Nota van bevindingen Berenschot cultuurbeleid Hilversum (bijlage bij vragen ChristenUnie toegevoegd 2 maart 2022)
Tekst van het document
Nota van bevindingen
Toetsing en herijking Cultuurbeleid Gemeente Hilversum
Bastiaan Vinkenburg, Sam Branten
Nota van bevindingen
1
Inhoudsopgave 1.
Op weg naar nieuw cultuurbeleid
2
2.
Kwalitatieve reflectie op Metrum
3
2.1
Algemene bevindingen over het cultuurbeleid
3
2.2
Bevindingen specifiek over Metrum
4
2.3
Overige bevindingen over beleid en uitvoering
4
3.
4.
5.
Bevindingen uit de kwantitatieve toetsing
5
3.1
Cultuurbestedingen in Hilversum
5
3.2
Vergelijking met andere gemeenten
5
3.3
Toetsing van BIS-instellingen met het Iglo-model
6
Hoofdlijnen voor nieuw cultuurbeleid
8
4.1
Waarden in praktijk
8
4.2
Disciplines en voorzieningen
9
4.3
Speerpunten en flankerend beleid
9
4.4
Centrum en daarbuiten
10
4.5
Sturing en subsidiëring
11
Speerpunten voor specifiek cultuurbeleid
12
5.1
Cultuur voor alle Hilversummers
12
5.2
Cultuur en stedelijke (her)ontwikkeling
13
5.3
Cultuur in het onderwijs
13
5.4
Cultuur en samenwerking
14
5.5
Cultuur in transitie
15
Uitkomsten Iglo-modellen BIS-instellingen
16
Bestedingen cultuur gemeenten 80.000-110.000 inwoners
17
Bijlage 3. Ringenmodel
18
Nota van bevindingen
2
1. Op weg naar nieuw cultuurbeleid Behoefte aan nieuw cultuurbeleid Op basis van het goede fundament dat Metrum 2015-2020 biedt, wenst de gemeente Hilversum een herijking van het cultuurbeleid voor de periode 2022-2026. De gemeente Hilversum heeft Berenschot betrokken bij dit project van herijking en het opstellen van een nieuwe cultuurnota voor het cultuurbeleid voor de periode 2022-2026. Dit gebeurt onder meer op basis van de uitkomsten van een objectieve toetsing, gesprekken met de culturele instellingen en stakeholders, de Cultuurraad en de gemeente zelf. De nieuwe cultuurnota vormt een aanscherping en bijstelling van het voorgaande cultuurbeleid, zoals beschreven in de nota Metrum.
Nota van Bevindingen De totstandkoming van deze cultuurnota bevat twee fasen, te weten de terugblik en de vooruitblik. Bij de afronding van de eerste fase hebben we deze Nota van Bevindingen opgesteld. De nota bevat zowel de resultaten van de terugblik (hoofdstukken 2 en 3) als de ingrediënten voor de vooruitblik (hoofdstukken 4 en 5). Deze nota gebruiken we voor onze terugkoppeling aan de gemeente Hilversum en andere betrokkenen, en scherpen de bevindingen daarmee aan, om vervolgens een nieuwe cultuurnota tot stand te brengen.
Resultaten van de terugblik In de eerste fase, de terugblik, hebben we Metrum geëvalueerd door de situatie aan het eind van de beleidsperiode te peilen, door als het ware de ‘thermometer in het culturele veld te steken.’ We hebben beleidsstukken en algemene trends bestudeerd en we hebben gesproken met diverse spelers waaronder de gemeente. We hebben het advies en de evaluatie van Metrum door de Cultuurraad doorgenomen. Bovendien hebben we een toetsing uitgevoerd bij de BIS-instellingen. We hebben aan de hand van de financiële resultaten (kwantitatief), de inhoudelijke jaarverslagen en verdiepende gesprekken met deze instellingen (kwalitatief) geëvalueerd in hoeverre de beoogde doelstellingen van Metrum zijn behaald. Hierbij zijn veel inzichten over de afgelopen beleidsperiode en tevens behoeften voor nieuw beleid naar boven gekomen. In hoofdstuk 2 zijn de resultaten van de kwalitatieve verkenning op hoofdlijnen beschreven. We hebben hierbij de lijn aangehouden van het advies van de Cultuurraad. Dit hoofdstuk biedt vooral een beknopte reflectie op de resultaten van Metrum en vult het advies van de Cultuurraad en jaarverslagen van de BIS-instellingen aan. In hoofdstuk 3 staan de uitkomsten van de kwantitatieve toetsing weergegeven.
Daarbij gaan we in op het cultuurbudget van de gemeente Hilversum, de verdeling daarvan over de BIS-instellingen en de besteding ervan door die instellingen aan de culturele voorziening en de doelactiviteiten.
Vooruitblik op de nieuwe Cultuurnota De tweede fase, de vooruitblik, omvat een brede consultatieronde. In deze fase gaan we in gesprek met interne en externe stakeholders over de bevindingen over Metrum, de ambities en discussiepunten. Wat gaat er in hun ogen goed en wat kan er beter? We bieden hierbij waar relevant twee varianten: vasthouden, welke aspecten van het beleid kunnen worden voortgezet, en doorpakken: op welke punten kan het beleid worden aangescherpt? In hoofdstuk 4 hebben wij verwoord wat, op basis van de bevindingen en besprekingen tot nog toe, de hoofdlijnen van het nieuwe cultuurbeleid kunnen worden. Dit zijn algemene aanbevelingen, ook over sturing. In hoofdstuk 5 hebben wij een aantal specifieke speerpunten voor het nieuwe cultuurbeleid benoemd. Dit zijn beleidsmatige onderwerpen waar de gemeente en het culturele veld in de komende beleidsperiode specifiek aandacht aan moeten besteden en stappen vooruit op kunnen maken. Over deze speerpunten gaan we in gesprek met de Cultuurraad op 8 april en met stakeholders in een aantal sessies in de consultatieronde.
Nota van bevindingen
3
2. Kwalitatieve reflectie op Metrum Dit hoofdstuk beschrijft onze bevindingen van de terugblik op het vorige cultuurbeleid. Om Metrum te herijken, hebben we uit diverse bronnen informatie verzameld. We hebben gesprekken gevoerd met BIS-instellingen, met de voorzitter en vicevoorzitter van de Cultuurraad en met de wethouder en beleidsadviseurs van de gemeente. We hebben uiteraard Metrum zelf, andere beleidsstukken, jaarverslagen, convenanten en websites bestudeerd. We beschikken op dit moment nog niet over de uitkomsten van het Burgerpanel, maar die komen begin april beschikbaar. De voornaamste input voor dit hoofdstuk is het advies dat de Cultuurraad heeft gemaakt van Metrum, en waarover wij met beleidsadviseurs hebben gesproken. De gemeente heeft de Cultuurraad Hilversum gevraagd advies uit te brengen ter voorbereiding op de nieuwe cultuurnota. In 2020 heeft de Cultuurraad reeds een scan van het totale culturele klimaat in Hilversum gemaakt. Die scan, de kennis die de raad opdoet in de beoordeling van subsidieaanvragen, het bezoeken van culturele evenementen en de expertise van de leden van de Cultuurraad vormen de basis van het advies. Wij hebben het advies van de Cultuurraad gelezen en naast onze eigen bevindingen gelegd; het is een onderlegger voor het nieuwe cultuurbeleid.
