Raadsinformatiebrief 2023-21 inzake Woondeal MRA
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief Van
Burgemeester en Wethouder/Burgemeester
Zaak nr.
1276766
Aan
Gemeenteraad
RIB nr.
2023-21
Portefeuillehouder
K.J. Walters
Datum
15 maart 2023
Informatie bij
A. Tempelaars
Tel. nr.
(035) 629 2862
Onderwerp Op 14 maart heeft het college twee besluiten genomen over de woondeal MRA (Metropoolregio Amsterdam). Met deze brief informeren wij u over deze besluiten.
Kernboodschap Woondeal MRA Het Rijk, provincies en de gemeenten in de MRA, hebben een nieuwe woondeal opgesteld. Deze woondeal is een uitwerking van de aangescherpte ambities van het programma woningbouw van de Nationale Woon en Bouwagenda. Op 15 maart tekent wethouder Walters de woondeal MRA, namens het college, voor de gemeente Hilversum. Hierbij ontvangt u de nieuwe Woondeal MRA 2022 t/m 2030. Woondeal MRA Aanvullende verklaring Amsterdam - BZK Het tweede besluit dat het college heeft genomen over de woondeal is om niet in te stemmen met de aanvullende verklaring. Deze aanvullende verklaring is opgesteld door de gemeente Amsterdam en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK). In de aanvullende verklaring verzoekt de gemeente Amsterdam de andere MRA gemeenten om meer dan haar deel te doen in de huisvesting van aandachtsgroepen.
Aanleiding Woondeal MRA 2022 t/m 2030 Het landelijk woningtekort wordt groter. De inzet om deze opgave in onze regio aan te pakken is onverminderd groot. De Minister voor VRO, de provincies Noord-Holland en Flevoland en de 29 regiogemeenten in de MRA hernieuwen met deze Woondeal de samenwerking voor de woningbouwopgave in de periode 2022 t/m 2030. Daarbij wordt ook nauw samengewerkt met corporaties, marktpartijen en maatschappelijk partners. Met deze woondeal maken we onder andere woningbouwafspraken over het realiseren van tweederde betaalbare nieuwbouw. Daarnaast zijn er procesafspraken die moeten waarborgen dat Rijk en regio de grote woningbouw- en betaalbaarheidsambities met elkaar kunnen oppakken. Andere onderwerpen zijn huisvesting van senioren en maatschappelijke aandachtsgroepen en duurzame en toekomstbestendige bouw.
Woondeal MRA Aanvullende verklaring Amsterdam - BZK Amsterdam en het ministerie van Binnenlandse Zaken stellen dat Amsterdam meer dan haar deel doet in het huisvesten van aandachtsgroepen en statushouders. De andere gemeenten in de MRA wordt nu gevraagd deze Amsterdamse opgave te onderkennen en de stad te ondersteunen door een deel van haar opgave over te nemen. Tussen de regiogemeenten in Gooi en Vecht en separaat met enkele andere MRA-gemeenten is de aanvullende verklaring inhoudelijk besproken. De problematiek die door Amsterdam wordt geschetst in termen van een grote opgave van het huisvesten van statushouders en andere maatschappelijke doelgroepen wordt breed herkend en erkend. Maar geconcludeerd is dat Amsterdam geen steekhoudende argumenten heeft om van de andere MRA- gemeenten te vragen meer dan hun deel te doen in het huisvesten van aandachtsgroepen en statushouders.
Consequenties Woondeal MRA De Woondeal sluit goed aan op het Hilversumse beleid. Met het tekenen van de Woondeal gaan we een langjarige samenwerking met Rijk, provincie, regio aan om de complexe opgaven op de woningmarkt op te pakken. Op die manier worden de krachten van de verschillende overheidslagen gebundeld met als doel het functioneren van de regionale woningmarkt structureel te verbeteren, de bouwproductie met oog voor duurzaamheid en betaalbaarheid op niveau te brengen. Het tekenen van de Woondeal helpt dus de gemeente Hilversum om in samenwerking de ambities op het gebied van wonen en betaalbaarheid voor elkaar te krijgen. Woondeal MRA Aanvullende verklaring Amsterdam - BZK De opgave voor de huisvesting van aandachtsgroepen blijft bestaan. Gezamenlijk als gemeenten moet gekeken worden naar oplossingen voor dit probleem.
Vervolgtraject Woondeal MRA De Woondeal wordt -indien nodig- jaarlijks geactualiseerd, onder andere naar aanleiding van de nieuwe woningbehoefteprognose. Verder wordt in 2023 het nieuwbouwprogramma per gemeente, in deelregionaal verband nader uitgewerkt. Na het opstellen van de woonzorgvisies vindt een herijking plaats van de afspraken die in de Woondeal gemaakt zijn met betrekking tot de huisvesting van aandachtsgroepen en wonen en zorg voor ouderen. Naast de afspraken over de woningbouwopgave zijn afspraken gemaakt over monitoring en rapportage om zicht te houden op de voortgang. Er wordt een overlegstructuur ingericht om de voortgang van de productie en de randvoorwaarden te bespreken, belemmeringen op te lossen en besluiten te nemen. De Woondealafspraken worden in 2025 geëvalueerd. Woondeal MRA Aanvullende verklaring Amsterdam - BZK Er is nog niet bekend hoe het vervolgproces er uit gaat zien.
Burgemeester en wethouders van Hilversum, de gemeentesecretaris,
de burgemeester,
mr. C.P. Torres Barrera
dr. ir. G.M. van den Top
Bijlage(n): 1. Woondeal MRA
Deze raadsinformatiebrief is digitaal beschikbaar op internet onder “Vergaderstukken”, B en W-vergadering van 14 maart 2023.
Woondeal MRA Partijen: Provincies Noord-Holland en Flevoland Gemeenten Aalsmeer, Almere, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Blaricum, Bloemendaal, Diemen, Edam-Volendam, Gooise Meren, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Hilversum, Huizen, Landsmeer, Laren, Lelystad, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Velsen, Waterland, Wijdemeren, Wormerland, Zaanstad, Zandvoort. De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kaart 1. Verstedelijkingsconcept MRA met bouwlocaties Woondeal en geüpdatete plancapaciteit. (voor colofon: kaarten zijn van Martijn Veenstra)
Def versie 26 februari 2023
Inhoud Overwegingen .................................................................................................................... 3 Regionale context ............................................................................................................... 4 Rollen en verantwoordelijkheden .......................................................................................... 6 Inhoud Woondeal MRA ......................................................................................................... 7 1. Woningbouwopgave: van provinciale naar regionale en lokale opgave ................................ 7 2. Bouwlocaties ............................................................................................................. 10 3. Versnellingsafspraken ................................................................................................. 10 4. Betaalbaarheid .......................................................................................................... 11 5. Woningbouw voor ouderen en verpleegzorgplekken ....................................................... 13 6. Herstructurering, stedelijke vernieuwing en kwetsbare wijken ......................................... 14 7. Vakantieparken ......................................................................................................... 14 8.
Duurzame en toekomstbestendige bouw ....................................................................... 15 9. Ruimtelijke ordeningskaders ....................................................................................... 16 10. Samenwerking en sturing .......................................................................................... 18 A. Monitoring en bespreking voortgang ...................................................................... 18 B. Belemmeringen oplossen en besluiten nemen ......................................................... 19 11. Kritische succesfactoren, randvoorwaarden en ondersteuning ........................................ 19 Kritische succesfactoren: randvoorwaarden voor de woningbouwdoelstelling (A t/m G) ....... 21 A. Elektriciteitsnetwerken en aansluitingen ................................................................ 21 B. Stikstof .............................................................................................................. 21 C. Geluid ............................................................................................................... 22 D. Betaalbaarheid ................................................................................................... 23 E. Mobiliteit ............................................................................................................ 25 F.
