wel op andere passende wijze. Het college biedt geen ondersteuning aan, als een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening die naar het oordeel van het college passend en toereikend is. Een voorziening kan worden verstrekt aan een persoon uit de doelgroep, aan de werkgever van die persoon, dan wel aan de Organisatie, waar die persoon werkzaamheden verricht, zonder dat sprake is van een dienstbetrekking.

Artikel 2.4. Beëindiging van voorzieningen

Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt een verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW, de artikelen 13 en 37 van de IQAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de PW; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een duurzame en snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening;

§ 2.3 Voorzieningen gericht op economische zelfredzaamheid Artikel 2.5. Voorzieningen in verband met arbeid

1.

Het college kan een persoon uit de doelgroep, die arbeid in dienstbetrekking zoekt: a. (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid; b. begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid; c. ondersteunen bij het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling; d. een voorziening verstrekken, gericht op economische zelfredzaamheid. 2. Het college kan een persoon uit de doelgroep, die arbeid in dienstbetrekking of arbeid met behoud van uitkering verricht of gaat verrichten, voorzieningen toekennen die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor economische zelfredzaamheid. Artikel 2.6. Ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan een voorziening aanbieden aan een persoon uit de doelgroep voor wie naar het oordeel van het college een leer-werktraject noodzakelijk is, voor zover deze voorziening nodig is voor het volgen van een leerwerktraject en het personen betreft: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel 2.7. Arbeidsontwikkeltraject

Het college kan deelname aan een arbeidsontwikkeltraject aanbieden aan een persoon uit de doelgroep, indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden van arbeid in dienstbetrekking.

3 GB23.04.3

Artikel 2.8. Scholing

1.

2.

3.

Het college kan aan een persoon uit de doelgroep een scholingstraject aanbieden. Een scholingstraject is gericht op het ontwikkelen van kennis of vaardigheden die naar het oordeel van het college van belang is voor dc economische zelfredzaamheid. De scholing kan allerlei vormen van training, scholing, begeleiding, onderricht of vorming omvatten. Een scholingstraject dat is gericht op economische zelfredzaamheid voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. zonder inzet van die scholing is het verwerven of behouden van arbeid naar het oordeel van het college niet haalbaar; b. de scholing moet aansluiten bij de krachten en bekwaamheden van de persoon; c. de scholing beslaat een periode van maximaal twee jaar. In afwijking van het eerste lid, kan geen scholingstraject worden aangeboden aan personen die jonger zijn dan 27 jaar en uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de PW.

Artikel 2.9. Participatieplaats

Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder overeenkomstig de artikelen lOa van de PW, 38a IOAW en 3 8a IOAZ, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. Artikel 2.10. Werkstage

Het college kan een persoon uit de doelgroep werkzaamheden laten verrichten met behoud van uitkering, anders dan als tegenprestatie of onbeloonde additionele werkzaamheden, indien de werkzaamheden naar het oordeel van het college passen in een traject gericht op de arbeidsinschakeling. Artikel 2.11. Persoonlijke ondersteuning

1.

Het college kan aan een persoon uit de doelgroep, persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van incidentele of structurele begeleiding, indien die ondersteuning, naar het oordeel van het college, noodzakelijk is. 2. Het college kan in bijzondere omstandigheden aan personen die met loonkostensubsidie werkzaam zijn persoonlijke ondersteuning aanbieden ter voorkoming van uitval uit het arbeidsproces, voor zover de uitval geen verband houdt met de aan hem opgedragen taken. 3. Het college kan aan de persoonlijke ondersteuning een maximale tijdsduur verbinden. Artikel 2.12. Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing

Het college kan aan een persoon uit de doelgroep, die arbeid in dienstbetrekking of met behoud van uitkering verricht of gaat verrichten, persoonlijke voorzieningen toekennen die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, dan wel voor het volgen van scholing of opleiding. Artikel 2.13. Taaltraject

1.

2. 3.

Het college kan een persoon uit de doelgroep een taaltraject gericht op arbeidsinschakeling aanbieden, indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling. Het college bepaalt de aard en inhoud van het taaltraject en de wijze waarop dit wordt ingezet. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die duurzaam en volledig ontheven zijn van de arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de PW.

Artikel 2.14. Premies en vergoedingen

1. 2.

3.

De hoogte van de premie voor onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.9 van deze verordening bedraagt € 250,00 per zes maanden. Het college kan aan een persoon uit de doelgroep, alsmede aan de werkgever van die persoon, een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt worden in het kader van de arbeidsinschakeling. De hoogte van een premie voor vrijwilligerswerk bedraagt € 250,00 per jaar. 4

GB23.04.3

4.

Het college kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de premie en de vergoedingen, bedoeld in dit artikel.

