Verordening jeugdhulp gemeente Hilversum 2025
Tekst van het document
Het college kan de individuele omstandigheden laten meewegen bij het besluit om al dan niet deze bepaling toe te passen. Lid 4 Deze bepaling is ook een ‘kan-bepaling’. Het college is niet verplicht om na het verlopen van de redelijke termijn van drie maanden de beslissing tot verlening van het persoonsgebonden budget in te trekken. Het college kan desgewenst het hierbij te hanteren beleidskader neerleggen in een beleidsregel.
Artikel 28 Controle Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet. Artikel 29 Toezicht Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bevat de Jeugdwet geen grondslag voor het aanwijzen van toezichthouders. Met deze bepaling in de verordening wordt hierin alsnog voorzien. De aan te wijzen toezichthouder handelt op basis van de bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze zijn vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. Het toezicht betreft de uitvoering van de wet (de rechtmatigheid). De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van Justitie en Veiligheid (IJenV) houden toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulp in algemene zin respectievelijk de naleving van de wet.
Hoofdstuk 6 Verhouding prijs en kwaliteit Artikel 30 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die het door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen
de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 7 Vertrouwenspersoon, klachten en inspraak Artikel 31 Vertrouwenspersoon In artikel 2.5 van de Jeugdwet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze vóór 2015 al werkzaam was binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. In paragraaf 4.1 van het Besluit Jeugdwet is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. Artikel 32 Klachtregeling Dit artikel regelt dat het college klachten behandelt over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder verantwoordelijkheid van de gemeente werkzaam zijn. De gemeente is al op grond van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over deze gedragingen. Hoofdstuk 9 van de Awb betreffende klachtbehandeling is van toepassing.
Op de website van de gemeente staat meer informatie over de manier van deze klachtbehandeling. Het opnemen van dit artikel in de verordening is niet noodzakelijk. Het is in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. De cliënt kan een klacht over een aanbieder indienen bij het Regionaal klachtenmeldpunt van de Regio Gooi en Vechtstreek. Dit meldpunt is telefonisch en per mail bereikbaar. Zie daarvoor de website van de Regio Gooi en Vechtstreek. Hiernaast hebben aanbieders een eigen klachtregeling die is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Daarover kan de cliënt informatie bij de betreffende aanbieder opvragen. Artikel 33 Betrekken van ingezetenen bij de ontwikkeling van beleid Lid 1 Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving en monitoring van de uitkomsten van het jeugdbeleid. De bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen.
De ingezetenen van Hilversum worden vertegenwoordigd door de Adviesraad Sociaal Domein. Deze adviesraad geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het college en de gemeenteraad over beleidsonderwerpen en belangrijke ontwikkelingen binnen het sociaal domein. In de Adviesraad Sociaal Domein zitten ook leden met specifieke kennis op het terrein van jeugdhulp. De Adviesraad Sociaal Domein heef een eigen pagina op de website van Hilversum. Inwoners worden tevens via (regionale) bijeenkomsten geïnformeerd en gevraagd naar hun bevindingen. Tot slot worden jaarlijks klanttevredenheidsonderzoeken gehouden.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 34 Hardheidsclausule Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders. Het kan alleen in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk motiveren waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 35 Indexering Vanwege ontwikkelingen in de prijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek, en de NEA-index is het nodig om jaarlijks bedragen te kunnen actualiseren. Deze wijze van indexatie is gelijk aan de indexatie van de jeugdhulp als zorg in natura zoals vastgelegd bij de inkoop van deze zorg in natura. Artikel 36 Intrekking oude verordening en overgangsrecht Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuwe verordening in werking treedt. Artikel 37 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.