Focus op de uitvoering ......................................................................................... 25 G. Verduurzaming en kwaliteitsverbetering bestaande voorraad ................................... 26 Kritische succesfactoren: ondersteuning locaties ............................................................ 26 Handtekeningen ............................................................................................................ 27 Bijlage 1. Woningbouwafspraken per gemeente ................................................................. 28 Bijlage 2: MRA Grotere gebiedsontwikkelingen .................................................................. 31 Bijlage 3: Generieke ondersteuning woningbouw ............................................................... 36 Bijlage 4: Overzicht rijkssubsidies.................................................................................... 38 Bijlage 5: Schematische weergave governance woningbouw ............................................... 40 Bijlage 6. Totalen per provincie ....................................................................................... 41
2
Def versie 26 februari 2023
Overwegingen
Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar een groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (middenhuur, waarvan 50.000 door woningcorporaties, en koopwoningen onder de €355.000) nodig. Gemeenten, provincies en Rijk maken samen afspraken over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen. De nationale opgave is vastgesteld in de Nationale Woon- en Bouwagenda en de onderliggende programma’s, is uitgewerkt in wederkerige bestuurlijke afspraken op provinciaal niveau en voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA) in deze Woondeal.
Het Rijk en de provincies Noord-Holland en Flevoland hebben in oktober 2022 afspraken gemaakt over het provinciale aandeel in de nationale opgaven. In bijlage 1 van deze Woondeal is een doorvertaling gemaakt van deze afspraken naar het schaalniveau van de gemeenten binnen de MRA.
Met deze Woondeal worden de krachten van de verschillende overheidslagen gebundeld met als doel het realiseren en behouden van voldoende (betaalbare) woningbouw in de MRA. Hiertoe leggen het Rijk, de twee provincies en de gemeenten in de MRA hun wederzijdse verantwoordelijkheden en inspanningen vast en erkennen zij wederzijds de in deze Woondeal opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven en de randvoorwaarden die moeten worden ingevuld om deze afspraken tot realisatie te kunnen brengen. De bouw van woningen hangt samen met tal van andere ruimtelijke en volkshuisvestelijke opgaven, waaronder het borgen van de betaalbaarheid van opgeleverde nieuwbouw en de bestaande voorraad. Via de woondealoverleggen kunnen knelpunten binnen deze opgaven vanuit Rijk en regio geagendeerd worden, om gezamenlijk het gesprek te voeren en naar oplossingen te zoeken. Indien hiervoor andere gremia zijn, wordt in gezamenlijkheid bepaald hoe de regionale context en betrokkenheid daarin worden meegenomen.
Deze Woondeal vervangt de lopende Woondeal (van 5 jul 2019) tussen Rijk en MRA en bekrachtigt een langjarig (tot en met 2030) partnerschap op regionale schaal tussen gemeenten, provincies en Rijk, in nauwe samenwerking met corporaties, marktpartijen en maatschappelijke partners.
De langere horizon van deze afspraken (tot en met 2030) vereist ook realisme en aanpassingsvermogen als de omstandigheden wijzigen en als randvoorwaarden niet (geheel, of niet tijdig) kunnen worden ingelost. De bouw van woningen behelst niet alleen een ruimtelijke, maar ook een sociaal-maatschappelijke puzzel en is daarmee complex, tijdrovend en kostbaar. Daarnaast is het een uitdaging voor de overheid en bouwsector om aan voldoende mensen te komen voor de uitvoering van de gemaakte plannen en om de talrijke belemmeringen het hoofd te bieden. We moeten er dan ook samen alles aan doen om de opgave te realiseren. We bespreken frequent de voortgang van de realisatie van de woningbouw en ondernemen in een vroegtijdig stadium actie als de voortgang daarvoor aanleiding geeft.
De Nationale Woon- en Bouwagenda en de daartoe behorende afspraken zoals de voorliggende Woondeal zijn tot stand gekomen in tijden van onzekere (externe) maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Daarnaast werkt het Rijk aan aanvullende wet- en regelgeving waarmee het Rijk meer de regie neemt voor de volkshuisvesting (de Wet Versterking Regie op de Volkshuisvesting). Ook zijn in de Nationale Prestatieafspraken namens de woningcorporaties voorbehouden gemaakt. Partijen houden er rekening mee dat deze omstandigheden of voorbehouden ertoe kunnen leiden dat deze Woondeal moet worden aangepast.
3
Def versie 26 februari 2023
Regionale context
Heel Nederland kampt met krapte op de woningmarkt, maar in de MRA is deze extra groot. De woningmarkt in de MRA wordt gekenmerkt door grote instroom van woningzoekenden vanuit heel Nederland en het buitenland. De aantrekkelijkheid van de MRA wordt weerspiegeld in de hoge woningprijzen. In het vierde kwartaal van 2021 lag de gemiddelde verkoopprijs van een woning in de MRA op €520.000, ruim een ton boven het Nederlands gemiddelde (€403.000). De gemiddelde huurprijs in de particuliere vrije sector lag in 2021 op ruim €1.400. Uit recent onderzoek (RIGO, 2022) naar het huuraanbod op verhuursite Pararius blijkt dat 83% van het particuliere huuraanbod in de MRA een prijs had boven de €1.500 per maand en 55% zelfs boven de €2.000 per maand. Slechts 2% van het regionale aanbod werd aangeboden met een vraaghuur van minder dan €1.000.
Vooral voor lage en middeninkomens is de kans op het vinden van een betaalbare koop- of huurwoning kleiner geworden. Het betaalbare deel van de woningvoorraad (sociale huur- en goedkopere koopwoningen) werd tussen 2017 en 2021 steeds kleiner, terwijl het percentage huishoudens met een laag inkomen toenam. Waar in 2017 het aandeel lage inkomens nog lager was dan het aandeel in de woningvoorraad dat voor hen betaalbaar is, is dit beeld in 2021 omgedraaid.
De prijzen in de vrije sector zijn de afgelopen jaren steeds verder gestegen, ondanks dat er fors meer aanbod is bijgekomen. Hierdoor neemt het prijsverschil met het gereguleerde aanbod toe. Het aanbod sociale huur is gering ten opzichte van de vraag wat resulteert in lange wachtlijsten en wachttijden van gemiddeld 13 jaar.
Het aandeel huur- en koopwoningen in het middensegment daalt, hoewel de vraag naar deze woningen onverminderd groot is. De daling vindt plaats ondanks de inzet van gemeenten om het aanbod in het middensegment te vergroten. Deze inspanningen leveren te weinig op: dit segment verdwijnt door prijsstijging sneller dan kan worden bijgebouwd, omdat het nu niet voldoende mogelijk is om het middensegment betaalbaar te houden. Betaalbare koopwoningen tot €355.000 zijn in de MRA steeds schaarser. Indien betaalbare huurwoningen of koopwoningen worden gebouwd, zijn het door de hoge m² prijzen vaak kleine studio’s die niet geschikt zijn voor gezinnen.
Naast de grote opgave in de MRA om voldoende, betaalbaar en divers aanbod te bouwen en te behouden, zijn er ook grote inspanningen nodig om de kwaliteit van bestaande woningen en wijken te versterken. Dit vraagt veel inzet en grote investeringen in de bestaande bouw, die van invloed zijn op de inzet en investeringen in de nieuwbouw van corporaties en marktpartijen. Met de corporaties zijn hierover afspraken gemaakt in de Nationale Prestatieafspraken.
Zoals Rijk en regio in het Verstedelijkingsconcept MRA gezamenlijk hebben uitgewerkt, is de woningbouwopgave onderdeel van de integrale verstedelijkingsopgave. Inzet van dit Verstedelijkingsconcept is 175.000 woningen in de MRA in de periode 2020 tot en met 2029, met aandacht voor de sociaal-maatschappelijke en economische ontwikkeling in de kernen van de MRA en voor duurzame, toekomstbestendige steden en samenlevingen. Het gaat niet alleen om het bouwen van aantallen woningen, maar ook om de kwaliteit daarvan en om het bouwen en versterken van de samenleving, rekening houdend met opgaven op het gebied van klimaat, werkgelegenheid, kansengelijkheid, bereikbaarheid, energie, natuurinclusiviteit en voorzieningen.
