CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Reactie college van B&W op onderzoek Rekenkamer

GEMEENTERAAD 31 maart 2021, gemeente HilversumBij agendapunt: Rekenkameronderzoek naar betrokkenheid inwoners bij de Hilversumse energie- en warmtetransitie (749360)4.718 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

G EMEENTE HILVERSUM POSTBUS 9900 1201 GM HILVERSUM BEZOEKADRES: RAADHUIS

Aan de Rekenkamer

DUDOKPARK 1 TELE FOONNUMMER: 14 0 35 WWW.HILVERSUM.NL

3 februari 2021 741611 BEHANDELD DOOR P. de Vries DATUM

ZAAKNUMMER

TELEFOON (035)

BETREFT Reactie college van B&W op onderzoek Rekenkamer

UW KENMERK BIJLAGEN

Geachte dames en heren, Op verzoek van de Rekenkamer van de Hilversumse gemeenteraad, hierbij de reactie van het college van B&W op het rapport van de Rekenkamer over de betrokkenheid van de inwoners bij de energie- en warmtetransitie. Het College geeft eerst een algemene reactie op de rapportage van het onderzoek en zal daarna, conform het verzoek, specifiek ingaan op de conclusies en aanbevelingen.

Algemeen Het college is blij met dit onderzoek van de Rekenkamer. Het geeft niet alleen aan dat het onderwerp van groot belang wordt geacht, het komt ook op een goed moment in een spannende periode van transitie. Zoals bekend staat de wereld voor de enorme uitdaging om de klimaatverandering binnen leefbare grenzen te houden, zoals afgesproken in Parijs in 2015. Daarmee is het doel duidelijk, de weg erheen echter allerminst. Op alle overheidsniveaus, bij organisaties, bedrijven en ook burgers wordt gezocht naar wegen om enerzijds het energieverbruik te beperken en anderzijds over te stappen van fossiele- naar duurzame bronnen van energie. Op lokaal niveau probeert de gemeente daar regie op te voeren, op basis van beleid en wetgeving van de rijksoverheid en het Klimaatakkoord. En dat is een zoektocht, zoals het rapport terecht constateert. Een zoektocht op een speelveld dat bepaald wordt door een veelheid aan factoren: urgentie van handelen, ontwikkelen van technieken, procedures en regels, onderzoeken van mogelijkheden en vooral betrekken van mensen bij deze noodzakelijke transitie. Het gaat immers elk individu, elke woning, elk bedrijf en instelling aan. Iedereen krijgt er mee te maken, alle gebouwen worden aangepast en technieken wijzigen. Daardoor komt er nog een belangrijke factor bij: een uitgekiende communicatie met- en participatie van alle partijen. Ook de gemeenteraad.

Het rapport beschrijft de zoektocht in transitietijd helder. Het is de ‘experimenteerfase’ uit de transitietheorie. Wel zijn wij van mening dat er in dat proces in de afgelopen jaren veel bereikt is.

Hele concrete doelen zijn gesteld én gehaald (100 kiloton minder CO2-uitstoot), er zijn energiecoöperaties opgericht die werkelijk bijdragen aan de transitie, er is een Platform (Hilversum100), er zijn Green Deals met resultaten, etc. Dat verdient niet alleen complimenten aan alle betrokkenen, het is ook de basis waar vandaan een volgende fase ingegaan kan worden. Er is veel uitgezocht, we weten inmiddels meer over wat de keuzen zijn, hoe zaken aangepakt moeten worden, wat er wel en (nog) niet mogelijk is. En er is een brede infrastructuur van organisaties en betrokkenen, het draagvlak voor de energietransitie is fors toegenomen. Tegelijkertijd is het nodig om een volgende fase in te gaan, een schaalsprong te maken in de transitie (de versnellingsfase). De realiteit van de afspraken in het Klimaatakkoord, de nieuwe inzichten en doelen van de EU dwingen ons daartoe. In opdracht van de VNG heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een onderzoek verricht naar de uitvoeringslasten van het Klimaatakkoord bij decentrale overheden voor de periode 2022-2030. Daaruit blijkt dat een gemeente van de omvang van Hilversum circa 20 fte in zal moeten zetten op dit onderwerp. Over de financiering hiervoor wordt gesproken met het rijk door VNG en G40. Uiteraard maakt de gemeente die schaalsprong niet alleen: alle betrokken organisaties worden hier ook mee geconfronteerd.

