Huydecopersweg 'Tussen de lanen'_Bijlagen bij Toelichting
Tekst van het document
Huydecopersweg 'Tussen de lanen' NL.IMRO.0402.01bp15huydecoper-va01
Gemeente Hilversum Afdeling Beleidsontw ikkeling, team Advies
Inhoudsopgave
Bijlagen bij Toelichting
3
Bijlage 1
Quickscan Flora en Fauna
4
Bijlage 2
Bodemonderzoek
35
Bijlage 3
Geohydrologisch advies
65
Bijlage 4
Onderzoek Stikstof
95
Bijlage 5
Aerius
120
Bijlage 6
Vormvrije mer-beoordeling
130
vastgesteld bestemmingsplan Huydecopersw eg 'Tussen de lanen' team Advies
2
Bijlagen bij T oelichting
vastgesteld bestemmingsplan Huydecopersw eg 'Tussen de lanen' team Advies
3
Bijlage 1 Quickscan Flora en Fauna
vastgesteld bestemmingsplan Huydecopersw eg 'Tussen de lanen' team Advies
4
Quickscan flora en fauna Plan Huydecopersweg te Hilversum Rapportnummer 20-0436
www.starobv.nl
Quickscan flora en fauna
Plan Huydecopseweg te Hilversum 25 maart 2021 Definitief
Rapportnummer:
P20-0436
Opdrachtgever:
Gemeente Hilversum
Uitgevoerd door:
Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 fax. 0492-450162 www.starobv.nl
Veldonderzoek:
I. Lustenhouwer
Auteur:
S. van Lierop
Kwaliteitscontrole: M. Dekker en I. Vleut
Inhoud Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ................................................................................................................................ 3 1.2 Doel ......................................................................................................................................... 3 1.3 Geldigheid onderzoek.............................................................................................................. 3 1.4 Zorgplicht ................................................................................................................................. 4 1.5 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4 2 Plangebied ...................................................................................................................................... 5 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ......................................................................................... 5 2.2 Voorgenomen plannen ............................................................................................................
8 3 Methode ......................................................................................................................................... 10 4 Natuurwaarden ............................................................................................................................. 11 4.1 Beschermde gebieden........................................................................................................... 11 4.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 13 4.2.1 Flora................................................................................................................................... 13 4.2.2 Vlinders en libellen ............................................................................................................ 13 4.2.3 Kevers en weekdieren ....................................................................................................... 14 4.2.4 Vissen ................................................................................................................................ 15 4.2.5 Amfibieën en reptielen .......................................................................................................
15 4.2.6 Vogels ................................................................................................................................ 17 4.2.7 Zoogdieren......................................................................................................................... 18 5 Conclusies .................................................................................................................................... 22 5.1 Beschermde gebieden........................................................................................................... 22 5.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 22 5.3 Advies en aanbevelingen ...................................................................................................... 23 5.4 Gevolgen voor (het tijdpad van) de voorgenomen plannen .................................................. 24 Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 25 1
Bijlagen Bijlage 1
Wet- en regelgeving
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De gemeente Hilversum voert het Project Huydecopersweg uit. Als uitvloeisel van de A27-verbreding zijn delen van de snelweg verwijderd. De Gemeente Hilversum wil een bestemmingsplanwijziging doorvoeren voormalige delen van de snelweg veranderen van ‘verkeer’ naar ‘natuur’. Onderliggend rapport dient mede als onderbouwing van het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast wil de gemeente Hilversum binnen deze gebieden gronden vergraven en poelen aanleggen. Tevens wil de gemeente Hilversum een persleiding middels een gestuurde boring aanleggen om het overtollige hemelwater van Hilversum-Oost naar de waterbekkens Huydecopersweg te transporteren Aan de westzijde wil de gemeente Hilversum een fietstunnel aanleggen onder de spoorlijn. In 2018 is een quickscan flora en fauna en aanvullende onderzoeken naar vogels, zoogdieren en vleermuizen uitgevoerd (3Angle 2018a, 3Angle 2018b, Vleut 2018)). Ten behoeve van deze planologische procedure en voorgenomen plannen is een actualisatie van de quickscan flora en fauna noodzakelijk, omdat de waarnemingen van strikt beschermde soorten slechts 3 tot 5 jaar geldig blijven.
1.2
Doel Het doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek stelt de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming vast. Tevens beoordelen we op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van de resultaten kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen ontwikkelingen effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden.
1.3
Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
3
de gegevens recenter zijn.”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.
1.4
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook de niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode besproken. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies, adviezen en vervolgstappen uiteengezet.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
4
2
Plangebied
2.1
Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt ten zuidoosten van Hilversum en ligt ingeklemd tussen de A27 aan de oostkant, en spoorlijn Utrecht – Hilversum aan de westkant. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de aansluiting tot afslag 33 van de A27. Aan de zuidzijde ligt de grens bij de spoortunnel (zie figuur 1 en 2). Het plangebied is een heidegebied begroeid door dennen, zomereiken- en berkenbossen en struweel. Door het verwijderen van de op- en afrit naar de snelweg is er op het voormalige A27-tracé een zandvlakte ontstaan. Het plangebied wordt ontsloten aan de noordzijde door middel van een fietstunnel. Aan de zuidwestzijde van het plangebied wordt het gebied ontsloten via een viaduct. Zie voor een impressie van het plangebied foto 1-6.