Wij volgen in dit hoofdstuk ongeveer de lijn van het advies en de aanbevelingen van de Cultuurraad, waarbij overigens niet alle aanbevelingen hier aan de orde komen (maar niet minder waardevol zijn) of onder een andere noemer zijn geplaatst: 1.
Algemene bevindingen over het cultuurbeleid
2.
Bevindingen specifiek over Metrum
3.
Overige bevindingen over beleid en uitvoering
2.1 Algemene bevindingen over het cultuurbeleid De Cultuurraad adviseert om van het cultureel beleid een integraal beleid te maken. Het lijkt ons wijs cultuurbeleid inderdaad te verbinden met verschillende andere domeinen, zoals erfgoed, onderwijs, het sociaal domein, vastgoed, economie en evenementen. Wij bevelen aan dat op hoofdlijnen te doen, en daarbij wederkerigheid in het oog te houden. Er leeft bovendien behoefte om cultuur en de daaronder vallende disciplines scherper te definiëren en af te bakenen. Dat kan ook worden vertaald op het niveau van middelen: wat valt wel of niet onder het cultuurbudget? In elk geval moet wel helder worden hoe de gemeente het hele cultuurveld beziet. De Cultuurraad ziet graag dat het cultuurbeleid ook betrekking heeft op de landelijke BIS-instellingen, de niet gesubsidieerde instellingen en op het bedrijfsleven. Dit leidt wel tot de vraag in hoeverre de gemeente daar vanuit het cultuurbeleid sturing aan kan geven. Een concreet voorbeeld is het evenementenbeleid, waarbij diverse soorten evenementen (cultuur, media, sport, horeca, burgerinitiatieven) elkaar kunnen versterken. Hierbij kan worden opgetrokken tussen Cultuurnetwerk Hilversum, Hilversum Marketing en het binnenstadsmanagement. De Cultuurraad stelt dat de zichtbaarheid en vindbaarheid van de culturele organisaties en activiteiten kan worden verbeterd.
Wij hebben deze behoefte ook bij instellingen vernomen. Er ligt hierbij uiteraard een belangrijke verantwoordelijkheid bij de instellingen zelf, en in gezamenlijkheid. De Cultuurraad doet in zijn advies ook een appel op de gemeente ten aanzien van het vervullen van een actieve rol. Het culturele klimaat wordt versterkt door initiatieven en organisaties te faciliteren en stimuleren. De Cultuurraad ziet dat de gemeente zich actief opstelt in het verbinden van partijen, zowel binnen als buiten de culturele sector. Deze actieve rol van de gemeente blijft, volgens de Cultuurraad, ook in de toekomst onmisbaar om de doorontwikkeling van het culturele veld te stimuleren. Naar ons idee hoeft niet op alle aspecten proactief beleid te worden gemaakt; liefdevol loslaten van zaken die al goed gaan, is ook een beleidskeuze.
Nota van bevindingen
4
2.2 Bevindingen specifiek over Metrum Waarden In Metrum wordt het cultuurbeleid gebaseerd op vier waarden van cultuur centraal: sociaal, ruimtelijk, economisch en cultureel. Op basis van de terugblik lijkt het verstandig deze waarden weer een vaste plek in het beleid te geven. Wij stellen wel voor om de culturele waarde, oftewel de eigen, intrinsieke waarde van cultuur, centraal te stellen. De sociale waarde wordt door de Cultuurraad vertaald in onder meer individueel welzijn, maar de meeste instellingen leggen de nadruk op de collectieve maatschappelijke waarde. De ruimtelijke waarde kan, volgens sommige instellingen en de Cultuurraad, voortbouwen op de ruimtelijke kwaliteiten en mogelijkheden van de stad en zijn omgeving. De economische waarde van de cultuursector kan, naast direct rendement, ook indirect worden gezien als aantrekkingskracht en daarmee bijdragen aan andere domeinen.
Disciplines In Metrum wordt naast over waarden, ook gesproken over functies en kwaliteiten. Met de Cultuurraad constateren we dat de insteek disciplines (deelsectoren/kunstvormen) daarmee onderbelicht is gebleven. De Cultuurraad geeft mee dat het portfolio van cultureel aanbod niet alleen de focus op muziek, media en architectuur kan leggen. Voor de positiebepaling en marketing van Hilversum kan deze focus werken, maar een breed en gevarieerd samenspel van vraag en aanbod vraagt ook om duidelijkheid over de andere culturele disciplines. We zullen in het nieuwe cultuurbeleid op zoek moeten naar een manier om ‘alle’ lokale disciplines te belichten en per discipline een visie te ontwikkelen, uitgaande van sterktes en kansen (inclusief witte vlekken). Disciplines die specifiek aandacht en heldere afbakening vragen zijn media (mediakunst/mediacultuur), erfgoed (monumenten, collecties, archieven, architectuur, kunst in de openbare ruimte, …), letteren (meer dan bibliotheekwerk) en theater. Dit dwingt om het cultuurbeleid te beperken tot hoofdlijnen, en voor een aantal uitvoeringszaken specifiek beleid of regelingen te maken. Niet alles hoeft bij voorbaat te worden afgekaart; er komen ook nieuwe ontwikkelingen.
Cultuureducatie en cultuurparticipatie Cultuureducatie en cultuurparticipatie vormen feitelijk een andere dimensie van cultuurbeleid, op het snijvlak van disciplines en doelgroepen. In de terugblik bleken deze onderwerpen voor alle spelers zeer relevant. Nog meer dan in Metrum is gesteld, ligt er een sterke relatie met diversiteit en inclusie. Er ligt een specifiek advies van de Cultuurraad over cultuureducatie en er zijn veel ontwikkelingen rond Cultuureducatie met Kwaliteit III, het inrichten van een coördinatiepunt en het aanstellen van cultuurcoaches. De Cultuurraad wijst ook op het belang van brede kennismaking, ook voor inwoners uit andere landen, met passend aanbod van Hilversumse instellingen. Verder vraagt de Cultuurraad aandacht voor versterking van het amateurveld.
2.3 Overige bevindingen over beleid en uitvoering De Cultuurraad doet een aantal aanbevelingen over beleid en uitvoering. Voor een aantal disciplineoverstijgende punten hebben wij ook in onze terugblik gezien dat deze bij de herijking van Metrum en het opstellen van nieuw cultuurbeleid een rol spelen, naast punten die vooral uitvoering of afspraken betreffen. Wij nemen (onder meer) de volgende aanbevelingen mee bij het opstellen van de nieuwe cultuurnota (zie ook hoofdstukken 4 en 5):
Een toegankelijk, divers, gespreid en kwalitatief cultureel klimaat is een voorwaarde voor een sociale, duurzame, ambitieuze en aantrekkelijke stad.