De problematiek op de woningmarkt vraagt om een fundamentele en brede aanpak van de opgaven door middel van nieuwbouw, in combinatie met maatregelen ten aanzien van betaalbaarheid, leefbaarheid, kwaliteitsverbetering en verduurzaming. In de Nationale Woon-en Bouwagenda zijn deze opgaven dan ook in onderlinge samenhang behandeld. In deze Woondeal ligt het accent op afspraken over de bouwopgave en de randvoorwaarden daarvoor. Andere maatregelen en thema's uit de Nationale Woon-en Bouwagenda die geen onderdeel zijn van deze Woondeal, kunnen wel via de woondealtafel geagendeerd worden.
4
Def versie 26 februari 2023
Om de genoemde woningbouwopgave tijdig – tot en met 2030 –te kunnen realiseren dient een aantal knelpunten te worden opgelost en/of de juiste randvoorwaarden worden gecreëerd zoals: stikstof, geluid, energie-infrastructuur, betaalbaarheid, mobiliteit, toekomstbestendigheid (inclusief klimaat(adaptatie), water, bodem en duurzaamheid) en uitvoeringscapaciteit. Deze randvoorwaarden van deze Woondeal zijn ook onderdeel van de bestuurlijke woningbouwafspraken tussen Rijk en provincies.
5
Def versie 26 februari 2023
Rollen en verantwoordelijkheden
Eén overheid: gemeenten, provincies, en Rijk zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de versterking van de regie op de woningbouw en het realiseren van de woningbouwopgave. Alle overheidslagen dragen bij aan de vanuit hun specifieke rol in aansluiting op het huis van Thorbecke, en wet- en regelgeving zoals de Woningwet, de Huisvestingswet, de Wet Ruimtelijke Ordening en de Omgevingswet. Duidelijk moet zijn wat de rol van eenieder is in deze Woondeal. Overheden werken samen vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid en zetten gezamenlijk en gecoördineerd hun instrumenten en middelen in. In aansluiting daarop herbevestigen we het volgende:
Het College van B&W is als eerste bestuursorgaan verantwoordelijk voor de zorg voor de fysieke leefomgeving met onder andere voldoende en passend woningaanbod. In aansluiting daarop zetten de gemeenten zich in voor voldoende bouwlocaties in ruimtelijke plannen voor de realisatie van de woningbouwafspraken uit deze Woondeal. Met inzet van de wettelijke instrumenten zorgen gemeenten voor de benodigde (harde) plancapaciteit in de verschillende prijs/kwaliteitssegmenten, de programmering (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop en overig), prestatieafspraken met corporaties en huurdersorganisaties en voor verlening van omgevingsvergunningen. De Gemeenteraad is verantwoordelijk voor het vaststellen van de gemeentelijke woonvisie.
De provinciale omgevingsvisie, omgevingsverordening en het programma vormen het bovenliggende beleidskader en bevatten de regels en voorwaarden voor de regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's. Vanuit deze wettelijke bevoegdheid is het college van Gedeputeerde Staten van de provincie verantwoordelijk voor de gebiedsgerichte coördinatie van de (ruimtelijke) doorvertaling van de provinciale woningbouwopgave in regionaal verband met de gemeenten. Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie stuurt actief op de kwantitatieve (voldoende plancapaciteit en bouwlocaties bij gemeenten) en kwalitatieve woningbouwprogrammering (de prijssegmentering: verdeling sociale huur, middenhuur, betaalbare koop en overig), waarbij het kwalitatieve aspect in deze afspraken voor nu vooral de betaalbaarheid betreft. Doel is het toewerken naar meer balans in de woningvoorraad, met een streven naar minimaal 30% sociale huurwoningen in de bestaande voorraad op provinciaal niveau, regionaal niveau en lokaal niveau, waarbij 30% sociale huur geen bovengrens is: gemeenten hebben de ruimte om een hoger percentage sociale huur aan te houden. Daarbij kan rekening gehouden worden met specifieke situaties in gemeenten waarbij het toegroeien naar minimaal 30% evident niet logisch of haalbaar is.
Provincies bevorderen door actieve sturing deze evenwichtige verdeling tussen en in de Woondealregio’s. Eventueel extra noodzakelijk juridisch instrumentarium zal onderdeel uitmaken van de Wet Versterking Regie op de Volkshuisvesting.
De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is verantwoordelijk voor de realisatie van de nationale opgave en stelselverantwoordelijk voor de versterking van het wettelijk instrumentarium voor de medeoverheden voor de woningbouwopgaven en voor ondersteuning van de uitvoering via inzet van (financiële) middelen. De minister stuurt actief op de realisatie van de nationale opgave door intensief en periodiek overleg met medeoverheden en monitoring van de woningbouw, waarbij ook de samenhang met andere woningmarktontwikkelingen agenderend kan worden besproken. Daarnaast coördineert de minister de opgaven die samenhangen met de woningbouw met de medeoverheden en andere departementen. Zo nodig hakt de minister samen met collega-bewindspersonen knopen door.
6
Def versie 26 februari 2023
Inhoud Woondeal MRA 1. Woningbouwopgave: van provinciale naar regionale en lokale opgave 1.1 We hebben een gezamenlijke opgave. Om het huidige woningtekort aan te pakken is het noodzakelijk om de komende jaren het bouwtempo flink te verhogen en sneller en meer woningen bij te bouwen. In heel Nederland zijn tot en met 2030 in totaal 900.000 woningen nodig. 40.000 van deze woningen moeten worden gerealiseerd in de provincie Flevoland en 184.000 in de provincie Noord-Holland. De gemeenten in de MRA zetten zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van 171.200 woningen in de periode 2022 t/m 2030. Daarmee is het regionale aandeel bijna een vijfde van de nationale opgave. 1.2 Elke gemeente neemt een fair share van de regionale bouwopgave. In bijlage 1 is de richtinggevende opgave per gemeente en deelregio opgenomen. Partijen verbinden zich aan de opgave om te zorgen voor voldoende betaalbare woningen en streven er daarom naar om via een reëel tijdpad toe te groeien naar minimaal 30% sociale huur in de bestaande voorraad en twee derde betaalbaar segment in de nieuwbouwprogrammering, rekening houdend met de samenstelling van de bestaande, betaalbare woningvoorraad. De precieze uitwerking hiervan per gemeente vraagt nadere invulling in 2023 (zie 4.4 en bijlage 1).
1.3 Provincies, Rijk en gemeenten geven zich er rekenschap van dat er op het moment van tekenen bij gemeenten en provincies vigerende afspraken zijn en woonbeleid dat is vastgesteld in het college dan wel de raad van een gemeente of in Provinciale Staten. Deze kunnen afwijken van bovenstaande betaalbaarheidsdoelstellingen. De in deze Woondeal opgenomen afspraken over de indicatieve opgaven betaalbaar worden in 2023 uitgewerkt op gemeentelijk en deelregionaal niveau en vervolgens opgenomen in lokale en deel-regionale afspraken en beleid, waaronder de woonvisie. Met deze uitwerking wordt invulling gegeven aan het zogenaamde woonprogramma, dat onderdeel is van de in voorbereiding zijnde Wet Versterking Regie op de Volkshuisvesting1. 1.4 De gemeenten zetten zich in voor voldoende plancapaciteit. In de MRA is al ruim voldoende plancapaciteit om in de woningbouwopgave te voorzien, maar realisatie is afhankelijk van invulling van de randvoorwaarden. De planvoorraad is niet statisch en wordt steeds aangevuld met nieuwe plannen, terwijl reeds gerealiseerde plannen worden afgevoerd. De monitor plancapaciteit wordt jaarlijks geüpdatet om actueel inzicht in de planvoorraad te houden. Zie de Monitor plancapaciteit via www.plancapaciteit.nl 1.5 De gemeenten dragen zorg voor het afgeven van vergunningen voor de realisatie van de met de provincie afgesproken woningbouwopgave in de regio.