Figuur 1: Globale ligging van het plangebied (rode cirkel) (bron: PDOK)
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
5
Figuur 2. Ligging van het plangebied (groene vlak) met aan de noordwest kant de beoogde persleiding
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
6
Foto 1. Grove dennen en berken in het plangebied
Foto 2. Zandvlakte op het voormalige A27-tracé
Foto 3. Heidegebied binnen het plangebied
Foto 4. Roofvogelhorst binnen het plangebied
Foto 5. Heide in het plangebied
Foto 6. Deel voormalig tracé A27
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
7
2.2
Voorgenomen plannen De gemeente Hilversum is voornemens om een aantal handelingen uit te voeren:
Het in het bestemmingsplan wijzigen van de gronden op het voormalige A27-tracé met de bestemming ‘verkeer’ naar ‘natuur’.
Het vergraven en inrichten van de huidige zandvlaktes (oude af- en oprit snelweg) als nieuwe poelen/oppervlaktewateren en bosaanplant (zie figuur 3).
Aanleg van een fietstunnel onder de spoorlijn ter vervanging van de huidige onbewaakte spoorwegovergang.
Aanleg van een persleiding (gestuurde boring) tussen de waterberging en het gemaal Diependaal.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
8
Figuur 3: Voorgenomen inrichtingsplan met in de rode cirkel de locatie van de nieuw aan te leggen fietstunnel
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
9
3
Methode
In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige habitats zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van beschermde soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021 in de middag onder de volgende weersomstandigheden: zwaar bewolkt, droog, windkracht 2 en circa 5 ˚C.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
10
4
Natuurwaarden
4.1
Beschermde gebieden Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 4,8 kilometer afstand ten westen van het plangebied ligt, zie figuur 4. Dit betreft het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.
Figuur 4: Ligging plangebied (in rode cirkel) ten opzichte van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (in groen Habitat- en Vogelrichtlijn, in blauw Vogelrichtlijn) (bron: AERIUS)
Effectbeoordeling Doordat het projectgebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebied als gevolg van effecten door verdroging, versnippering en verstoring door licht, geluid en trilling door de werkzaamheden. Als gevolg van de graafwerkzaamheden in het plangebied zal sprake zijn van stikstofemissie. Depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden kan negatieve effecten tot gevolg hebben op de natuurwaarden. De verwachting is dat uitvoering van de voorgenomen plannen niet leidt tot negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUS-berekening. De resultaten van de berekening moeten vervolgens ecologisch worden beoordeeld om te toetsen of sprake is van (significant) negatieve effecten.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
11
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland.
Figuur 5. Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het NNN (bron: Provincie Noord-Holland)
Uit de kaart op de website van de provincie Noord-Holland blijkt dat het plangebied omgeven wordt door het NNN en deels in het NNN ligt. Het betreft het NNN-gebied Gooi Midden en Zuid met als kernkwaliteit Stuwwal met afwisselend bos-, heide- en vennenlandschap. De ligging van het NNN ten opzichte van het plangebied is weergegeven in figuur 5 en 6.
Figuur 6. Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het NNN (bron: Provincie Noord-Holland) Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
12
Effectbeoordeling Het plangebied ligt voor een klein deel in het NNN, verder is het omsloten door het NNN. Uitvoering van voorgenomen plan heeft geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden. Mogelijk dat tijdens uitvoering van de werkzaamheden tijdelijke negatieve effecten optreden ten gevolge van geluid en licht door externe werking. Mitigerende maatregelen Negatieve effecten ten gevolge van licht zijn te voorkomen door te werken bij daglicht en geen gebruik te maken van kunstlicht.
4.2
Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is.
4.2.1
Flora Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat binnen 1 kilometer van het plangebied de Karthuizer anjer (§3.3 Wnb) is waargenomen. Kartuizer anjer is een zeer zeldzame plant die verspreid over Nederland voorkomt. De plant groeit op zonnige plaatsen op droge, vaak kalkhoudende grond in schrale graslanden, in bossages langs bermen en dijken, en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Het plangebied bestaat uit droge dennen, zomereiken- en berkenbossen, onderbroken door heidevegetaties en open zand. In het plangebied zijn geen kalkhoudende habitats aanwezig. Voor de Karthuizer anjer zijn daardoor geen geschikte habitats aanwezig. Een significant negatief effect op de Karthuizer anjer door uitvoering van voorgenomen plannen is niet aan de orde. Hetzelfde geldt voor de overige beschermde plantensoorten.
4.2.2
Vlinders en libellen Vlinders Uit gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat op een afstand tot 1 kilometer van het plangebied grote vos en kleine ijsvogelvlinder zijn waargenomen (alle §3.3 Wnb).
