CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsinformatiebrief 2020-82 inzake Vaststellen beleidsregels Werk en Inkomen

GEMEENTERAAD 27 januari 2021, gemeente HilversumBij agendapunt: Ingekomen stukken - Rubriek 013.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

HOOFDSTUK 3. FRAUDEVORDERING 6

Paragraaf 3.1 REIKWIJDTE Artikel 18. Toepassing hoofdstuk 3 De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op fraudevorderingen. Paragraaf 3.2 BETALINGSVERPLICHTING Artikel 19. Invorderingsbesluit 1. 2.

Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. Het gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten: a. de hoogte van (het saldo van) de vordering; b. de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen; c. de datum waarop de betalingsverplichting in gaat of moet zijn voldaan; d. de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4:87 Awb een betalingsregeling te treffen; e. de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden; f. de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting.

Artikel 20. Verrekening Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de wet en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ en ongeacht het in artikel 22 genoemde uitstel van betaling, gaat het college indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met toekomstige betalingen. Artikel 21. Uitstel van betaling 1.

2.

3.

4.

5.

Het college verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan. Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid verbindt het college aan de verlening van (verder) uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende indien hij over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken, dit vermogen - voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm - aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld. Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het derde lid: a. worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten; en b. is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de wet van overeenkomstige toepassing. Het uitstel wordt ingetrokken indien belanghebbende de nader overeengekomen aflossing niet nakomt.

Artikel 22. Betalingsregeling 7

1.

2. 3. 4.

Het verzoek van een belanghebbende tot een betalingsregeling als bedoeld in artikel 19 lid 2 onder d wordt door het college afgewezen indien de belanghebbende beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Niet als vermogen, als bedoeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen het aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de geldende vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34, derde lid van de wet. Het college neemt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek tot het treffen van een betalingsregeling een besluit. Het besluit vermeldt: a. de hoogte van de maandelijks te betalen aflossingsverplichting; b. de ingangs- en verwachte einddatum van de aflossingsverplichting; c. de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd waaronder tevens begrepen de aankondiging dat eventuele invorderingskosten vanwege inschakeling van derden voor rekening van belanghebbende zijn; d. de mededeling dat, bij gebreke van tijdige betaling, de vordering in zijn geheel, zonder verdere vooraankondiging, ineens opeisbaar wordt en dat het college in dat geval niet langer gehouden is aan de vastgestelde aflossingsverplichting.

Artikel 23. Vaststelling van de aflossingsverplichting bij belanghebbenden met een uitkering 1.

2.

Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de wet, de IOAW of de IOAZ, bedraagt de hoogte van de aflossingsverplichting per maand de voor belanghebbende geldende uitkering onder aftrek van de beslagvrije voet. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt met een betalingsvoorstel van de belanghebbende ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost.

Artikel 24. Vaststelling aflossingsverplichting bij belanghebbenden die geen uitkering (meer) hebben 1. 2.

De hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting wordt per maand vastgesteld op het maandelijkse inkomen onder aftrek van de beslagvrije voet. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt met een betalingsvoorstel van de belanghebbende ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost.

Artikel 25. Wijziging aflossingsverplichting 1.

2. 3. 4.

Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen of te verlagen dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting ineens, indien een onderzoek naar de aflossingsverplichting daartoe aanleiding geeft. Het college kan nadere regels vaststellen over de periode en de frequentie waarbinnen het onderzoek naar de aflossingsverplichting wordt gedaan in het onderzoeksplan. Wanneer het college als gevolg van een onderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde aflossingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij beschikking. In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

Artikel 26. Verzoek belanghebbende 1.

Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van financiële en andere relevante gegevens met bewijsstukken, tot: 8

a. wijziging van de eerder vastgestelde aflossingsverplichting; of b. tijdelijk uitstel van de aflossingsverplichting, omdat de belanghebbende meent niet aan de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting te kunnen voldoen. 2. 3. 4. 5. 6.

7.

Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid en deelt dit aan belanghebbende mee. Het tijdelijke uitstel als bedoeld in lid 1 onder b wordt in ieder geval verleend als er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken. Bij tijdelijk uitstel blijft de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 4:93 Awb wel bestaan. De termijn waarvoor het uitstel geldt, wordt vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 Awb. Het verzoek tot tijdelijk uitstel als bedoeld in lid 1 onder b wordt in ieder geval afgewezen als a. de medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende is; b. de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld; c. de waarde van de vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt ten einde daarmee de verschuldigde vordering te betalen; d. de berekende aflossingsverplichting zodanig is dat de invordering direct voldaan kan worden; e. de betalingsregeling zich bij uitstel over een onaanvaardbare termijn uitstrekt; f. de betalingsproblemen structureel zijn en uitstel geen uitkomst biedt; g. de (rest)invordering minder bedraagt dan € 50,00. Het verzoek schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen.

VERZUIM Artikel 27. Invorderingskosten 1.

Het college maakt geen gebruik van haar bevoegdheid om wettelijke rente in rekening te brengen over de periode van verzuim als bedoeld in artikel 4:98 Awb of om een vergoeding te vragen bij aanmaning als bedoeld in artikel 4:113 Awb.

2.

Indien moet worden overgegaan tot invordering bij dwangbevel als bedoeld in artikel 4:114 Awb wordt de vordering verhoogd met de kosten van het dwangbevel als bedoeld in artikel 4:120 van de Awb. De buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 4:120 lid 2 Awb en het Besluit buitengerechtelijke kosten bedragen 15% van de vordering met een minimum van € 50,00 en een maximum van € 1.000,00.

3.

Paragraaf 3.3 KWIJTSCHELDING Artikel 28. Kwijtschelding na voldoen aflossingsverplichtingen 1. 2. 3.

In afwijking van artikel 2 lid 1 onder b kan het college afzien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering conform artikel 58, lid 7 van de wet. In beginsel wordt een besluit als bedoeld in artikel 58, lid 7, onder a, b. of d. van de wet alleen genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van artikel 58, lid 7 onder c van de wet wordt uitsluitend ambtshalve besloten. Bij de totstandkoming van het besluit over afzien van (verdere) terugvordering neemt het college in ieder geval in overweging: 9

a. de door de belanghebbende verleende medewerking bij onderzoeken terzake van de vordering en betalingsmogelijkheden; b. de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin van belanghebbende ten tijde van het verzoek om een besluit tot afzien te nemen; c. de inspanningen van belanghebbende (en/of partner) om door arbeid zelfstandig in het bestaan te kunnen voorzien; d. de toekomstverwachtingen en vooruitzichten van belanghebbende of het gezin van de belanghebbende; e. de verwijtbaarheid met betrekking tot het ontstaan van de vordering; f. de hoogte van de restantvordering in vergelijking met de oorspronkelijke vordering. HOOFDSTUK 4. VERHAAL Artikel 29. Afzien van verhaal Het college ziet af van verhaal indien: a. b. c. d.

de op te leggen verhaalsbijdrage als bedoeld in artikel 62 van de wet lager is dan € 50,00 per maand; de op te leggen verhaalsbijdrage als bedoeld in artikel 62f van de wet in totaliteit minder bedraagt dan € 300,00; het bruto-inkomen minder bedraagt dan € 1.600 per maand; gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die een uitkering ontvangt of heeft ontvangen, er naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 30. Hoogte verhaalsbijdrage 1. 2.

Het college verricht onderzoek naar de hoogte van de draagkracht voor het berekenen van een verhaalsbijdrage. Indien de onderhoudsplichtige, ondanks herhaald verzoek daartoe, geen gegevens heeft overlegd, stelt het college de verhaalsbijdrage vast op basis van de bij het college bekend zijnde gegevens.

Artikel 31. Ingangsdatum verhaal 1.

2.

Behoudens in de gevallen aangegeven in artikel 62f onder a of b van de wet, vindt verhaal plaats met ingang van de 1e van de maand, volgend op de datum van verzending van de brief waarin de gemeente te kennen geeft van plan te zijn bijstand te gaan verhalen. In deze brief wordt degene op wie verhaald wordt, het verzoek gedaan inzicht te geven in zijn financiële omstandigheden.