Artikel 2.15. Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde 1. Het college kan een persoon die tot de doelgroep behoort, op verzoek of ambtshalve aanmelden bij het UWV om te bepalen of die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. 2. De loonwaarde op de werkplek wordt bepaald aan de hand van de methodiek ‘Dariuz-Works’. Een weergave van deze methodiek is als bijlage toegevoegd aan deze verordening.

§ 2.4 Voorzieningen gericht op sociale zelfredzaamheid Artikel 2.16. Voorzieningen ter ondersteuning van sociale zelfredzaamheid 1. Indien economische zelfredzaamheid van een persoon uit de doelgroep naar het oordeel van het college nog niet bereikbaar is, kan het college de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.15, eveneens voor die persoon inzetten. 2. De artikelen 2.8 tot en met 2.15 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deelname aan een scholingstraj eet gericht op sociale zelfredzaamheid kan worden aangeboden indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor sociale zelfredzaamheid en aansluit bij de krachten en bekwaamheden van de persoon. Artikel 2.17. Beschut werk 1. Het college kan ambtshalve of op verzoek beoordelen of een persoon uit de doelgroep uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel lOb, eerste lid, PW heeft. 2. Het college verzoekt het UWV om advies voor de beoordeling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 3. De datum van het (positief) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van het aanbod van de voorziening beschut werk. 4.

Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen is beperkt tot het aantal waarvoor de gemeentemiddelen ontvangt van het rijk, dan wel het aantal dat bij ministeriële regeling is vastgesteld. 5. Wanneer het aantal (positieve) adviezen van het UWV het in enig jaar te realiseren aantal dienstbetrekkingen overtreft, kan het college in overleg met betrokkene(n) een andere voorziening inzetten tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt. Hiertoe behoren sociale activering, scholing, persoonlijke ondersteuning, maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie zoals bedoeld in de Wmo; 6. Het college wijst tevens een Organisatie aan die optreedt als werkgever van de personen in beschut werk. 7. Om de in artikel lOb, lid 1 van de wet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken en te laten voortduren, zet het college waar nodig de volgende voorzieningen in: proefplaatsing, fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. Artikel 2.18. Sociale werkplekken 1. Het college kan een persoon uit de doelgroep een sociale werkplek aanbieden, als dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de sociale zelfredzaamheid.

§ 2.5 Tegenprestatie Artikel 2.19. Inhoud van de tegenprestatie Het college kan een tegenprestatie opdragen voor zover die werkzaamheden: a. niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument, direct gericht op toeleiding tot de reguliere arbeidsmarkt; b. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de Organisatie waarin ze worden verricht en derhalve niet leiden tot verdringing van reguliere arbeid; c. bijdragen aan de ontwikkeling van het individu.

5 GB23.04.3

Artikel 2.20. Het opdragen van een tegenprestatie

1. 2.

Het college kan een tegenprestatie opdragen aan personen die zich voor een uitkering in het kader van de PW, de TOAW of TOAZ hebben gemeld dan wel ontvangen. Bij het opdragen van een tegenprestatie staat “meedoen naar vermogen” en “maatwerk” centraal. Het college houdt in ieder geval rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie wordt afgestemd op de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de belanghebbende; b. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende.

Artikel 2.21. Omvang en duur van een tegenprestatie

De tegenprestatie is beperkt in omvang en duur en wordt afgestemd op de mogelijkheden van de belanghebbende. De omvang is bepaald op maximaal 12 uur per week en de duur op ten hoogste 3 maanden per kalenderjaar. Artikel 2.22. Afzien van opdragen van een tegenprestatie Een

tegenprestatie wordt niet opgelegd indien: a. de belanghebbende in verband met arbeidsongeschiktheid volledig is vrijgesteld van de arbeids- en re-integratieverplichting; b. de belanghebbende alleenstaande ouder is en een ontheffing heeft als bedoeld in artikel 9a PW, of artikel 38, eerste lid, van de IOAW of IOAZ; c. uitsluitend bijstand wordt verleend op grond van de bijzondere bijstand; d. maatschappelijke nuttige activiteiten in de vorm van vrijwilligerswerk of mantelzorg van een bepaalde omvang worden verricht.

HOOFDSTUK 3. Individuele studietoeslag Artikel 3.1. Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de PW wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier. Artikel 3.2. Toekenning en betaling individuele studietoeslag

1. 2.

Een individuele studietoeslag wordt toegekend voor zolang belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor deze toeslag zoals bepaald in dc PW. Betaling vindt plaats per maand.

Artikel 3.3. Hoogte individuele studietoeslag

1. 2.

De hoogte van de individuele studietoeslag wordt vastgesteld op € 250,- per maand. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks met ingang van 1januari geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

HOOFDSTUK 4. Individuele inkomenstoeslag Artikel 4.1. Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de PW, wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier. Artikel 4.2. Langdurig laag inkomen

1.

2.

Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de PW als gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 130 procent van de toepasselijke bijstandsnorm (als niet kostendeler). Tevens wordt als langdurig laag inkomen aangemerkt het inkomen dat gedurende de in het eerste lid bedoelde periode hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm (als niet kostendeler), indien dat meerdere inkomen is aangewend ter aflossing van een schuldenlast. 6

GB23 .04.3

Artikel 4.3. Hoogte individuele inkomenstoeslag

1.

Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 490,- voor een alleenstaande; b. € 612,- voor een alleenstaande ouder; c. € 734,- voor gehuwden. 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolgc de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de PW, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de aanvraagdatum bepalend. 4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks met ingang van 1januari geïndexcerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprjsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

HOOFDSTUK 5. Afstemming

§ 5.1. Algemene bepalingen Artikel 5.1. Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het verlagen van de uitkering, bedoeld in dc artikelen 18 en 1 8b van de PW, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, d. de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel 5.2. Horen van belanghebbende

1. 2.

Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel 5.3. Afzien van verlaging

1.

Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; b. na de gedraging meer dan één jaar is verstreken en het een gedraging van de eerste of tweede categorie betreft; c. na de gedraging meer dan drie jaar is verstreken en het betreft o een gedraging van de derde categorie; o een schending van een geüniformeerde of daarmee gelijkgestelde verplichting als bedoeld in artikel 18 PW; o tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, als bedoeld in artikel 5.11; of o het niet nakomen van overige verplichtingen, bedoeld in artikel 5.13, onderdelen c end; d. na constatering van de gedraging door het college, zes maanden zijn verstreken. 2. Het college stemt een verlaging af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, daartoe dringende reden noodzaken. 3. Als het college toepassing heeft gegeven aan het tweede lid, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel 5.4. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

1.

Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de PW, over de kalendermaand of kalendermaanden volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is 7

GB23.04.3

bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. 3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of gehele of gedeeltelijke intrekking van de uitkering, anders dan wegens werkaanvaarding, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen één jaar opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel 5.5. Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de PW, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 5.2, 5.3 en 5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de PW verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 5.2, 5.3 en 5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 5.2.

Niet nakomen van de niet geünformeerde verplichtingen niet betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 5.6. Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. eerste categorie: a. het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. het niet of niet tijdig ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van een bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand; c. het niet of niet tijdig verstrekken van inlichtingen die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor de inschakeling in de arbeid; d. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de PW. 2. tweede categorie: a. het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de PW, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de PW; b.

het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de PW niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW; c. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de PW; d. het zonder tegenbericht niet verschijnen op een oproep of afspraak met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder het niet verschijnen op een oproep voor een taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de PW. 3. derde categorie: a. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW.

8 GB23 .04.3

Artikel 5.7. Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. eerste categorie: a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; 2. tweede categorie: a. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; b. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van dc IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; c.

het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; 3. derde categorie:

a. b. c. d.

het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

Artikel 5.8. Hoogte en duur van de verlaging

De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 5.6 en 5.7, wordt vastgesteld op: a. 5 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 5.3. Niet nakomen van de geünij’ormeerde verplichtingen niet betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 5.9. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Participatiewet

Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van dc bijstandsnorm gedurende: a. één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g, van de PW;

b.

twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de PW.

Artikel 5.10. Verrekenen verlaging 1. De verlaging, bedoeld in artikel 5.9, wordt in gelijke delen verdeeld over de kalendermaand

volgend op de maand waarin het besluit tot verlaging is genomen en de daaropvolgende maximaal twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 2. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee elkaar opvolgende maanden waarbij aan iedere maand de helft van dc verlaging wordt toebedeeld. 9

GB23 .04.3

3.

Bij een verlaging als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij aan iedere maand een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 4. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. 5. In afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid kan dc verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. 5.4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 5.11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

1.

Een verlaging wegens tekortschietcnd besef van verantwoordelijkheid in dc voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW wordt afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op periodieke bijstand of recht heeft op hogere periodieke bijstand. 2. De verlaging wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een periode van 3 maanden of korter: 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand; b. bij een periode van 3 tot 6 maanden: 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden; c. bij een periode van 6 maanden of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, indien het betreft een gedraging waardoor een voorliggende voorziening niet is benut of is tenietgegaan, zodat belanghebbende eerder aanspraak doet op bijstand. 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, zijn de artikelen 5.8 en 5.15, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW, die heeft plaatsgevonden voor de datum van melding, bedoeld in artikel 44 van dePW. Artikel 5.12. Zeer ernstige misdragingen

De uitkering van een belanghebbende die zich zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de PW, artikel 37, eerste lid, onderdeel g, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel g, van de IOAZ wordt verlaagd met: a. 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het dreigen met en! of uitoefenen van fysiek geweld tegen de in voornoemde artikelen genoemde personen of instanties; b. 40 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het dreigen met en! of uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken én bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in voornoemde artikelen genoemde personen of instanties. Artikel 5.13. Niet nakomen van overige verplichtingen

De uitkering van een belanghebbende die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van dc PW niet of onvoldoende nakomt, wordt verlaagd met: a. 20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 5.5. Samenloop en recidive Artikel 5.14. Samenloop van gedragingen

1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. 10 GB23 .04.3

Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden zo mogelijk gelijktijdig en zo nodig volgtijdeljk opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de PW genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de PW genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 5.15 Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit

waarmee een verlaging is opgelegd vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 5.6, 5.7, 5.11, 5.12, 5.13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging van dezelfde categorie, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbarc gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. 3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing als de eerste verwijtbare gedraging heeft geleid tot een verlaging die gematigd of op nihil gesteld is wegens dringende redenen.