Grote vos is een zeldzame en kwetsbare soort die voorkomt in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplanten van deze soort zijn vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
13
Kleine ijsvogelvlinder is een kwetsbare standvlinder die in het zuidwesten van Nederland voorkomt in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. De waardplanten van deze soort is wilde kamperfoelie; soms rode kamperfoelie of gecultiveerde kamperfoelie. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vlindersoorten waargenomen. In het plangebied ontbreekt het aan relatief vochtige omstandigheden waar de waardplanten van voornoemde soorten voorkomen. Deze beschermde vlinders worden hierdoor niet in het plangebied verwacht. Significant negatieve effecten op beschermde vlindersoorten door de uitvoering van voorgenomen plannen, zijn daarmee niet aan de orde. Libellen Uit de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat binnen een afstand van één kilometer van het plangebied de gevlekte witsnuitlibel (§3.2 Wnb) is waargenomen. Binnen 5 kilometer van het plangebied zijn de groene glazenmaker en sierlijke witsnuitlibel (§3.2 Wnb) aangetroffen. Binnen het plangebied is geen permanent oppervlaktewater aanwezig en daardoor ontbreekt het aan geschikt voortplantingshabitat voor libellen. Landen overwinteringshabitat voor de gevlekte witsnuitlibel en groene glazenmaker ontbreekt eveneens. Deze soorten zijn buiten de voortplantingsperiode gebonden aan laagveenvegetaties. Laagveenvegetaties zijn in het plangebied niet aanwezig.
De Nederlandse gevlekte witsnuitlibelpopulatie is gebonden aan noord Nederland, namelijk de Weerribben/Wieden. Ondanks dat de soort een goede zwerver is, wordt het duurzaam voorkomen van de soort in het plangebied niet verwacht. Significant negatieve effecten op deze soorten door uitvoering van voorgenomen plannen zijn hierdoor uit te sluiten.
4.2.3
Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF en EIS Nederland komen geen beschermde kevers en weekdieren voor in de directe omgeving van het plangebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend, daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het plangebied kunnen voorkomen.
Vliegend hert (§3.3 Wnb) komt voor in (oude) eikenbossen, dit habitat is
binnen het plangebied niet aanwezig. Het voorkomen van deze soort in het plangebied is uit te sluiten. De beschermde houtkevers; vermiljoenkever, heldenbok en juchtleerkever (alle §3.2 Wnb) zijn afhankelijk van oude, holle of vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. Deze habitattypen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van deze beschermde houtkevers in het plangebied kan daarom worden uitgesloten.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
14
De beschermde waterkevers brede geelrandwaterroofkever
en gestreepte waterroofkever (beide §3.2 Wnb) zijn voor het voorkomen afhankelijk van grote wateren. Het ontbreekt binnen het plangebied aan permanent oppervlaktewater en daarom is het voorkomen van beschermde waterkevers in het plangebied uitgesloten. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§3.2 Wnb) is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse stroommossel (§3.2 Wnb) is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Deze soort is al 50 jaar niet meer waargenomen in Nederland. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van platte schijfhoren en Bataafse stroommossel uitgesloten.
In het plangebied ontbreken geschikte habitats voor de beschermde soorten kevers en weekdieren. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten.
4.2.4
Vissen Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater is het voorkomen van (beschermde) vissoorten in het plangebied uit te sluiten.
4.2.5
Amfibieën en reptielen Amfibieën Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen 2,5 kilometer afstand van het plangebied kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad (§3.2 Wnb), alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (§3.3 Wnb) zijn waargenomen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en daardoor ontbreekt het aan voortplantingshabitat voor amfibieën. Het dichtstbijzijnde geschikte voortplantingshabitat voor amfibieën ligt hemelsbreed 250 meter aan de oostkant van de snelweg A27. Zuidwestelijk op drie tot vier kilometer afstand is geschikt voortplantingshabitat aanwezig in de vorm van poldersloten in de Westbroekse Zodden. Het plangebied is wel geschikt als land- en overwinteringshabitat voor algemene en niet-kritische soorten. Bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen zich verschuilen tussen de vegetatie. Rugstreeppad kan nieuwe, geschikte gebieden (binnen vier kilometer afstand) gemakkelijk koloniseren. Losliggende zandhopen en ondiepe plassen in terreinen bieden geschikt leefgebied voor rugstreeppadden. Deze habitats zijn in het plangebied aanwezig op de locatie waar het wegdek is verwijderd.
Vanwege de afstand tussen geschikte voortplantingshabitats en het plangebied met tussenliggende barrières en geschikt land- en overwinteringshabitat, is de aanwezigheid van rugstreeppad uit te sluiten in het plangebied. Alpenwatersalamander kan afstanden van 400
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
15
meter tussen land/overwinteringshabitat en overwinteringshabitat afleggen. Binnen 400 meter zijn geen geschikte voortplantingshabitats aanwezig. Het dichtstbijzijnde mogelijke voortplantingswater is het Hilversums Wasmeer. Hoewel dit meer op 250 afstand van het plangebied ligt, vormt de A27 een ondoordringbare barrière tussen het meer en het plangebied. Voor amfibieën in dit meer is het plangebied niet bereikbaar. Voor de bastaardkikker, kamsalamander, poelkikker en overige amfibieënsoorten ontbreekt geschikt land- en overwinteringshabitat. Deze soorten blijven ook buiten hun voortplantingsperiode gebonden aan waterrijke omstandigheden (zoals laagveenmoerassen). Effectbeoordeling Door uitvoering van voorgenomen plannen gaat mogelijk land- en overwinteringsgebied van algemene en niet-kritische amfibieën verloren en worden tijdens werkzaamheden mogelijk individuen verstoord en gedood. Na uitvoering van de werkzaamheden blijft echter voldoende land- en overwinteringshabitat aanwezig. Tevens ontstaat door uitvoering van voorgenomen plannen nieuw voortplantingshabitat in de poelen. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen sporen van reptielen waargenomen.
Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat op een afstand van tot 2,5 kilometer van het plangebied zandhagedis (§3.2 Wnb), hazelworm, levendbarende hagedis, en ringslang (§3.3 Wnb) zijn waargenomen. Het ontbreekt binnen het plangebied aan waterrijke laagveenmoerassen. Geschikt habitat voor de ringslang is daarmee niet aan de orde. Ook is er geen vochtige heide aanwezig, waardoor het plangebied niet geschikt is voor levendbarende hagedis. Zandhagedis en hazelworm gebruiken open, warme plekjes op de overgangen van open lage vegetatie, lage struikjes en bos om te zonnen, te jagen en voor beschutting. Deze habitats zijn aanwezig in het plangebied, maar daar vinden geen werkzaamheden plaats. Effectbeoordeling Door uitvoering van voorgenomen plannen op de zandvlaktes gaat geen geschikt habitat voor zandhagedis en hazelworm verloren en worden geen individuen geschaad. Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden op de zandvlaktes, zodat geen vernietiging plaats vindt van geschikt leefgebied van zandhagedis en hazelworm. Mitigerende maatregelen Bij het uitvoeren van voorgenomen plannen wordt mogelijk land- en overwinteringshabitat van algemene en niet-kritische amfibieën vernietigd. Individuen kunnen worden verstoord of gedood.
Voor algemene en nietkritische amfibieën geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
16
deze soorten hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht. Door werkzaamheden, rijbewegingen of plaatsing van materiaal buiten de zandvlaktes gaat mogelijk een deel van het leefgebied van zandhagedis en hazelworm verloren en mogelijk worden individuen verstoord en gedood. Door werkzaamheden, rijbewegingen en plaatsing van materiaal te concentreren op de zandvlaktes, worden negatieve effecten op zandhagedis en hazelworm en hun leefgebied voorkomen. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd middels een Ecologisch Werkprotocol en ecologische begeleiding tijdens uitvoering van de werkzaamheden.
4.2.6
Vogels Tijdens het veldbezoek zijn geen vogelsoorten in het plangebied waargenomen. In het centrum plangebied is een horst aangetroffen. Tijdens het veldbezoek is niet duidelijk geworden door welke soort de horst gebruikt wordt. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn waargenomen binnen 5 kilometer van het plangebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief (alle §3.1 Wnb). In het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Binnen het plangebied zijn grote bomen aangetroffen. In deze bomen kunnen eksters en kraaien een nest bouwen. Deze nesten kunnen door de ransuil en boomvalk worden gekraakt. Buizerd, havik, sperwer en wespendief kunnen zelfstandig een nest bouwen binnen het plangebied. De overige jaarrond beschermde soorten bouwen geen nesten binnen het plangebied, omdat het juiste habitat ontbreekt. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemene vogels. De struiken in het plangebied bieden nestmogelijkheden voor algemene vogels. Ook voornoemde jaarrond beschermde soorten (op grote gele kwikstaart, huismus en ooievaar na) kunnen in het plangebied foerageren.
Effectbeoordeling De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebied van vogels. Tijdens de werkzaamheden kan het plangebied tijdelijk minder geschikt zijn als foerageergebied voor algemene vogelsoorten en de buizerd, sperwer of wespendief door geluids- en trillingsoverlast. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig tijdens de werkzaamheden. Tevens is het plangebied na het realiseren van de plannen weer geschikt als foerageergebied.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
17
Binnen het plangebied wordt geen vegetatie verwijderd en blijven mogelijk aanwezige nesten intact. Echter kunnen bij de uitvoering van de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord. In gebruik zijnde nesten zijn altijd strikt beschermd. Uitvoering van voorgenomen plannen heeft mogelijk een negatief effect op een broedvogel met een jaarrond beschermd nest door verstoring. Tijdens de broedperiode zijn roofvogels zoals buizerd, sperwer en wespendief verstoringsgevoelig. Door werkzaamheden in de broedperiode uit te voeren (tussen februari en september) wordt mogelijk de horst verlaten door verstoring. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Mitigerende maatregelen Uitvoering van voorgenomen plannen dienen te worden uitgevoerd buiten de broedperiode van algemeen voorkomende vogels en wanneer geen broedgeval aanwezig is. Het broedseizoen van algemeen voorkomende vogels loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Ook buiten deze periode kunnen broedvogels aanwezig zijn. Bij het uitvoeren van voorgenomen werkzaamheden in de broedperiode van buizerd, sperwer of wespendief (tussen februari en september), wordt de horst mogelijk verlaten als gevolg van verstoring.
Uitvoering van de werkzaamheden dient plaats te vinden tussen augustus en februari, wanneer roofvogels met jaarrond beschermde nesten geen gebruik maken hun nest.