Artikel 32. Wijziging verhaalsbijdrage 1. 2.

Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, stelt het college als gevolg van het onderzoek de verhaalsbijdrage gewijzigd vast. Het college gaat niet over tot het gewijzigd vaststellen van een verhaalsbijdrage indien de hoogte van verhaalsbijdrage met minder dan € 50,00 per maand is gewijzigd ten opzichte van het vorige onderzoek.

Artikel 33. Verzuim 1.

Indien de onderhoudsplichtige niet uit eigen beweging bereid is de bijdrage voor levensonderhoud te voldoen, dan wel niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte. 10

2. 3.

Het college ziet af van verhaal in rechte, indien het te verhalen bedrag een bedrag van € 300,00 op jaarbasis niet te boven gaat. Indien de belanghebbende niet bereid is de door de rechter op verzoek van het college vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud te voldoen, wordt die uitspraak tenuitvoergelegd door middel van executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 Rv.

HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN Artikel 34. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van de beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

11

BELEIDSREGELS RE-INTEGRATIE EN TEGENPRESTATIE HILVERSUM 2021 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum; Gelet op: • de artikelen 8a, 10d en 31, tweede lid, onderdelen j en n, van de Participatiewet; • de artikelen 8, derde lid, en 34 van de IOAW; • de artikelen 8, derde lid, en 34 van de IOAZ; • hoofdstuk 2 van de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021; en • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (titel 4.3) besluit vast te stellen de navolgende BELEIDSREGELS RE-INTEGRATIE EN TEGENPRESATIE HILVERSUM 2021 Vastgesteld in de collegevergadering d.d. 8 december 2020 Datum inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking per 1 april 2021. De navolgende beleidsregels worden ingetrokken met ingang van 1 april 2021: Beleidsregels Re-integratie en tegenprestatie Hilversum 2016 Kader De wetgever heeft gemeenten opgedragen bij verordening regels te stellen over de arbeidsinschakeling en de tegenprestatie (art. 8a PW). De gemeenteraad van Hilversum heeft hieraan gehoor gegeven door het vaststellen van de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021. Deze beleidsregels zijn een nadere uitwerking van hoofdstuk 2 van de betreffende verordening.

Artikel 1. Begrippen 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021 en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum; b. succesvolle uitstroom: een periode van bijstandsonafhankelijkheid van ten minste 6 aaneengesloten maanden; c. uitkering: algemene bijstand, een IOAW-uitkering of een IOAZ-uitkering; d. PW: Participatiewet; e. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; f. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; g. verordening: Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021.

Artikel 2. Inkomstenvrijlating De belanghebbende die een uitkering ontvangt en arbeid in deeltijd heeft of heeft aanvaard, heeft gedurende een periode van zes maanden recht op vrijlating van inkomsten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n van de PW, artikel 8, derde lid, van de IOAW en artikel 8, derde lid, van de IOAZ. Maanden waarin geen inkomsten als bedoeld in de vorige zin worden ontvangen, tellen niet mee voor het bepalen van de periode van zes maanden. In geval de belanghebbende na een periode van succesvolle uitstroom, zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 aanhef en onder sub b van deze beleidsregels, weer een beroep moet doen op bijstand geldt de inkomstenvrijlating opnieuw. Artikel 3. Reiskostenvergoeding na werkaanvaarding 1. De belanghebbende die een uitkering ontvangt en arbeid gaat verrichten, zodat de uitkering wordt beëindigd, heeft vanaf de datum van beëindiging, recht op een vergoeding voor reiskosten als bedoeld in artikel 2.14, zesde lid, van de verordening als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. De belanghebbende kan geen aanspraak maken op een andere voorziening in de reiskosten; b. De belanghebbende heeft een inkomen tot maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm en heeft geen in aanmerking te nemen vermogen; c. De reisafstand bedraagt minimaal 10 kilometer enkele reis naar de werklocatie. 2.