Zo zullen de energiecoöperaties (verder) moeten professionaliseren en moeten ze daar de mogelijkheden voor krijgen. En zullen er keuzes moeten worden gemaakt in wie wat doet en financiert. Daarom heeft het college naast dit onderzoek van de Rekenkamer ook het Klimaatverbond gevraagd om de samenwerking tussen gemeente en coöperaties te onderzoeken. De conclusies uit dat rapport geven duidelijke handvatten voor het vervolg, voor de volgende fase. Met dit rapport van de Rekenkamer, het rapport van het Klimaatverbond en de evaluatie van het beleid 2016-2020, denkt het college voldoende materiaal te hebben om het beleid 2021-2025 op een goede manier vorm te geven. Dat zal later dit voorjaar aan de raad worden voorgelegd.

Conclusies 1. De gemeente Hilversum zoekt naar een passende rol in de energie- en warmtetransitie, maar heeft die nog niet gevonden Al vanaf de start van het programma Duurzaam Hilversum 2016-2020, zoekt de gemeente Hilversum naar de eigen rol in de energie- en warmtetransitie richting inwoners en andere stakeholders. Datzelfde geldt voor de rollen voor de hierbij betrokken partijen. Deze zoektocht speelt zich overigens niet alleen af in Hilversum. Ook andere gemeenten worstelen met hun rol in het complexe speelveld van de energie- en warmtetransitie. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en het landelijke beleid is tussentijds aangescherpt en bijgesteld, bijvoorbeeld met het Klimaatakkoord. Bovendien worstelt de gemeente met de vraag waar zij wel en niet over gaat, zeker als het gaat om de warmtetransitie. Een groot deel van de opgave speelt zich af achter de voordeur van inwoners. Hierdoor is de invloed van de gemeente – binnen de huidige mogelijkheden – beperkt. Als het gaat om het aardgasvrij maken van woningen, richten verwachtingen van burgers zich met name op een financiële bijdrage. Vanuit het gezichtspunt dat de burger zijn eigen verantwoordelijkheid heeft, stelt de gemeente zich afwachtend op waar het gaat om het verlenen van (co-)financiering.

Wat betreft het financiële instrumentarium, beperkt Hilversum zich vooralsnog – net als andere gemeenten – tot het verstrekken van de duurzaamheidslening. Nieuwe ontwikkelingen, grote veranderingen en transities doorlopen verschillende fasen, waarbij de eerste veelal bestaat uit het minder gestructureerd ontstaan van initiatieven en plannen. Er is veel energie en beweging, maar nog nauwelijks structuur om e.e.a. te ‘kaderen’ en te ‘richten’. In deze fase is het lastig voor alle betrokkenen, en dus ook voor de gemeente, om de eigen rol en positie binnen het geheel te definiëren, mede omdat deze constant wisselt. Na enige tijd begint het speelveld met alle actoren zich wat uit te kristalliseren en tegelijkertijd ontstaat dan als vanzelf de behoefte aan meer structuur, aan planning en programmering en aan meer helderheid over rollen, taken en verantwoordelijkheden.

2

We bevinden ons met de energietransitie op de overgang naar deze volgende fase. En hoewel gesproken kan worden over een ‘overgang’ naar een ‘volgende fase’, is dit in feite toch een min of meer organisch proces, een logische ontwikkeling. De eerste nadrukkelijke stap in dit proces is door de gemeente in 2019 gezet met de productie van een ‘wegwijzer’ voor gemeenten door De Argumentenfabriek (‘Strategisch positie kiezen in de energietransitie’, in opdracht van 10 gemeenten waaronder Hilversum). Waar deze zich meer algemeen richtte op de wisselende rollen van de gemeente, heeft dit vorig jaar een vervolg gekregen in een opdracht aan Klimaatverbond Nederland, specifiek gericht op de relatie van de gemeente met de beide energiecoöperaties.