4.2.7
Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) en gegevens van de NDFF blijkt dat de soorten franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb) voorkomen binnen 5 kilometer van het plangebied. In 2018 is er onderzoek gedaan (Vleut 2018) naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen. Hieruit bleek dat het plangebied gebruikt wordt door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, baard/brandts vleermuis en vermoedelijk tweekleurige vleermuis (§3.2 Wnb). Daarnaast is beoordeeld dat er:
3 foerageergebieden voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger
aanwezig waren 1 foerageergebied voor de ruige dwergvleermuis aanwezig was 1 foerageergebied voor de rosse vleermuis aanwezig was 1 essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig was
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
18
Tijdens het veldbezoek zijn er twee bomen met holtes en twee bomen met losse schors zijn aangetroffen in het noordelijk deel van het plangebied. Overige zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen van zoogdieren geregistreerd. Wel zijn er wissels bij de tunnel aan de noordoostzijde van het plangebied, en in het centrum van het plangebied gevonden. Ook zijn er sporen van wilde zwijnen aangetroffen nabij de tunnel in noordoosten van het plangebied. Verder is het bekend dat er dassenburchten aanwezig zijn in het noordoostelijke deel van het plangebied. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende soorten zijn waargenomen: algemene spits, woel- en ware muizensoorten, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree en vos (alle §3.3 Wnb). Op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied zijn bunzing, das, wezel en wild zwijn waargenomen (alle §3.3 Wnb). Op een afstand van twee tot vijf kilometer van het plangebied zijn damhert, hermelijn, steenmarter (alle §3.3 Wnb), bever en wolf (beide §3.2 Wnb) waargenomen. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de algemene en ware muizensoorten. Voor de eekhoorn zijn er grote bomen beschikbaar om een nest te bouwen. Voor egel, damhert en ree biedt het plangebied een geschikte afwisseling van bosgebieden en open vegetaties.
Vossen gebruiken zeer uiteenlopende habitats als leefgebied. Het habitat in het plangebied voldoet aan de eisen van de vos. Konijn kan de bosgebieden aan de noordwestzijde van het plangebied gebruiken als deel van zijn leefgebied. Hier heeft deze soort de mogelijkheid graslanden ten noordwesten van het plangebied te benutten. Van het wild zwijn zijn sporen aangetroffen binnen het plangebied. Deze soort komt hier dus voor. Wezel, bunzing, hermelijn en steenmarter gebruiken brede ruigtestroken als migratieroute. Deze zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Deze soorten kunnen in het plangebied worden uitgesloten. Wolven leggen grote afstanden af per dag, waardoor de aanwezigheid van de soort in het plangebied niet uit te sluiten valt. Bevers benutten rivieren en beekjes. Deze zijn in het plangebied niet aanwezig. Hazen gebruiken opener gebieden van grotere omvang dan de habitats die in het plangebied aanwezig zijn. Effectbeoordeling Vleermuizen Bij de uitvoering van de voorgenomen plannen worden geen bomen gekapt. Verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen ondervinden geen negatieve effecten ten gevolge van voorgenomen plannen. Mogelijk leiden de werkzaamheden tijdelijk tot minder geschikt foerageergebied. In de directe omgeving is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig.
Uitvoering van werkzaamheden zonder daglicht of bij kunstlicht heeft mogelijk negatieve effecten op het foeragerende vleermuizen en eventuele vliegroutes. Uitvoering van de voorgenomen plannen leidt niet tot negatieve effecten op vleermuizen, indien bij daglicht gewerkt wordt.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
19
Overige zoogdieren Mogelijk dat door uitvoering van voorgenomen plannen het leefgebied van algemene en ware muizen vernietigd wordt en individuen verstoord of gedood worden. Omdat geen bomen gekapt worden verdwijnen geen nestplaatsen van eekhoorn. Uitvoering van voorgenomen plannen hebben geen negatieve effecten op eekhoorn. Voor egel, damhert en ree wordt mogelijk door uitvoering van voorgenomen plannen het foerageergebied tijdelijk minder geschikt. In de omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. De voorgenomen plannen hebben geen negatieve effecten op egel, damhert en ree. Het plangebied is geschikt leefgebied voor vos. Door uitvoerig van voorgenomen plannen wordt het leefgebied voor vos tijdelijk minder geschikt. In de omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Uitvoering van voorgenomen hebben geen negatieve effecten op het leefgebied van vos. Konijn komt in het noordwestelijk gedeelte van het plangebied voor. In dit gedeelte van het plangebied vinden geen werkzaamheden plaats. Uitvoering van de voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op konijn. Het plangebied is onderdeel van het leefgebied van wild zwijn. Door uitvoering van voorgenomenplannen wordt een deel van het leefgebied tijdelijk minder geschikt. In de omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig.
Uitvoering van de voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op wild zwijn. Mogelijk wordt het plangebied doorkruist door wolf. Door uitvoering van de voorgenomen plannen wordt het plangebied tijdelijk minder geschikt. In de omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig. Uitvoering van voorgenomen hebben geen negatief effect op wolf. Door uitvoering van de voorgenomen plannen wordt mogelijk vaste voortplantings- en rustplaatsen van das verstoord. Beschadigen, vernielen of verstoren van voortplantings- en rustplaatsen zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming. De voortplantings- en rustplaatsen van das bevinden zich in het noordoostelijk gedeelte van het plangebied. In dit gedeelte van het plangebied vinden geen werkzaamheden plaats. Mitigerende maatregelen Voor vleermuizen dient niet in de avond en bij kunstlicht gewerkt te worden. Voor algemene en ware muizensoorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Bij uitvoering van voorgenomen plannen dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Voor das dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare periode (tussen begin juli tot december).
