NL.IMRO.0402.01bp03reconstrN417-ON01_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 1 Quickscan soortenbescherming (toegevoegd 5 juli 2024)
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN Reconstructie N417 Provincie Noord-Holland
11 NOVEMBER 2019
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Contactpersoon PEGGY-ANN DE RIDDER Senior projectleider ecologie
T 06-50736785 M 06-50736785 E peggyann.deridder@arcadis.com
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
Arcadis Nederland B.V. Postbus 56825 1040 AV Amsterdam Nederland
2 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Leeswijzer
5
PLANGEBIED EN INGREEP
6
2.1
Huidige situatie
6
2.2
Voorgenomen ingreep
7
2.2.1
Nieuwe situatie
7
2.3
Werkzaamheden
8
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN
10
3.1
Methode
10
3.2
Aanwezigheid beschermde soorten
11
EFFECTBESCHRIJVING EN -TOETSING
16
4.1
Mogelijke effecten
16
4.2
Toetsing aan de Wnb
17
4.2.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
17
4.2.2
Overtreding verbodsbepalingen
17
VERVOLGSTAPPEN
19
5.1
Inleiding
19
5.2
Soortgericht onderzoek
19
5.3
Mitigerende maatregelen
20
CONCLUSIE
21
BIJLAGEN BIJLAGE A WETTELIJK KADER SOORTENBESCHERMING WET NATUURBESCHERMING
22
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
3 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
BIJLAGE B BOMENINSPECTIE
26
COLOFON
29
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
4 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
De N417 tussen Hollandsche Rading en Hilversum wordt gereconstrueerd. Deze reconstructie bestaat onder andere uit het vernieuwen van het wegdek, het aanleggen van een vrij liggend fietspad aan de westzijde van de N417, het aanleggen van vijf faunapassages voor dassen en reptielen en het aanbrengen van rasters langs het gehele tracé van de N417 tussen de Rotonde met de Noodweg en de bebouwde kom van de gemeente Hilversum (Zuiderheideweg). De N417 grenst aan weerszijden direct aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie Figuur 1 voor de situering van het plangebied binnen de N417. Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Zie Bijlage A voor een beschrijving van het wettelijk kader van deze soortbescherming. Provincie Noord-Holland heeft Arcadis gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen.
1.2
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied in de huidige situatie opgenomen, evenals een beschrijving van de voorgenomen ingreep. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van de onderzoeksmethode en de resultaten opgenomen. In hoofdstuk 4 is de effectbeschrijving en -toetsing opgenomen. Tot slot is in hoofdstuk 5 is beschreven wat de benodigde vervolgstappen zijn. In bijlage A is het wettelijk kader van soortenbescherming te vinden.
Figuur 1: Situering plangebied binnen de N417 (bron ondergrond: ArcGis)
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
5 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
2
PLANGEBIED EN INGREEP
2.1
Huidige situatie
De N417 is de verbindingsweg tussen Utrecht en Hilversum. Het plangebied begint bij kilometerpaal 8.9 (Noodweg, nabij Hollandsche Rading) en eindigt iets na kilometerpaal 10.8 (Maartendijkseweg/Zuiderheideweg, Hilversum). De weg ligt buiten de bebouwde kom en is omgeven door bosgebied en heidegebieden. Ten westen van de N417 liggen het Goois Natuurreservaat Zwartebergen en de Hoorneboegse Heide. Ten oosten van de N417 zijn de natuurgebieden De Zwaluwenberg, Dassenveld en Laapersbos te vinden. Op relatief dichte afstand van de N417 zijn het treinspoor tussen Utrecht en Hilversum en de snelweg A27 te vinden. In Figuur 2 is het plangebied weergegeven in een luchtfoto. Het plangebied zelf bestaat uit de weg van de N417, met aan weerszijden een fietspad, en aan de westzijde enkele meters gebied om het fietspad te kunnen verleggen. Aan de westzijde van de weg staan bomen, dit is de bosrand van het achterliggende bosgebied. Het is een vrij jong bos met veel dunne bomen, maar hier staan ook oude bomen tussen. Ook is er een watergang gelegen binnen het plangebied, hier staat niet jaarrond water in. Er staan ook enkele woonhuizen met bijbehorend land en oprijlanen. Het gebied ten oosten van het plangebied is vergelijkbaar met het westen. Het bestaat uit bosgebied, maar afgewisseld met weiland. Ook hier staan enkele woonhuizen met land en oprijlanen.
In Figuur 3 is een foto-impressie van het plangebied opgenomen.
Hilversum
Figuur 2: Luchtfoto met daarop met rode lijn bij benadering het plangebied weergegeven (Bron ondergrond: Cyclomedia). Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
6 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Figuur 3: Foto-impressie van het plangebied.
2.2
Voorgenomen ingreep
2.2.1
Nieuwe situatie
In de nieuwe situatie is het wegdek vernieuwd, zijn er halfverharde bermen aanwezig. De direct aanliggende fietspaden zijn verwijderd en er is een vrijliggend (brom-) fietspad aan de westzijde van de N417. Ook zijn er vijf faunapassages voor dassen en reptielen en is er over het gehele tracé van de N417 tussen de rotonde met de Noodweg en de bebouwde kom van de gemeente Hilversum (Zuiderheideweg) een faunaraster. Tevens zijn enkele percelen voorzien van een faunaraster. Op de rijbaan is een breedte aanwezig van 6,70 meter en er zijn nieuwe deklagen aanwezig. De deklaag is overal uitgevoerd in asfalt. De weg is voorzien van nieuwe markering conform de richtlijnen.
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
7 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
De wettelijke maximum snelheid is over het gehele traject 60 km/uur, waardoor de weg veiliger zal worden. Dit is via bebording aangegeven en daarnaast zijn vijf plateaus aangebracht om de snelheid te beperken (Werkbeschrijving en eisen reconstructie N417, 2015).