De reiskosten worden gedurende maximaal 6 maanden vergoed. 3. De reiskosten worden volledig vergoed op basis van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer. 4. In afwijking van het derde lid, is de reiskostenvergoeding gelijk aan de fiscaal vrijgelaten kilometervergoeding, indien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om met de auto te reizen. 5. Bij toepassing van het vierde lid, wordt de reisafstand van de woonruimte naar de werklocatie, gemeten met behulp van de routeplanner van de ANWB, optie kortste route. 6. Het recht op vergoeding van reiskosten wordt op aanvraag vastgesteld. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier 7. Op verzoek van belanghebbende kan een voorschot op de vergoeding worden verstrekt. Artikel 4. Additionele kosten bij loonkostensubsidie 1. De werkgever die met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d PW, een dienstbetrekking heeft gesloten, kan in aanmerking komen voor de vergoeding van begeleidingskosten op de werkplek, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. De begeleiding is noodzakelijk voor het goed functioneren van de betreffende werknemer; b. De begeleidingskosten worden aantoonbaar gemaakt; c. De werkgever kan geen aanspraak maken op een andere voorziening in deze kosten ; d.

Deze kosten gaan uit boven de begeleidingskosten die de werkgever naar het oordeel van het college in het algemeen moet maken voor de begeleiding van een werknemer die zonder ondersteuning werkzaam is. 2. De werkgever die met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d PW, een dienstbetrekking heeft gesloten, kan in aanmerking komen voor de vergoeding van kosten, verbonden aan de aanpassing van de werkplek, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. De aanpassing is noodzakelijk voor het goed functioneren van de betreffende werknemer; b. De kosten worden aantoonbaar gemaakt; c. De werkgever kan geen aanspraak maken op een andere voorziening in de kosten.

3. Het recht op vergoeding wordt op aanvraag vastgesteld. Artikel 5. Overige onkostenvergoedingen De belanghebbende die recht heeft op een uitkering, kan in aanmerking komen voor vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 2.14, zesde lid, van de verordening, voor zover deze kosten naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor de inschakeling in de arbeid. De hoogte van de kostenvergoeding kan worden afgewogen aan de hand van de NIBUD-prijzengids. Artikel 6. Nazorg bij werkaanvaarding 1. De belanghebbende die door bemiddeling van het college werk heeft aanvaard en wiens uitkering wordt beëindigd vanwege die werkaanvaarding, komt in aanmerking voor actieve begeleiding door het college. 2. De inhoud en duur van de begeleiding worden per geval vastgesteld op basis van de behoefte van werkgever en belanghebbende. De duur van de ondersteuning bedraagt in beginsel maximaal 6 maanden. Artikel 7. Opleggen tegenprestatie Het college betrekt bij het nemen van een besluit tot het opleggen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 2.20, van de verordening, in ieder geval de volgende factoren: a. uitkeringsduur; b. persoonlijke omstandigheden, zoals zorgtaken, leeftijd, fysieke en psychosociale conditie; c. vaardigheden van belanghebbende; d. opleiding en werkervaring van belanghebbende; e.

aard van de activiteiten alsmede de begeleiding die vanuit de betreffende organisatie kan worden geboden; f. mate waarin de activiteiten een bijdrage leveren aan de persoonlijke participatie van belanghebbende; g. mobiliteit en daaraan gekoppelde vervoersmogelijkheden van belanghebbende. Artikel 8. Omvang en invulling tegenprestatie 1. Het college stelt de omvang en duur van de tegenprestatie en de wijze waarop deze wordt ingevuld, vast na beoordeling van de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende en de aard van het werk, nadat belanghebbende is gehoord. 2. Voordat het college een besluit neemt over de invulling van de tegenprestatie, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om gedurende twee maanden zelf maatschappelijk nuttige activiteiten te zoeken. 3. De tegenprestatie kan niet worden ingevuld door werkzaamheden bij een onderneming met winstoogmerk. 4. De belanghebbende heeft recht op vergoeding van meerkosten, die naar het oordeel van het college voor het vervullen van de tegenprestatie noodzakelijk zijn gemaakt. Artikel 9. Intrekken beleidsregels De volgende beleidsregels worden ingetrokken: • Beleidsregels Re-integratie en tegenprestatie Hilversum 2016. Artikel 10. Inwerkingtreding beleidsregels en citeertitel Deze beleidsregels treden in werking met ingang 1 april 2021.

