Verordening maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2025
Tekst van het document
Lid 1 onder c eerdere verstrekking In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het aan de inwoner verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid; dus niet indien de inwoner met een hulpvraag geen blaam treft. Ook hier geldt de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 1 onder d maatwerkvoorziening op individu gericht De maatwerkvoorziening is gericht op de individuele inwoner met een hulpvraag. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Lid 1 onder e: langdurig noodzakelijk Deze bepaling geeft een tweetal begrenzingen aan met betrekking tot het verstrekken van voorzieningen, te weten een begrenzing in tijd en de noodzakelijkheid.
Voor het criterium ‘langdurig noodzakelijk’ is ook gekozen vanwege het nadrukkelijkere beroep op de inwoner om problemen zelf of met het netwerk op te lossen, zeker als die problemen kortdurend zijn. Begrenzing in tijd: Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend? Kenmerkend voor een blijvend probleem is dat de ondervonden beperking,
naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de inwoner. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij periodes van verbetering en terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. Bij de inwoner met een hulpvraag die terminaal is, is er sprake van een blijvend probleem. De (medisch) adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin sprake is van niet voorzienbare en acute noodzaak tot ondersteuning. Bij ontslag na een ziekenhuisopname behoort het regelen van hulp bij de huishoudelijke taken tot de eigen verantwoordelijkheid. Van de inwoner mag worden verwacht dat hij/zij zelf een oplossing vindt voor deze tijdelijke situatie. Noodzakelijkheid: Een voorziening wordt alleen verstrekt wanneer deze noodzakelijk is en niet indien er sprake is van gewenste verstrekkingen.
Lid 2 Woonvoorzieningen In het tweede lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zijn op een maatwerkvoorziening die kan worden aangeduid met de term ‘woonvoorziening’. Onder voorzieningen in een gemeenschappelijke ruimte kunnen worden verstaan: trapliften, automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. In sub g staat aangegeven dat wij geen woonvoorzieningen verstrekken bij intramurale instellingen, zoals verpleegen verzorgingshuizen. Ook worden er dan geen hulpmiddelen verstrekt, omdat ze bij de uitrusting van een instelling behoren.
Artikel 8. Inhoud beschikking Eerste lid, onder b: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Het eerste lid onder i dient uitsluitend ter informatie aan de inwoner met een hulpvraag. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 2.1.4b van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang en beschermd wonen, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.
Artikel 9. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb) Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de inwoner met een hulpvraag dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b van de wet). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Bij de beoordeling van de pgb vaardigheid van de inwoner c.q. de pgb vertegenwoordiger, zoals bedoeld in lid 1 onder sub b, worden de volgende 10 punten getoetst: - overzicht van de situatie en beeld van de zorgvraag; - kennis van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb; - vaardigheid om een deugdelijke en overzichtelijke pgb administratie bij te houden; - vaardigheid om te communiceren met de gemeente, de zorgverleners, de SVB en andere betrokken partijen; - zelfstandigheid van handelen; - vaardigheid afspraken te maken en vast te leggen; - bekwaamheid tot beoordeling van de geleverde zorg en de gestelde doelen; - vaardigheid om de zorg te coördineren; - vaardigheid om als opdrachtgever zorgverleners aan te sturen; - (juridische) kennis rondom het werk- of opdrachtgeverschap.
Een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in
redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). In lid 2 zijn de eisen opgenomen waaraan de persoon van de aanbieder en diens bedrijfsvoering moet voldoen. Dit in het kader van de bestrijding van onrechtmatig c.q. oneigenlijk gebruik van Wmo maatwerkvoorzieningen en ter bescherming van de belangen van de inwoner. De eisen zijn afgeleid van de afspraken met gecontracteerde partijen. Het vijfde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om het beoogde resultaat te bereiken. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie geldende maatwerkvoorziening in natura. Gemeenten hebben ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb.
Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk en door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden. In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp (vanuit m.n. het sociaal netwerk). Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding voor ondersteuning door het sociale netwerk wordt in de verordening aangesloten bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 augustus 2023 (CRVB:2023/1394). In deze uitspraak bepaalde de hoogste bestuursrechter dat voor de vergoeding van huishoudelijke hulp door een persoon uit het sociaal netwerk ten minste het betreffende CAO loon moet worden gehanteerd. De vertaling van deze uitspraak is terug te vinden in artikel 9 lid 5 aanhef en onder sub e van de verordening. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de inwoner met een hulpvraag beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden.
Inwoners met een hulpvraag kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.