Verwijs actief naar de drie gedragscodes en neem deze op het in nieuwe cultuurbeleid.
Zorg voor betere spreiding van culturele activiteiten over de stad.
Stimuleer de ontwikkeling van de Kerkbrink als Mediaplein.
Zoek manieren om de landelijke BIS-instellingen meer te verbinden met Hilversum.
Herzie de verdeling van subsidies over Basis en Programma, waarbij ruim budget flexibel beschikbaar blijft.
Nota van bevindingen
5
3. Bevindingen uit de kwantitatieve toetsing 3.1 Cultuurbestedingen in Hilversum Onze kwantitatieve toetsing betreft zowel de besteding van de gemeente Hilversum aan cultuur in totaal, als de bestemming van de subsidies die aan de BIS-instellingen zijn verstrekt. We beginnen met een overzicht van de verdeling van de middelen. Dit overzicht wordt nog aangevuld vanuit de gemeente. Besteding Totale bestedingen
2019
2020
2021
-
-
-
Subsidies
4.025.500
4.175.000
4.024.000
Bibliotheek Hilversum
1.451.500
1.451.500
1.451.500
Podium De Vorstin
1.142.000
1.142.000
991.000
Museum Hilversum
640.000
640.000
640.000
CV Globe basis
360.000
404.500
405.000
CV Globe programma
60.000
60.000
40.000
Dudok Architectuur Centrum
179.000
179.000
179.000
Filmtheater Hilversum
50.000
125.000
125.000
Grafisch Atelier Hilversum basis
40.000
40.000
57.000
Grafisch Atelier Hilversum programma
23.500
23.500
23.500
Zilveren Camera programma
35.000
55.000
52.500
Zilveren Camera basis
30.000
40.000
45.000
Raadhuisconcerten
8.000
8.000
8.000
ART Hilversum
6.500
6.500
6.500
Incidentele bijdragen
-
-
-
…
-
-
-
…
-
-
-
Anders dan subsidies/bijdragen
-
-
-
…
-
-
-
…
-
-
-
Huurinkomsten
-
-
-
Podium De Vorstin
-
-
-
…
-
-
-
3.2 Vergelijking met andere gemeenten Om de bestedingen aan cultuur door de gemeente Hilversum in een breder kader te kunnen plaatsen, hebben we ook de cultuurbestedingen van vergelijkbare gemeenten geanalyseerd, met de rijksoverheidswebsite Findo.nl. We hebben de lasten per inwoner van Hilversum vergeleken met andere gemeenten met 80.000 tot 110.000 inwoners (zie Bijlage 2 voor een overzicht). Hieruit constateren we dat Hilversum relatief weinig uitgeeft aan cultuur. Van de 16 gemeenten besteedt Hilversum het minste aan sport, cultuur en recreatie per inwoner, als enige minder dan € 200 per inwoner, namelijk € 194. Het gemiddelde voor deze gemeenten is € 295 per inwoner, ruim anderhalf keer zo veel als Hilversum. Ingezoomd op cultuur, besteedt Hilversum € 82 per inwoner en behoort ook daarmee tot de laagste, met Emmen en Oss. Het gemiddelde is € 129 per inwoner, opnieuw ruim anderhalf keer zo veel als Hilversum. Steden met een profiel dat lijkt op dat van Hilversum besteden veel meer aan cultuur.
Nota van bevindingen
6
3.3 Toetsing van BIS-instellingen met het Iglo-model De toetsing van BIS-instellingen bevat naast het kwalitatieve deel dat in het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 4) is verwerkt, ook een kwantitatief deel, over resultaten en financiën. Hiervoor hebben we gebruik gemaakt van het door Berenschot ontwikkelde Iglo-model. Met behulp van het Iglo-model is het mogelijk om bedrijfsvoering van de huidige en de toekomstige situatie voor de culturele instellingen, de financiering ervan door de gemeente en het resulterende exploitatiesaldo in een beleidsmatig kader plaatsen. Hierbij biedt de inrichting van de financiële huishouding conform het Iglo-model een goede basis voor een gesprek over de wijze van financiering én voor nieuwe prestatieafspraken in de toekomst.
Het Iglo-model draait om het maken van onderscheid binnen de begroting naar: A) Voorziening: huisvesting, infrastructuur en staforganisatie Geheel gesubsidieerd op basis van meerjarige vaste lasten B) Subsidiabele culturele en cultuureducatieve activiteiten Deels gedekt door eigen inkomsten, deels gesubsidieerd C) Overige culturele, cultuureducatieve en commerciële activiteiten Geheel gedekt door eigen inkomsten en private financiering We hebben het Iglo-model uitgewerkt samen met de zeven BIS-instellingen, dus de organisaties met een subsidie hoger dan € 10.000 (zowel basis- als programmasubsidie), een eigen locatie, (deels) professioneel aangestuurd:
Bibliotheek
De Vorstin
Museum Hilversum
Filmtheater Hilversum
Dudok Architectuur Centrum
Globe
Grafisch Atelier
De toetsing is uitgevoerd over het jaar 2019. In dat jaar is het vorige beleid reeds 4 jaar van toepassing, de instellingen hebben hun jaarrekening en verantwoording erover opgeleverd en het is een jaar dat niet is beïnvloed door de effecten van de coronacrisis. Een overzicht van de uitkomsten per instellingen is te vinden in Bijlage 1. De voornaamste uitkomsten uit de verzamelde Iglo-modellen van de BIS-instellingen zijn (met afrondingen):
Baten, subsidie en eigen inkomsten
De totale baten c.q. omzet in 2019 van de zeven BIS-instellingen samen is € 8.025.000.
De totale subsidie aan de BIS-instellingen samen is € 4.075.000, dat is ongeveer de helft (51%).
Het totale cultuurbudget van gemeente Hilversum is € 6,6 mio, dus het BIS-aandeel daarvan is 62%.
Het aandeel eigen inkomsten varieert tussen 14% (Dudok) en 52% (Vorstin), en bij het Filmtheater zelfs 97%.
Lasten
De totale lasten zijn lager dan de baten, met name door het positieve saldo van het Filmtheater (€ 175.000).
Van de totale lasten gaat € 3,7 mio naar beheer en € 4,2 naar culturele activiteiten en overige activiteiten.
Van de lasten is € 3 miljoen voor personeel, waarvan € 1,2 mio naar beheer en € 1,8 mio naar activiteiten.
Er gaat € 4,9 miljoen naar materiële lasten, waarvan € 2,5 mio naar beheer en € 2,4 mio naar activiteiten.
De lasten voor Deel A – Voorzieningen zijn in totaal € 3,7 mio (47%).
De lasten voor Deel B – Culturele doelactiviteiten zijn in totaal € 3,6 mio (46%).
De lasten voor Deel C – Vrije ruimte (vooral horeca en verhuur) zijn in totaal € 0,6 mio (7%).
Nota van bevindingen
7
Verdeling van subsidies naar Iglo-delen
Deel A – Voorziening, levert per definitie geen eigen inkomsten op. Dat moet dus worden gedekt uit subsidie. of uit inkomsten uit deel B of deel C.