2. De gemeente heeft moeite het beleid ten aanzien van duurzaamheid en de warmtetransitie en de sturing daarop, te concretiseren In het kader van het duurzaamheidsbeleid bedenkt en onderneemt de gemeente tal van activiteiten. Hierbij is niet altijd concreet gemaakt wat de inspanningen moeten opleveren, wat bepaalde activiteit bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen en/of wie daarvoor aan de lat staat. De nadruk lag meer op het maken van plannen dan op de praktische uitwerking en uitvoering van het beleid en een passende rolverdeling tussen de betrokken actoren. De afgelopen jaren zijn diverse concrete beleidsdoelen en resultaten behaald: de 100 kiloton CO2-reductie is bereikt, er zijn twee actieve energiecoöperaties, het regionale project Energie Besparen heeft investeringen losgemaakt van tientallen miljoenen euro’s, De Meent is opgenomen in het landelijke Programma Aardgasvrije Wijken, er is een regionaal Energie Diensten Bedrijf opgericht en de ambities op het gebied van duurzaamheid bij de bevolking zijn aantoonbaar gestegen. Tegelijkertijd herkennen we het beeld dat niet altijd even scherp was aan welk beleidsdoel een activiteit in welke mate werd geacht bij te dragen – en tegen welke kosten.

Deels is dit inherent aan de eerste fase van de transitie die de afgelopen jaren is doorlopen (en waarin het accent vooral lag op bewustwording en het losmaken van enthousiasme, energie en initiatieven) en staan we nu voor de overgang naar de volgende fase, met meer aandacht voor het scherper formuleren van beleid en beleidsdoelen, de middelen die we daarvoor inzetten en de rolverdeling tussen betrokken actoren. Deze ‘verzakelijking’ is ook noodzakelijk gezien de schaalsprong op uitvoeringsniveau die de energietransitie vraagt. Een fase van uitvoering op een veel grotere schaal dan tot nu toe mogelijk leek. Zoals een recent VNG-rapport aangeeft is daar veel meer geld en menskracht voor noodzakelijk: uitvoering van het Klimaatakkoord vergt voor een stad met de omvang van Hilversum het komende decennium circa 20 fte extra. Het college is van mening dat de financiering van de opschaling grotendeels van het rijk zal moeten komen en daar wordt actief voor gelobbyd binnen VNG en G40-verband.

3. Het inzetten op initiatieven vanuit de samenleving roept de vraag op hoe de doelstelling “aardgasvrij 2040” gehaald gaat worden De gemeente geeft aan niet zelf te gaan sturen op aardgasvrij. Ook bepaalt de gemeente niet welke wijken wanneer van het aardgas af gaan. Concrete initiatieven worden alleen besproken als deze van onderaf uit de samenleving komen en haalbaar en betaalbaar zijn. Daarmee gaat de gemeente ook niet actief over tot het opstellen van buurtuitvoeringsplannen. Dit roept de vraag op hoe de doelstelling “aardgasvrij 2040” gehaald gaat worden. De gemeente heeft een heldere doelstelling, maar kan die niet bereiken zonder voldoende steun van met name de rijksoverheid. De randvoorwaarden voor een voortvarende aanpak zijn nog niet geregeld: met name in financiële en juridische zin heeft het rijk nog onvoldoende mogelijkheden gegeven. De gemeente is in VNG- en G40-verband actief om die randvoorwaarden voor een succesvolle transitie naar aardgasvrij te regelen. Totdat financiering en wetgeving beschikbaar zijn, is een andere aanpak noodzakelijk. 3

Die aanpak is gebaseerd op het faciliteren en ondersteunen van initiatieven die burgers zelf nemen, zoals concreet in De Meent en in Kerkelanden. Daar kunnen stappen worden gezet in de richting van aardgasvrij, mits haalbaar en betaalbaar. Een belangrijke rol voor de gemeente daarbij is wel om ervoor te zorgen dat alle inwoners deze transitie ook mee kunnen maken, zowel in financiële- als sociaaleconomische zin.