2.3
Werkzaamheden
Weg en fietspad •
•
• •
•
• • • • • • • • •
Aan de westzijde is tussen km 8.30 en 10.80 een vrijliggend in tweezijde bereden fietspad aangelegd van 3,50 meter breed. Dit fietspad is uitgevoerd in betonverharding. Het (brom-) fietspad is dusdanig gesitueerd dat een zo klein mogelijk aantal bomen gekapt zijn. Hierdoor ontstaat een slingerend tracé waarbij de afstand tussen de binnenzijde van de kantstreep van de rijbaan en dit fietspad ten minste 4 meter bedraagt. Op de gedeeltes van het traject waar reeds een vrijliggend in één richting bereden fietspad aanwezig is (van km 8.85 tot km 9.30 en van km 10.35 tot km 10.80) is het bestaande fietspad vervangen door een 3,50 meter breed twee richtingen fietspad. De nieuwe situatie sluit aan op het recent gerealiseerde vrijliggend (brom-)fietspad langs het gedeelte van de N417 ten zuiden van de Noodweg. Hierdoor ontstaat langs de gehele N417 een veilige route voor het langzaam verkeer met duidelijke oversteek locaties op het aansluitende fietsnetwerk. Het bestaande fietspad aan de oostzijde buiten plangrens (km 8.4 - km 8.9) is verwijderd. De verharding van de rijbaan is tussen km 8.85 en km 10.80 verbreed en vernieuwd.
Overal is asfaltverharding aanwezig: • Vak 1: km 8.860 - 8.925 bestaande asfalt verharding is vervangen en verbreed; • Vak 2: km 8.925 - 10.310 gehele nieuwe asfaltconstructie aangebracht eventueel met fundering; • Vak 3: km 10.310 - 10.850 bestaande asfalt is overlaagd en verbreed. De afwatering van de N417 is vernieuwd, aangepast op de nieuwe situatie en vindt plaats via infiltratie in de berm of via kolken en greppels langs de N417. Voor een nadere beschrijving van deze werkzaamheden wordt verwezen naar Bijlage 5 – Ontwerpnotitie Hemelwaterafvoer N417. In de nieuwe situatie is de afwatering van het fietspad via bermpassage. Zowel de N417 als het nieuwe fietspad is voorzien van markering. De bestaande bebording en bebakening is aangepast op de nieuwe situatie en is vernieuwd. De in- en uitritten aan beide zijden van de weg zijn aangepast aan de nieuwe situatie. Ter hoogte van inen uitritten is de afstand tussen het fietspad en de rijbaan ten minste 4,0 meter om een veilige opstelmogelijkheid voor in- en uitrijdende omwonenden te realiseren. Er is goede verlichting, voorzien van een bikeradar-systeem aanwezig in de buitenberm van het fietspad waardoor er geen donkere plekken op het (brom-) fietspad ontstaan. De verlichting langs de N417 is aangepast aan de nieuwe situatie.
Voor de bereikbaarheid van de percelen aan de oostzijde van de N417 voor langzaam verkeer zijn doorsteken gemaakt vanaf het westelijke fietspad naar de oostzijde van de weg. De haltekom bij de bushaltes is verwijderd, de bussen halteren op de rijbaan. Er zijn vijf faunapassages gerealiseerd. Drie voor dassen en twee voor reptielen. De dassentunnels zullen een uitloopvoorziening kennen welke wordt uitgegraven vanaf maaiveld. Langs het gehele tracé zijn, aan beide zijde van de weg faunarasters aangebracht. Deze zijn deels geïntegreerd met bestaande erfafscheidingen.
Kap van bomen •
•
Voor het verplaatsen van het fietspad aan de westzijde van de N417 moeten circa 170 bomen worden gekapt. Een afgewogen proces is hieraan vooraf gegaan. Over iedere boom is nagedacht. Met name kleine, zieke en uitheemse bomen zullen niet gespaard worden als er dikke, inheems gezonde bomen mee kunnen worden behouden door een alternatieve ligging van het fietspad tracé. Ook wordt er, bij locaties waar sprake is van een keuze tussen de kap van een inheemse boomsoort versus de keuze voor de kap van een uitheemse boomsoort, gekozen om de inheemse soort te sparen. De Provincie Noord-Holland hanteert richtlijnen voor de inrichting van voor weggebruikers veilige bermen. Een van deze richtlijnen is dat er in het profiel van vrije ruimte geen obstakels mogen staan. Van deze richtlijn wordt hier afgeweken om, met uitzondering van de bomenkap ten behoeve van de aanleg van het fietspad, geen extra bomen te kappen.
Verlichting •
De bestaande lichtmasten langs de N417 worden hergebruikt. Deze verlichting wordt dus niet aangepast.
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
8 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
•
De verlichting langs het fietspad wordt vervangen door LED verlichting. Op dit moment staat, op de delen waar het fietspad vrijliggend is, ook al verlichting. Dit is fluorescentieverlichting van het type PLL. De te realiseren LED verlichting heeft als voordelen dat de lichtbundel heel sterk gericht kan worden, waardoor er minder strooilicht optreedt, en LED verlichting is geschikt om vaak aan en uit te schakelen. Dit laatste is van belang, omdat de verlichting wordt uitgerust met het bike-radar systeem, zodat de verlichting alleen aan gaat op momenten dat zich een fietser/wandelaar op het fietspad bevindt. De verlichting komt bovendien aan de buitenzijde te staan, zodat de uitstraling richting de omliggende bosgebieden geminimaliseerd wordt.