Bovendien vloeit een groot (nog precies te bepalen) deel van de subsidies voor Deel A weer terug naar de gemeente in de vorm van huur. Dit is overigens heel gebruikelijk, maar wel goed om te benadrukken.
Er gaat van de totale subsidie van € 4.075.000 aan de zeven instellingen, € 3.185.000 naar deel A (78%).
Bij 5 van de 7 instellingen is de subsidie hoger dan de lasten van Deel A – voorziening en daar wordt dit deel dus geheel gedekt door subsidie.
Dat is niet zo bij het Filmtheater, waar de eigen inkomsten uit filmbezoekers en horeca het verdienmodel vormen waarmee ook de voorziening grotendeels wordt gefinancierd.
Ook bij Globe is de subsidie niet toereikend om de lasten van de voorziening te dragen. Dit tekort wordt door Globe gedekt door eigen inkomsten uit lessen (deel B).
Van de subsidies gaat € 890.000 naar deel B, doelactiviteiten (22%), vooral bij de bibliotheek, het museum, Dudok en het Grafisch Atelier.
Er gaat geen subsidie naar deel C, vrije ruimte. Wel levert dit deel alleen bij de Vorstin, het museum en het Filmtheater geld op; bij de andere instellingen wordt hier geld bij toegelegd of nauwelijks iets aan overgehouden.
Voorlopige conclusies
Het Iglo-model geeft voor de BIS-instellingen goed inzicht waar de subsidies aan ten goede komen; ook als een instelling zoals het Filmtheater een goed draaiend verdienmodel heeft en subsidie maar een klein aandeel vormt.
Meer dan drie kwart van de subsidies komt ten goede aan Deel A – Voorziening, terwijl de convenanten en andere afspraken tussen gemeente en instellingen vooral over de doelactiviteiten van instellingen gaan.
De verdeling van de subsidies over Deel A – Voorziening en Deel B – doelactiviteiten is een andere indeling dan die over Basis en Programma. De indeling van het Iglo-model sluit beter aan op de bedrijfsvoering van instellingen, maar speelt (nog) niet in op het onderscheid tussen structurele en incidentele subsidies.
De analyse is gemaakt met cijfers over 2019. Inmiddels zijn subsidies van het Filmtheater en het Grafisch Atelier verhoogd, ten koste van het vrije budget voor cultuur. Dit is een belangrijk aandachtspunt voor het nieuwe cultuurbeleid, omdat de beleidsvrijheid sterk samenhangt met besteedbaar budget.
Het Iglo-model is door Berenschot toegepast in diverse gemeenten en voor veel soorten culturele instellingen. Wij zien bij de Hilversumse BIS-instellingen geen exceptionele verschillen met instellingen in andere steden, als we rekening houden met het gebruikelijke bedrijfsmodel in elke discipline. Een uitzondering hierop is de bestedingen aan stedelijke centra voor de kunsten en muziekscholen. In vergelijking daarmee ontvangt Globe weinig middelen voor het in stand houden van een cultuureducatieve voorziening.
De aanbevelingen die uit deze kwantitatieve toetsing voortvloeien ten aanzien van toekomstige financiering hebben we opgenomen in een paragraaf in het volgende hoofdstuk.
Nota van bevindingen
8
4. Hoofdlijnen voor nieuw cultuurbeleid Voor het kwalitatieve deel van de toetsing zijn we in gesprek gegaan met de BIS-instellingen in Hilversum. We hebben met hen teruggeblikt op het jaar 2019 en de verhalen en voorbeelden opgehaald die de waarde van kunst en cultuur voor Hilversum tonen en die niet direct in de cijfers zijn te vatten. We hebben hen bevraagd op de culturele waarde en culturele kwaliteiten zoals die in algemene termen zijn benoemd in Metrum en die in de meeste gevallen ook zijn teruggekomen in de convenanten tussen de gemeente en deze instellingen. We hebben de gesprekken ook gebruikt om te reflecteren op het vorige en het nieuwe cultuurbeleid. In overleg met de gemeente gaan we in deze Nota van Bevindingen niet specifiek in op de bevindingen per BISinstelling, maar trekken daar wel conclusies uit. Op basis van onze terugblik op Metrum samen met de culturele instellingen, de Cultuurraad en de gemeente hebben wij onze bevindingen geordend en komen wij voorlopig tot deze hoofdlijnen voor nieuw cultuurbeleid. In dit hoofdstuk lichten wij deze hoofdlijnen vervolgens toe: 1)
Waarden in praktijk - behoud de breedte van de waarden (artistiek, maatschappelijk, economisch, ruimtelijk), maar verbind deze aan de specifieke praktijk van de instellingen
2)
Disciplines en voorzieningen - kies niet tussen disciplines maar bekijk welke disciplines en functies er zijn en er nodig zijn, en bepaal op basis daarvan een structurele basis voor het voorzieningenniveau (relatief beleidsonafhankelijk)
3)
Speerpunten en flankerend beleid – streef naar integraal maar afgebakend cultuurbeleid, benoem voor de disciplines gezamenlijke concrete (domeinoverstijgende) beleidsspeerpunten en formuleer flankerend beleid
4)
Centrum en daarbuiten - maak een onderscheid in beleid voor het centrum en voor overige delen (buurten, wijken en scholen)
5)
Sturing en subsidiëring – verwerk de beleidskeuzes ook in de sturing van het culturele veld, in het bijzonder in de manier van financiering en niet in de laatste plaats de codes
4.1 Waarden in praktijk Behoud de breedte van de waarden (artistiek, maatschappelijk, economisch, ruimtelijk), maar verbind deze aan de specifieke praktijk van de instellingen In Metrum formuleert de gemeente de visie dat een levendig cultureel klimaat bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de stad. De waarde van cultuur wordt daarbij niet beperkt tot het culturele domein (artistieke ontwikkeling en vernieuwing), maar ook het sociale domein (verbondenheid), het ruimtelijke domein (kwaliteit van de fysieke ruimte) en het economische domein (versterken lokale economie en vestigingsklimaat). In Metrum wordt daarmee de veelzijdige bijdrage van cultuur aan de samenleving benadrukt. Daar komt uit voort dat cultuur als beleidsdomein inherent verbonden is aan andere beleidsdomeinen, zoals onderwijs, zorg en welzijn, sport, economie, openbare ruimte en toerisme. In het huidige cultuurbeleid wordt deze integrale visie echter nog niet vertaald naar daadwerkelijk integraal beleid. Zowel inhoudelijk als financieel staat Metrum los van andere beleidsdomeinen. Het cultuurbeleid focust met name op verbinding tussen de (gesubsidieerde) culturele instellingen en het cultuurbeleid wordt volledig bekostigd uit cultuurbudget.
