Technische vragen en antwoorden Educatieve agenda (SP)
Tekst van het document
Technische vragen voor de Raadscommissie van 18 maart 2021, agendapunt 4 Vragen van : SP Hilversum aan wethouder : AJ. Wolthers over : Educatieve agenda
Geachte raadsleden, De SP heeft de volgende technische vragen gesteld over het agendapunt de HEA 2021-2024 van de raadscommissie van 18 maart. De vragen en de antwoorden hierop vindt u hieronder. Naar aanleiding van de nota 2018-2021 heeft de SP de volgende vragen. Algemeen. Wat was de totale omvang (aantal) van de te bereiken doelgroep 2018-2021. Hoeveel kinderen zijn er bereikt in 2018-2021. Graag specificeren naar doelgroep. Antwoord: We gaan ervanuit dat hier met doelgroep bedoeld wordt het aantal kinderen met een VVE indicatie. Dit zijn er in Hilversum jaarlijks circa 200. Dit geldt voor peuters en kleuters. Nav inzet op pagina 7 We zetten in op het vergroten van ouderbetrokkenheid. Welke acties zijn ingezet? Welke bleken succesvol en worden meegenomen naar 2021 en verder? Hoeveel ouders zijn er bereikt? Antwoord: Bijvoorbeeld activiteiten als: Instapje, Voor jou en je kind! en de Voorleesexpress. Ook wordt ouderbetrokkenheid gestimuleerd wanneer een kind deelneemt aan een VVE peuterspeelzaal. Op 17 maart 2021 is er onder begeleiding van een expert op het gebied van ouderbetrokkenheid een netwerkbijeenkomst over dit onderwerp georganiseerd. Dit onderwerp is ook speerpunt in de HEA2021-2024. Met de voorschoolse voorzieningen worden nadere afspraken gemaakt voor ondersteuning van kinderen met sociaal, emotionele en of gedragsmatige problemen.
Hiermee willen we voorkomen dat kinderen zwaardere vormen van ondersteuning nodig hebben. Welke afspraken zijn gemaakt? Welke zijn succesvol gebleken en worden meegenomen? Hoeveel kinderen zijn geholpen? Hoeveel zwaardere zorg is voorkomen? Antwoord: De focus bij de vorige nota lag op het bestrijden van taalachterstanden. Bij de doorontwikkeling van de HEA is dit verbreed naar bovenstaande problematieken. Met schoolbesturen, samenwerkingsverbanden PO en VO heeft de gemeente afspraken om kinderen met sociaal, emotionele en/of gedragsmatige problemen te ondersteunen. Kan het college deze afspraken toesturen aan de gemeenteraad? Worden deze afspraken ook meegenomen naar 2021 en verder? Antwoord: We hebben de laatste jaren samenwerking gezocht met scholen die grote groepen kwetsbare kinderen onderwijzen, omdat we inzicht hebben gekregen dat de populatie van deze school veelal ook al gebruik maakt van jeugdhulp. Denk bijvoorbeeld aan de samenwerking met de speciaal onderwijs scholen de J.H. Donnerschool, de praktijkschool en productief leren. De afspraken worden de aankomende jaren voorgezet en aangescherpt.
1
Kinderen die in aanmerking komen voor VVE en/of andere activiteiten voor het wegwerken van taalachterstanden worden geselecteerd op basis van de nieuw ontwikkelde Hilversumse definitie waarin een geconstateerd (risico op) taalachterstand de basis vormt. Wordt de nieuw ontwikkelde Hilversumse definitie nog steeds gebruikt? Hoeveel kinderen zijn in 2018-2021 geselecteerd? Welke ondersteuning kregen deze kinderen? Was de inzet van de interventies succesvol? Waar blijkt dat uit? Antwoord: In de HEA op pagina 12 staat de nieuwe doelgroep definitie die sinds begin 2021 wordt gebruikt. Wij richten ons op kinderen met een verhoogd risico op een achterstand op: ‘taal en ontwikkeling’. In Hilversum zijn er circa 200 peuters met een VVE indicatie. Peuters met een VVE indicatie kunnen 3 dagdelen per week (sinds zomer 2020, 4 dagdelen) naar een peuterspeelzaal met een VVE programma. Het effect van interventies is voor deze groep op dit moment nog niet inzichtelijk. Uit landelijk onderzoek blijkt de effectiviteit van dergelijke interventies. Om de beste resultaten te boeken in het bestrijden van een taalachterstand is de doorgaande lijn en een goede overdracht van peuterspeelzaal naar basisonderwijs van essentieel belang. Hier gaan we steviger op inzetten.