Faunatunnels en geleidingswanden Het ontwerp van de drie dassentunnels, drie reptielentunnels, de faunageleidingswanden en de dassenrasters staat beschreven in bijlage 5 en 6. De locaties van deze faunavoorzieningen zijn ingetekend in de tekening in bijlage 4. Deels worden de rasters tegen reeds bestaande hekwerken aangezet (ca. 400 m), maar voor een groot deel betreft het nieuwe rasters (ca. 4.000 m). Over het materiaalgebruik en het ontwerp heeft intensieve afstemming plaatsgevonden met het Goois Natuurreservaat (GNR). Uitgangspunt hierbij is dat de faunavoorzieningen qua kleur en materiaalgebruik aansluiten op de rasters die al in de omgeving toegepast worden. De rasters worden alleen daar geplaats waar het noodzakelijk is het goed functioneren van de faunavoorzieningen (geleiding). • Dassenrasters: Hoogte 1,0 meter, 40 cm ingegraven met een maaswijdte van 25,4 mm horizontaal en 50,8 mm verticaal. Terugkeervoorzieningen worden om de 100 meter aangebracht. De palen zijn van hout of grijs beton en het raster zelf is staal. • Faunageleidingswanden (die tegen het dassenraster aan gezet worden) - kunststof geleiding (platen) met een minimale hoogte van 50 cm en minstens 10 cm in de grond. De kleur is zwart, omdat dit de minst opvallende kleur is en zwart optisch wegvalt in een achtergrond. Ook tegen bestaande hekwerken vallen de gekozen kleur en materialen het minst op.
Vergraven van grond •
•
Voor de aanleg van het fietspad wordt geen grond vergraven. Het beton wordt, zonder cunet, op het maaiveld aangelegd. Hiervoor wordt alleen de strooisel laag verwijderd. Voor de dassentunnels wordt op vijf plaatsen een kleine oppervlakte (47m2) tot 0,50 meter ontgraven ten behoeve van de ingangen van de dassentunnel. De vrijgekomen grond wordt ter plekke in de bermen verwerkt, er vindt dus geen afvoer van grond uit het gebied plaats. Voor de vervanging van de riolering wordt ook gegraven. Omdat de riolering echter niet wordt uitgebreid (het betreft alleen een vervanging) wordt alleen gegraven in reeds geroerde grond. Bovendien wordt alle grond weer teruggeplaatst. Er vindt hier dus ook geen afvoer van grond plaats.
Werkperiode •
• •
De werkzaamheden worden grotendeels overdag uitgevoerd. Mogelijk is het echter noodzakelijk om enkele nachten ook ’s nachts te werken. In deze fase is nog niet precies duidelijk hoeveel nachten dit precies zijn, maar het zullen er maximaal 10 zijn. Als nachtelijke werkzaamheden nodig zijn dan zullen deze in het najaar of de winterperiode (globaal november t/m februari ) plaatsvinden om het verstoren van broedvogels (het broedseizoen is globaal half maart t/m half juli) en foeragerende en migrerende vleermuizen te voorkomen. Het kappen van de bomen en het beuken van het beton vinden plaats buiten het broedseizoen (half maart t/m half juli). De overige werkzaamheden kunnen zowel binnen als buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. De totale uitvoerperiode is in deze fase van het project nog niet geheel duidelijk. Worst case wordt uitgegaan van een totale doorlooptijd van 8 maanden. De uitvoerperiode van de deelprojecten is als volgt: • Een maand ten behoeve van kappen bomen en vervangen riolering • Drie maanden ten behoeve van aanleg fietspad • Twee weken ten behoeve van aanleg faunatunnels • Drie maanden ten behoeve van aanpakken verharding, belijning, verlichting, waarvan maximaal 3 dagen beton beuken. • Twee weken ten behoeve aanbrengen rasters
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
9 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
3
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN
3.1
Methode
Er is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Websites • • • • •
www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl www.ravon.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl
Documenten • • • •
Activiteitenplan Flora- en Faunawet reconstructie N417 Hollandsche Rading – Hilversum, Arcadis (2012) BIJ12 kennisdocument Levendbarende hagedis (2017) Inventarisatieprotocollen Netwerk groene bureaus (2017) Vleermuisprotocol (2017)
Het veldbezoek is uitgevoerd op 8 oktober 2019 door Jasper Osterthun en Christel Welles, ecologen van Arcadis. De omstandigheden tijdens het veldbezoek waren geheel bewolkt (droog), een windkracht van gemiddeld 2 Bft en een temperatuur van 14ºC. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen. In het bijzonder is gekeken naar boomholtes die geschikt zijn als verblijfplaats van vleermuizen en vogelnesten in bomen. Na het veldbezoek zijn de effecten op (mogelijk) voorkomende soorten beschreven en is een toetsing gedaan op overtredingen van de Wet natuurbescherming. Tenslotte is beschreven welke vervolgstappen aan de orde zijn. Bomenonderzoek Tijdens het veldbezoek is extra aandacht besteed aan de te kappen bomen binnen het plangebied.
Aan de hand van de bestektekening van de provincie Noord-Holland zijn de bomen die gekapt gaan worden voor het verleggen van het fietspad nader geïnspecteerd (waar mogelijk met een endoscoop) op de aanwezigheid van vogelnesten en vleermuisverblijfplaatsen. Endoscopisch onderzoek van de aanwezige potentiele verblijfplaatsen kan echter geen vleermuisverblijven uitsluiten. Dit heeft vooral te maken met het type potentiele verblijfplaats. Een endoscopisch onderzoek geeft een tijdsopname van het gebruik van een potentiele verblijfplaats: dat er op dat specifieke moment geen vleermuizen of uitwerpselen in aanwezig zijn, zegt niet dat de locatie niet dient als verblijfplaats op een ander moment in het seizoen.
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
10 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Figuur 4: Nadere inspectie van potentiele verblijfplaatsen van vleermuizen achter loshangend boomschors met behulp van een endoscoop.