Mede op basis van de evaluatie door de Cultuurraad willen we de uiteenlopende waarden opnieuw een plek geven in het cultuurbeleid, maar we willen dit wel nader specificeren en verbinden aan de praktijk van de culturele instellingen. In plaats van dat elke instelling elke waarde probeert in te vullen, is dit een gelegenheid om instellingen zich in meer of mindere mate te laten profileren met een of meer waarden, ook mede afhankelijk van de geografische context (zie ook ad 4). Een praktisch voorbeeld: Dudok Architectuur Centrum zal meer inspelen op ruimtelijke waarde dan op maatschappelijke waarde.
Nota van bevindingen
9
4.2 Disciplines en voorzieningen Kies niet tussen disciplines en functie maar bekijk welke er zijn en er nodig zijn, en bepaal op basis daarvan een structurele basis voor het voorzieningenniveau (relatief beleidsonafhankelijk) In Metrum zijn drie pijlers nadrukkelijk naar voren geschoven, namelijk de disciplines muziek, media en architectuur. Deze pijlers illustreren inderdaad bepaalde onderscheidende kwaliteiten van Hilversum. De keuze voor juist deze drie pijlers lijkt gemaakt te zijn vanuit de gedachte van stadsprofilering en citymarketing. Waar citymarketing is bedoeld om de aantrekkingskracht van een stad voor bezoekers en het vestigingsklimaat voor toekomstige bewoners te vergroten, gaat het bij betekenisvol cultuurbeleid ook om het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling en creatief vermogen van de huidige inwoners. De scherpe keuzes ten behoeve van stadsprofilering werken voor de cultuursector bovendien beperkend en verwarrend. Er is ook een risico dat ieder zijn eigen definitie hanteert en daarmee doet wat hem goed uitkomt. Gesubsidieerde instellingen en activiteiten worden soms onder een pijler geschaard die eigenlijk niet helemaal goed aansluit, zoals het Grafisch Atelier onder media. Drukkunst kan weliswaar gezien worden als media avant la lettre, maar het is ook een volwaardige kunstvorm, die onder de pijler media niet volledig tot zijn recht komt.
Op het eerste gezicht lijkt zo’n semantische kunstgreep misschien niet problematisch, maar gelet op de sturende dan wel richtinggevende functie van beleid wel degelijk effect hebben. Zo worden de educatieactiviteiten aangepast om onder leerlijn media te passen en wordt op een school soms met een ICT’er i.p.v. een ICC’er gepraat. Dat levert niet alleen praktische bezwaren op, maar ook inhoudelijk kan gesteld worden dat deze focus op media in dit geval zijn doel voorbijschiet. Door de keuze voor enkele pijlers sneeuwen andere onderdelen van het totale aanbod wat onder. Er is dus een kans op witte vlekken, maar er zijn ook (mede door de landelijke BIS) wat ‘oververtegenwoordigde’ pijlers, in elk geval in verhouding. Kies hoe de culturele infrastructuur van Hilversum eruit zou moeten zien op voorzieningenniveau; dat wil zeggen: bepaal welke functies je in ieder geval vertegenwoordigd wil zien. Doe dat niet zozeer vanuit de gedachte van stadsprofilering en citymarketing, maar ten behoeve van een breed, divers en kwalitatief goed cultuuraanbod voor de inwoners van Hilversum (zie ook ad 2). Het Ringenmodel van Cor Wijn, wat een beeld biedt van een culturele infrastructuur van gemeenten afhankelijk van het aantal inwoners, kan hier behulpzaam zijn (zie Bijlage 2). Temeer omdat Hilversum net de grens van 90.000 inwoners voorbij is en dus ook naar de buitenste ring kan kijken.
Zorg voor passende financiering om deze basis in stand te houden. Diverse instellingen geven aan behoefte te hebben aan een stabiele basis en financiering, met meerjarig perspectief. Door in het cultuurbeleid helder te definiëren welk voorzieningenniveau minimaal wordt geboden, wordt de structurele basis en bijbehorende basissubsidie inzichtelijk. Dan is ook beter te bepalen wat daar, bijvoorbeeld aan de hand van specifieke beleidsthema’s maar ook flexibel op basis van actuele ontwikkelingen, bij wordt ‘geplust.’ De kwantitatieve toetsing van de huidige BIS-instellingen met behulp van het Iglo-model laat zien dat het grootste deel van de gemeentelijke subsidie wordt benut voor het in stand houden van de voorziening, dat wil zeggen de huisvesting, infrastructuur en staforganisatie. Dit staat dus nog los van het realiseren van culturele activiteiten, maar is wel randvoorwaardelijk om programma’s en projecten te kunnen organiseren.
4.3 Speerpunten en flankerend beleid Streef naar integraal maar afgebakend cultuurbeleid, benoem voor de disciplines gezamenlijke concrete (domeinoverstijgende) beleidsspeerpunten en formuleer flankerend beleid De vorige twee hoofdlijnen benadrukken de behoefte aan cultuurbeleid waarin alle disciplines worden benoemd en per discipline een nadere beschouwing over functies en waarden wordt geformuleerd. Wij bevelen aan in het cultuurbeleid een aantal specifieke beleidsthema’s centraal te stellen en deze als speerpunten te benoemen.
Nota van bevindingen
10
Deze speerpunten staan los van de culturele basisinfrastructuur, die relatief beleidsonafhankelijk is. In het volgende hoofdstuk 5 hebben we vijf speerpunten van cultuurbeleid opgenomen die we in de vooruitblik uitwerken. Onderstaande afbeelding visualiseert het onderscheid tussen de structurele basis (zie paragraaf 4.2) en de beleidsspeerpunten (zie paragraaf 4.3). Bij de structurele basis gaat het om het waarborgen van culturele basisvoorzieningen voor de Hilversummers en staat de intrinsieke waarde van cultuur centraal. Bij de beleidsspeerpunten gaat het ook om maatschappelijke, economische en ruimtelijke waarde van cultuur voor de stad als geheel: het collectieve welzijn.
CULTUUR VOOR DE STAD
Beleidsspeerpunt 1
Beleidsspeerpunt 2
Beleidsspeerpunt X
Hilversumse culturele basisinfrastructuur – basisvoorzieningen CULTUUR VOOR DE BEWONERS
De speerpunten kunnen domeinoverschrijdende thema’s zijn, waarin cultuur een belangrijke rol vervult. Het antwoord ligt in dat geval niet alleen in het cultuurbeleid -en het thema is daarmee dus ook niet voorbehouden voor cultuurbeleid- maar binnen het cultuurbeleid kan een visie worden ontwikkeld en richting gegeven worden voor de bijdrage van de cultuursector op betreffend thema. Het realiseren van de culturele doelstellingen binnen deze beleidsspeerpunten is mede afhankelijk van het gevoerde beleid in aanpalende dossiers, zoals onderwijs, zorg en welzijn, sport, economie, openbare ruimte en toerisme. Het is niet realistisch om in het cultuurbeleid ook al deze aanpalende dossiers te verwerken. We bevelen daarom aan om voor die onderwerpen flankerend beleid te ontwikkelen.