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Re-integratie en tegenprestatie Hilversum 2021.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum op 8 december 2020 De secretaris,

De burgemeester,

D. Emmer

P.J. Broertjes

Toelichting Algemeen Aan de opdracht van de wetgever om regels te stellen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en de tegenprestatie, is uitvoering gegeven door het vaststellen van de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021. In Hoofdstuk 2 zijn de betreffende regels opgenomen. Kenmerkend voor dit hoofdstuk is, dat het college de bevoegdheid krijgt om besluiten te nemen die bijdragen aan de arbeidsinschakeling dan wel het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten. Uit een oogpunt van rechtszekerheid én om de uitvoerende ambtenaren houvast te geven, heeft het college op een aantal onderdelen beleidsregels vastgesteld. Naast de inkomstenvrijlating, gaan deze beleidsregels over onkostenvergoedingen en de tegenprestatie. Met betrekking tot de tegenprestatie worden de criteria redactioneel verder verduidelijkt en de besluitvorming toegelicht. Hoewel het om beleidsregels in de zin van artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat, betekent dit niet dat er niet vanaf geweken kan worden. Ook hier geldt het maatwerkbeginsel en de ‘inherente afwijkingsbevoegdheid’, zoals verwoord in artikel 4:84 Awb: in zijn algemeenheid wordt gehandeld conform de beleidsregels, maar in bijzondere omstandigheden kan, en moet, ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken.

Het ligt dan wel op de weg van de belanghebbende om aannemelijk te maken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begrippen Deze beleidsregels vinden hun grondslag in de Participatiewet en de IOAW en IOAZ. Voor wat betreft de gebruikte begrippen wordt aangesloten bij de terminologie die in de Participatiewet (PW) wordt gebruikt. Voor sommige begrippen geldt, dat deze niet in de Participatiewet maar wel in de Verzamelverordening inkomensvoorziening worden gebruikt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het begrip ‘onkostenvergoeding’. Daarom wordt tevens verwezen naar deze verordening. Ten slotte worden sommige begrippen gebruikt, die in de Algemene wet bestuursrecht zijn omschreven (bijv. ‘belanghebbende’). De begrippen die in lid 2 zijn omschreven zijn opgenomen ter bevordering van de leesbaarheid. Artikel 2. Inkomstenvrijlating Inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 215,00 per maand (1-1-2020), worden voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en algemene bijstand ontvangt, gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen gerekend als dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling (art. 31, tweede lid, onderdeel n, PW). Vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen in de IOAW (art. 8, derde lid) en IOAZ (art. 8, derde lid).

Als uitgangspunt is reeds eerder bepaald, dat inkomsten uit deeltijdarbeid zondermeer bijdragen aan de arbeidsinschakeling. Een afzonderlijke toets op de noodzaak van een inkomstenvrijlating is daarom niet aan de orde. Gelet op het doel van de inkomstenvrijlating, namelijk een prikkel om zelfstandig in de kosten van het bestaan te voorzien, heeft het college ervoor gekozen om de inkomstenvrijlating automatisch toe te kennen per uitkeringsgerechtigde en per bijstandsperiode. In geval van een nieuw recht op algemene bijstand na succesvolle uitstroom wordt de