§ 5.6. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ Artikel 5.16 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

HOOFDSTUK 6. Handhaving inkomensvoorzieningen Artikel 6.1. Het Handhavingsplan voor beleid en uitvoering

Het college stelt periodiek een Handhavingsplan vast met betrekking tot het handhavingsbeleid en de handhavingsuitvoering. Doel van dit plan is het voorkomen en bestrijden van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik van de PW, IOAW en IOAZ. 2. Het Handhavingsplan vormt een integraal onderdeel van het Beleidsplan Sociale Zaken. 3. Het Handhavingsplan bevat in ieder geval: a. de gemeentelijke visie op handhaving van de PW, IOAW en IOAZ; b. de wijze waarop fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik van PW IOAW en IOAZ worden voorkomen; c. de wijze waarop fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik van PW IOAW en IOAZ worden bestreden, inclusief terug- en invordering, afstemming en het doen van aangifte bij het Openbaar Ministerie; d. concrete doelstellingen met betrekking tot de in de onderdelen b en c genoemde doeleinden. 4. De uitvoering van de handhaving berust bij het college. 1.

,

,

11 GB23 .04.3

HOOFDSTUK 7. Cliëntenparticipatie Artikel 7.1. Cliëntenraad 1. De personen bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de PW worden bij de uitvoering van de PW betrokken. 2. De cliëntenraad is, voor zover redelijkerwijs mogelijk, zodanig samengesteld dat deze een afspiegeling is van de bij de uitvoering van de PW betrokken personen. 3. De cliëntenraad bestaat uit ten minste drie enten hoogste vijf personen. 4. De benoeming van de leden van de cliëntenraad gebeurt door het college op schriftelijke voordracht van de cliëntenraad. 5. De cliëntenraad benoemt uit zijn midden een voorzitter ten behoeve van de voorbereidingsvergaderingen. 6. De zittingstermijn voor leden is een periode van twee jaar. 7. Benoeming voor een volgende periode is mogelijk, voor zover de persoon nog behoort tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, van de PW. 8. De cliëntenraad komt ten minste vier maal per kalenderjaar in vergadering bij elkaar. Dit wordt de overlegvergadering genoemd. Ter voorbereiding op deze overlegvergadering zijn er voorbereidingsvergaderingen. 9. Naast de leden van de cliëntenraad nemen aan de overlegvergadering deel de afdelingsmanager Sociaal Plein en de ambtelijk secretaris. Tenminste één keer per jaar neemt de portefeuillehouder deel aan de overlegvergadering. 10. Het lidmaatschap van de cliëntenraad eindigt, naast periodiek aftreden, tussentijds op het moment dat: a.

een lid van de cliëntenraad daar zelf om verzoekt; b. het college op grond van een gemotiveerd verzoek van de cliëntenraad een lid uitsluit van verdere deelname aan de cliëntenraad; c. een lid niet langer woonachtig is in Hilversum. Artikel 7.2. Ambtelijk secretaris Het college stelt een ambtenaar van de gemeente aan als ambtelijk secretaris om te waarborgen dat de cliëntenraad in staat is zijn taken naar behoren te vervullen. Artikel 7.3. Taken van gemeentebestuur 1. Het gemeentebestuur vraagt over beleidsvoornemens van de gemeenteraad en het college via de ambtelijk secretaris advies aan de cliëntenraad op een dusdanig tijdstip dat dit advies van invloed kan zijn op het te nemen besluit. 2. Van een tijdstip als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake als de adviesaanvraag aan de cliëntenraad wordt toegezonden uiterlijk vier weken voorafgaand aan de datum waarop het college of de gemeenteraad voornemens is het beleid vast te stellen. Artikel 7.4. Ondersteuning cliëntenraad Het college zorgt in goed overleg met de afdelingsmanager Sociaal Plein en de ambtelijk secretaris voor adequate ondersteuning van de cliëntenraad. Het college: a. stelt een vergaderruimte ter beschikking ten behoeve van de voorbereidingsvergaderingen; b. biedt de leden van de cliëntenraad via de ambtelijk secretaris toegang tot kantoormiddelen zoals een kopieermachine en een printer; c.