4.4 Centrum en daarbuiten Maak een onderscheid in beleid voor het centrum en voor overige delen (buurten, wijken en scholen) In het stadscentrum ligt door het afnemende retailfunctie leegstand en verloedering op de loer, waar kunst en cultuur bezoekers-toestroom en levendigheid kan brengen. In de wijken en op scholen is sprake van groeiende diversiteit en individualisering, waar kunst en cultuur mensen met verschillende achtergronden verbindt en betrokkenheid bij de stad stimuleert. In het stadscentrum ligt de nadruk op de economische waarde van cultuur en in het ‘omveld’ van buurten, wijken en scholen ligt de nadruk op de maatschappelijke waarde van cultuur. Hoewel de verschillende waarden van cultuur -artistiek, maatschappelijk, economisch, ruimtelijk- overlappen en elkaar versterken, vragen de verschillende uitdagingen in verschillende stadsdelen om differentiatie. Het maken van dit onderscheid helpt bij het formuleren van concretere beleidsdoelstellingen.
Nota van bevindingen
11
4.5 Sturing en subsidiëring Verwerk de beleidskeuzes ook in de sturing van het culturele veld, in het bijzonder in de manier van financiering en niet in de laatste plaats de codes Op basis van de uitkomsten van onze kwantitatieve toetsing kunnen we algemene aanbevelingen doen over toekomstige subsidiëring, zonder hier al in te gaan op de hoogte of vorm van de subsidie per (BIS-)instelling:
Het onderscheid dat de gemeente maakt in Basis en Programma kan worden vervangen door een onderscheid naar Deel A – Voorziening en deel B – Doelactiviteiten. Dat wil niet automatisch zeggen dat alle instellingen de bestedingen aan Deel A geheel gedekt moeten krijgen uit subsidie.
Er moet een goede analyse worden gemaakt welk deel van het toekomstig cultuurbudget wordt vastgelegd voor het in stand houden van de culturele infrastructuur, en welk deel flexibel wordt gehouden om te besteden aan (nieuwe) programma’s en initiatieven. Hier moet een balans worden gezocht tussen continuïteit en dus bestaanszekerheid van instellingen en de ruimte voor nieuwe initiatieven.
De gemeente kan zich nader beraden of de hoogte van toegekende subsidie wordt gebruikt als sanctie of als beloning. Het afrekenen van instellingen op het al dan niet behalen van de gemaakte prestatieafspraken kan werken wanneer er ondergepresteerd wordt, maar maakt het voor de betreffende instelling niet makkelijker om de voorziening en de kwaliteit op peil te houden. Andersom kunnen instellingen die zeer goed draaien worden beloond met extra subsidie, die misschien niet per se nodig is voor de continuïteit van de instelling.
Wij verwachten een discussie over de hoogte van de bestedingen van Hilversum aan cultuur. Het is nogal obligaat, maar we voorzien voor het nieuwe cultuurbeleid dat ambities en budget niet op elkaar aansluiten.
We vermelden hierbij dat sturing vanuit de gemeente over meer gaat dan geld. Uiteraard zal de gemeente met de instellingen nadere prestatieafspraken maken, bij voorkeur met een meerjarig perspectief. Ook zullen de drie Codes die gangbaar zijn in het Nederlandse cultuurbeleid onderdeel gaan uitmaken van de sturing. De stand van zaken per code verdient voor de Hilversumse context nadere uitwerking. Alvast een voorzet hiervoor:
De Governance Code Cultuur staat al lang op de agenda van de cultuursector. In de versie van 2019 is door Cultuur+Ondernemen de focus gelegd op het raad-van-toezicht-model. In Hilversum werken veel instellingen met een bestuur als eindverantwoordelijk gremium. Dit kan goed functioneren en hoeft niet te veranderen. Voor deze code geldt: pas toe en leg uit. Alle BIS-instellingen kunnen op hun governance reflecteren in hun verantwoording, en de gemeente kan met andere instellingen ook aan de hand hiervan over governance spreken.
De Fair Practice Code betreft met name arbeidsmarktvraagstukken in de cultuursector. Het volwaardig invulling geven aan deze code is een wens van de sector zelf, in het bijzonder de werkenden, maar dit blijkt in praktijk niet altijd haalbaar, vooral bij gebrek aan voldoende middelen. Veel overheden vragen instellingen dan ook vooral om een schets van ontwikkelingen op dit vlak de komende jaren, en niet zozeer om al aan de code te voldoen. Dat zal in Hilversum waarschijnlijk ook de uitkomst zijn, gezien het beperkte cultuurbudget.
De Code Diversiteit & Inclusie geeft invulling aan hoe de cultuursector zich verhoudt tot de samenleving ten aanzien van een aantal vormen van diversiteit en de mate waarin iedereen zich ook welkom bij of zelfs een actief onderdeel voelt van het culturele ecosysteem. Op dit vlak liggen forse uitdagingen. Om hier werkelijk verandering teweeg te brengen, zullen diversiteit en inclusie een centrale plek in het cultuurbeleid moeten krijgen.
Nota van bevindingen
12
5. Speerpunten voor specifiek cultuurbeleid Uit onze gesprekken met de culturele instellingen destilleren we een aantal speerpunten die volgens ons in fase 2, de vooruitblik, nadrukkelijk aan bod kunnen komen in de bredere consultatieronde:
1. Cultuur voor alle Hilversummers 2. Cultuur en stedelijke (her)ontwikkeling 3. Cultuur in het onderwijs 4. Cultuur en samenwerking 5. Cultuur in transitie Deze speerpunten komen ook voort uit de bevindingen over Metrum en de hoofdlijnen voor nieuw cultuurbeleid zoals uiteengezet in hoofdstukken 2 en 4. We gaan over deze speerpunten in gesprek met stakeholders, en hebben in de week van 12 t/m 16 april sessies per speerpunt georganiseerd. We geven per speerpunt aan welke vragen we aan de orde willen stellen. We willen de speerpunten ook bespreken met de Cultuurraad op 8 april.
5.1 Cultuur voor alle Hilversummers Cultuur levert een bijdrage aan het welzijn en de verbondenheid van mensen. Daarom is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen in aanraking komen met cultuur, in welke vorm dan ook. Het gaat daarbij zowel om cultuurbeoefening in de vrije tijd, al dan niet in verenigingsverband (actieve cultuurparticipatie) als cultuurbezoek en deelname aan culturele activiteiten (passieve cultuurparticipatie). Dat vraagt om een toegankelijk, divers en gespreid cultureel aanbod, dat voor iedere inwoner bereikbaar is. Om de ongelijke verdeling van cultuurparticipatie in de samenleving te verminderen zullen drempels moeten worden afgebroken. Er lijkt daarbij in het bijzonder sprake te zijn van een (groeiende) kloof tussen noord/oost- en zuid/west-Hilversum. De bevolkingssamenstelling in Hilversum is bovendien in ontwikkeling. De stad groeit, onder andere door de komst van millennials en jonge gezinnen uit grote naburige steden zoals Amsterdam en Utrecht. Dat resulteert in veranderend behoeftes en verwachtingspatronen. Enkele culturele instellingen willen beter zicht krijgen op de samenstelling van de bevolking en het publiek en hebben daarom, samen met Hilversum Marketing, een onderzoek met de Mosaic-profielen in gang gezet. Vooruitkijken en anticiperen op het publiek van de toekomst is van belang.