3.2
Aanwezigheid beschermde soorten
In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Tabel 1: Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het projectgebied per relevante soortgroep. Soortgroep Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat Conclusie Flora Bureauonderzoek Beschermde planten In de omgeving van het plangebied is dennenorchis waargenomen kunnen uitgesloten (website: NDFF). Daarnaast ligt het plangebied in het verspreidingsgebied worden. van groenknolorchis, akkerdoornzaad, dreps, roggelelie, (website: Verspreidingsatlas). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn verschillende planten waargenomen, zoals rododendron, bijvoet, Canadese fijnstraal, middelste teunisvoet, Amerikaans krentenboompje, lijsterbes, hulst, braam en brede stekelvaren. Ook zijn er meerdere boomsoorten aanwezig, voornamelijk zomereik, Amerikaanse eik, acacia, beuk en berk. Dennenorchis Dennenorchis komt voor in naaldbossen, waar de plant wortelt in halfverteerde naaldenstrooisel. Ondanks dat er wel naaldbomen in het plangebied aanwezig zijn, is er geen sprake van naaldbos. Op de ondergrond zijn dan ook weinig naalden van naaldbomen gezien. Dennenorchis is uitgesloten. Overige beschermde soorten Aanwezigheid van groenknolorchis, akkerdoornzaad, dreps, roggelelie is ook uitgesloten.
Deze planten komen voor in duinvalleien en trilvenen, op klei en lössgronden, open dijkhellingen en op winterrogge-, tarwe- en gerstakkers. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied. Broedvogels Bureauonderzoek Broedvogels (nest (nest In de omgeving van het plangebied zijn de volgende broedvogels (nest beschermd beschermd beschermd gedurende broedperiode): bonte vliegenvanger, boomklever, gedurende gedurende boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe broedperiode) kunnen broedperiode vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grote lijster, kleine binnen het ) bonte specht, koolmees, pimpelmees, raaf, torenvalk, zwarte kraai, zwarte plangebied broeden. mees en zwarte specht1 (website: NDFF). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn soorten waargenomen als de grote bonte specht en boomklever. Binnen het plangebied zijn veel bomen, struiken en
1 Deze soorten vallen grotendeels binnen de categorie 5 soorten van vogels zonder jaarrond beschermd nest: nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze nesten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
11 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Soortgroep
Broedvogels (nest jaarrond beschermd)
Grondgebonden zoogdieren
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat takkenhopen aanwezig waar broedvogels (soorten van bos en struweel) een nest in kunnen maken. In zowel de takkenhopen als in de bomen zijn geen nesten waargenomen ten tijde van het veldwerk. De kans dat er in het komende broedseizoen nieuwe nesten worden gebouwd is echter wel aanwezig. Bomen zijn gecontroleerd op boomholten die geschikt zijn voor vogels, dergelijke holtes zijn aangetroffen. Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn verschillende broedvogels (nest jaarrond beschermd) waargenomen, waaronder buizerd, gierzwaluw, huismus, havik, kerkuil, ransuil, sperwer en wespendief (website: NDFF). Veldbezoek Er zijn geen nesten of horsten waargenomen van broedvogels met jaarrond beschermd nest. Alle bomen en struiken zijn hiervoor bekeken. Roofvogels Tijdens het veldbezoek is een buizerd gehoord, maar deze heeft geen nest binnen het plangebied. De soort gebruikt het plangebied mogelijk om te foerageren. Aangezien geen horsten zijn waargenomen kunnen nesten van roofvogels als buizerd, havik, sperwer en wespendief binnen het plangebied uitgesloten worden. De soorten kunnen wel in de omgeving foerageren Gebouwbewonende soorten Nesten van huismus en gierzwaluw kunnen op voorhand al uitgesloten worden vanwege de beboste aard van het gebied. De soorten zijn gebouwbewonend.
Ook zijn er geen foeragerende huismussen waargenomen tijdens het veldbezoek. Uilen Ook voor de bosuil zijn geen geschikte nestholtes waargenomen (grote holtes in bomen). Nesten binnen het plangebied kunnen dus uitgesloten worden. De soort kan hier wel foerageren. Ransuil kan uitgesloten worden omdat de soort niet voorkomt in een aaneengesloten bos. Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn meerdere soorten beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, waaronder boommarter, das, eekhoorn, noordse woelmuis en waterspitsmuis (website: NDFF). Ook ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van de aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, wezel en woelrat (website: verspreidingsatlas). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn muizenholen waargenomen en gaten in de bodem die op het voorkomen van das kunnen duiden. Ook zijn er twee wissels waargenomen die erop duiden dat er routes van zoogdieren door het plangebied heen liggen. Welke soorten hier precies gebruik van maken is niet bekend. Algemeen voorkomende soorten Voor algemeen voorkomende soorten als verschillende muissoorten, egel, haas, konijn, ree vormen het plangebied en de omgeving geschikt habitat.
Het plangebied zelf bestaat uit bos, maar in de omgeving komen ook open (gras)velden voor en heidegebied. Door deze variatie aan landschappen kunnen de meeste van deze soorten (sporadisch) in het plangebied voorkomen (website: Zoogdiervereniging). Muizen verblijven binnen het plangebied en egel kan hier ook verblijfplaatsen hebben. Das Het voorkomen van de das binnen het plangebied is bekend (activiteitenplan Arcadis, 2012). De das is dan ook waargenomen in de omgeving van het plangebied. Het aanwezige habitat, met voldoende dekking, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze kunnen
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
Conclusie
Nesten van broedvogels (nest jaarrond beschermd) zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Broedvogels met jaarrond beschermd nest kunnen wel binnen het plangebied foerageren.