inkomstensvrijlating van artikel 31 lid 2 onderdeel n PW wederom toegepast. Met succesvolle uitstroom wordt bedoeld een periode van bijstandsonafhankelijkheid van 6 (aaneengesloten) maanden. Succesvolle uitstroom geldt als drempel voor een nieuw recht. Artikel 3. Reiskostenvergoeding na werkaanvaarding Belanghebbenden die uit de bijstand stromen in verband met werkaanvaarding kunnen te maken krijgen met (hoge) reiskosten. Als uitgangspunt geldt dat werken lonend moet zijn. Daarom is besloten deze reiskosten onder bepaalde voorwaarden, voor een kortere periode, te vergoeden. Het moet dan uiteraard gaan om situaties dat een werkgever die kosten niet vergoedt. Dat blijkt meestal uit de cao of de individuele arbeidsovereenkomst. Heeft de belanghebbende recht op reiskostenvergoeding van de werkgever, dan is er geen recht op vergoeding door het college, ook niet als de vergoeding van de werkgever niet alle kosten dekt. De vergoeding is beperkt tot huishoudens die door werkaanvaarding een inkomen ontvangen van maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vergoeding is in tijd beperkt tot de duur van de dienstbetrekking, maar maximaal 6 maanden. Dit geeft de belanghebbende de mogelijkheid om te wennen aan de nieuwe situatie, andere manieren van reizen te verkennen (carpoolen bijv.) of (indien mogelijk) iets te regelen met de werkgever. Er geldt een drempel van 10 km.

De kosten van kortere reisafstanden zijn beperkt. Bovendien kan deze afstand meestal met fiets of te voet worden afgelegd. Deze kosten worden dan ook voor rekening van de belanghebbende gelaten (conform richtlijnen belastingdienst). De reisafstand wordt gemeten met behulp van de routeplanner van de ANWB (www.anwb.nl). Ligt de reisafstand boven de drempel, dan wordt de route volledig vergoed. Uitgangspunt is openbaar vervoer. Dat zal naar verwachting in verreweg de meeste gevallen toereikend zijn. Soms is eigen vervoer noodzakelijk (gegronde redenen). Dat zal bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als de belanghebbende op een met openbaar vervoer lastig te bereiken locatie werkzaam is, zorgdraagt voor kinderen, die naar/van de kinderopvang moeten worden gebracht/gehaald of als er fysieke beperkingen zijn. De beoordeling daarvan is aan het college. Artikel 4. Additionele kosten bij loonkostensubsidie Als voldaan is aan een aantal voorwaarden, kan een werkgever in aanmerking komen voor loonkostensubsidie (art. 10d PW). De loonkostensubsidie is bedoeld als compensatie voor een beperking in het arbeidsvermogen van een werknemer met arbeidsbeperking. Werkgevers worden daarnaast in een aantal gevallen geconfronteerd met extra kosten voor het in dienst nemen/houden van dergelijke werknemers. Om die reden wordt voor bepaalde –additionele- kosten een vergoeding beschikbaar gesteld.

Het betreft de vergoeding van kosten voor begeleiding en aanpassing van een werkplek. Uitgangspunt hierbij is, dat als er elders een voorziening beschikbaar is, de gemeente geen vergoeding verstrekt. In sommige gevallen kan van het UWV een compensatie worden verkregen. Dan gaat deze voor. Dat doet zich bijvoorbeeld voor bij samenloop van bijstand en een UWV uitkering en bij meeneembare werkplekaanpassingen (leesloep e.d.). Is dat niet het geval dan kan de werkgever in aanmerking komen voor een vergoeding voor de extra kosten die hij maakt. Feitelijk noodzakelijke kosten kunnen worden vergoed volgens het principe ‘goedkoopst adequaat’. Het is aan de werkgever om dit aannemelijk te maken.

Artikel 5. Overige onkostenvergoedingen Soms is het noodzakelijk om ook andere dan de reeds besproken kosten te vergoeden. Als het gaat om kosten die noodzakelijk gemaakt moeten worden voor de arbeidsinschakeling, dan kan het onder omstandigheden aangewezen zijn deze te vergoeden. Het gaat dan bijv. om de kosten van een opleiding, kleding, visagie of vervoermiddel (fiets). Dit is geen limitatieve opsomming. Het is ter beoordeling van de klantmanager of het noodzakelijk is bepaalde kosten te vergoeden. Voor de hoogte van de kostenvergoeding kan aansluiting worden gezocht bij de NIBUD-prijzengids. Artikel 6. Nazorg bij werkaanvaarding Voor alle uitkeringsgerechtigden die door het college actief worden geplaatst op een reguliere werkplek, biedt het college bij werkaanvaarding een actieve vorm van nazorg aan die vervolgens zo snel mogelijk maar zorgvuldig wordt afgebouwd. Zowel de nazorg als de afbouw ervan is maatwerk op basis van de individuele behoefte van werkgever en werknemer. Richtpunt is dat deze nazorg 6 maanden duurt. In deze periode blijkt het afbreukrisico namelijk verreweg het grootst. Niettemin kan het soms raadzaam zijn de nazorg langer te laten voortduren. Anderzijds zal een kortere inzet soms ook adequaat zijn.