zorgt ervoor, met inachtneming van artikel 3, tweede lid, dat adviesaanvragen en conceptbeleid de ambtelijk secretaris tijdig bereiken; d. stelt ambtenaren van de gemeente in de gelegenheid een vergadering bij te wonen voor het geven van toelichting of uitleg, als daarom door de cliëntenraad is verzocht; e. zorgt ervoor dat aan dc cliëntenraad de nodige informatie wordt verstrekt voor zover dat nodig is voor het naar behoren functioneren van de cliëntenraad; f. verstrekt de informatie, bedoeld onder e, op een zodanig tijdstip dat daadwerkelijk invloed mogelijk is op de beleidsvorming en besluitvorming; g. ziet erop toe dat dc cliëntenraad wordt geïnformeerd over de redenen van afwijking van het door de cliëntenraad gevraagd of ongevraagd gegeven advies.

12 GB23 .04.3

Artikel 7.5. Taken en bevoegdheden van de cliëntenraad

1.

De cliëntenraad brengt gevraagd en ongevraagd advies uit in verband met door het college of de gemeenteraad voorgenomen beleid in het kader van de PW en andere door de afdeling Werk, Inkomen en Zorg uitgevoerde regelingen. 2. Het advies als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk veertien werkdagen voordat het college of de gemeenteraad voornemens is het beleid vast te stellen uitgebracht door toezending aan de betreffende beleidsafdeling. 3. De cliëntenraad heeft geen bevoegdheden in zaken betreffende individuele klachten, bezwaarschriften, andere zaken met betrekking tot een individuele persoon en in zaken betreffende de uitvoering van het beleid. 4. Ieder Lid is bevoegd agendapunten aan te dragen. Dit dient te geschieden uiterlijk veertien werkdagen voorafgaand aan de vergadering door toezending aan de ambtelijk secretaris. Artikel 7.6. Taken van de ambtelijk secretaris

De ambtelijk secretaris: a. draagt in overleg met de cliëntenraad zorg voor een vergaderreglement en ziet toe op de naleving ervan; b. stelt voor aanvang van het kalenderjaar in overleg met de voorzitter van de cliëntenraad een vergaderkalender samen; c. stelt in overleg met de voorzitter van de cliëntenraad voorafgaand aan iedere vergadering de agenda samen; d. verzendt de uitnodigingen en, indien van toepassing, conceptbeleid en adviesverzoeken, met inachtneming van artikel 3, tweede lid, uiterlijk acht werkdagen voordat de vergadering plaatsvindt aan de leden; e. ziet erop toe dat adviesvragen en conceptbeleid de leden op een zodanig tijdstip bereiken dat zij hun rol effectief kunnen vervullen. Indien nodig last hij een tussentijds extra overleg in; f. maakt een verslag van de vergaderingen en zendt deze gelijktijdig met de uitnodiging van de volgende vergadering aan de leden. Artikel 7.7. Beleid en financiën

1.

Ten behoeve van de cliëntenraad wordt jaarlijks op basis van een door de cliëntenraad bij de afdelingsmanager Sociaal Plein v6ér 1 september ingediende begroting een budget beschikbaar gesteld. 2. De leden van de cliëntenraad ontvangen per drie maanden een bedrag als onkostenvergoeding en een vergoeding voor deelname aan de vergaderingen. 3. Ten laste van het budget kunnen, ter beoordeling van de afdelingsmanager Sociaal Plein, onder meer kosten worden gebracht die verband houden met deskundigheidsbevordering, het inwinnen van advies, achterbanraadpleging en organisatiekosten. 4. Het college kan in beleidsregels aanvullende bepalingen vaststellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening. Artikel 7.8. Jaarverslag

De cliëntenraad stelt jaarlijks voor 1 april het jaarverslag vast. Dit verslag wordt ter kennisname aan het college gezonden. In het financiële gedeelte van dit jaarverslag wordt verantwoording afgelegd over de besteding van het beschikbaar gestelde budget.

HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen Artikel 8.1. Beleid en financiën

1. Het college kan in beleidsregels aanvullende bepalingen vaststellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening; 2. Het college zendt periodiek aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.

13 GB23.04.3

Artikel 8.2. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 8.3 Intrekking oude verordeningen Dc volgende verordeningen worden tegelijk met ingang van 1januari 2023 de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken: Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021 Artikel 8.4. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023.

Artikel 8.5 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2023”.