Algemene soorten kunnen binnen het plangebied verblijven en foerageren. Das komt binnen het plangebied voor maar heeft hier geen verblijfplaats. Kleine marters kunnen binnen het plangebied verblijven en foerageren, boommarter en eekhoorn gebruikt het gebied mogelijk alleen als foerageergebied. Noordse woelmuis en waterspitsmuis zijn uitgesloten.
12 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Soortgroep
Vleermuizen
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat graven is geschikt voor de das (website: Zoogdiervereniging). Er zijn geen burchten waargenomen, wat het gevolg zou kunnen zijn van de weg die door het plangebied loopt. Verderop in het bos is minder verstoring, dit gebied is dan ook interessanter voor de das om zijn burcht te bouwen. Het plangebied kan wel gebruikt worden als foerageergebied en wordt gebruikt om door te steken naar andere locaties. Kleine marters Voor hermelijn, bunzing en wezel vormt het gebied geschikt habitat. Vooral hermelijn komt vaak in bossen voor. De andere twee soorten hebben meer een voorkeur voor open, kleinschalige landschappen, maar komen in principe in veel verschillende landschappen voor, mits er voldoende voedsel en dekking is (website: Zoogdiervereniging). Dit is binnen het plangebied aanwezig. De open landschappen in de omgeving zullen echter interessanter zijn voor deze soorten. Boommarter kan binnen het plangebied voorkomen, maar zal hier geen verblijfplaats hebben. Er zijn geen holtes in bomen waargenomen die geschikt zijn voor deze soort. Steenmarter komt vaker voor in de buurt van dorpen en steden, in een kleinschalig landschap met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (website: Zoogdiervereniging).
Dit habitat is binnen het plangebied zelf niet aanwezig, maar vanwege de dorpen en kleinschaliger landschap in de omgeving is de soort niet uit te sluiten. In de bomen zullen geen nestplaatsen zijn, hier zijn geen geschikte holtes voor waargenomen. Wel kan de soort in takkenhopen een schuilplaats hebben. Eekhoorn Eekhoorn komt voor in bosgebieden en kan daarom ook binnen het plangebied voorkomen. Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen nesten waargenomen van de soort, waardoor verblijfplaatsen uitgesloten zijn. Wel kan de soort binnen het plangebied foerageren. Noordse woelmuis, waterspitsmuis Beide soorten zijn afhankelijk van natte gebieden of grotere watergangen, en leven bij voorkeur tussen grassen en bodem bedekkende vegetatie (website: Zoogdiervereniging). Dit habitat is binnen het plangebied niet aanwezig. Het betreft een relatief droog bos, en de watergang die aanwezig is, is niet schoon, heeft geen begroeide oevers en bevat weinig tot geen water. Beide soorten kunnen uitgesloten worden. Bureauonderzoek Volgens de NDFF is de gewone dwergvleermuis waargenomen in de omgeving van het plangebied (website: NDFF). Het plangebied ligt daarnaast binnen het verspreidingsgebied van baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis ruige dwergvleermuis en watervleermuis (website: verspreidingsatlas).
In eerder onderzoek binnen het plangebied en de omgeving in 2012 zijn vliegroutes en foerageergebied van ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger vastgesteld (Activiteitenplan FFwet N417, Arcadis 2012). Veldbezoek Door de aanwezige dekking van vegetatie binnen het plangebied wordt verwacht dat vleermuizen hier foerageren. Boombewonende soorten kunnen foerageren in het bos en vleermuizen die bij voorkeur in meer open gebieden foerageren hebben hier de mogelijkheid toe boven de autoweg. De bosranden zijn geschikt als vliegroute voor vleermuizen, omdat de randen een lang, lijnvormig landschapselement vormen waarlangs vleermuizen zich kunnen oriënteren. Veel bomen zijn dun en jong, daar worden over het algemeen geen verblijfplaatsen verwacht. Mogelijke (zomer- kraam- of paar) verblijfplaatsen zijn aanwezig in de bomen met holtes, scheuren, op
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
Conclusie
Het plangebied biedt voor vleermuizen mogelijkheden voor foerageergebied, vliegroute en verblijfplaatsen.
13 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Soortgroep
Reptielen
Amfibieën
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat locaties waar takken afgebroken zijn (knoesten) of tussen loshangend boomschors. • Veel bomen aan de noordelijke en zuidelijke zijde van het plangebied waren goed te inspecteren: hier zijn voornamelijk beuk, zomereik, Amerikaanse eik en den aangetroffen. Ook zijn enkele naaldbomen in het gebied aanwezig. Dit zijn vooral de bomen waarin geen holen, scheuren of andere ingangen in aanwezig zijn. • In enkele bomen zijn mogelijke boomholtes aangetroffen: deze zijn aanwezig in bomen met knoesten, op locaties waar takken in het verleden zijn afgebroken. Dit zijn mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. Deze locaties bevinden zich hoger in de boom, waardoor niet ter plaatse geïnspecteerd kon worden met de endoscoop. • In veel bomen zijn geen scheuren of holen aangetroffen, maar is wel loshangend boomschors gesignaleerd, ook dit zijn mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. • In het gedeelte in het midden van het plangebied zijn de te kappen bomen meer in het bos gelegen, en daardoor lastig te onderscheiden van de bomen die blijven staan. Dit vrij jonge bos in dit gebied bestaat uit veel dunne bomen, bomen met relatief veel klimop op de boomstam en dode bomen. Soorten die hier aangetroffen zijn, zijn veelal zomereik en naaldbomen, maar ook gegroepeerd douglas, berk en acacia.