Welke acties zijn ingezet? Welke zijn succesvol en worden meegenomen naar 2021-2024? Antwoord: Een belangrijke actie was de oprichting van de regiegroep onderwijskansenbeleid waarin de doorgaande lijn een continue aandacht krijgt. De warme overdracht (met ouders) tussen voorschool en vroegschool maakt nu ook onderdeel uit van de afspraken hierover. De regiegroep komt sinds 2018 ongeveer zes maal per jaar bij elkaar. De maatregelen die naast de uitvoering van VVE genomen moeten worden voor bestrijden van taalachterstand verschilt per school/wijk. Maatwerk wordt per school dan ook mogelijk. Welk maatwerk is per school/wijk aangeboden? Graag ontvangen we inzicht in de ingezette maatregelen per wijk. Antwoord: Met maatwerk wordt bedoeld dat scholen de vrijheid hebben om zelf keuzes te maken op welke manier zij inzetten op het aanpakken van taalachterstanden. De wijk waar een school staat blijkt daarbij geen doorslaggevende rol te hebben. Daarom zijn acties per wijk niet inzichtelijk. In de nota wordt tevens (op pagina 24) benoemd, incl voorwaarden, dat de scholen jaarlijks een maatwerkplan maken en aanleveren. Is dit bij alle scholen gebeurd? Kunnen wij deze plannen ontvangen ter beeldvorming en informatie zodat we weten welke maatregelen zijn ingezet. Antwoord: Nee, niet bij alle scholen.
Alleen scholen met een bepaald percentage instroom van VVE kinderen kunnen een aanvraag indienen. De focus van de aanvragen ligt op de groepen 1 en 2 om de doorgaande leerlijn te bevorderen. Het aanvraagformulier dat scholen hebben ontvangen kan worden gedeeld, de aanvragen zelf niet. Samen met partners ontwikkelen we een monitor die naast kwantitatieve gegevens ook kwalitatieve informatie levert. De resultaten bespreken we met alle partners om van elkaar te leren en best practices met elkaar te delen. Hier ontbreekt een vraag. 2
Naar aanleiding van de educatieve agenda 2021/2024 de volgende vragen: 4,1 Ambitie een goede start in het onderwijs. Bij activiteiten speerpunt a, werken aan positieve ouderbetrokkenheid staat: Begeleiding van 15 trajecten Sociaal Medische Indicatie. Betekent dit dat 15 gezinnen een Sociaal Medische Indicatie krijgen? Of anders, zijn het 15 trajecten waar meerdere ouders aan mee kunnen doen? Hoe moeten we dit zien. Hoe ziet zo'n traject er uit? Antwoord: Het betreft 15 gezinnen die een begeleidingstraject krijgen. Een Sociaal Medische Indicatie wordt vaker toegekend. Jeugd en Gezin Regio Gooi en Vechtstreek zal in 2021 begeleiding verzorgen van vijftien SMI trajecten met een gemiddelde begeleidingstijd van 15 uur. In afstemming met ouders wordt een begeleidingsplan opgesteld om ouders te ondersteunen met de methodiek positief opvoeden, terwijl hun kind(eren) opgevangen worden op een veilige plek. Ouders kunnen dan werken aan hun eigen problematiek waarbij dit ten goede komt aan het gezin. Jeugd en Gezin ondersteunt de gezinnen ook in de reguliere JGZ. Deelname van 30 gezinnen aan Instapje. Zijn er maar 30 gezinnen die er aan deel kunnen nemen? Instapje is in samenwerking met Bink kinderopvang.