1.6 Om de woningbouwopgave uit tabel 1 te realiseren, is het noodzakelijk dat er steeds voldoende harde plancapaciteit is. Dit gebeurt door jaarlijks voldoende plannen uit de plancapaciteit planologisch hard te maken. Om vertraging in de productie op te kunnen vangen sturen gemeenten en provincies erop dat de voorraad harde plannen steeds minimaal 100% is ten opzichte van de woningbouwdoelstelling voor de komende vijf jaar, met specifieke aandacht voor de plannen voor de eerstkomende twee jaar. Om tegelijkertijd wel te kunnen anticiperen op wijzigingen in voorkeuren en de woningvraag, is adaptief (aanpasbaar aan de vraag) programmeren het uitgangspunt. Dat betekent dat plancapaciteit voor vijf jaar en verder deels zacht blijft, zodat er binnen de planvoorraad ruimte is om adaptief programmeren mogelijk te maken.
1
In Noord-Holland zijn nu ook al deelregionale woonakkoorden. Zodra vanuit de Wet regie op de volkshuisvesting definitief bekend wordt hoe het Woonprogramma eruit komt te zien, wordt binnen Noord-Holland door provincie en deelregio's besproken of en hoe woonakkoord en woonprogramma samengevoegd kunnen worden.
7
Def versie 26 februari 2023 Tabel 1: Regionale aandeel MRA in de opgave van de provincies Noord-Holland en Flevoland. Aantallen Regio MRA Bron:
A
B
Bruto nieuwbouw (te Jaartal realiseren woningen)
B
Beschikbare netto plancapaci-teit (aantal woningen)
Aantal woningen in harde plancapaci-teit
A
C
Betaalbaarheid (1)
Aantal woningen door woningcorporaties
Sociale huurwoningen (2)
Huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot €1000 per maand
Koopwoningen onder de €355.000
Sociale huurwoningen
Midden huurwoningen
2022
16.360
29.407
15.276
6.048
4.778
1.836
2023
18.440
30.345
13.302
6.348
5.053
1.927
2024
19.440
35.084
12.691
6.348
5.053
1.927
2025
19.260
32.094
5.356
5.488
4.763
1.780
tabel
2026
19.180
29.460
4.977
5.638
4.900
1.826
cijfers
2027
19.600
23.474
3.828
5.638
4.900
1.826
per
2028
18.850
19.481
4.020
5.788
5.038
1.872
gemeente
2029
19.750
22.528
3.831
6.028
5.258
1.945
(1.2)
2030 Totaal
20.320
15.605
1.535
5.567
4.827
1.703
171.200
237.478
64.816
52.890
44.573
16.642
Zie
71.986
7.025
A) Gebaseerd op het bod van beide provincies en mogelijkheden gemeenten/deelregio's B) Gebaseerd op de monitor plancapaciteit. Peildatum:22 augustus 2022 C) Deze informatie is niet beschikbaar in jaarschijven, maar opgenomen in de tabel met programma per gemeente. Het totaal betreft de periode 2023 t/m 2030 en is dus exclusief 2022 Van deze aantallen zijn er 30.384 sociale huurwoningen en 3.282 middenhuurwoningen al opgenomen in plannen. Voor respectievelijk 41.602 en 3.743 woningen gaat het om ambities/voornemens van de corporaties die nog niet in concrete plannen zijn opgenomen. (1) (2)
Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen (€ 808, prijspeil 2023), huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max van € 1.000 per maand (prijspeil 2022) en koopwoningen onder de € 355.000. Aandeel van de bruto nieuwbouw.
Toelichting bij bovenstaande tabel Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de aantallen op MRA-niveau. In de bijlage is een uitsplitsing per gemeente (bijlage 1) en per provincie (bijlage 6) toegevoegd. Programmering in jaarschijven suggereert een mate van voorspelbaarheid die – helaas - niet reëel is bij woningbouw. Dit geldt voor de planning, waar – ook voor de korte termijn – sprake is van een zogenaamde ‘boeggolf’ van plannen waaraan wordt gewerkt en waarvan oplevering op korte termijn is voorzien, maar waarvan een deel alsnog doorschuift. Daarnaast geldt dat er vaak ook een verschil is tussen daadwerkelijke oplevering en de administratieve afhandeling daarvan. De verdeling over jaarschijven in bovenstaande tabel is daarom indicatief, het is evident dat hierin jaarlijks verschillen op gaan treden. Dit komt ook doordat deze aantallen afhankelijk zijn van de mate waarin voldaan wordt aan de randvoorwaarden van het bod. Zolang deze randvoorwaarden 8
Def versie 26 februari 2023 (nog) niet – of niet geheel – zijn ingevuld, zijn de aantallen per jaarschijf uit de tabel niet haalbaar en zal de jaarlijkse productie lager uitvallen. Tegelijkertijd is inzicht in de productie in jaarschijven en per gemeente wel van groot belang voor het volgen van en sturen op de voortgang. Om die reden volgen Rijk, regio en provincies dit nauwgezet, rekening houdend met de haalbaarheid van de doelstelling voor de periode 2022 t/m 2030 als geheel. In lijn met de governance afspraken over versnelling (zie hoofdstuk 3) wordt dit ook met de andere stakeholders – corporaties, marktpartijen, en waterschappen – besproken en waar nodig bijgestuurd. De MRA levert jaarlijks ter voorbereiding van de bestuurlijke gesprekken over de voortgang van de woningbouw een geüpdatet overzicht van de plancapaciteit, waarbij vanaf 2023 ook onderscheid wordt gemaakt naar jaarschijven per gemeente. Hierbij wordt ook een project-plannerrapportage (Primavera) aangeleverd. 1.6.1
1.6.2
Het bruto totaal van Noord-Holland telt nog niet op tot het aantal van 143.600 woningen dat nodig is om de doelstelling uit het provinciaal, randvoorwaardelijk bod te behalen. Wel is ten opzichte van de reality check het bruto aantal opgehoogd van ruim 135.000 naar bijna 140.000. Bovendien worden er op basis van de uitwerking in de woondeal netto wel meer woningen toegevoegd dan voorzien, namelijk 130.000 in plaats van iets minder dan 125.000 uit het randvoorwaardelijk bod van de provincie. Er is in Noord-Holland aanzienlijk meer plancapaciteit beschikbaar, waarvan een deel met invulling van de randvoorwaarden ook in de periode t/m 2030 kan worden gerealiseerd. De ambitie uit de provinciale randvoorwaardelijke woningbouwafspraken blijft daarom staan. In de verdere regionale uitwerking, startend in 2023, en herijkingen daarvan wordt bekeken of en zo ja, waar, de bruto doelstellingen kunnen worden aangevuld tot de provinciale doelstelling van 143.600. Aanvullende afspraken ten behoeve van monitoren en sturen op de jaarlijkse productie: Via de monitor plancapaciteit is er inzicht in de plancapaciteit van iedere gemeente. Deze cijfers worden door de gemeenten in de MRA jaarlijks geüpdatet.
De MRA past de monitor plancapaciteit aan, zodat de cijfers t/m 2035 per jaarschijf beschikbaar komen en de periodes aansluiten bij de termijn van deze Woondeal (t/m 2030, in plaats van t/m 2029). In de monitor plancapaciteit wordt een categorie ‘transformatie bestaand vastgoed’ toegevoegd, zodat ook deze informatie als afzonderlijke categorie inzichtelijk wordt. Voor aanvullend inzicht in de korte termijn productie wordt door de MRA gebruik gemaakt van het sturingsinstrument Primavera en de projectenlijst die door het Kernteam Versnelling van de MRA wordt gehanteerd om de voortgang van de grotere gebiedsontwikkelingen (zoals opgenomen in bijlage 2) te monitoren. Omdat niet de volledige productie in Primavera is opgenomen, wordt in bovenstaande tabellen van de monitor plancapaciteit uitgegaan.