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een inventarisatie uitgevoerd te worden naar de locaties van vaste voortplantings- en rustplaatsen en migratieroutes. Deze locaties worden in het veld gemarkeerd zodat deze niet onverhoopt vernietigd of beschadigd worden. Deze werkwijze wordt verder uitgeschreven en
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
20
onderbouwd in een Ecologisch Werkprotocol. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecoloog.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
21
5
Conclusies
5.1
Beschermde gebieden Het plangebied wordt omgeven door het NNN en ligt op 4,8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie door uitvoering van werkzaamheden zijn enkel uit te sluiten middels een AERIUS-berekening. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN ten gevolge van externe werking door licht zijn te voorkomen door te werken bij daglicht en geen gebruik te maken van kunstlicht. Door externe werking van geluid treden tijdens uitvoering van de werkzaamheden tijdelijk negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
5.2
Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.4 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Indien de horst, centraal in het plangebied, gebruikt wordt door buizerd, sperwer of wespendief (of mogelijk een andere vogelsoort met een jaarrond beschermd nest) kan deze verlaten worden door verstoring wanneer werkzaamheden uitgevoerd worden in de periode februari tot augustus. Nesten van algemene broedvogels kunnen mogelijk worden verstoord door uitvoering van de werkzaamheden. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Door uitvoering van voorgenomen plannen op de zandvlaktes gaat geen geschikt habitat voor zandhagedis verloren en worden geen individuen geschaad. Uitvoering van werkzaamheden op tijdstippen zonder daglicht en bij gebruik van kunstlicht kunnen verstorende negatieve effecten hebben op foeragerende vleermuizen en het functioneren van vliegroutes.
Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Door uitvoering van voorgenomen plannen gaat mogelijk land- en overwinteringsgebied van algemene en niet-kritische amfibieën verloren en worden tijdens werkzaamheden mogelijk individuen verstoord en gedood. Door uitvoering van voorgenomen plannen op de zandvlaktes gaat geen geschikt habitat voor hazelworm verloren en worden geen individuen geschaad. Mogelijk dat door uitvoering van voorgenomen plannen het leefgebied van algemene en ware muizen vernietigd wordt en individuen verstoord of gedood worden. Uitvoering van voorgenomen plannen hebben mogelijk negatieve effecten op het functioneel leefgebied en voortplantings- en rustplaatsen van das door vernieling en verstoring.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
22
Tabel 1. Mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied Soort(groep)
Bescherming
Functie
Mogelijk
Ontheffing
plangebied
effect
nodig
Maatregelen Werken buiten
Vogels
§3.1 Wnb
Nee, mits
(nest niet
maatregelen
jaarrond
Nestgelegenheid
Ja
beschermd)
worden uitgevoerd
de broedperiode en wanneer geen broedgeval aanwezig is
Nee, mits
§3.1 Wnb Vogels
(nest jaarrond
Nestgelegenheid
Ja
beschermd) Algemeen voorkomende
§3.3 Wnb
Werken buiten
worden
broedperiode
uitgevoerd Land- en
amfibieën
maatregelen
overwinterings-
Nee, Ja
habitat
algehele
-
vrijstelling Werkzaamhed Nee, mits
Zandhagedis en
§3.2 Wnb en
hazelworm
§3.3 Wnb
Leefgebied
Ja
maatregelen worden uitgevoerd
en, rijbewegingen en plaatsing van materiaal alleen op de zandvlaktes
Algemene spits-, woel- en ware
Nee, §3.3 Wnb
Verblijfplaatsen
Ja
muizen
algehele
Nee, mits Das
§3.3 Wnb
Voortplantingsen rustplaatsen
Ja
maatregelen worden uitgevoerd
5.3
-
vrijstelling Markeren locaties en ontzien tijdens werkzaamhed en
Advies en aanbevelingen Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming leiden als voldaan wordt aan de volgende maatregelen: Uitsluiten van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie middels een AERIUS-berekening. Werken bij daglicht en geen gebruik maken van kunstlicht. Werkzaamheden uitvoeren buiten de broedvogelperiode (tussen juli en maart). Werkzaamheden uitvoeren tussen september en februari om verstoring van de centraal in het plangebied gelegen horst te vermijden. Voorafgaand aan de werkzaamheden de horst controleren op aanwezigheid en gebruik.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
23
5.4
Werkzaamheden uitvoeren buiten de overwinteringsperiode van rugstreeppad. Alleen werkzaamheden, rijbewegingen en plaatsing materiaal uitvoeren op de zandvlaktes ter voorkoming van vernietiging van leefgebied en individuen van zandhagedis en hazelworm. Voorafgaand aan de werkzaamheden een check uitvoeren naar voortplantings- en rustplaatsen en migratieroutes van das. Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode van das (tussen juli en december). Om het verwonden van dieren te voorkomen één kant op werken, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. De Algemene zorgplicht geldt altijd. Vóór het uitvoeren van de werkzaamheden dient een Ecologische Werkprotocol opgesteld te worden en de werkzaamheden worden begeleid door een ecoloog.