Zijn er ook andere kinderopvang organisaties die daar aan mee doen? En hoe bereiken we de ouders van kinderen die niet op de kinderopvang zitten? Antwoord: Er kunnen jaarlijks 30 gezinnen deelnemen aan Instapje. Tot op heden is dit aantal toereikend en heeft het bereiken van de gezinnen de aandacht. In 2020-2021 doen er 27 gezinnen mee. Gezinnen kunnen meedoen aan Instapje op basis van een indicatie door JGGV. Er is nauwe samenwerking tussen JGGV, Bink en de gemeente Hilversum om de voortgang van Instapje te monitoren. Er zijn brochures over Instapje gedeeld met consultatiebureaus, peuterspeelzalen, bibliotheken en scholen. Bink treft momenteel ook voorbereidingen voor het maken van een promotiefilmpje, om zo meer bekendheid te geven aan het programma Instapje in de wijken Oost en Noord-Oost (de aanmeldingen uit deze wijken blijven achter). De voorleesexpres. We hebben op de website van het Maatjesproject gelezen dat er vrijwilligers nodig zijn voor de voorleesexpres. Dit maakt dat het onzeker is dat 60 gezinnen kunnen deelnemen aan deze activiteit. Welke acties gaat het college inzetten om te zorgen dat dit project kan slagen. Antwoord: Op dit moment zijn acties niet nodig. Dit jaar begeleidt Maatjesproject 68 gezinnen, dus meer dan 60. Er zijn op dit moment geen zorgen over een mogelijk tekort aan vrijwilligers.
Waar maatjesproject bij andere initiatieven een terugloop van vrijwilligers merkt, zien zijn juist dat vrijwilligers zich voor de voorleesexpres blijven aanmelden. Wel is er contact met Maatjesproject over de voortgang en wordt dit in de gaten gehouden. Deelname van 10 gezinnen aan het Buitenhuis project. Nemen deze 10 gezinnen al deel aan dit project? Het betreft hier een pilot van het Trimbosinstituut dat loopt tot 2022. Komt er nog een vervolg op? Antwoord: In Hilversum worden met het buitenhuisproject 10 gezinnen ondersteund. 3
Inmiddels zitten de gezinnen bijna 2 jaar in het buitenhuisproject. Er is geen doorstroom geweest. Het zijn multi-probleem gezinnen waarmee een band is opgebouwd. Doorstroom is een punt van aandacht. Er zijn 2 linking-pins die gezinnen met veel passie begeleiden. Gemiddeld besteden de Linking-pins 2 a 3 uur per week per gezin. Gedurende de looptijd van de HEA blijven we 10 gezinnen begeleiden. JGGV zorgt voor toeleiding en begeleiding van gezinnen, regelen de evt. opvangplek voor kinderen, zorgen voor coördinatie met netwerkpartners (formeel en informeel) rond het gezin, regelen verslaglegging en praktische hulp, verzorgen de vragenlijsten voor Trimbos. Bij speerpunt b: alle peuters bereiken: Wij vragen het college hoe het kan dat er nog steeds geen inzicht in omvang en redenen van niet- deelname aan voorschoolse voorzieningen is. En welke activiteiten om het bereik te verhogen nog uitgewerkt moeten worden. Antwoord: De gemeente Hilversum subsidieert peuterspeelzalen die VVE bieden. Van de circa 2500 peuters maken zo’n 300 ‘reguliere’ peuters en 200 ‘doelgroep’ peuters gebruik van een gesubsidieerde peuterspeelzaal. Daarnaast zijn er kinderen die worden opgevangen op een kinderopvang, gastouder, opa/oma, etc. De Peutermonitor is opgestart in Hilversum. De Peutermonitor geeft inzicht in het bereik van de voorschoolse opvang (die VVE bieden).