Alduvasesteld in de openbare raadsvergadering van 1 februari 2023, de g4ffe»’.. de burgemeester,

EEE A.J. vrve19CMC

dr. ir. G.M. van den Top

14 GB23 .04.3

Toelichting op de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2023 Algemeen Op 1 januari 2015 is de Participatiewet (verder: PW) ingevoerd. De PW maakt onderdeel uit van de 3 grote transities op het sociale domein, waarmee rijkstaken naar gemeenten zijn gekomen. Op grond van de PW is de gemeente verantwoordelijk geworden voor de arbeidsinschakeling en inkomensondersteuning van een grotere groep inwoners. Daarnaast is o.a. de kostendelersnorm ingevoerd en is het aantal verplichtingen voor uitkeringsgerechtigden uitgebreid en is het sanctieregime verscherpt. Uit een oogpunt van eenvoud, deregulering, eenduidigheid, vindbaarheid, afstemming en integraliteit zijn de verschillende onderwerpen in de Participatiewet gebundeld in een verzamelverordening. In deze verzamelverordening zijn ook de meest recente ontwikkelingen in de regelgeving verwerkt, zoals de verplichting tot het aanbieden van beschutte werkplekken, zoals bedoeld in artikel lOb PW. Deze verordening is grotendeels een voortzetting van hetgeen is bepaald in de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021. De Verzamelverordening strekt zich uit tot de PW alsmede de IOAW en de IOAZ, omdat er een grote samenhang is tussen deze drie regelingen.

De verzamelverordening is onderverdeeld in de volgende hoofdstukken: 1 algemene bepalingen 2 re-integratie en tegenprestatie individuele studietoeslag 3 individuele inkomenstoeslag 4 afstemming 5 handhaving inkomensvoorzieningen 6 cliëntenparticipatie 8 slotbepalingen 7 Voor enkele hoofdstukken geldt, dat deze zijn onderverdeeld in paragrafen, als dit, gelet op de omvang bijdraagt aan het overzicht. De verordening bevat één bijlage: een weergave van de methodiek van loonwaardemeting voor loonkostensubsidie. Daarin is een uitleg gegeven van de methodiek die wordt gehanteerd bij het bepalen van de loonwaarde van iemand die in aanmerking is gebracht voor loonkostensubsidie.

15 GB23 .04.3

Artikeisgewij ze toelichting HOOFDSTUK!. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen Een aantal begrippen is hier nader omschreven. Het betreft begrippen die niet reeds in de PW, IOAW of IOAZ zijn omschreven. De gegeven omschrijving van deze begrippen is op de gehele verzamelverordening van toepassing, tenzij dit expliciet is aangegeven. Niettemin geldt voor de meeste beschreven begrippen dat deze zijn opgenomen met het oog op een specifiek hoofdstuk. De begrippen die betrekking hebben op Hoofdstuk 2 (re-integratie en tegenprestatie): • arbeidsontwikkeltraject: met dit begrip wordt gedoeld op het totaalpakket dat aangeboden wordt aan uitkeringsgerechtigden met het oog op de arbeidsinschakeling. Arbeidsontwikkeling vindt (thans) plaats door arbeidsontwikkelbedrijf ‘Tomin’, maar kan ook met andere organisaties worden gerealiseerd. Het betreft een traject dat een diversiteit aan vormen kan hebben, met als doel om deze personen dichter bij de arbeidsmarkt te brengen; • doelgroep: bedoeld wordt dc gemeentelijke doelgroep voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling; • economische zelfredzaamheid en sociale zelfredzaamheid: twee begrippen die van belang zijn binnen het gemeentelijk re-integratiebeleid.

Sociale zelfredzaamheid bestaat uit een component zelfredzaamheid (het kunnen realiseren van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen) en de sociale redzaamheid (het adequaat maatschappelijk kunnen functioneren); • mantelzorg: aangesloten is bij de begripsomschrijving binnen de Wmo. Daar wordt mantelzorg gedefinieerd als: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgvcrzckcringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1., eerste lid, Wmo); • sociale zelfredzaamheid: dit begrip is een combinatie van twee begrippen, t.w. zelfredzaamheid en sociale redzaamheid.

Het eerste is gericht op de algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het tweede op deelname aan de samenleving en de daarvoor benodigde vaardigheden; • tegenprestatie: bedoeld wordt de onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW; • uitkering: om de leesbaarheid te vergroten wordt onder dit begrip verstaan de gemeentelijke uitkeringen (bijstandsuitkering, TOAW- en IOAZ-uitkering); • vrijwilligerswerk: er bestaat geen eensluidcnde definitie van vrijwilligerswerk, maar de elementen ‘onverplicht’, ‘onbetaald’ en ‘op initiatief van de belanghebbende’ vormen wel de kernbegrippen van een omschrijving. Met betrekking tot hoofdstuk 4 (individuele inkomenstoeslag) is het volgende begrip omschreven: • inkomen: met inkomen wordt in dit verband bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de PW, met dien verstande, dat algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking wordt genomen als inkomen. Bijzondere bijstand wordt niet als inkomen in aanmerking genomen. Met betrekking tot Hoofdstuk 5 (afstemming) zijn de volgende begrippen omschreven: • uitkering (zie boven); • bijstandsnorm: onder dit begrip wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan de bijstandsnorm dan wel de grondslag van de IOAW- of IOAZ-uitkering, afhankelijk van de context.