4. De gemeente kiest voor een situationele rolopvatting, maar mist een helder afwegingskader voor het onderbouwen van keuzes hierin De gemeente Hilversum is zich bewust van haar zoektocht en kiest afhankelijk van waar de omstandigheden om vragen, een specifieke rol: soms faciliterend en dan weer sturend of stimulerend. Samenwerkingspartners en inwoners verwachten dat ook. Het continue schakelen tussen rollen hoeft geen probleem te zijn, maar zowel intern als extern is er behoefte aan een afwegingskader op basis waarvan de eigen rol én die van andere partijen bepaald kan worden. De door de gemeente opgestelde stakeholdersanalyse zou de basis kunnen vormen voor een dergelijk afwegingskader, maar wordt in de praktijk niet als zodanig gebruikt. Specifiek voor de wijze waarop samengewerkt wordt met bewonersinitiatieven, zou het bestaande algemene participatiebeleid in principe uitkomst kunnen bieden. In de praktijk is dit participatiebeleid te algemeen en abstract om als leidraad voor de gemeentelijke rol te kunnen dienen. Het college is blij dat de Rekenkamer begrijpt dat de gemeente continu moet schakelen tussen verschillende rollen. Het college onderschrijft dat de nieuwe fase binnen de energietransitie waar we voor staan (zie onze reactie op aanbeveling 2) vraagt om meer duidelijkheid over de rol en verantwoordelijkheden van de gemeente in verschillende situaties.

Zoals gemeld hebben we vanuit deze insteek eerder al een ‘informeel afwegingskader’ laten ontwikkelen door De Argumentenfabriek en advies gevraagd bij Klimaatverbond Nederland. De logische volgende stap is een uitwerking van de adviezen van het Klimaatverbond. Daarbij ligt het voor de hand om onszelf de vraag te stellen wat de energietransitie, en dan met name de benodigde schaalsprong, van ons als gemeente vraagt de komende jaren. En vervolgens ook wat dit betekent voor wat wij als gemeente op onze beurt vragen van onze (strategische) partners (waaronder energiecoöperaties en bewonersinitiatieven). We zullen hiervoor onze eerdere stakeholdersanalyse, het opgestelde kader van de Argumentenfabriek en de rapporten van Klimaatverbond Nederland en de Rekenkamer als input gebruiken, net als de participatie in het kader van de Transitievisie Warmte dit voorjaar. Voor de zomer zullen we deze uitwerking afronden zodat deze tijdig met alle betrokkenen en de gemeenteraad besproken kan worden en waar nodig verwerkt kan worden in de Transitievisie Warmte die de gemeenteraad eind 2021 vast stelt.

5. De onderlinge verhouding tussen gemeente en de energiecoöperaties is onduidelijk, waardoor de samenwerking stroef verloopt Zowel de gemeente als de twee energiecoöperaties HilverZon en HET, ervaren de huidige wijze van samenwerken als onbevredigend. De energiecoöperaties hebben in de afgelopen jaren een ontwikkeling doorgemaakt van bewonersinitiatief tot een meer professionele organisatie. Verder is er sprake van een subsidierelatie tussen gemeente en de coöperaties. Dit heeft geleid tot onduidelijkheid in de onderlinge verhouding en maakt het voor de gemeente lastig de coöperaties op een geëigende wijze aan te spreken. De gemeente wil enerzijds initiatieven ondersteunen en stimuleren, maar tegelijkertijd als subsidiegever ook controle op subsidiegelden en zicht houden op de gerealiseerde resultaten. De stroeve samenwerking is misschien wel exemplarisch voor de zoektocht van de gemeente naar haar eigen rol en geeft tegelijkertijd de uitdaging weer als het gaat om de samenwerking met bewonersinitiatieven. Terechte conclusie. Dat is ook de reden dat de gemeente parallel aan dit onderzoek van de Rekenkamer aan het Klimaatverbond Nederland heeft gevraagd om de relatie tussen gemeente en energiecoöperaties te onderzoeken.

Dat onderzoek legt een belangrijke financieel-economische spanning bloot in de Hilversumse situatie, die te maken heeft met enerzijds schaal en anderzijds politieke keuzen. 4

Als men kijkt naar energiecoöperaties elders in Nederland, dan blijkt dat de meesten hun professionalisering en groei vooral kunnen betalen uit de opbrengsten van (deelname in) windmolens en zonneparken. Zon op dak of parkeerplaats kan meestal wel uit, maar levert weinig investeringsruimte op. Bovendien is Hilversum eigenlijk te klein voor meer dan één professionele coöperatie, zelfs al had die meer verdienmogelijkheden. Daarom zijn lastige keuzes nodig, wellicht zelfs voor een echt professionele coöperatie op regio-niveau. En toch zijn (ook) de energiecoöperaties op lokaal of zelfs wijkniveau onmisbaar in de transitie: zij zijn van de burgers en kunnen voor veel draagvlak en betrokkenheid zorgen. De ‘eerste lijn’ advisering van burgers door de energiecoaches is echt een waardevolle activiteit die juist de energiecoöperaties goed kunnen organiseren, hoofdzakelijk op vrijwillige basis. Daarom verdienen zij steun van de gemeente. Op dat schaalniveau is het alleen, zeker gegeven de huidige verdienmogelijkheden, niet mogelijk echt te professionaliseren. Dat zullen vooral vrijwilligersorganisaties blijven, met een afhankelijkheid van subsidies.