De Peutermonitor brengt alle informatie, die door de peuteropvang en JGGV worden geleverd, bijeen in een beveiligde datakluis (AVGproof). Er is gekeken naar het aantal kinderen dat wel een indicatie heeft gekregen, maar niet op een VVE locatie is aangemeld. Genoemde redenen: ouders willen niet (6x); beschikbaarheid voorkeurslocatie (2x), kind kan niet geplaatst worden door issue in medische hoek (2x). Financiën kunnen een drempel zijn voor ouders. Op het vermelden van de ouderbijdrage voor de peuterspeelzaal wordt extra gelet. Dit kan drempelverlagend werken voor ouders. Bij speerpunt c: Een VVE programma: Hoeveel peuterspeelzalen en kinderdagverblijven in Hilversum hebben een in de LRK (landelijk registratie kinderopvang) opgenomen VVE registratie? Antwoord: Alle peuterspeelzalen die VVE bieden hebben een vve registratie in de LRK. Dit is een voorwaarde voor subsidie. Dat zijn op dit moment 18 peuterspeelzalen van Bink en 2 peuterspeelzalen van AT kinderopvang. Hoeveel peuters en kleuters krijgen nu VVE? Antwoord: 200 doelgroeppeuters stromen jaarlijks door naar het basisonderwijs. In het basisonderwijs wordt geconstateerd dat er kinderen met achterstanden instromen die geen VVE indicatie hebben gehad (denk aan nieuwkomers).
Bij activiteiten bij speerpunt c: Inzicht creëren in de basisvaardigheden peuter/kleuter als basis voor het verhogen van de kwaliteit van het VVE programma en de doorgaande leerlijn. Kan het college toelichten waarom er geen inzicht is in de gewenste basisvaardigheden van peuters en kleuters? Hoe kan , ondanks dit gebrek aan inzicht nu getoetst worden of er sprake is van achterstanden. Wat wordt bedoeld met het formuleren van resultaatafspraken 4
met de kinderopvang? Antwoord: Kinderopvang en scholen gebruiken diverse kindvolgsystemen om de voortgang van kinderen te monitoren. Op die manier is er inzicht in de vaardigheden van peuters en kleuters. Kinderopvang en scholen werken met diverse systemen waardoor het niet voldoende mogelijk is om uitkomsten met elkaar te vergelijken. Er is geen gebrek aan inzicht, maar aan uniformiteit. Daarom wordt er gewerkt aan overkoepelende criteria om basisvaardigheden te kunnen meten en grip te houden op voortgang en monitoring. De uitkomst van de resultaten van de monitor dienen voor scholen, kinderopvang en de gemeente om gezamenlijk te werken aan een kwaliteitsverbetering van VVE. Speerpunt d: Doorgaande leerlijn van voorschool naar basisschool. De overdracht tussen voorschool en basisschool is nog niet overal op orde. Aan iedere voorschool is, als het goed is, tenminste één basisschool verbonden, en soms meerdere. Vaak bevindt de voorschool zich in een basisschool en is dit een vertrouwde plek geworden voor ouders en kind. Hoe kan het zijn dat de overdracht dan niet overal op orde is? Kan het college dat toelichten. Antwoord: Op locaties waar de voorschool gevestigd is in het gebouw van de basisschool is de warme overdracht vanzelfsprekender dan bij voorscholen waarvandaan de peuters uitstromen naar verschillende basisscholen.
Dit blijft een punt van aandacht en daarvoor organiseert de gemeente o.a. jaarlijks twee bijeenkomsten met voor- en basisscholen om de doorstroom van voor- naar basisschool te borgen. Ook is regelmatig overleg met de regiegroep ‘goede start’. De basisschool kan hetzelfde educatieve programma gebruiken voor de eerste jaren (vroegschool) als op de voorschool. De ontwikkeling van kinderen loopt zo op een logische manier door. Hoeveel basisscholen in Hilversum hebben deze koppeling tussen voorschool (peuterspeelzaal) en vroegschool (groep 1 en 2 basisschool)? Antwoord: in de subsidievoorwaarden is opgenomen dat gebruik dient te worden gemaakt van een erkend VVE programma. Voor- en vroegscholen bepalen zelf welk programma zij inzetten. Speerpunt e : Samenwerken aan een veilig en stimulerend opvoedklimaat in de thuissituatie. We hebben in Hilversum 34 reguliere basisscholen waarvan 6 scholen met een leerling populatie van 50% of meer kinderen uit gezinnen op of onder de armoedegrens. Deze scholen kunnen een aanvraag indienen bij het jeugdeducatiefonds. Maar ook op scholen in rijkere buurten zitten kinderen in de klas die met armoede geconfronteerd worden, bijvoorbeeld als gevolg van scheiding, ziekte, faillissement, baanverlies, niet rond kunnen komen als ZZPer. Juist op deze scholen waar deze kinderen een uitzondering zijn is aandacht nodig voor armoede.