In geen van de onderzochte bomen zijn vogelnesten, eekhoornnesten of holen waargenomen van een grootte waarin soorten als boommarter een nest kunnen hebben. • Zie bijlage B voor een overzicht van de bevindingen tijdens het veldbezoek. Bureauonderzoek Volgens de NDFF zijn in het plangebied en/of in de omgeving van het plangebied hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang waargenomen (website: NDFF). Daarbij ligt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van zandhagedis (website: RAVON). In eerder onderzoek in 2012 zijn binnen het plangebied levendbarende hagedis en hazelworm vastgesteld (Activiteitenplan FFwet N417, Arcadis 2012). Veldbezoek Hazelworm en levendbarende hagedis Hazelworm en levendbarende hagedis zijn in het plangebied en in de directe omgeving ervan waargenomen. Hazelwormen komen vaak voor in bossen en heide, en de levendbarende hagedis komt vaak voor in heidegebieden, ruige graslanden en wegbermen (website: RAVON). Ringslang en zandhagedis De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats, waterrijk habitat is niet te vinden in het plangebied. Het enige water wat binnen het plangebied aanwezig is, is een kleine watergang die deels droog staat. Wel zijn waterrijke gebieden aanwezig in de omgeving, waar de soort dan ook is waargenomen. De ringslang wordt binnen het plangebied zelf niet verwacht.
De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden (website: RAVON). Dit habitat is binnen het plangebied niet aanwezig, de soort wordt hier dan ook niet verwacht. Wel kan de soort in de heidegebieden in de omgeving voorkomen. Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn alpenwatersalamander, kamsalamander en rugstreeppad waargenomen (website: NDFF). Daarnaast ligt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, bastaardkikker, meerkikker en poelkikker (website: RAVON). Veldbezoek Algemeen voorkomende soorten Tijdens het veldbezoek is bruine kikker waargenomen. Deze soort, gewone pad en kleine watersalamander kunnen binnen het plangebied voorkomen en het water gebruiken als voortplantingshabitat. Zwaarder beschermde soorten
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
Conclusie
Hazelworm en levendbarende hagedis maken mogelijk gebruik van het plangebied, ringslang en zandhagedis kunnen uitgesloten worden.
Algemeen voorkomende soorten kunnen het plangebied gebruiken als voortplantingsgebied, zwaarder beschermde soorten zijn uitgesloten.
14 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Soortgroep
Vissen
Overige soorten
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat Voortplantingswater van zwaarder beschermde amfibieën (alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad) binnen het plangebied kunnen uitgesloten worden. De soorten komen voor in meer afgelegen, schoon water. Heikikker is daarbij een cultuurvliedende soort. Het enige water wat binnen het plangebied aanwezig is, is een kleine watergang met nauwelijks oeverbegroeiing, zonder schoon water, die deels droog staat. Het plangebied is wel binnen het bereik van de rugstreeppad, waardoor deze soort binnen het plangebied verwacht kan worden zodra werkzaamheden aan de gang zijn waarbij zanderig pioniershabitat gecreëerd wordt. Bureauonderzoek Er zijn geen beschermde vissen in de omgeving van het plangebied waargenomen. Wel ligt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper en de kwabaal (website: RAVON). Veldbezoek Beschermde vissen kunnen uitgesloten worden binnen het plangebied. De aanwezige watergang bevat slechts deels water en heeft geen goed begroeide oevers of onderwatervegetatie en bevat daarbij geen schoon water. Voor zowel de grote modderkruiper als de kwabaal is de watergang ongeschikt. Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied is de gevlekte witsnuitlibel waargenomen (website: NDFF).
Het plangebied ligt niet in het verspreidingsgebied van beschermde soorten (website: Vlinderstichting). Veldbezoek De gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (website: vlinderstichting). Dit habitat is binnen het plangebied niet aanwezig, waardoor de soort uitgesloten is. Omdat het gebied een productiebos betreft met weinig onder begroeiing of kruidenrijke bosranden worden er geen beschermde ongewervelden verwacht. Algemeen voorkomende ongewervelden komen mogelijk incidenteel voor.
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
Conclusie
Beschermde vissen kunnen uitgesloten worden.
Beschermde ongewervelden worden binnen het plangebied niet verwacht.
15 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
4
EFFECTBESCHRIJVING EN -TOETSING
4.1
Mogelijke effecten
In de onderstaande tabel is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten, op basis van de conclusie in het vorige hoofdstuk, een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen zoals beschreven in hoofdstuk 2. Tabel 2: Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden. Soortgroep Mogelijke effecten
Effect?
Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode)
Er wordt uitgegaan van het kappen van bomen en werkzaamheden aan de weg buiten het broedseizoen van vogels. Hierdoor kan een negatief effect op broedvogels zonder jaarrond beschermd nest voor deze werkzaamheden uitgesloten worden. Wanneer struiken en takkenhopen wel tijdens het broedseizoen verwijderd worden kunnen echter alsnog negatieve effecten optreden voor deze soortgroep.
Ja
Broedvogels (nest jaarrond beschermd)
Roofvogels, bosuil Tijdens de werkzaamheden kan het werkgebied en directe omgeving verstoord worden en deze worden dan tijdens het foerageren gemeden. Aangezien er in de omgeving meer dan voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is (ander bos en open land), is van verstoring geen sprake. De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van foerageergebied van broedvogels (nest jaarrond beschermd). Na het uitvoeren van de werkzaamheden is dit opnieuw geschikt.
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Algemeen voorkomende soorten De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van verblijfplaatsen bij alle werkzaamheden. Kleine marters Bij het uitvoeren van werkzaamheden in de kwetsbare periode van kleine marters, zoals de voortplantingsperiode, worden mogelijk aanwezige dieren verstoord. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden, verwijderen van takkenhopen of het kappen van bomen en struweel, wordt mogelijk leefgebied van kleine marters aangetast.