1.7 Flexibele of tijdelijke woningen kunnen snel en fabrieksmatig worden gebouwd en ook worden geplaatst op locaties die slechts tijdelijk beschikbaar zijn om te wonen. Daarmee helpt dit type woningen om tijdelijk de acute woningnood te verkleinen. Landelijk wordt gestreefd naar de realisatie van 15.000 flexwoningen per jaar. Hierbij wordt ingezet op kwalitatief hoogwaardige woningen. De regio zet zich in om hieraan jaarlijks een bijdrage te leveren. Voor de periode 2023 t/m 2025 worden vooralsnog circa 4.500 flexwoningen voorzien (gemiddeld 1.500 per jaar). Dit aantal is additioneel aan de totale opgave opgenomen in tabel 1. Over deze flexwoningen maken de gemeenten in de regio die flexwoningen in de plancapaciteit hebben, afspraken met het Rijk via de realisatieovereenkomst flexwoningbouw. In de realisatieovereenkomst worden afspraken gemaakt over het instellen van een taskforce flexwoningbouw en de randvoorwaarden voor flexwoningbouw, waaronder herplaatsingsgarantie. 1.8 Met het transformeren van vastgoed worden extra woningen gecreëerd. Daarnaast kan het bijdragen aan de vitaliteit van steden, dorpen en gebieden. Daarom wordt landelijk gestreefd naar de realisatie van 15.000 woningen door middel van transformatie per jaar. De regio zet zich in om vastgoed niet leeg te laten staan en waar mogelijk en wenselijk woningen door transformatie te realiseren.
Deze woningen zijn onderdeel van de totale opgave opgenomen in tabel 1. In de monitor plancapaciteit wordt vanaf begin 2023 een categorie opgenomen om geplande woningen door transformatie van bestaand vastgoed inzichtelijk te maken. Het aantal wonin-
9
Def versie 26 februari 2023 gen door transformatie wordt vervolgens in 2023 in de herijking van deze Woondeal opgenomen. In de periode 2016-2020 is in de MRA gemiddeld 14 procent van de woningen door transformatie van bestaand vastgoed gerealiseerd.
2. Bouwlocaties De regio heeft in een apart overzicht (bijlage 2) de grote bouwlocaties opgenomen die cruciaal zijn voor realisatie van de totale regionale opgave. Met deze locaties wordt circa 79% van de MRA opgave gerealiseerd. De locaties zijn op de kaart in bijlage 2 opgenomen. Eventuele knelpunten voor de realisatie van deze locaties zijn eveneens in de overzichtstabel in bijlage 2 opgenomen. We blijven via de woondealtafel met elkaar het continue gesprek voeren om gesignaleerde knelpunten ten behoeve van de realisatie aan te pakken. In het overzicht zijn de volgende locaties opgenomen: Grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties (zoals vastgesteld tijdens het BOL voorjaar 2022/BO MIRT najaar 2022: MRA West, MRA Oost, Havenstad). Regionaal significante locaties (voor de MRA wordt hierbij uitgegaan van gebiedsontwikkelingen vanaf 2.000 woningen). Woningbouwprojecten die een financiële bijdrage hebben ontvangen van het Rijk (bijvoorbeeld Woningbouwimpuls). Toelichting: De lijst is niet statisch maar wordt jaarlijks voor het BO Woondeal MRA geagendeerd en zo nodig geüpdatet. Aangezien er in de MRA ruim 2.000 projecten zijn die bijdragen aan het behalen van de productie, kunnen niet alle locaties in de overzichten worden opgenomen. Terwijl ook de kleinere projecten belangrijk zijn om de woningbouwopgave te kunnen realiseren.
De voortgang van alle projecten samen worden gevolgd via de monitor plancapaciteit, Primavera en projectenlijst. Bij het bespreken van de voortgang en jaarproductie, kunnen ook specifieke knelpunten bij kleinere projecten aan de orde worden gesteld en wordt informatie hierover voor de kleinere projecten aan de hand van deze bestaande monitoring in beeld gebracht. Voor een groot deel van de projecten, groot of klein, binnen- of buitenstedelijk, in de MRA geldt dat deze afhankelijk zijn van het invullen van de randvoorwaarden uit deze Woondeal (hoofdstuk 11). Het effect hiervan op de voortgang van zowel de grote als de kleine projecten wordt aan de hand van bovengenoemde bestaande monitoring besproken. Bij het volgen van de voortgang worden in voorbereiding op de gesprekken tussen Rijk, regio en provincies ook de woningcorporaties, (een afvaardiging van) marktpartijen en de waterschappen betrokken via de regionale versnellingstafels op MRA en deelregio-niveau (zie hoofdstukken 3 en 10).
3. Versnellingsafspraken In de MRA wordt al jarenlang gewerkt aan de versnelling van de woningproductie om te kunnen voldoen aan de groeiende woningbehoefte en het woningtekort in te kunnen lopen. Het kernteam Versnelling woningbouw ondersteunt gemeenten bij complexe locatieontwikkeling, bij planning en voortgang van projecten en het wegnemen van knelpunten in de voortgang. Binnen de MRA is, met subsidie van het Rijk en beide provincies, de zogenaamde flexibele schil ingericht, waarmee gemeenten met cofinanciering extra capaciteit en expertise inhuren om de woningbouw te versnellen. Vanwege de grote urgentie van de opgave is het nodig dat woningen sneller worden gerealiseerd; sneller dan de gemiddeld 10 jaar die nu landelijk gebruikelijk is. Het is daarom cruciaal dat er wordt gewerkt aan het sneller, slimmer en efficiënter inrichten van de processen en procedures die bij de realisatie van woningbouw van toepassing zijn. Hierbij bezien we het gehele bouwproces tot en met de bezwaarprocedure. Ook is het van belang samen een goed participatieproces in te richten, informeel en formeel.
10
Def versie 26 februari 2023 Door het ministerie van BZK is in overleg met medeoverheden en marktpartijen een actieplan Versnellen Processen en Procedures opgesteld. De volgende aanbevelingen worden – voor zover nodig – (regionaal) gezamenlijk opgepakt: Bij de initiatieffase, bij het organiseren van het plan- en realisatieproces, zorgen voor heldere beslismomenten en benodigde mandaten. Dit zorgt voor het efficiënt en binnen termijnen doorlopen van procedures. Versterking van de samenwerking tussen Rijk, provincies en gemeenten bij het zo efficiënt mogelijk inzetten van de beschikbare ambtelijke capaciteit en expertise, via de al bestaande flexibele schil MRA. Actueel houden van ruimtelijke beleidskaders en beleid rondom participatie en ruimtelijke plannen ten behoeve van een transparant en zorgvuldig proces. Om de woningbouwproductie te versnellen en de regionale woningbouwopgave te realiseren, is samenwerking met alle partijen in de woningbouwketen essentieel, met besef van ieders rol en verantwoordelijkheid. Dit vraagt om een nauwe betrokkenheid van corporaties, marktpartijen en waterschappen bij de Woondeal MRA. 3.1 Partijen richten daarom een regionale versnellingstafel in waaraan afspraken gemaakt kunnen worden om de voortgang van de afspraken uit de Woondeal MRA te bespreken, specifieke woningbouwprojecten te versnellen en thematische knelpunten op te lossen.
Naast de provincies, de gemeenten en het Rijk, sluiten ook marktpartijen en corporaties, en afhankelijk van het vraagstuk waterschappen, kennisinstellingen en bewonersorganisaties aan. Partners aan deze tafel prioriteren met elkaar de te bespreken gebiedsspecifieke thema’s. Via de regionale versnellingstafel kunnen onderwerpen voor het Bestuurlijke Overleg Woondeal MRA worden geagendeerd (zie hoofdstuk 10 Samenwerking en sturing en de schematische weergave van de governance in bijlage 5). Indien er sprake is van landelijke thema’s kunnen deze worden doorgezet naar de landelijke versnellingstafel. Het is van belang bij vertraging samen naar oplossingen te zoeken. 3.2 In de realisatie van de regionale woningbouwopgave geven partijen prioriteit aan projecten die snel en relatief gemakkelijk te realiseren zijn. Ook wordt bekeken welke projecten versneld gerealiseerd kunnen worden en op welke wijze, rekening houdend met de randvoorwaarden, betaalbaarheidsdoelstellingen en ruimtelijke mogelijkheden, waaronder ook water en bodem.