Hoe worden daar de gevolgen van armoede opgepakt daar deze scholen niet in aanmerking komen voor het jeugdeducatiefonds? Antwoord: Het oppakken van de gevolgen van armoede valt buiten de scope van de HEA. Scholen hebben een signalerende functie ten aanzien lijdensdruk van een kind en kunnen contact opnemen met het sociaal plein bij zorgen.
5
Opgroeien in armoede heeft ingrijpende gevolgen voor de fysieke, sociale, cognitieve en emotionele ontwikkeling alsook het welbevinden, de inclusie en het toekomstperspectief van kinderen. Één op de twaalf kinderen in Nederland groeit op in armoede. Hoe ligt dat percentage in Hilversum? Is er inzicht in hoeveel kinderen per gezin dit betreft? Wilt u deze inzichten met ons delen. Antwoord: Er groeien in 2017 1.620 kinderen op in een minimahuishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm. Dat is 8 procent van alle 20.306 kinderen in de gemeente. Het merendeel van de minimahuishoudens is alleenstaand (60 procent) en 30 procent is een huishouden met thuiswonende kinderen; Eenoudergezinnen zijn oververtegenwoordigd in de minimapopulatie. We hebben geen inzicht in de exacte aantallen kinderen per gezin.
Bij STIP Hilversum, een scholenverband van 14 openbare scholen in Hilversum hebben de intern begeleiders een training gevolgd tot aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling. Zij zijn gecertificeerd en blijven jaarlijks trainingen volgen. Kan dit ook gerealiseerd worden op de overige scholen? Zo nee, waarom niet. Antwoord: scholen zijn wettelijk verplicht om een meldcode protocol te hebben en medewerkers hierin te trainen. Een gecertificeerde aandachtsfunctionaris is aan te raden en helpend, maar niet verplicht. 4.2 Ambitie, een passende plek en tijdig de juiste hulp. Anno 2021 is dit streven nog niet volledig gerealiseerd. Wat is er wel gerealiseerd, wat niet en waarom niet? Het is evident dat het verzorgen van passende onderwijsplekken en het bieden van de juiste hulp een doorlopend proces is. Het is dan ook belangrijk dat alle stappen in dat proces, de afspraken tussen onderwijs, gemeenten en samenwerkingsverbanden helder zijn. Waarom zijn die afspraken nog niet helder? Antwoord: De afgelopen jaren is al veel gedaan aan het creëren van passende onderwijsplekken en het inzetten van ondersteuning (begeleiding of behandeling) binnen het onderwijs. Dit is bijvoorbeeld gedaan door het opstarten van twee onderwijszorgarrangementen (J.H.