Ja
Grondgebonden zoogdieren: das boommarter en eekhoorn
Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden of het kappen van bomen en struweel, wordt mogelijk leefgebied van de das, boommarter of eekhoorn aangetast. Aangezien gehele bos en/of heidegebied in de omgeving geschikt (foerageer)habitat biedt, zal het plangebied voor alle drie de soorten geen essentieel leefgebied betreffen. Een negatief effect op deze soorten is daarmee uitgesloten.
Nee
Vleermuizen: Verblijfplaatsen
Bij het kappen van bomen met holten, scheuren of loshangend boomschors worden mogelijk geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen aangetast. Daarnaast worden mogelijk aanwezige dieren mogelijk verwond of gedood.
Ja
Vleermuizen: vliegroute en foerageergebied
Bij het kappen van bomen wordt de vliegroute voor vleermuizen niet aangetast. Het gaat slechts om enkele bomen binnen het bos, en enkele bomen aan de bosrand. Na de werkzaamheden is nog steeds een geschikte vliegroute voor vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zullen mogelijk tijdelijk de vliegroute vermijden tijdens werkzaamheden, maar kunnen dan gebruik maken van andere vliegroutes (bosranden) in de omgeving. Bij het uitvoeren van alle werkzaamheden na zonsondergang en voor zonsopkomst, is mogelijk sprake van verstoring van foeragerende vleermuizen. Daarnaast is het werkgebied tijdelijk minder geschikt als foerageergebied. Aangezien er in de omgeving meer dan voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is (andere delen bos en open gebieden naast bosranden), is van verlies van foerageergebied geen sprake. De werkzaamheden leiden ook niet tot permanente aantasting van foerageergebied van vleermuizen. Na het uitvoeren van de werkzaamheden is dit opnieuw geschikt.
Nee
Amfibieën
Algemeen voorkomende soorten De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van leefgebied bij alle werkzaamheden.
Ja
Reptielen
Levendbarende hagedis en hazelworm
Ja
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
16 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
De werkzaamheden leiden mogelijk tot aantasting van leefgebied en verwonden en doden van aanwezige individuen bij vrijwel alle werkzaamheden. Het gaat voornamelijk om het rijden over, of verwijderen van bodem, lage vegetatie, dood hout en bladeren.
4.2
Toetsing aan de Wnb
4.2.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
In onderstaande tabel is per soort(groep) opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3: Beschermingscategorie van de relevante soorten.
Beschermingscategorie Vogelrichtlijnsoorten Habitatrichtlijnsoorten Andere soorten zonder vrijstelling Andere soorten met vrijstelling
Soort/ soortgroep Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Vleermuizen Kleine marters (hermelijn, wezel, bunzing), hazelworm, levendbarende hagedis Algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën
Er geldt binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling voor de binnen het plangebied algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën, zie bijlage A. Deze zijn hieronder daarom niet meegenomen. Voor deze soorten geldt de zorgplicht, zie verder paragraaf 5.2.
4.2.2
Overtreding verbodsbepalingen
In de onderstaande tabellen is per soort(groep) op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Daarbij is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in het volgende hoofdstuk. Vogels (nest beschermd gedurende broedperiode) Tabel 4: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn.
Soort Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode)
Lid 1 X
Lid 2 X
Lid 3
Lid 4
Als gevolg van Kappen bomen en verwijderen struiken en takkenhopen binnen het broedseizoen.
Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding.
Vleermuizen Tabel 5: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn.
Soort Vleermuizen
Lid 1|5 X
Lid 2 x
Lid 3
Lid 4 x
Als gevolg van Kap van bomen
Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Grondgebonden zoogdieren en reptielen Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
17 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Tabel 6: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van andere soorten.
Soort Kleine marters (hermelijn, wezel, bunzing) Hazelworm
a x
b x
x
x
Levendbarende hagedis
x
x
c
Als gevolg van Uitvoeren van graafwerkzaamheden, verwijderen van takkenhopen of het kappen van bomen en struweel Alle werkzaamheden, voornamelijk bij het rijden over of verwijderen van bodem, lage vegetatie, dood hout en bladeren. Alle werkzaamheden, voornamelijk bij het rijden over of verwijderen van bodem, lage vegetatie, dood hout en bladeren.
Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
18 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
5
VERVOLGSTAPPEN
5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de benodigde vervolgstappen beschreven. Het gaat hierbij om mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden, aanvullend soortgericht onderzoek en zorgplichtmaatregelen. Uit het soortgericht onderzoek kunnen aanvullende mitigerende maatregelen volgen en/of advies voor een ontheffingsaanvraag.
5.2
Soortgericht onderzoek
Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde (soort)groepen niet worden uitgesloten. Omdat in geval van aanwezigheid van deze soorten bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van deze soorten. Pas dan kan beoordeeld worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Het soortgericht veldonderzoek dient als volgt uitgevoerd te worden: •
Kleine marters: met losse cameravallen in combinatie met cameravallen in marterkisten (bijvoorbeeld Mostela) kunnen zowel de kleinste marterachtigen (wezel en hermelijn) als grotere marters (bunzing en steenmarter) onderzocht worden. Met cameravallen kan goed in beeld gebracht worden of de soorten gebruik maken van potentiële verblijfplaatsen (takkenhopen). De cameravallen dienen daarom in of nabij een takkenhoop geplaatst te worden. Het aantal camera vallen dient nader bepaald te worden. De perioden voor het plaatsen van cameravallen zijn minimaal zes weken in de meest actieve periode van marters (maart tot en met augustus) of buiten het actieve seizoen minimaal twaalf weken (Handreiking wezel, hermelijn en bunzing beschermd in Noord-Holland, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord en Handreiking Kleine marters in relatie tot soortbescherming, Provincie Noord-Brabant, 2017).