4. Betaalbaarheid 4.1 Er is een grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland. Om aan te sluiten bij die grote behoefte streven we ernaar dat twee derde (600.000 woningen) van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max van €1.000 per maand en koopwoningen tot onder de €355.000. In de provincies NoordHolland en Flevoland wordt gestreefd naar in totaal 121.940 respectievelijk 23.540 betaalbare huur- en koopwoningen. De MRA zet zich tot en met 2030 in voor de realisatie van 119.650 aantal betaalbare huur- en koopwoningen, waarvan 19.910 in Flevoland en 99.740 in NoordHolland. Hiermee wordt 66% van de opgave in de MRA gerealiseerd in het betaalbare segment. Dit kan alleen onder een aantal randvoorwaarden, zie hiervoor hoofdstuk 11. 4.2 In de Nationale prestatieafspraken met de corporatiesector is opgenomen dat corporaties verantwoordelijk zijn voor de bouw van nationaal 250.000 sociale huurwoningen en 50.000 middenhuur woningen. Gezien de behoefte aan sociale huurwoningen is het belangrijk dat de totale sociale huurvoorraad groeit. De corporaties in de MRA zetten zich in voor de realisatie van 78.874 corporatiewoningen. Hiervan zijn er 71.986 sociale huur en 7.025 middenhuur (zie ook tabel 1 en bijlage 1).
Deze aantallen zijn, wat betreft de nieuwbouwopgave, richtinggevend voor de lokale prestatieafspraken die gemeenten, corporaties en huurders maken. Realisatie van deze aantallen is afhankelijk van de randvoorwaarden (hoofdstuk 11) en beschikbaarheid van locaties. Van deze aantallen zijn er 30.384 sociale huurwoningen en 3.282 middenhuurwoningen al opgenomen in plannen. Voor respectievelijk 41.602 en 3.743 woningen gaat het om ambities en/of voornemens van de corporaties waarvoor in de lokale prestatieafspraken tussen gemeenten en corporaties nog geen concrete afspraken over locaties zijn gemaakt.
11
Def versie 26 februari 2023 4.3 In het beleidsprogramma ‘een Thuis voor Iedereen’ is opgenomen dat met de nieuwbouw van sociale huurwoningen wordt toegewerkt naar een meer evenwichtige verdeling met een streven naar minimaal 30% sociale huurwoningen in de woonvoorraad. Zo wordt regionaal gekomen tot een betere balans in de woningvoorraad waarbij tevens het uitgangspunt is dat het aantal sociale huurwoningen in de regio voldoet aan de totale behoefte naar deze woningen. Het Rijk gaat meer sturen op deze doelstellingen en heeft hiertoe de Wet Versterking Regie Volkshuisvesting in voorbereiding. Met deze in voorbereiding zijnde Wet werkt het Rijk aan instrumentarium voor het Rijk, provincies en gemeenten om onder meer op de betaalbaarheidsdoelstellingen te kunnen sturen. Dit is inclusief aanscherping van de definitie van sociale huur, waarbij uitgangspunt is dat deze langjarig betaalbaar blijft en de huisvesting van aandachtsgroepen waarborgt. 4.4 Alle gemeenten in de MRA dragen bij aan de doelstellingen om twee derde betaalbaar te bouwen en het streven toe te groeien naar minimaal 30% sociaal in de voorraad. Gemeenten kunnen niet in een keer van de kelder naar de zolder.
Gemeenten die nu een sociale huurvoorraad hebben die onder de 30% van de totale gemeentelijke woonvoorraad ligt, zetten betekenisvolle stappen om hiernaar toe te groeien door binnen de twee derde betaalbaarheid in de nieuwbouwprogrammering een hoger aandeel sociale huur op te nemen. In 2023 wordt gewerkt aan de uitwerking van de betaalbaarheidsdoelstellingen in de nieuwbouwprogrammering van de individuele gemeenten in de MRA. Afspraken worden dan vastgelegd in de (bestuurlijk) te actualiseren Woondeal en de voortgang wordt gemonitord. In bijlage 1 staat wat de indicatieve nieuwbouwinzet is in iedere gemeente en welke gemeenten nog een extra opgave hebben om te voldoen aan de bovenstaande doelstellingen en hoeveel ruimte er is in het nieuwbouwprogramma om dit aan te passen. Voor deze uitwerking gelden de volgende uitgangspunten: Na vaststelling van de Woondeal MRA wordt in 2023 het nieuwbouwprogramma per gemeente nader uitgewerkt in een lokaal woonprogramma. Het Rijk stelt via de provincies subsidie beschikbaar voor ondersteuning bij deze uitwerking (zie ook 1.3). Gemeenten met minder dan 30% sociale huur geven in deze uitwerking aan hoe ze toegroeien naar de beoogde (minimaal) 30% sociale voorraad. Gemeenten waar dit evident niet logisch of haalbaar is (bijvoorbeeld gemeenten met geen/onvoldoende nieuwbouwmogelijkheden) dienen dit te onderbouwen.
De 30% sociale huur is geen bovengrens: gemeenten hebben de ruimte om een hoger percentage sociale huur aan te houden. Uitgangspunt is in principe dat bestaande, contractuele afspraken (bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten) van woningbouwprojecten niet worden opengebroken om het aandeel betaalbaar te verhogen, omdat hierdoor vertraging zou kunnen ontstaan. Wel worden in projecten waar al afspraken over zijn, de mogelijkheden benut om het aandeel betaalbaar te verhogen. Omdat 28% van de plancapaciteit (tot en met 2029) nog niet bekend is, geeft dit ruimte om vanaf 2025 op het gewenste aandeel van twee derde betaalbaarheid in de programmering te komen, rekening houdend met de ‘fair share’ doelstelling van (minimaal) 30% sociale huurwoningen in de voorraad in elke regio en gemeente. 4.5 Als onderdeel van de in voorbereiding zijnde Wet Versterking regie op de Volkshuisvesting dienen alle gemeenten lokaal een woonprogramma op te stellen. In dit woonprogramma wordt o.a. de woonbehoefte van alle aandachtsgroepen gekwantificeerd en vertaald in de woningbouwprogrammering. Daarbij dienen ook (deel-)regionale afspraken te worden gemaakt over de huisvesting en ondersteuning van aandachtsgroepen (verdeling van woningen, mensen en middelen), gebaseerd op een evenwichtige verdeling van de MRA opgave.
In de MRA wordt in 2023 in het kader van het programma huisvesting aandachtsgroepen een regionale analyse opgeleverd van de woonzorgbehoefte van aandachtsgroepen en worden afspraken gemaakt over het aandeel van de huisvesting en zorg die elke gemeente bijdraagt. De lokale en/of deelregionale woonzorgvisies binnen de MRA vormen dus een invulling van de regionale afspraken. Als op basis van de woonzorgvisies afspraken over sociale woningbouw wijzigen, worden deze vervolgens weer aangepast in de Woondeal MRA. 12
Def versie 26 februari 2023
Voor de invulling van de bouwopgave die voortvloeit uit de woonbehoefte van ouderen met een Wlz-indicatie worden het Zorgkantoor en de zorgaanbieders betrokken. De provincies krijgen een coördinerende rol in het afstemmingsproces om erop toe te zien dat de woonzorgvisies van de gemeenten congruent zijn met de regionale afspraken over huisvesting aandachtsgroepen en de afspraken gemaakt in deze Woondeal. 4.6 Om provincies, gemeenten en corporaties te ondersteunen bij het realiseren van versnelling van de nieuwbouw van sociale woningen, kunnen de expertteams, de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties en de Taskforce Versnellen tijdelijke huisvesting worden ingezet. De Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties, die bestaat uit leden namens alle betrokken partijen, kan bestuurlijk hulp bieden wanneer er belemmeringen worden geconstateerd bij het realiseren van de gemeentelijke bouwopgave voor sociale huurwoningen, waaronder flexwoningen. 4.7 Om te zorgen dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen zijn tot en met 2030 Nationaal 350.000 betaalbare koop- en midden huurwoningen nodig (waarvan 50.000 door woningcorporaties). In het landelijke beleidsprogramma ‘betaalbaar wonen’ is opgenomen dat circa 40% van de nieuwbouw dient plaats te vinden in deze middensegmenten.