6. De vertegenwoordiging van de belangen van inwoners in de energie- en warmtetransitie is onvoldoende belegd De bestaande bewonersinitiatieven zijn slechts in beperkte mate te beschouwen als vertegenwoordigers van de belangen van alle Hilversummers. Aan de verwachting van de gemeente dat de coöperaties ook andere inwoners betrekken, wordt in de ogen van de gemeente onvoldoende voldaan. De energiecoöperaties vertegenwoordigen in eerste instantie hun eigen leden. Het gaat hierbij om een kleine groep van bovengemiddeld betrokken inwoners. Het betrekken van andere inwoners dan ‘the usual suspects’ is lastig voor de gemeente. Tegelijkertijd is dit een landelijke uitdaging waar veel gemeenten mee worstelen. Inderdaad een bekende uitdaging, waar de energiecoöperaties een rol in (kunnen) spelen. Ter nuancering: die rol bepalen zij zelf, in die zin ‘verwacht’ de gemeente niets en is dat dus nooit ‘onvoldoende’. De ontwikkelingsrichting zoals geschetst bij conclusie 5 is een volgende stap in dit proces. Tegelijk met de start van de fase waarbij we proefprojecten doen met aardgasvrij (klaar) maken, zoals in De Meent, neemt ook de behoefte van bewoners toe om zich actiever op te stellen in de energietransitie. Het komt dichterbij, men gaat zich oriënteren. En dan blijkt er inmiddels veel informatie beschikbaar en leveren de energiecoöperaties zelfs gratis een energiecoach aan huis.

De huidige acties en stappen in de aanpak zijn er juist op gericht om een steeds bredere groep Hilversummers te betrekken. Tegelijk zou de conclusie ook moeten zijn dat lang niet alle bewoners behoefte hebben aan grote betrokkenheid. Veel mensen willen gewoon horen wat er op een gegeven moment van hen verwacht wordt en willen helemaal geen tijd vrijmaken om overal over mee te praten. Dit gegeven is overigens niet voorbehouden aan de energietransitie; ook ander beleid krijgt uiteindelijk maar een beperkt deel van de bevolking actief in de participatie.

7. Beperkte financiële ruimte dwingt gemeente tot het maken van keuzes De gemeente Hilversum is zich de laatste jaren binnen het duurzaamheidsbeleid steeds meer gaan focussen op de energie- en warmtetransitie. De keuze hiervoor is enerzijds bewust omdat hier de grootste opgave ligt, maar anderzijds ook noodzakelijk vanwege de beperkte personele capaciteit en beschikbare financiële middelen. Het budget voor duurzaamheid staat bovendien de komende jaren verder onder druk. Er is veel minder te besteden dan in de afgelopen jaren. Hierdoor is het de vraag in hoeverre het ambitieniveau van de gemeente Hilversum nog strookt met het beschikbare budget. Het risico is aanwezig dat de doelstellingen moeten worden bijgesteld. 5

Een terechte conclusie. Een recent onderzoek in opdracht van de VNG heeft laten zien wat er nodig is op lokaal niveau om alle afspraken uit het Klimaatakkoord te realiseren: de kleinste gemeenten hebben daarvoor circa 10 fte nodig, de G4 zo’n 100 fte extra. Daar worstelen alle gemeenten mee. Gezien het gewicht van het Klimaatakkoord en het onderliggende Akkoord van Parijs, de plannen van de EU en de rijksoverheid, ligt het in de lijn der verwachting dat er nog veel middelen beschikbaar zullen moeten komen voor de duurzaamheidsdoelen. De doelen bijstellen lijkt (inter)nationaal geen optie en dus lokaal en regionaal ook niet. Belangrijk is wel dat de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheden, zoals we dat onlangs met de succesvolle aanvraag voor een Proeftuin Aardgasvrije Wijken gedaan hebben (De Meent). Daarnaast zijn we actief in gesprek met de rijksoverheid via de VNG en de G40 om meer middelen beschikbaar te krijgen.