Uitgangspunt is dat er na deze periode sprake zou moeten zijn van een reguliere werkgever-werknemer relatie waarbij de werkgever nadrukkelijk ook een eigen zorgplicht heeft. Het werkgeversservicepunt is verantwoordelijk voor de nazorg. Artikel 7. Opleggen tegenprestatie Maatwerk betekent een individuele beoordeling van alle relevante omstandigheden. De genoemde factoren kunnen daarvoor in beeld komen. De weging van de omstandigheden kan verschillend zijn, afhankelijk van de situatie van de belanghebbende. Deze opsomming heeft geen limitatief karakter. Ook andere omstandigheden kunnen aan de orde komen Artikel 8. Omvang en invulling tegenprestatie Omvang en duur van de tegenprestatie worden enerzijds bepaald door het aanbod van de werkgever, anderzijds door de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende. Tevens is van belang dat op grond van jurisprudentie is gebleken dat de opgedragen activiteiten beperkt van duur en omvang moeten zijn, om te voorkomen dat sprake is van ‘verplichte arbeid’ in de zin van artikel 4 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen is in artikel 2.21 bepaald, dat het moet gaan om activiteiten die ten hoogste 3 maanden per kalenderjaar duren en een omvang van maximaal 12 uur per week hebben. Bij maatwerk past dat met de belanghebbende voorafgaand overleg plaatsvindt m.b.t.

de invulling van de tegenprestatie. Werk dat aansluit bij de wensen en behoeften van de belanghebbende is draagvlak bevorderend. Bovendien kan dit overleg meer zicht geven op de omstandigheden en persoonskenmerken van belanghebbende, zodat een passend aanbod kan worden gedaan. Om te bevorderen dat activiteiten worden opgedragen die aansluiten bij de motivatie van de belanghebbende, wordt hem/haar eerst de gelegenheid gegeven zelf suggesties daarvoor te doen en nuttige activiteiten te zoeken. De tegenprestatie kan niet worden ingevuld door werkzaamheden bij een onderneming met winstoogmerk. Het verrichten van de tegenprestatie bij een bedrijf met winstoogmerk heeft als schaduwzijde dat de additionaliteit van het werk en de begeleiding van belanghebbende onder druk van het bedrijfsresultaat kunnen vervagen. Bovendien kan dit aanleiding geven tot oneerlijke concurrentie. Om dat risico te voorkomen wordt de voorwaarde gesteld dat de tegenprestatie moet worden verricht bij een non-profit instelling

Onkosten, die de belanghebbende moet maken voor het uitvoeren van de tegenprestatie, worden door het college vergoed, voor zover het meerkosten betreft. Zo kunnen reiskosten, die noodzakelijkerwijs met het openbaar vervoer moeten worden gemaakt voor het verrichten van de tegenprestatie, worden vergoed. Kosten die belanghebbende ook zou maken zonder het leveren van de tegenprestatie, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Artikel 9. Intrekken beleidsregels Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 10. Inwerkingtreding beleidsregels en citeertitel Met deze beleidsregels geeft het college invulling aan enkele aan hem toegekende bevoegdheden. Op grond van artikel 3:40 Algemene wet bestuursrecht (Awb) treden beleidsregels in werking per de dag volgend op de dag dat ze bekend zijn gemaakt. Omdat de onderliggende ‘Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2021’ op 1 april 2021 in werking treedt, sluit de inwerkingtreding van deze beleidsregels hierop aan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=f80ff6d7-261a-4cf2-bb45-62c43a5d0ee6