Donnerschool en de Wijngaard), jeugdconsulenten aan te laten sluiten bij scholen (bij de Zorg Advies Teams) en door in specifieke situaties maatwerk te leveren door bijvoorbeeld jeugdhulp in te zetten. We willen de komende periode kijken of we overkoepelende afspraken kunnen maken met alle betrokken partijen (scholen, samenwerkingsverbanden). De relatie en de samenwerking tussen de gemeente en de scholen is de afgelopen jaren fors verbetert, hierdoor is er nu ook ruimte ontstaan om gezamenlijk dit gesprek te voeren en tot concrete afspraken te gaan komen. Het verzorgen van passende onderwijsplekken en het bieden van de juiste hulp was immers een hoofddoelstelling bij de invoering van passend onderwijs in het schooljaar 2014/2015 en we leven nu al in 2021. Wat zijn de knelpunten? Antwoord: Passend onderwijs is primair de verantwoordelijkheid van onderwijs en 6
samenwerkingsverbanden. Wat de gemeentelijke inzet van jeugdhulp in het onderwijs lastig maakt is dat er vaak onduidelijkheid bestaat over verantwoordelijkheden (qua inzet van hulp en financiën). De Jeugdwet en de Wet op Passend Onderwijs zorgen voor een grijs gebied. Iedere school (ook weer afhankelijk onder welk samenwerkingsverband ze vallen) heeft een eigen set aan interventies/tools die ze in kunnen zetten voor kinderen (op gedrag en cognitie). Deze verschillen zorgen voor onduidelijkheid tussen de gemeenten en scholen over verwachtingen. Speerpunt b, meten en weten. Omdat we onvoldoende inzicht hebben welke vormen van jeugdhulp geboden worden op onze scholen.... Welke inzichten heeft het college sinds 2015 wel verworven? ….gaan we onderzoeken wat de huidige situatie met betrekking tot jeugdhulp in het onderwijs is. Is hier in voorgaande jaren ook onderzoek naar gedaan en is het college bereid deze informatie met ons te delen? Antwoord: We hebben de laatste jaren samenwerking gezocht met scholen die grote groepen kwetsbare kinderen onderwijzen, omdat we inzicht hebben gekregen dat de populatie van deze school veelal ook al gebruik maakt van jeugdhulp. Denk bijvoorbeeld aan de hierboven beschreven samenwerking met de speciaal onderwijs scholen de J.H. Donnerschool, de praktijkschool en productief leren. De uitkomsten van dit onderzoek bepalen mede de te maken keuzen.......
Welke factoren spelen nog meer een rol in de te maken keuzen? Antwoord: De samenwerking met en ideeën van scholen bepalen mede welke keuzes we gaan maken. Dit doen we in de werkgroep passend onderwijs en de LEA. Kan het college tevens toesturen de, in het onderwijskansenbeleid 2018-2021 op pagina 6 genoemde Evaluatie van de nota 2018-2019. Antwoord: deze evaluatie is reeds met de raad gedeeld in januari van 2020, inclusief de bijbehorende collegebrief. Uiteraard zijn we bereid die wederom met u te delen. De analyse op basis waarvan wordt gesteld dat de kansen ongelijkheid is toegenomen. Antwoord: deze analyse is gebaseerd op het rapport van de inspectie van het onderwijs: De staat van het onderwijs (2019). Tot slot, Moet het, 'Nationaal programma onderwijs na Corona' inclusief de financiën, niet betrokken worden bij dit stuk? Dit programma kunt u terugvinden op de site van de Rijksoverheid. Antwoord: Ja, het Nationaal programma onderwijs na Corona wordt betrokken bij de uitvoering van de agenda. Wij zijn blij dat het kabinet aankomende 2,5 jaar een impuls (€ 8,5 miljard) geeft aan het onderwijs en de voorschoolse educatie gericht op herstel en perspectief. Het grootste deel van de middelen zal rechtstreeks bij de scholen terechtkomen; een deel gaat naar de gemeenten.
Wij krijgen extra geld om in samenwerking met scholen, kinderopvang, (jeugdgezondheids)zorg, bibliotheken en andere partijen activiteiten aan te bieden om de vaardigheden van leerlingen op cognitief, executief, sociaal en emotioneel vlak te stimuleren. 7
Gemeenten wordt een belangrijke rol toebedeeld met name waar het gaat om het sociaal welbevinden van jeugd en jongeren. We verwachten in april dit jaar meer duidelijkheid te hebben. Het is ook nog niet duidelijk hoeveel middelen naar de Gemeente Hilversum komen. De verdeling is niet alleen gebaseerd op inwoneraantal maar mede op basis van het aantal achterstandsleerlingen in het funderend onderwijs. Conceptantwoord -penvoerder is Luuk Pleijsier tel: 0356292783
8