Het stelt culturele instellingen en amateurverenigingen voor de uitdaging om het aanbod continu te blijven ontwikkelen en vernieuwen, om relevant te blijven voor uiteenlopende publieksgroepen en aansluiting te vinden bij bestaand én nieuw publiek. We zien dat de organisaties zich hier terdege van bewust zijn, maar op het gebied van cultuurparticipatie, diversiteit en inclusie kunnen nog veel stappen kunnen worden gezet. Dat vraagt echter wel om extra inspanningen: experimenteren met nieuwe formats, het aangaan van nieuwe samenwerkingen -ook met partijen buiten de cultuursector-, op locatie programmeren, het aanbieden van educatieve randprogrammering et cetera. Dat drukt zwaar op de organisaties die weinig ruimte hebben in hun exploitatiebegroting en in belangrijke mate afhankelijk zijn van vrijwilligers en zzp’ers. Het vergroten van de cultuurparticipatie onder álle Hilversummers is bij uitstek een middel om maatschappelijke tweedeling tussen noord/oost- en zuid/west-Hilversum tegen te gaan. Cultuur is bij uitstek een middel om bruggen te slaan. Culturele activiteiten en producten kunnen worden inzet om verbindingen tot stand te brengen tussen verschillende bevolkingsgroepen. We gaan in de consultatie van stakeholders in gesprek over deze vraag:
Welke drempels zijn er en hoe kunnen die drempels worden verlaagd?
Nota van bevindingen
13
5.2 Cultuur en stedelijke (her)ontwikkeling Niet alleen de ruimtelijke ordening en de gebouwde omgeving hebben effect op de wijze waarop mensen de stad beleven en gebruiken, ook kunst en cultuur speelt hierbij een belangrijke rol. Kunstzinnige uitingen en cultureel aanbod brengen levendigheid en dynamiek voor inwoners en bezoekers. Het heeft een positief effect op de vastgoedwaarde, op de aanwezigheid van horeca en winkelaanbod en het verminderen van leegstand. De openbare ruimte is bovendien de meest laagdrempelige plek in de stad om kunst en cultuur te presenteren aan een breed publiek. Om de toegevoegde waarde van kunst en cultuur bij stedelijke (her)ontwikkelingsprojecten te realiseren en optimaliseren, is het belangrijk dat de cultuursector in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken is, en dan het liefst als gelijkwaardige partner. Een eerste, omvangrijk project waar op kan worden ingezet is de ontwikkeling van het Mediaplein op de Kerkbrink (onderdeel van Media & Economie). Op dit moment wordt er een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd door de bibliotheek, Museum Hilversum en Beeld en Geluid. Ook de Kunstuitleen zou graag meeverhuizen. Grafisch Atelier en Dudok Architectuur Centrum zijn geïnteresseerd in een eventuele satellietlocatie.
In Metrum benadrukt de gemeente zowel het belang van een levendig en inspirerend stadscentrum als meer samenwerking tussen culturele partijen. Een culturele hotspot binnen het Mediaplein zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan beide gemeentelijke ambities. De ontwikkeling van het Mediaplein an sich vormt geen onderdeel van het cultuurbeleid, maar de wijze waarop cultuur binnen dergelijke stedelijke herontwikkelingsprojecten wordt ingezet wel: hoe kan binnen het Mediaplein een culturele hotspot worden vormgegeven, waarmee de economische en ruimtelijke waarde van cultuur wordt verzilverd? Een ander voorbeeld is de vernieuwing van het stationsplein/-gebied. Omdat dit nog ruime tijd zal duren, is er voor komende jaren een tijdelijke inrichting gerealiseerd in de vorm van De Kwekerij: een stadsparkje met ruimte voor ontmoeting, ontspanning, evenementen en ondernemerschap en cultuur. Ook het stimuleren dan wel uitbreiden van de mogelijkheden om leegstand vastgoed beschikbaar stellen te stellen als werk- en broedplaatsen voor kunstenaars is in dit kader interessant. Een van de centrale vragen voor de stakeholdersessie is:
Welke mogelijkheden en moeilijkheden zijn er?
5.3 Cultuur in het onderwijs Veel culturele instellingen geven aan dat de gemiddelde leeftijd van hun publiek redelijk hoog ligt. Dit is deels te verklaren door demografische factoren. Het bevorderen van cultuurparticipatie onder alle bevolkingslagen (zie paragraaf 5.1) begint in de klas. Niet alle kinderen komen van huis uit in aanraking met kunst en cultuur. In het onderwijs worden alle leerlingen bereikt en kan de basis worden gelegd voor een rijk cultureel leven. Cultuureducatie stimuleert en ontwikkelt daarnaast het creatief vermogen van kinderen en jongeren, dat wil zeggen het vermogen om originele ideeën te bedenken en problemen inventief op te lossen. Dit is één van de 21st century skills en dus een onmisbare vaardigheid voor de burgers en werknemers van de toekomst. Niet voor niets is de duurzame verankering van cultuur in het onderwijscurriculum en de ontwikkeling van een doorlopende leerlijn een belangrijk speerpunt in het landelijke cultuurbeleid. Ook voor alle culturele instellingen in Hilversum is het een belangrijk aandachtsgebied.
Afgelopen jaren is er al veel gebeurd op het gebied van cultuureducatie in Hilversum: co-creatie pilots in het kader van CMK2, de aanstaande oprichting van een coördinatiepunt ten behoeve van bemiddeling tussen de vraag uit het onderwijs en het aanbod van culturele instellingen, de aanstelling van vier cultuurcoaches, de aanvraag voor CMK3. Veel culturele instellingen werken al intensief samen met het basisonderwijs. Er worden ook activiteiten ontwikkeld voor het voortgezet onderwijs.
Nota van bevindingen
14
Hilversum is geen studentenstad met hbo- of wo-onderwijs, maar heeft wel een brede scala aan mbo-opleidingen op College Hilversum, onderdeel van het ROC van Amsterdam. Een overweging is om ook het mbo-onderwijs actief aan te spreken. Cultuureducatie maakt op het mbo (nog) geen vast onderdeel uit van het curriculum. Het vak Burgerschap biedt de meeste aanknopingspunten voor cultuureducatieve projecten. Dit biedt culturele instellingen eveneens de kans om een jongere doelgroep aan te spreken. Het belang van intensieve samenwerking met het basis- en voortgezet onderwijs kan opnieuw worden benadrukt in het nieuwe cultuurbeleid. Overigens zal het ook een plek verdienen in het onderwijsbeleid. We willen over dit onderwerp nader spreken met de Cultuurraad, die hierover advies heeft gegeven. In de sessie met stakeholders brengen we onder meer de volgende vragen in:
Hoe kan de samenwerking met het onderwijs worden verstevigd?
Welke kansen liggen er om cultuur ook in het mbo een plek te geven?