In de MRA wordt ingezet op twee derde betaalbaar, waarbinnen van deze 40% middensegment kan worden afgeweken. Dit is onderdeel van de bestaande voorraad, behoefte en daarmee de verdere uitwerking in 2023. Het provinciale aandeel van Flevoland en Noord-Holland in deze nationale opgave is respectievelijk 8.470 en 42.050 middenhuurwoningen en 4.570 en 25.270 goedkope koopwoningen. De MRA zet zich in voor de realisatie van ruim 44.500 middenhuurwoningen en ruim 16.500 goedkope koopwoningen. Dit is ruim 17% van de totale landelijke opgave. 4.8 Gemeenten zetten zich in voor steun en locaties om de richtinggevende opgave aan sociale huurwoningen, middenhuur en betaalbare koop uit tabel 1 en bijlage 1 daadwerkelijk te realiseren. Gemeenten zetten de instrumenten in die ze hiervoor tot hun beschikking hebben. In geval gemeenten geen eigen grondposities hebben, maken ze gebruik van de publiekrechtelijke instrumenten die tot hun beschikking staan, zoals de doelgroepenverordening, huisvestingsverordening, omgevingsplan en overig instrumentarium uit de Omgevingswet, maar zijn zij voor de realisatie afhankelijk van de medewerking van marktpartijen. Het gaat naast locaties ook om de inzet van (voldoende) ambtelijke capaciteit (grondzaken, mobiliteit, economie, stedenbouw, etc.) vanuit de gemeente(n).
5. Woningbouw voor ouderen en verpleegzorgplekken 5.1 Specifieke aandacht is nodig voor de ondersteuning van de woonbehoeften van ouderen. Door de vergrijzing zijn er over twintig jaar naar schatting in heel Nederland 1,6 miljoen 80+ers. Dat is twee keer zoveel als op dit moment. Er is een toenemende behoefte aan woningen die aansluiten bij de wensen van ouderen. In het beleidsprogramma ‘Wonen en Zorg’ is aangekondigd dat er, binnen de opgave van 900.000 woningen, nationaal behoefte is aan 290.000 woningen geschikt voor ouderen. Het betreft 170.000 nultredenwoningen2 80.000 geclusterde woonvormen3 en 40.000 woningen met verpleegzorg op basis van scheiden wonen en zorg (VPT) die ook geschikt zijn voor ouderen. BZK heeft voor de MRA de volgende opgaven benoemd: 4.270 verpleegzorgplekken, 10.500 geclusterde woonvormen en 27.200 nultredenwoningen. De MRA heeft dit regionale aandeel in de landelijke opgave nog niet geanalyseerd en onderschreven. De opgave wordt als onderdeel van het regionaal programma huisvesting aandachtsgroepen in 2023 uitgewerkt in lokale en deelregionale woonzorgvisies.
2
Nultredenwoningen zijn waarbij je niet hoeft trap te lopen, zowel binnen het huis als om naar binnen te komen. Vaak betreffen het gelijkvloerse woningen/appartementen in de buurt van voorzieningen. 3
Geclusterde woonvormen, vaak met ontmoetingsruimtes, zijn onder andere hofjeswoningen, serviceflats en seniorenflats. Geclusterde woonvormen voorzien niet alleen in prettige huisvesting, maar verminderen ook eenzaamheid doordat ze het aangaan van sociale contacten vergemakkelijken. Woningen in geclusterde woonvormen zijn nultredenwoningen en bij voorkeur rollator toe- en doorgankelijk.
13
Def versie 26 februari 2023 5.2 De regio vraagt aandacht voor de financiering van verpleegzorg, waar ook het Rijk en beleggers voor nodig zijn. 5.3 Bij het opstellen van de woonzorgvisies besteden gemeenten expliciet aandacht aan de woon-, de zorg- en ondersteuningsbehoefte van ouderen. Afstemming met het Zorgkantoor en de zorgaanbieders is daarbij gewenst. Bij de inrichting van de leefomgeving (o.a. voorzieningen, inrichting buitenruimte) is aandacht voor de behoefte van ouderen.
6. Herstructurering, stedelijke vernieuwing en kwetsbare wijken 6.1 In het Nationaal programma leefbaarheid en veiligheid is aangekondigd dat er naast afspraken over woningbouw, ook afspraken over herstructurering worden gemaakt. Het betreft slecht onderhouden woningen in een onaantrekkelijke woonomgeving waardoor de leefbaarheid onder druk staat. In deze herstructureringsopgave onderscheiden we drie categorieën: vervangende nieuwbouw, sloop en grootschalige renovatie4. 6.2 De regionale herstructureringsopgave (zowel corporatiehuurwoningen als particuliere huurwoningen en koop) tot 2030, is nog niet scherp in beeld. De partijen in deze Woondeal spannen zich in om deze opgave beter in beeld te brengen en minimaal eens per jaar te bespreken op de woondealtafel. Het gaat hierbij om een uitwerking van het aantal sociale huurwoningen, het aantal particuliere huurwoningen en het aantal koopwoningen die in de herijking van deze Woondeal zal worden opgenomen. 6.3 De partijen in deze Woondeal spannen zich in om deze opgave gezamenlijk op te pakken en waar mogelijk gebruik te maken van de ondersteuningsmiddelen van het Rijk, zoals het Volkshuisvestingsfonds.
6.4 In het verlengde hiervan vraagt de MRA aandacht voor de volgende drie punten: In de MRA zijn vier kwetsbare gebieden (Amsterdam Nieuw-West, Amsterdam Zuidoost, Lelystad Oost en Zaandam Oost) die zijn opgenomen in het Nationaal programma Leefbaarheid en Veiligheid. De regio vraagt ook voor andere wijken de mogelijkheid voor ondersteuning (weten regelgeving, instrumenten, financiering) gericht op een integrale sociaal en fysieke aanpak. De MRA vraagt inzet van het Rijk voor een integrale, tijdige aanpak voor kwetsbaarheden in wijken op het gebied van preventie van zowel sociale als fysieke problematiek. Dit met het oog op het toekomstbestendig houden van deze wijken en gezien de kansen voor extra woningen in deze wijken. Aansluiting kan worden gezocht bij onder meer het leernetwerk New Towns dat samen met BZK en andere New Towns wordt opgericht. De MRA vraagt inzet van het rijk voor kwaliteitsverbetering, waaronder funderingsproblematiek, in relatie tot het vervolg van het Volkshuisvestingsfonds en een samenhangende aanpak van particuliere woningverbetering, toegespitst op kwetsbare wijken. Denk aan instrumenten voor particuliere woningverbetering rondom het weten (bewustwording), kunnen (financiële mogelijkheden) en willen (intentie hebben om het aan te pakken).