8. Capaciteitstekort en geringe personele continuïteit hebben een nadelig effect op de relatie met samenwerkingspartners Het tekort aan menskracht en personele wisselingen hebben een negatief effect op de werkrelatie tussen de gemeente en andere betrokkenen bij de energie- en warmtetransitie. Dit ervaren initiatieven zoals de coöperaties, maar ook de netbeheerder signaleert dit probleem. Terechte conclusie. De gemeente heeft de afgelopen jaren helaas gemerkt hoe kwetsbaar een klein team kan zijn. Door een zeer ongelukkige samenloop van persoonlijke omstandigheden was er teveel personeel tegelijk niet beschikbaar voor het team energietransitie, voor langere tijd of zelfs definitief. Vooral in een pandemiejaar is dat extra lastig goed in te vullen. Het college is degenen die de kar desondanks zijn blijven trekken veel dank verschuldigd, maar ziet ook de noodzaak van uitbreiding in dit team. Daar zijn inmiddels al stappen in gezet.

9. Door uitbesteden van werk blijft kennisopbouw beperkt en blijven kansen mogelijk onbenut Deels vanwege capaciteitsgebrek, maar ook omdat de gemeente zelf niet over voldoende technische kennis beschikt, besteedt de gemeente Hilversum relatief veel werk uit. Hierdoor wordt er intern weinig (technische) kennis opgebouwd. Daarnaast hebben de lokale energiecoöperaties het gevoel dat zij gepasseerd worden. Een deel van de nu nog uitbestede taken, kunnen zij mogelijk op zich nemen. Inhuur om een capaciteitstekort aan te vullen is iets anders dan inhuur vanwege de behoefte aan een bepaald specialisme, technisch of anderszins. Een goed evenwicht in eigen kennis en kunde en inhuur blijft evenwel een belangrijk aandachtspunt. Mede gezien de conclusies van de VNG over de benodigde capaciteit om het Klimaatakkoord uit te voeren, ligt het in de lijn der verwachting dat structurele uitbreiding nodig is. Anderzijds is in de energietransitie landelijk een beweging zichtbaar dat een aantal ervaren specialisten steeds vaker tijdelijk ergens bepaalde stappen helpen zetten om dat vervolgens weer elders te gaan doen. Toegesneden op de lokale behoefte op dat moment. Samenwerking met derden (zoals energiecoöperaties) kan de werkdruk verlichten, mits die derden van een voldoende professioneel niveau zijn. Overigens blijft ook dan de interne kennisopbouw beperkt.

10. De gemeente bereikt inwoners in beperkte mate en inwoners weten de gemeente nauwelijks te vinden De afstand tussen de gemeente Hilversum en de inwoners is relatief groot als het gaat om het duurzaamheidsbeleid en de energie- en warmtetransitie. Zo zijn inwoners weinig bekend met het duurzaamheidsbeleid en de instrumenten zoals de duurzaamheidslening. Ook blijkt dat de gemeente bij inwoners pas relatief laat in beeld komt wanneer zij zelf initiatieven willen ondernemen. De initiatiefnemers kijken eerst naar andere partijen die hulp kunnen bieden of voeren hun initiatief zelfstandig uit.

6

Ook deze conclusie herkennen we. Er zitten wel twee kanten aan. Enerzijds geeft het aan dat we hier als gemeente aan moeten (blijven) werken en dat doen we inmiddels: er is een communicatieadviseur aan het team energietransitie toegevoegd en recent nog een junior-communicatieadviseur daarbij. Ook de wijkenaanpak en de buurtcoördinatoren helpen om de gemeente en het duurzaamheidsbeleid bekender en toegankelijker te maken. Anderzijds is het ook prima als initiatiefnemers eerst naar de energiecoöperatie kijken en via hen gebruik kunnen maken van hulp en ondersteuning. Dat is een belangrijke reden voor de gemeente om de energiecoöperaties te subsidiëren, zodat zij die ondersteuning in voldoende mate en op voldoende niveau kunnen bieden. Ook het Energiedienstenbedrijf en het Duurzaam Bouwloket zullen steeds meer een functie krijgen in het bedienen van inwoners met vragen over verduurzaming van hun woning. De gemeente rekent het tot haar taak om ervoor te zorgen dat dergelijke informatie voor onze inwoners beschikbaar is, zonder dat we dit noodzakelijkerwijs zelf uitvoeren. Overigens monitoren we zelf dit punt omdat we dat belangrijk vinden. Uit onze ‘Omnibus’ blijkt juist dat we steeds meer mensen weten te bereiken en dat de bekendheid van het beleid toeneemt. Concreet zien we bijvoorbeeld ook dat het budget voor de duurzaamheidslening steeds sneller uitgeput raakt.