5.4 Cultuur en samenwerking Verbinding binnen het culturele veld en met stakeholders staat in het huidige cultuurbeleid centraal. Om samenwerking te stimuleren is in Hilversum onder andere het Cultuurnetwerk opgericht. Door het merendeel van de instellingen wordt dit netwerk gezien als een waardevolle toevoeging in het Hilversumse cultuurbestel. Er ontstaan nieuwe contacten en samenwerkingen en er worden gezamenlijke projecten geïnitieerd. Vóór de oprichting van het netwerk was het volgens enkele instellingen meer ‘ieder voor zich.’ Zo werkte het Filmtheater voorheen zelden samen met andere organisaties, maar dat is nu mede door deelname aan het netwerk veranderd. Ook het Grafisch Atelier noemt het cultuurnetwerk een ‘kickstart’ voor nieuwe samenwerkingen. De instellingen onderstrepen vooral de verbindende werking van het netwerk: het faciliteert en stimuleert ontmoeting. De slagkracht en operationeel vermogen van het netwerk lijkt vooralsnog echter beperkt, mede door de uiteenlopende belangen van alle verschillende instellingen. Enkele instellingen missen ook een breder gesprek over de langere lijnen: de visie op de toekomst van (het organiseren van) cultuur in Hilversum en het doelgroepenbereik van de Hilversumse cultuursector.
We hebben enkele aanbevelingen om de samenwerking in Hilversum verder te stimuleren en in het bijzonder het Cultuurnetwerk effectiever te laten functioneren:
Het in overleg met de gemeente opstellen van een meerjarige agenda, waarbij per thema/agendapunt kan bekeken worden voor welke spelers dit relevant is en welke inbreng van die spelers kan worden verwacht
Het werken met ringen (hiërarchie) of kringen (inhoudelijk) om bepaalde onderwerpen met een deel van het Cultuurnetwerk op te pakken. Bijvoorbeeld: -
Verantwoordelijkheid van grote BIS-instellingen rondom professionaliteit (fair practice, ondersteuning kleinere spelers);
-
Marktonderzoek en publieksbereik + zichtbaarheid en promotie, samen met Hilversum Marketing;
-
Gezamenlijke programmering, eventueel thematisch, samen met niet-gesubsidieerde instellingen.
Het behouden van een open verbinding met partijen. Buiten het netwerk zijn inmiddels ook andere samenwerkingsvormen ontstaan, bijvoorbeeld binnen het amateurveld. Daarbij lijkt het ons goed om ook naar de organisatiestructuur van het netwerk en de rolverdeling tussen het bestuur en de leden te kijken.
Vragen waarover we met stakeholders in gesprek willen gaan zijn onder meer:
Hoe kan de samenwerking in Hilversum verder wordt gestimuleerd?
Hoe kan het Cultuurnetwerk effectiever functioneren?
Nota van bevindingen
15
5.5 Cultuur in transitie Voor veel instellingen in Hilversum geldt dat afgelopen jaren sprake is geweest van uitbreiding van het aanbod, productinnovatie, groeiende bezoekersaantallen en/of verbreding van het publieksbereik (m.u.v. 2020). Op veel plekken is er hierdoor ook behoefte aan interne ontwikkeling. Diverse instellingen zitten momenteel middenin in een transitieproces. Een goed voorbeeld is de transitie van de bibliotheek van traditionele uitleenbibliotheek naar maatschappelijke bibliotheek. En zowel door professionele als door amateurorganisaties zijn de afgelopen jaren stappen gezet op het gebied van organisatieontwikkeling en professionalisering, bijvoorbeeld wat betreft bestuursmodel en personeels- en vrijwilligersbeleid (dat wil overigens niet in alle gevallen zeggen dat vrijwilligers worden vervangen door professionele krachten, maar juist de coördinatie van vrijwilligers wordt wel grondiger aangestuurd en aangepakt). Het is goed om de reeds ingezette koers van organisatieontwikkeling en professionalisering vast te houden en verder uit te bouwen. Dergelijke transities zijn immers een proces van lange adem en vragen soms om externe deskundigheid. De urgentie voor verandering is versterkt door de grote uitdagingen als gevolg van de coronacrisis. Door sluiting of beperkte openstelling voor publiek ontstaat derving van eigen inkomsten.
Er wordt op reserves ingeteerd, onderhoud wordt uitgesteld en vacatures tijdelijk niet worden ingevuld. De beperkende maatregelen maken bovendien dat de sector zich voor langere tijd moet aanpassen. Het vraagt (onder meer) om aanbodvernieuwing, om het (onder)zoeken van nieuwe vormen van publieksbereik en om het (her)vinden van het evenwicht tussen kosten en inkomsten door het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen. De coronacrisis daagt uit tot aanpassingen en vernieuwing, niet alleen ten aanzien van aanbod en activiteiten, maar ook qua organisatieinrichting. Dergelijke transities vereisen investeringen (soms letterlijk transitievergoedingen) die veelal niet (volledig) uit de reguliere exploitatiebegroting te dekken zijn, maar ook met andere gemeentelijke middelen dan reguliere subsidies kunnen worden ondersteund. De verschillen tussen individuele organisatie op dit vlak zijn groot, zowel wat betreft ontwikkelstadium als organisatieomvang. Maatwerk is dus van belang. Vragen die we over dit onderwerp willen voorleggen aan stakeholders zijn onder meer:
Wat is er nodig om dergelijke interne ontwikkelingen te ondersteunen en faciliteren?
Welke partijen kunnen hier, samen met de gemeente, een rol in spelen?
Waar liggen kansen ten aanzien van kennisdeling en samenwerking tussen organisaties?
Nota van bevindingen
Uitkomsten Iglo-modellen BIS-instellingen
16
Nota van bevindingen
Bestedingen cultuur gemeenten 80.000-110.000 inwoners Bron: Findo.nl, van de Rijksoverheid, met CBS-data op IV3-niveau. Selectie: gemeenten tussen 80.000 en 110.000 inwoners (exclusief Hoeksewaard vanwege incomplete cijfers).
17
Nota van bevindingen
Bijlage 3. Ringenmodel
18
Nota van bevindingen
19
Berenschot is een onafhankelijk organisatieadviesbureau met 350 medewerkers wereldwijd. Al 80 jaar verrassen wij onze opdrachtgevers in de publieke sector en het bedrijfsleven met slimme en nieuwe inzichten. We verwerven ze en maken ze toepasbaar. Dit door innovatie te koppelen aan creativiteit. Steeds opnieuw. Klanten kiezen voor Berenschot omdat onze adviezen hen op een voorsprong zetten. Ons bureau zit vol inspirerende en eigenwijze individuen die allen dezelfde passie delen: organiseren. Ingewikkelde vraagstukken omzetten in werkbare constructies. Door ons brede werkterrein en onze brede expertise kunnen opdrachtgevers ons inschakelen voor uiteenlopende opdrachten. En zijn we in staat om met multidisciplinaire teams alle aspecten van een vraagstuk aan te pakken.
Berenschot B.V. Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG Utrecht Postbus 8039, 3503 RA Utrecht 030 2 916 916 www.berenschot.nl /berenschot