Gevolgen voor (het tijdpad van) de voorgenomen plannen In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de kwetsbare periodes van de mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied. Hierbij wordt uitgegaan dat werkzaamheden, rijbewegingen en plaatsing van materiaal enkel plaats vinden op de zandvlaktes. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden de locaties van voortplantings- en rustplaatsen van das gemarkeerd in het veld. Tevens dienen werkzaamheden uitgevoerd te worden volgens een begeleidend Ecologisch Werkprotocol.
Tabel 2. Overzicht van kwetsbare periodes (rood) van mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied
jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
Sep
okt
nov
dec
Algemeen voorkomende broedvogels Vogels met jaarrond beschermd nest Zandhagedis en hazelworm Das
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
24
Geraadpleegde bronnen
Literatuur
3Angle, 2018a. Quickscan flora en fauna Plan Huydecopersweg. 3Angle. Rapportnummer
3ANGLE-RAP-11-293. 3Angle, 2018b. Memo bevindingen nader onderzoek vogels en zoogdieren Plan Huydecoperweg. 3Angle. Kenmerk 3ANGLE-MEM-27558. Blab J. 1986. Biologie Okologie und Schutz von Amphibien. Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bouwens, S. Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging - rapport 2017.32. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging - rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt.
Versie 1.3 december 2016. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Vleut. I. 2018. Resultaten onderzoek vleermuizen. Huydecopersweg te Hilversum. Staro Natuur en Buitengebied. Projectnummer P18-0253
Internet
Natura 2000-gebieden, kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan, 04-01-2021 Natuurnetwerk Nederland, kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan, 04-01-2021 NDFF - 19-01-2021 12:46:56 www.eis-nederland.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
25
Bijlage 1 Wet- en regelgeving
Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2.
Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
26
Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)
Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)
Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te
natuurlijke verspreidingsgebied
doden of te vangen
vangen
opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
vernielen of te beschadigen, of nesten
van dieren te beschadigen of te
van dieren opzettelijk te beschadigen
van vogels weg te nemen
vernielen
of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en
Het is verboden eieren van dieren in
deze onder zich te hebben
de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
-
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun
Het is verboden plantensoorten in hun
natuurlijke verspreidingsgebied
natuurlijke verspreidingsgebied
opzettelijk te plukken en te
opzettelijk te plukken en te
verzamelen, af te snijden, te
verzamelen, af te snijden, te
ontwortelen of te vernielen
ontwortelen of te vernielen
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.
Natura 2000 (bron: Rijksoverheid) In 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet biedt een beschermingskader voor de flora en fauna binnen de aangewezen beschermde gebieden, de zogenaamde Natura 2000gebieden en bijzondere nationale gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
27
zonder vergunning. Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt met de habitattoets. De habitattoets bestaat uit drie onderdelen: oriëntatiefase (en vooroverleg); verslechterings- en verstoringstoets; passende beoordeling. De oriëntatiefase maakt geen deel uit van de in de wet geregelde procedures. In de praktijk is deze stap nodig. Gezamenlijk met het bevoegd gezag wordt bepaald of goedkeuring van het plan nodig is en welke verdere procedure doorlopen moet worden. Afhankelijk van de kans en omvang van de effecten op een Natura 2000-gebied bestaat de vervolgprocedure uit het uitvoeren van een verslechterings- en verstoringstoets, een passende beoordeling of geen enkele toetsing. Indien er geen kans is op negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is geen goedkeuring voor de plannen of het project nodig. Als uit de oriëntatiefase is gebleken dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd.
Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan de volgende criteria worden voldaan: er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied; er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang; er is voorzien in compenserende maatregelen. Alléén als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend. Indien uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is op (niet-significante) negatieve effecten, dient een verslechterings- en verstoringstoets te worden uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt bepaald: of deze kans reëel is en of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is.
Natuurnetwerk Nederland / Ecologische hoofdstructuur (bron: Rijksoverheid) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het doel van het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur is om de EHS als netwerk van natuurgebieden te beschermen tegen negatieve effecten van ruimtelijke ingrepen. Dat betekent niet dat ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid, verboden zijn. Door het doorlopen van het afwegingskader wordt vastgesteld of, en zo ja, onder welke voorwaarden een ontwikkeling in de Ecologische Hoofdstructuur kan worden toegelaten. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur vindt plaats door het nee-tenzij-regime uit de Nota Ruimte. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de EHS in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
28
De beleidsmatige basis voor het afwegingskader voor de Ecologische Hoofdstructuur is de Nota Ruimte. Daarnaast hebben Rijk en provincies een beleidskader Spelregels EHS opgesteld. Het beleidskader geeft een uitwerking, verduidelijking en aanscherping van de verschillende onderdelen van het afwegingskader. De provincies laten de inhoud van de Spelregels EHS doorwerken in het provinciaal ruimtelijk beleid. De bescherming van de EHS gebeurt via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. Het beschermingsregime is onder de Wro door het Rijk vastgelegd in de AMvB Ruimte en werkt via provinciale verordeningen.