11. De raad krijgt veel informatie over het duurzaamheidsbeleid en de warmte- en energietransitie, maar kan deze niet altijd op waarde schatten De raad wordt door het college regelmatig geïnformeerd over het duurzaamheidsbeleid en de warmte- en energietransitie. De informatiestroom is alleen maar toegenomen, ook vanuit externe bronnen. Het risico bestaat dat de raad door het bomen het bos niet meer ziet. Er is dus behoefte aan duiding van al deze informatie. Ook een herkenbare conclusie. In een transitie als deze is zóveel tegelijk in beweging en ook in korte tijd zoveel in verandering, dat het niet altijd eenvoudig is om daar een helder overzicht over te geven. Dat geldt voor ons, maar ook voor de regio Gooi- en Vechtstreek, voor de energieregio Noord-Holland Zuid, voor de provincie, de omgevingsdienst, het rijk, etc. Elke overheidsinstantie is bezig met de energietransitie en dat moet ook. Maar dat leidt wel vaak tot een enorme brij aan informatie. Het college probeert dat voor de raad zo goed mogelijk te bundelen en toe te lichten. Dit blijft zeker een aandachtspunt, dat we ook meenemen bij de opstelling van het nieuwe programma 2021-2025. Dat zal niet alleen gaan over de inhoud, zeker ook over de communicatie daarover naar de verschillende betrokkenen. De raad uiteraard niet in de laatste plaats.

Het is ons voornemen om in het nieuwe programma de samenhang te schetsen tussen de verschillende ‘lijnen’ binnen de energietransitie (Jaarprogramma, RES, Transitievisie Warmte gemeentelijke begroting), inclusief de reguliere momenten (vaststelling, verantwoording) waarop de gemeenteraad haar kaderstellende en controlerende rol kan invullen. Daarbij zullen we dankbaar gebruik maken van het advies van de Raadswerkgroep Vergaderen om in raadsvoorstellen helder aan te geven in welke fase van het bestuurlijke proces het betreffende voorstel thuis hoort (beeldvorming, oordeelsvorming of besluitvorming).

Aanbevelingen aan het college 1. Accepteer dat de gemeentelijke rol niet vaststaat maar continu wisselt. Blijf daarom afhankelijk van waar de situatie om vraagt, zoeken naar de best passende rol. Zorg voor een helder afwegingskader om de best passende situationele rol beter te kunnen bepalen. De reeds uitgevoerde stakeholdersanalyse kan hiervoor de basis vormen. Deze aanbeveling nemen we over, zoals aangegeven in onze reactie bij conclusie 4.

7

2. Investeer in de kwaliteit van het volgende duurzaamheidsprogramma door: 

het expliciteren van korte- en lange-termijndoelen, middelen, activiteiten, actiehouders en resultaat;

het betrekken van partijen en partners bij het bepalen van de doelstellingen en activiteiten;

de voortgang op duurzaamheidsdoelstellingen meer te koppelen aan landelijke bronnen zoals de Klimaatmonitor om de voortgang daarmee beter in perspectief te plaatsen.

Deze aanbeveling nemen we over, onder verwijzing naar onze reactie op conclusie 2.

3. Hoewel al veel informatie aan de raad gegeven wordt, zou de raad geholpen zijn met meer duiding van deze informatie en meer duidelijkheid over de ambities in relatie tot het beschikbare budget. Deze aanbeveling nemen we over, onder verwijzing naar onze reacties op conclusie 11 en aanbeveling 2.