Artikel 10. Opschorting betaling uit het pgb Dit Artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 11. Financiële tegemoetkoming Voor een aantal maatwerkvoorzieningen is gekozen voor een financiële tegemoetkoming. Voordeel hiervan is dat de inwoner meer keuzevrijheid behoudt bij de precieze invulling van de voorziening. Voorwaarde is wel dat met de tegemoetkoming een passende bijdrage wordt geleverd aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperking bij de inwoner (CRvB 12 februari 2018, 2018/396).
Artikel 12. Controle Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Fraudemeldingen van de Sociale Verzekeringsbank kunnen aanleiding zijn om na te gaan of een pgb is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt.
Artikel 13. Regels voor bijdrage in de kosten van een algemene voorziening Voor de algemene voorziening ‘zinvolle daginvulling’ betaalt de inwoner geen bijdrage voor de dienstverlening zelf. Wel kan een bijdrage verschuldigd zijn voor eten/drinken of bijzondere activiteiten. Deze wordt door de aanbieder geïnd. De voorziening wordt door verschillende partijen aangeboden op basis van de ‘Subsidieregeling zinvolle daginvulling: ontmoeten, meedoen en meewerken’. Uitgangspunt is dat de voorziening laagdrempelig is. In lid 4 zijn de algemene voorzieningen opgenomen waarvoor in het geheel geen bijdrage is verschuldigd. Behalve onafhankelijke cliëntondersteuning gaat het om begeleiding.
Artikel 14. Regels voor bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorzieningen en pgb Voor de meeste maatwerkvoorzieningen geldt een eigen bijdrage. De eigen bijdrage is nooit meer dan de kostprijs. Met betrekking tot lid 4: Op grond van artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 jo. artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is het vaste tarief (‘abonnementstarief’) van € 20,60 (per 1 januari 2024) niet van toepassing op vervoersvoorzieningen als de eigen bijdrage hiervan is vastgelegd in de verordening. Gebruikers van de Wmotaxi betalen een opstaptarief en een tarief per kilometer. Deze zijn afgeleid van het reguliere OV. Deze bijdrage is niet toereikend om de kosten van de Wmo-taxi te dekken. De resterende kosten worden betaald door de gemeente. Met betrekking tot lid 7: er is besloten geen eigen bijdrage op te leggen bij bepaalde vormen van bemoeizorg voor maatschappelijke zorgdoelgroepen. Het gaat om de doelgroepen bij wie zorgmijding leidt tot maatschappelijke uitval dat wel deze in stand houdt. Het gaat om de volgende vormen van bemoeizorg: a. b. c. d. e. f. g.
Bemoeizorg met vermoeden van verslavingsproblematiek of GGZ problematiek Consultatie & Advies vraag vanuit de uitvoeringsdienst t.b.v. verslavingsproblematiek of GGZ problematiek Advies bij Methadonverstrekking Begeleiding naasten waaronder mantelzorgers t.b.v. omgang verslavingsproblematiek Administratieve ondersteuning bij aanhoudende verslavingsproblematiek Begeleidingstraject daklozenopvang met uitzondering van de eigen bijdrage voor de opvang zelf die door de opvang-organisatie word geïnd. Ambulant begeleidingstraject vrouwenopvang met uitzondering van de eigen bijdrage voor de opvang zelf die door de opvang-organisatie wordt geïnd.
Daarnaast kan het college besluiten om de individuele inwoner met een hulpvraag geen eigen bijdrage op te leggen, als het opleggen van een eigen bijdrage leidt tot ongewenste zorgmijding. De toetsing is als volgt: • • • •
de inwoner met een hulpvraag zou na het gesprek met de gemeente recht hebben gehad op een (maatwerk)voorziening; maar de inwoner met een hulpvraag maakt geen gebruik van de ondersteuning die via de gemeente wordt geboden; én de inwoner met een hulpvraag krijgt/regelt niet op een andere wijze adequate ondersteuning; en door niet de ondersteuning te accepteren kan een situatie ontstaan waardoor de benodigde zorg en de lichamelijke dan wel psychische problematiek zal toenemen.
Bovenstaande is niet limitatief en zal altijd op basis van maatwerk worden afgewogen.
Artikel 15. Hoogte en vaststellen bijdrage in de kosten voor opvang De inning van de eigen bijdrage is een taak van het CAK. De wet biedt een uitzondering voor de inning van de eigen bijdrage Maatschappelijke Opvang. De inning kan gemandateerd worden door het college aan de instelling die de Maatschappelijke Opvang biedt.