Quickscan flora en fauna, Plan Huydecopseweg te Hilversum, Maart 2021
29
Bijlage 2 Bodemonderzoek
vastgesteld bestemmingsplan Huydecopersw eg 'Tussen de lanen' team Advies
35
Bodemonderzoek in potentieel relevante gebieden bij aansluiting op A27
Onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat (Opdrachtnummer 4300014637) J. Sevink R. Bronkhorst
20 september 2018 Sevink Consultancy, Baarn
De bodem van het plangebied Huydecopersweg, aansluiting op A27 J. Sevink R. Bronkhorst 6 september 2018 1. Inleiding Dit rapport betreft de resultaten van een bodemonderzoek van het plangebied Huydecopersweg, aansluiting op A27, uitgevoerd in augustus 2018 in opdracht van Rijkswaterstaat. Centrale vragen bij dit onderzoek waren wat de oorspronkelijke bodem van dit gebied was, tot welke diepte deze bodem verstoord was en, bij verstoring, de kenmerken van deze verstoring. De begrenzing van het onderzochte gebied werd afgestemd op de verschillende scenario’s voor de in het plangebied aan te leggen calamiteitsberging, als weergegeven in figuur 1. Een groot deel van het onderzochte gebied valt binnen het provinciale aardkundig monument ‘Stuwwalgebieden van het Gooi’ (AW69). Het plangebied ligt binnen het tracé van ‘Het Tienhovens kanaal’, een in de 19e eeuw gestarte poging tot aanleg van een kanaal van Utrecht naar de Zuiderzee, via een aansluiting op de Eem. In het Hilversumse stuwwalgebied is deze poging jammerlijk mislukt, waarna de zandgronden binnen het tracé ten zuiden van Hilversum grotendeels zijn ontgonnen ten behoeve van de landbouw. De geschiedenis is te volgen aan de hand van de topografische kaarten, gepresenteerd in figuur 2.
Uit de kaarten komt het beeld naar voren van een complexe percelering en landbouwkundig gebruik, hetgeen bevestigd wordt door documenten over deze geschiedenis, gepubliceerd door Meyer (1980). Enige aanvullende boringen zijn uitgevoerd in aangrenzend gebied met als doel om vast te stellen of ook buiten het plangebied sprake was van ontginning, vergraving en verstoring van de bodem. Ook in binnen het tracé gelegen percelen, die in het zuiden en het noorden grenzen aan het plangebied, zijn enige aanvullende boringen verricht. De bodem is primair onderzocht middels met de hand uitgevoerde boringen. Daarnaast zijn waarnemingen verricht in wanden, ontstaan bij de werkzaamheden voor het verwijderen van de bestaande aansluitingswegen op de A27. Deze wanden gaven een goed beeld van de bodemopbouw en voorkomende verstoringen. Eerder waren door Heijmans grondboringen uitgevoerd, die echter niet meer dan informatie over humusgehalte, textuur en diepte tot grondwater gaven. Bovendien lijkt geen informatie beschikbaar te zijn over de hoogteligging van het maaiveld ter plekke van deze boringen. In dit rapport wordt eerst onder 2) achtergrondinformatie gegeven over de bestaande kennis van de geologie en bodem in het plangebied. Er zijn oude kaarten en enige publicaties met informatie over het plangebied. Deze worden besproken onder 3).
De onderzoeksopzet en gehanteerde methoden worden besproken onder 4), gevolgd door de presentatie van de resultaten (5). Het rapport wordt afgesloten met conclusies ten aanzien van de centrale onderzoeksvragen (6). In een bijlage worden enige opmerkingen gemaakt over hydrologische aspecten van het gebied, die zijn gebaseerd op een interpretatie van de bodemfysische / hydrologische kenmerken van de onderzochte bodems, alsook van de gegevens over de grondwaterstanden in het gebied op basis van peilbuisgegevens en waarnemingen van Heijmans. Deze opmerkingen vallen buiten de onderzoeksopdracht. 2
Figuur 1: Varianten van de geplande calamiteitenberging (a, b en c) en satellietbeeld van het plangebied (d). 3
2. Bestaande kennis van geologie en bodem van het plangebied Bronnen van informatie over de ondergrond, waarin relevante gegevens over het plangebied te vinden zijn, zijn het PDOK (https://pdokviewer.pdok.nl) en Dinoloket (https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen-betaversie). Veel globalere informatie is te vinden in diverse vakpublicaties (zie bijv. de 1:50.000 bodemkaart, blad 32W), maar deze zijn vanwege hun algemene karakter voor het onderzoek van het plangebied niet relevant. Geologische informatie is te vinden in het Dinoloket, waarin boorgegevens zijn opgeslagen. Uit de schaarse boringen in het plangebied blijkt dat de bovenzijde van het sedimentpakket bestaat uit eolische zanden (dekzand) en het gestuwde preglaciaal pas op grotere diepte (meerdere meters) voorkomt. De ondiepe zanden worden in het zuidwesten gekarakteriseerd als fijn zandig, meer naar het noorden als matig grof. Deze textuur is kenmerkend voor dekzanden, waarbij de oude dekzanden veelal enigszins fijner en lemiger zijn. Geomorfologisch behoort het gebied tot de gordeldekzandwelvingen, geheel in lijn met de aard van de ondergrond (dekzand). Door Heijmans verrichte boringen (voor hun locatie, zie figuur 4 en voor de beschrijvingen appendix 2) sluiten qua aard van de ondergrond zeer goed aan op de gegevens uit Dinoloket en PDOK.