Betreft de afstemming een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan wordt onder ‘bijstandsnorm’ de grondslag verstaan. Deze betekenis geldt niet voor andere hoofdstukken. Met betrekking tot de bestuurlijke boete en hoofdstuk 6 (handhaving) zijn de volgende begrippen omschreven: 16

GB23 .04.3

• •

• •

beslagvrje voet: dit begrip spreekt voor zichzelf; bezit: dit heeft een iets andere invulling dan het in de PW gebruikte begrip ‘bezitting’, omdat het om de bezittingen gaat waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken en niet over bezittingen die in onroerend goed zijn vastgelegd; fraude: de gegeven omschrijving sluit beter aan bij de doelstelling van ‘handhaving’, dan het beperktere begrip ‘schending van de inlichtingenplicht’; recidiveboete: aanduiding van de boete die bij herhaalde overtreding van de inlichtingenverplichting wordt opgelegd;

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

Ter wille van de duidelijkheid is opgenomen, dat deze verzamelverordening de volledige opdracht tot regelgeving richting de gemeenteraad betreft m.b.t. bijstandsuitkeringen en IOAW- en lOAZuitkeringen. Gelet op de jurisprudentie is het delegeren van regelgeving onder de werking van de PW, IOAW- en IOAZ niet mogelijk. Onder regelgeving wordt hier verstaan: het stellen van algemeen verbindende voorschriften in de zin van artikel 139 e.v. Gemeentewet en artikel 1:3, vierde lid, Awb. Onder regelgeving wordt in dit verband niet verstaan het maken van beleidsregels. Dat is nI. geen zelfstandige normstelling maar het invullen van een bestaande bevoegdheid.

HOOFDSTUK 2. Re-integratie en Tegenprestatie

Dit hoofdstuk wordt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan werkzoekenden die behoren tot de doelgroep geregeld. De opdracht hiertoe is geregeld in artikel 7 van de PW en 34 IOAW. De regels die in ieder geval moeten worden gesteld betreffen: • scholing of opleiding, bedoeld in artikel lOa, vijfde lid, van de PW. Dit betreft scholing van mensen die werkzaam zijn op een participatieplaats; • de premie, bedoeld in artikel lOa, zesde lid, PW. Dit betreft de premie voor mensen die werkzaam zijn op een participatieplaats; • participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel lOb van de PW; • de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel lOd van dc PW. Dit betreft dc wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep behoort en de wijze waarop dc loonwaarde wordt vastgesteld. Voor de IOAZ en Bbz gelden deze regels niet vanwege de specifieke doelgroep en daarvoor geldende bepalingen. Naast de regels over de arbeidsinschakeling bevat dit hoofdstuk ook regels die betrekking hebben op de verplichting om op verzoek van het college onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten (de zgn. tegenprestatie), als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW. Artikel 2.1. Opdracht en taak van het college

In dit artikel is de opdracht die op grond van de artikelen 7 PW en 34 JOAW en IOAZ aan het college is toevertrouwd geconcretiseerd. In het eerste lid wordt gesproken over ondersteuning en het verstrekken van voorzieningen. Met ondersteuning wordt in deze regelingen gedoeld op het totaalpakket aan maatregelen dat geboden kan worden om iemand uit de doelgroep richting de arbeidsmarkt te bewegen. Het verstrekken van concrete voorzieningen maakt daarvan onderdeel uit. De belangrijkste voorzieningen zijn in deze verordening geregeld, dit is echter geen limitatieve opsomming. Als het college de inzet van andere voorzieningen aangewezen acht, kan het daarvoor kiezen. Bij het bepalen van de ondersteuning van de belanghebbende moet verdringing op grond van oneerlijke concurrentie zoveel mogelijk worden beperkt (lid 2). Aan de andere kant kan het versterken van de positie van werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt soms nodig zijn om hun kansen op werk te vergroten. Bij de inzet van voorzieningen zal het college binnen deze randvoorwaarden moeten afwegen welke ondersteuning aangeboden gaat worden. Het college kan daarover in werkinstructies of beleidsregels verder invulling geven. Bij de wijze van ondersteuning wordt een afweging gemaakt, waarbij alle mogelijkheden en omstandigheden, zoals de functionele beperkingen en zorgtaken, w.o. mantelzorg, betrokken worden.