4. Stimuleer nieuwe bewonersinitiatieven, door te definiëren wat hieronder precies wordt verstaan, welke rolverdeling daarbij hoort en hoe de initiatieven het beste zijn te ondersteunen. Ontwikkel hiervoor ook een afwegingskader. Deze aanbeveling nemen we over. Feitelijk beschrijft deze aanbeveling onze aanpak zoals die in de Startnotitie van de Transitievisie Warmte staat, die recent aan de raad voorgelegd is. Daarin stellen wij als gemeente de kaders en vervolgens gaan we dit voorjaar i.h.k.v. de Transitievisie Warmte met bewoners en organisaties in gesprek over o.a. hun wensen en verwachtingen t.a.v. de gemeente. Mede op basis daarvan zullen we een afwegingskader vaststellen dat voor de komende jaren meer duidelijkheid verschaft wat bewonersinitiatieven van de gemeente mogen verwachten. (Zie ook onze reactie op conclusie 4.)

5. Evalueer regelmatig met gesubsidieerde bewonersinitiatieven om de samenwerking en voortgang te bespreken. Zijn de onderlinge verwachtingen helder, wordt nog aan die verwachtingen voldaan en hoe voelt iedereen zich bij de samenwerking? Deze aanbeveling nemen we over: dit is gebruikelijk binnen een subsidierelatie en zullen we ook zeker blijven doen.

6. Met de Transitievisie Warmte bepaalt de gemeente niet de volgorde waarin de Hilversumse wijken aardgasvrij worden, maar wordt gekozen voor een bottom-up benadering gericht op initiatieven vanuit de samenleving. Het is dus van belang bewonersinitiatieven en individuele bewoners te betrekken door hen te informeren en wellicht te motiveren en wanneer er initiatieven komen, deze te faciliteren. Ontwikkel een kader om te bepalen in welke mate en op welke momenten bewoners inspraak hebben, hoe je deze inspraak borgt en hoe omgegaan wordt met bewonersinitiatieven. Betrek vroegtijdig de wijk, ook als nog niet alle stappen duidelijk zijn. Wees hier transparant over. Deze aanbeveling nemen we over, waarbij we verwijzen naar onze reactie bij aanbeveling 4 en onze huidige aanpak in De Meent en Kerkelanden. Het begrip ‘inspraak’ is daarbij overigens te smal naar onze mening: in de ideale situatie wordt gezamenlijk een plan ontwikkeld.

7. Ga door met het traject om onder professionele begeleiding de samenwerking met de energiecoöperaties opnieuw vorm te geven. Werk aan een meer zakelijke relatie waarbij partijen elkaar kunnen aanspreken op resultaat. Op die manier ontstaat er mogelijk ook meer duidelijkheid over de rolverdeling en de onderlinge verwachtingen en verplichtingen. 8

Kijk daarbij naar de mogelijkheden om de lokale energiecoöperaties meer of andere taken op zich te laten nemen en de bij de coöperaties aanwezige expertise (beter) te benutten. Deze aanbeveling nemen we vanzelfsprekend over. Dit traject loopt inderdaad. Het college is blij met de erkenning van het belang hiervan door de Rekenkamer.

8. Leg de geleerde lessen van het project rond de subsidie voor het aardgasvrij maken van de Hilversumse Meent vast. Mede gezien de druk op het ambtelijk apparaat is het zaak de opgedane (technische) kennis vast te houden. Deze aanbeveling nemen we over. De hele opzet van het Programma Aardgasvrije Wijken is gericht op kennis vergaren, vastleggen en delen.

Aanbevelingen aan de raad 9. Uit het onderzoek komt naar voren dat er veel informatie beschikbaar is over het duurzaamheidsbeleid, en de warmtetransitie in het bijzonder. Maak duidelijke afspraken met het college welke informatie u als raad met welke frequentie wenst te ontvangen zodat u uw controlerende en kaderstellende taken goed kunt uitvoeren. Hierbij valt ook te denken aan beschikbaar budget en de besteding daarvan. 10. De Transitievisie Warmte zal in het vierde kwartaal van 2021 ter vaststelling aan de raad worden aangeboden. Zorg dat u geïnformeerd wordt over de sturingsmogelijkheden om de doelstellingen van Hilversum te realiseren en laat u informeren over de voortgang van de resultaten daarvan.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Hilversum, de gemeentesecretaris,

de burgemeester,

D. Emmer

P.I. Broertjes

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=0861d2e3-8b73-4eb8-8371-441c87170fd4