Artikel 16. Informatie De gemeente informeert de inwoner tijdig en volledig over diens rechten en plichten. Daarbij stelt de gemeente zich dienstbaar en empathisch op (‘stress-sensitief werken’). De inwoner met een hulpvraag of diens vertegenwoordiger is verplicht om het college direct op de hoogte te stellen van een wijziging in zijn situatie waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op een beslissing van het college op een aanvraag. Mocht er in de looptijd van de beschikking niet of niet langer worden voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de verordening, dan kan het college het eerder genomen besluit geheel of gedeeltelijk intrekken. Dit geldt ook voor situaties waarbij er beschikt is en achteraf blijkt dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, er een andere beslissing zou zijn genomen.
Artikel 17. Heronderzoek Het college kan een heronderzoek instellen naar de noodzaak om een voorziening te treffen en de mate waarin de inwoner met een hulpvraag in eigen oplossingen kan voorzien. Hierbij is het college bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de toekenning dan wel de voortzetting van de voorziening. Op grond van artikel 2.3.9 van de
wet is een periodiek onderzoek verplicht. Daar waar er een heronderzoek wordt ingesteld, is hetgeen in artikel 6 lid 2 overeenkomstig van toepassing.
Artikel 18. Intrekking, herziening en beëindiging Een besluit, genomen op grond van het toepassingsbereik van deze verordening, kan in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden. Dit kan gebeuren wanneer de voorziening niet leidt tot het te bereiken resultaat of wanneer de voorziening niet gebruikt wordt voor de doelstellingen waarvoor het is verstrekt. Wanneer er bij het inzetten van de voorziening voorwaarden zijn gesteld en daar op enig moment niet of niet meer aan is voldaan, kan dit reden zijn om de voorziening in te trekken. De wet omschrijft de gronden op basis waarvan een besluit kan worden ingetrokken of beëindigd.
Artikel 19. Kwaliteitseisen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van artikel 2.1.1 van de wet zijn gemeenten verantwoordelijk voor het stellen van regels inzake de kwaliteit van de voorzieningen in de maatschappelijke ondersteuning. Het college vult deze verplichting in door in lid 1 van dit artikel generieke kwaliteitseisen voor maatwerkvoorzieningen te bepalen en per voorziening specifieke eisen uit te werken in de geldende contracten voor maatwerkvoorzieningen. Onderdelen waarop in ieder geval eisen worden gesteld staan genoemd in artikel 19 van de verordening. Het college ziet toe op de naleving van de gestelde eisen.
Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Dit artikel benadrukt dat wanneer de verlening van een voorziening wordt aanbesteed, het college de overheidsopdracht niet enkel op grond van de laagste prijs mag verlenen. Bij het inkopen van een voorziening is het college verplicht altijd het criterium ‘kwaliteit’ mee te wegen. De aspecten die onder onderdelen a tot en met k vallen, tellen bij de weging altijd mee. Hoe zwaar een aspect tijdens aanbesteding meetelt is afhankelijk van de in te kopen voorziening.
Artikel 21. Monitoring In dit artikel is bepaald dat het college systematisch de ervaringen over de toegekende voorzieningen monitort en informatie verzamelt over de mate waarop de toegekende voorzieningen bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoners van Hilversum. Daarnaast onderzoekt het college structureel in hoeverre de resultaten uit de beschikkingen daadwerkelijk worden bereikt. Het hoofddoel van de monitoring is het toezicht houden op en het bevorderen van kwaliteit. Ten behoeve van de in artikel 21 genoemde informatieverzameling hanteert het college verschillende instrumenten. Zo worden de inwoners met een hulpvraag (telefonisch of schriftelijk) bevraagd op vaste momenten na het gesprek met de consulent.
Artikel 22. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 22 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 23. Waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van inwoners van de gemeente. De woonplaats van de inwoner met een ondersteuningsbehoefte is bepalend, zodat de waardering ook geldt voor mantelzorgers die in een andere gemeente wonen.
Artikel 24. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van de inwoner met een hulpvraag over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Het gaat om begeleiding, persoonlijke verzorging, bescherming en opvang, alsmede huishoudelijk hulpverlening. De verplichting geldt niet voor aanbieders met een kleine organisatie (in de regel minder dan 10 personeelsleden).
Artikel 25. Betrekken van inwoners bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Met het vierde lid van artikel 25 van de verordening wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Artikel 26. Melding klachten De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van de inwoner met een hulpvraag is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner met een hulpvraag kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid.
Is de inwoner met een hulpvraag niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd
Artikel 27. Hardheidsclausule. Dit artikel spreekt voor zich
Artikel 28. Inwerkingtreding en overgangsbepaling De verordening heeft terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Hilversum 2023 bevatte een specifieke bepaling met betrekking tot de vrijstelling van de eigen bijdrage Wmo voor huishoudens met een laag inkomen. Het ging echter om een tijdelijke maatregel als onderdeel van het minimabeleid van de gemeente Hilversum.
Artikel 29. Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.