Re-integratie is maatwerk. In lid 4 is opgenomen dat het college de inzet van flankerende voorzieningen bevordert. Bij deze voorzieningen kan gedacht worden aan schuldhulpverlening of kinderopvang. Dit kan een 17 GB23 .04.3

noodzakelijke randvoorwaarde zijn voor een succesvolle re-integratie. Let wel: de gemeente hoeft niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar houdt wel rekening met het beschikbaar zijn hiervan. De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen (lid 5). Het ontbreken van financiële middelen kan echter niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan per voorziening een plafond worden ingebouwd (zie artikel 2.2). Artikel 2.2. Budget- en andere plafonds

Het college kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen en verstrekkingenplafonds hanteren. Dit kan bijvoorbeeld worden opgenomen in de uitvoeringsnota. Betreft het een subsidieplafond dan is titel 4.2 van de Awb van toepassing, waaronder het subsidieplafond, geregeld in afdeling 4.2.2. Een ‘niet-uitkeringsgerechtigde’ (zgn. nuggers), zonder werk, komt in principe niet voor ondersteuning in aanmerking komen, omdat de beschikbare middelen primair besteed worden aan andere werkzoekenden. Wordt in uitzonderlijke gevallen toch een voorziening verstrekt, dan kan daarvoor een eigen bijdrage worden opgelegd. Artikel 2.3. Aanspraak op ondersteuning en op voorzieningen

In het eerste lid wordt gespecificeerd waarop de ondersteuning is gericht: economische zelfredzaamheid. M.a.w. doel is om weer middels arbeid in de bestaanskosten te kunnen voorzien. Dit is doorgaans de groep met een loonwaarde van 40% of meer. Voor hen zijn de voorzieningen bestemd die in paragraaf 2.2. zijn genoemd. Is de loonwaarde lager, dan zal arbeidsinschakeling verder weg liggen en kan een tussendoel zijn: sociale zelfredzaamheid. Arbeidsinschakeling is maatwerk. Het college beslist welke vorm de ondersteuning heeft (lid 2). Recht op een specifieke vorm van ondersteuning is er niet voor belanghebbende. Het college kan de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen benutten om de economische of sociale zelfredzaamheid te bevorderen, maar kan ook gebruik maken van andere voorzieningen of vormen van ondersteuning. Centraal criterium blijft de inzet van de meest geschikte instrumenten. Kan een andere voorziening worden aangesproken met hetzelfde doel, dan dient daarvoor gekozen te worden en bestaat geen aanspraak op ondersteuning, conform het uitgangspunt van de PW. Dit kan bijv. een reiskostenvergoeding van een werkgever zijn of een werkplekaanpassing (lid 3). Artikel 2.4. Beëindiging van voorzieningen

Dit artikel bevat een aantal algemene beëindigingsgronden, in aanvulling op de specifieke gronden die de PW noemt m.b.t. specifieke voorzieningen, zoals de loonkostensubsidie (art. lOd PW). Uiteraard geldt daarbij, dat de specifieke bepaling in de PW voorgaan op de hier geformuleerde algemene gronden. Onder beëindigen wordt bijv. ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Artikel 2.5. Voorzieningen in verband met arbeid

Iemand die tot de doelgroep behoort en werk zoekt, kan in aanmerking komen voor ondersteuning. De in lid 1 (niet limitatief) geformuleerde vormen van ondersteuning dragen bij aan een versnelde arbeidsinschakeling. In lid 2 is geregeld dat het college iemand uit de doelgroep die werkt of gaat werken, van specifieke ondersteuning kan voorzien. De verantwoordelijkheid van het college houdt niet op bij de werkaanvaarding. Het is van belang dat het werk ook behouden wordt. Daarom kan het college nazorg verlenen en daarmee mogelijke valkuilen wegnemen. Het is aan het college om dit verder in beleidsregels of werkinstructies vorm te geven. Artikel 2.6 Ondersteuning bij leer-werktraject

Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor ondersteuning bij leerwerktrajecten, voor zover dit noodzakelijk wordt geacht. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel lOf van de PW. De ondersteuning bij leerwerktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een 18 GB23.04.3

startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Artikel 2.7. Arbeidsontwikkeltraject Via de Tomingroep kunnen werkzoekenden uit Hilversum en de andere regiogemeenten thans aan een arbeidsontwikkeltraject deelnemen. Deze mensen krijgen specifieke begeleiding die gericht is op het ontwikkelen van werknemersvaardigheden, eventuele bijscholing en het opdoen van werkervaring, als opstap naar betaald werk. Dit artikel opent ook de mogelijkheid om arbeidsontwikkeling door andere aanbieders te laten verrichten. Artikel 2.8. Scholing Eén van de voorzieningen die het college kan inzetten is scholing. Onder scholing wordt een breed begrip verstaan: alle vormen die een leerproces in zich dragen kunnen hieronder worden gebracht. Denk aan training en coaching, maar ook aan informele vormen (opdoen werknemersvaardigheden). Centraal staat dat de scholing gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling. In lid 2 zijn de randvoorwaarden benoemd. In het derde lid is het uitgangspunt verwoord, dat andere voorzieningen voorgaan. In dit geval is dat rijksgefinancierd onderwijs. Artikel 2.9. Participatieplaats

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=ec09b796-fcb0-4010-b0f7-2b4581b0395c