7. Vakantieparken 7.1 De provincies Noord-Holland en Flevoland hebben, in lijn met de provinciale bestuurlijke afspraken, geïnventariseerd of vakantieparken potentieel getransformeerd kunnen worden naar 4
Definities herstructurering: Vervangende nieuwbouw: het uit de voorraad halen van incourante woningen en vervangen door toekomstbestendige nieuwe woningen in het zelfde plangebied. Grootschalige renovatie: het verbeteren van de woonkwaliteit van het gebouw door het toekomstbestendig maken van bestaande particuliere woningvoorraad. Het gaat uitdrukkelijk om ingrijpende fysieke ingrepen die doeltreffend de courantheid van de woning verbeteren. Denk aan: het splitsen, samenvoegen, optoppen of uitbouwen van woningen, aanpakken gespikkeld bezit en/of achterstallig onderhoud. Verduurzaming van de woning kan hier deel van uitmaken, maar slechts als nevendoel. Sloop: betreft sloop zonder nieuwbouw, om de woningvoorraad te verkleinen. Doel hier is om te komen tot betere marktspanning en voorkomen van leegstand. Hiervan is in principe zelden sprake, maar kan aan de orde zijn in regio’s waar bevolkingskrimp plaatsvindt.
14
Def versie 26 februari 2023 wonen. Uit deze inventarisatie is naar voren gekomen dat er géén vakantieparken voor transformatie in aanmerking komen.
8. Duurzame en toekomstbestendige bouw 8.1 Het versneld bouwen van voldoende duurzame en betaalbare woningen vraagt – versterkt door de beperkte capaciteit in de bouwsector, de klimaatdoelen en de stikstofproblematiek – om vormen van innovatie, standaardisatie en industrialisatie zodat de gewenste bouwproductie slimmer kan worden gerealiseerd. Daarbij is aandacht voor zowel duurzaamheidsprestaties in gebruik (energie) als duurzaamheidsprestaties in de realisatie (milieu-impact en stikstof), hergebruik van bestaande materialen en het verlagen van de milieu-impact van groot belang. 8.2 De regio spant zich in om in 2025 één gezamenlijke werkwijze te hebben voor aanbestedingen en afspraken met de markt op het gebied van toekomstbestendige woningbouw. De verschillende prestaties op het gebied van energie, materiaal, mobiliteit, gezondheid, natuurinclusiviteit en klimaat(adaptatie) worden in samenhang benaderd in het convenant Toekomstbestendige Woningbouw dat door een deel van de overheden en marktpartijen in de MRA is ondertekend. Met het bijbehorende toetsingskader wordt gestreefd naar het bevorderen van innovaties in de markt waardoor de onderstaande doelstellingen gehaald kunnen worden. Dit toetsingskader maakt bij het thema circulariteit gebruik van Het Nieuwe Normaal 5 als eenduidige taal voor circulair bouwen.
8.3 Rijk en regio spannen zich in om in 2030 minimaal de helft van het aantal woningen circulair en industrieel te laten bouwen, zoals ook benoemd in het Programma Woningbouw van BZK. Deze verschuiving leidt onder meer tot een kortere bouwtijd, minder stikstofuitstoot op de bouwplaats en een betere milieuprestatie. 8.4 Woningbouw met een lage milieu-impact (uitgedrukt in de Milieuprestatie Gebouwen, MPG) is technisch mogelijk. Betrokken partijen zetten binnen aanbestedingen in op een scherpere milieuprestatie, vooruitlopend op de voorgenomen aanscherping van nationale wetgeving. De huidige MPG biedt onvoldoende perspectief om actief te kunnen sturen op CO2-impact van gebouwen. Het Rijk spant zich in voor een tweede sturingsnorm die is gebaseerd op de GWP-waarde van bouwmaterialen inclusief de bijdrage van biogene CO2-opslag daaraan6. 8.5 Toepassing van biobased materialen levert een grote bijdrage aan de versnelling van de woningbouw, het verbeteren van de milieuprestatie en slaat bovendien CO2 op. Houtbouw levert op de bouwplaats een versnelling op van 20-50%. Deze toepassing wordt actief gestimuleerd in nieuwbouw en renovatieprojecten, waarbij partijen zich inspannen om het gebruik van hernieuwbare (biobased) bouwmaterialen en/of het hergebruik van bouwmaterialen te verhogen.
Een groot deel van de regio (ondertekenaars convenant houtbouw MRA) spant zich daarnaast in voor een woningbouwproductie waarvan 20% biobased is vanaf 2025. 8.6 Om te zorgen voor een toekomstbestendige woningvoorraad besteden we aandacht aan de aanpasbaarheid, losmaakbaarheid en flexibiliteit van woningen, om in te kunnen spelen op toekomstige behoeften. 8.7 De norm voor energie in de woningbouw stuurt nu aan op Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). Om de klimaatdoelen te halen, de energierekening van huishoudens te verlagen en minder afhankelijk te zijn van externe (deels fossiele) energiebronnen (ook met het oog op netcongestie) is het nodig om zo snel mogelijk van BENG naar Energie Neutrale Gebouwen (ENG) te gaan. De regio spant zich samen met het Rijk in om te stimuleren zoveel mogelijk ENG te (ver)bouwen en zoveel mogelijk praktijkvoorbeelden op te halen om aanpassingen in
5
Het Nieuwe Normaal voorziet nu in een aantal criteria die gezamenlijk de circulariteit van een bouwwerk kwantificeren.
6
Bron; Kamerbrief beleidsagenda normeren en stimuleren circulair bouwen van 23 december 2022 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/12/23/kamerbrief-over-beleidsagenda-normeren-en-stimuleren-circulair-bouwen.
15
Def versie 26 februari 2023 de wet te onderbouwen. Vanuit de Europese Energy Performance Directive (EPBD) wordt momenteel een nieuwe kostenoptimaliteit-studie uitgevoerd, naar verwachting komen in het derde kwartaal van 2023 de resultaten van deze studie beschikbaar. Op basis van de resultaten worden nieuwe BENG-eisen vastgesteld. Naar verwachting worden in 2025 de nieuwe eisen in het Bouwbesluit/BBL opgenomen. Als de Omgevingswet van kracht gaat wordt het huidige Bouwbesluit vervangen voor Besluit Bouw- en leefomgeving (BBL). Onder het BBL bestaat de mogelijkheid om wat MPG-eis en BENG-eis betreft lokaal strengere eisen te stellen. 8.8 Woningen die nu gebouwd worden moeten ook in het toekomstige klimaat veilig, aantrekkelijk en betaalbaar zijn. Partijen in deze Woondeal spannen zich dan ook in om klimaatadaptief en natuurinclusief te (ver)bouwen en in te richten. Een groot deel van de gemeenten in de MRA heeft de MRA Intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw ondertekend en spant zich in om de woningbouw te laten voldoen aan het basisveiligheidsniveau klimaatadaptatie. Daarmee houden de gemeenten rekening met wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen/ waterveiligheid. In het eerste kwartaal van 2023 komt de ‘Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ beschikbaar7.
Op het moment dat de landelijke maatlat beschikbaar is, onderzoeken partijen hoe deze maatlat – vooruitlopen op mogelijke wettelijke borging - kan worden geborgd. Klimaatadaptieve gebiedsontwikkeling vraagt om extra investeringen, hiermee worden op lange termijn hogere maatschappelijke kosten voorkomen. De regio onderzoekt met het Rijk in NOVEX-verband welke publieke investeringen nodig zijn om woningen klimaatadaptief te maken. In het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving (BOL) wordt dit thema besproken. Bescherming van natuur is een belangrijk onderdeel van de gebiedsontwikkeling. Bij bebouwing van de openbare ruimte is groen groeit mee het uitgangspunt. Bij gebiedsontwikkeling wordt ook de natuur in en rondom de woning en de buurt meegenomen. 8.9 Voor een aantal locaties per provincie financiert het Rijk projectevaluaties op basis van Het Nieuwe Normaal (in totaal maximaal 400 evaluaties verspreid over het land). Voor uitvoering van een evaluatie dient het project zich minimaal in definitieve ontwerpfase te bevinden en de realisatie voor 1 januari 2025 hebben plaatsgevonden. Een evaluatie geeft inzicht in de prestaties van het project op de thema’s van Het Nieuwe Normaal en de lessen uit alle evaluaties worden landelijk gedeeld. De regio spant zich in voor minimaal 50 evaluaties.