•
Vleermuizen: Het endoscopisch onderzoek van de aanwezige potentiele verblijfplaatsen kon geen vleermuisverblijven uitsluiten. Dit heeft vooral te maken met het type potentiele verblijfplaats. Er zijn geen grote holtes aangetroffen waar grote kraamverblijven verwacht worden, maar wel kleinere holtes in knoesten en loshangend boomschors. Dergelijke holtes kunnen dienen als een zomerverblijfplaats of paarverblijfplaats maar ook voor kleine kraamverblijfplaatsen kunnen deze functioneel zijn. Dit betekent dat er slechts één of enkele vleermuizen mogelijk tijdelijk in deze locaties aanwezig zijn. Een endoscopisch onderzoek geeft in dit geval een tijdsopname van het gebruik van een potentiele verblijfplaats: dat er op dat specifieke moment geen vleermuizen of uitwerpselen in aanwezig zijn, zegt niet dat de locatie niet dient als verblijfplaats op een ander moment in het seizoen. Geadviseerd wordt daarom om alsnog onderzoek uit te voeren in het vleermuisseizoen om vast te stellen hoe vleermuizen de bomen in het gebied gebruiken.
•
Om vleermuizen te inventariseren dient gedurende twee perioden in het jaar in totaal vijf bezoeken gebracht te worden waarin met behulp van een batdetector geluisterd en bekeken wordt waar vleermuizen zich in het gebied ophouden en welke functie deze mogelijke verblijfplaatsen hebben. De eerste drie bezoeken vinden plaats in de zogenaamde kraamperiode, welke plaatsvindt tussen 15 mei en 15 juli, waarvan één bezoek in de ochtend plaatsvindt, en twee bezoeken in de avond met een tussenperiode van minimaal 30 dagen. De overige twee bezoeken vinden plaats in het najaar (de paarperiode) tussen 15 augustus en 1 oktober in de avond, met een tussenperiode van minimaal 20 dagen (Vleermuisprotocol, 2017). Het aantal personen wat benodigd is per veldbezoek wordt nog nader bepaald.
•
Hazelworm: hazelworm wordt geïnventariseerd door een combinatie van het leggen van platen en route lopen. De meest geschikte periode hiervoor is half april tot eind mei en augustus tot en met september. Juni en juli zijn minder optimaal maar kunnen in principe wel. Er dienen drie veldbezoeken gebracht te worden waarvan minimaal twee in de meest optimale periode, een met minimaal een maand tijd tussen het eerste en laatste veldbezoek. Ook moeten de platen een maand voor het eerste bezoek uitgelegd worden, zodat de hazelwormen hieraan kunnen wennen (Soortinventarisatieprotocol, 2017).
•
Levendbarende hagedis: Levendbarende hagedis wordt geïnventariseerd middels drie veldbezoeken in de maanden april en mei of meer veldbezoeken wanneer in de periode juni tot september
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
19 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
geïnventariseerd wordt. De soort wordt vastgesteld door zichtwaarnemingen waarbij in het bijzonder gelet wordt op kansrijke treflocaties (BIJ12 kennisdocument Levendbarende hagedis, 2017).
5.3
Mitigerende maatregelen
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Voor broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden in het geval dat er alsnog struiken en takkenhopen verwijderd dienen te worden: • •
Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Een ontheffing wordt niet afgegeven: voorgenoemde maatregel moet genomen worden.
Rugstreeppad Voor de rugstreeppad dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden om toekomstige vestiging te voorkomen, daarbij kan gedacht worden aan maatregelen als deze: • •
Voorkom dat nieuw geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaat tijdens de werkzaamheden. Voorkom de aanwezigheid van open zand en tijdelijk water. Plaats tijdens de werkzaamheden een amfibieënraster om eventuele zandhopen om te voorkomen dat het terrein gekoloniseerd wordt door rugstreeppad.
Zorgplicht – alle dieren en planten De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: •
Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de watergang of autoweg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet het water ingejaagd of op de autoweg gejaagd.
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
20 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
6
CONCLUSIE
Binnen het plangebied komen (mogelijk) beschermde soorten voor. Het gaat om algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (verschillende muissoorten en haas) en amfibieën (bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander), broedvogels waarvan het nest gedurende de broedperiode beschermd is (zoals grote bonte specht, boomklever, zwarte kraai, pimpelmees en koolmees), vleermuizen (baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis ruige dwergvleermuis en watervleermuis ), kleine marterachtigen (hermelijn, wezel en bunzing), hazelworm en levendbarende hagedis. Als gevolg van de werkzaamheden zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten niet uitgesloten en worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Met inachtneming van de maatregelen zoals beschreven in paragraaf 5.2, wordt het overtreden van verbodsbepalingen in het kader van de Wnb voor algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën en broedvogels waarvan het nest durende de broedperiode beschermd is voorkomen. Het is voor deze soorten dan niet nodig soortgericht onderzoek uit te voeren en een ontheffing aan te vragen. Door het treffen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op vleermuizen, kleine marterachtigen, hazelworm en levendbarende hagedis niet op voorhand worden uitgesloten.
Voor deze soort(groepen)en dient daarom wel nader onderzoek uitgevoerd te worden om de functie van het plangebied voor deze soorten in kaart te brengen. Dit onderzoek staat toegelicht in paragraaf 5.1. De wettelijke vervolgstappen voor deze soorten zal moeten blijken uit de resultaten van het onderzoek.
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
21 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
BIJLAGE A WETTELIJK KADER SOORTENBESCHERMING WET NATUURBESCHERMING Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven, het onderdeel Soortbescherming. De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3). Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • • •
Soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1) Soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2) Andere soorten (Wnb paragraaf 3.3)
Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • •
bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5)
Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
22 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a.
een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van LNV het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.
De provincie NoordHolland heeft een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten; • •
Zoogdieren: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat Amfibieën: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de
Onze referentie: D10000070:26 - Datum: 11 november 2019
23 van 29
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOORTEN
gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3.
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of in het algemeen belang.