CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Collegebrief inzake Koers Tomingroep 2022 - 2025

GEMEENTERAAD 15 september 2021, gemeente HilversumBij agendapunt: Ingekomen stukken - Rubriek 022.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

G EMEENTE HILVERSUM POSTBUS 9900 1201 GM HILVERSUM BEZOEKADRES:

Aan de gemeenteraad Cc College van B&W Cc Pers

RAADHUIS DUDOKPARK 1 TELE FOONNUMMER: 14 0 35 WWW.HILVERSUM.NL

1 juli 2021 781816 BEHANDELD DOOR W.K.J. van den Berg TELEFOON (035) 629 2456 BIJLAGEN 1 BETREFT Koers Tomingroep 2022 - 2025 DATUM

ZAAKNUMMER

Geachte raads- en commissieleden, Op 2 juni 2021 hebben wij u, middels een collegebrief (zaaknummer 764569) kort geïnformeerd over de laatste stand van zaken inzake de ontwikkeling van een toekomstscenario voor het Werkvoorzieningsschap Tomingroep (hierna: het Schap of Tomin). U heeft in deze collegebrief kunnen lezen dat het algemeen bestuur (AB) van Tomin op 17 mei 2021 een koersbesluit heeft genomen voor de periode 2022-2025. De gekozen koers houdt in dat Tomin zich in die periode gaat doorontwikkelen tot werkleerbedrijf. Er geldt een minimale stijging van de financiële bijdrage vanuit Hilversum, maar dit past binnen de huidige financiële kaders van de raad. Het AB besluit heeft dan ook geen gevolgen voor de begroting en de zienswijze van de raad op de jaarstukken van Tomin over 2020. Wij hebben u in dezelfde brief laten weten u zo spoedig mogelijk uitgebreider te informeren. Middels deze aanvullende collegebrief gaan we dieper in op het genomen koersbesluit, wat daaraan voorafging en hoe we nu verder gaan. Het ontwikkelen van een toekomstscenario in fases In de loop van de zomer van 2019 bleek dat de BV voor het eerst in 25 jaar zou afstevenen op een financieel nadeel van ongeveer € 2,5 mln. Een analyse wees uit dat er aan het financiële nadeel zowel incidentele als structurele oorzaken ten grondslag lagen.

Voorbeelden van incidentele oorzaken waren hoge kostenposten zoals de inhuur van uitzendkrachten en een hoog ziekteverzuim. Een belangrijke structurele oorzaak bleek gelegen in het feit dat het in dienst nemen van medewerkers vanuit de bijstand met loonkostensubsidie voor Tomin verliesgevend is. Het algemeen bestuur (AB) van Tomin wil de werkplekken voor huidige en toekomstige medewerkers met een arbeidsbeperking veiligstellen. Daarom heeft het AB naar aanleiding van de financiële tekorten in de zomer van 2020 opdracht gegeven om een toekomstscenario te ontwikkelen voor Tomin en de uitvoering van de Participatiewet door de deelnemende gemeenten. Het AB heeft hiertoe een stuur- en projectgroep ingericht. De projectgroep kreeg de opdracht om fasegewijs een toekomstscenario te ontwikkelen. De ontwikkeling van het toekomstscenario bestaat uit drie fases, namelijk: 1. Koersbepaling voor de Tomin in de periode 2022 – 2025. 1

2. Opstellen bedrijfsplan 2022 – 2025. 3. Vertaling van het bedrijfsplan in uitvoeringsplannen. Nu fase 1 op 17 mei 2021 is afgerond, start fase 2. De verwachting is dat fase 2, dat wil zeggen het opstellen van een bedrijfsplan, in het najaar kan worden afgerond. De laatste maanden van 2021 zullen vervolgens worden gebruikt om het bedrijfsplan nader uit te werken in uitvoeringsplannen. Het algemeen bestuur beoogt de uitvoeringsplannen en daarmee fase 3 voor 1-1-2022 klaar te hebben, zodat Tomin in 2022 van start kan gaan als werkleerbedrijf. Noodzaak tot heroriëntatie Om de koers voor Tomin te kunnen bepalen heeft de projectgroep allereerst een analyse uitgevoerd om de oorzaken van de huidige tekorten vast te kunnen stellen. De analyse wees het volgende uit: 1. De uitvoering van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en Participatiewet is structureel verliesgevend voor Tomin. 2. Het structurele verlies blijkt niet goed gemaakt te kunnen worden door vrijblijvende afspraken over instroom van medewerkers uit de Participatiewet en het organiseren van re-integratieopdrachten. 3. Bij een ongewijzigde koers van Tomin is er sprake van permanente krimp, permanent verlies (bedrijfsresultaat, frictiekosten) en daardoor permanente onrust voor de kwetsbare doelgroepen. 4.

Hoewel de Sociale Werkvoorziening als zodanig uit gefaseerd wordt, wordt de groep inwoners met een arbeidsbeperking steeds groter. Uiteindelijk twee keer zo groot. De behoefte aan een duurzame toekomstbestendige werk-/ontwikkelvoorziening wordt daarmee ook groter. Het is de bedoeling deze groep zo regulier mogelijk te plaatsen, maar een voorziening zoals Tomin die biedt blijft nodig. 5. Gemeenten moeten meer doen met minder. Gemeenten ontvangen voor een inwoner met WSWindicatie ongeveer 25.000 euro vanuit het Rijk. Sinds 1 januari 2015 vallen inwoners met een arbeidsbeperking die op dat moment al onder de WSW vielen onder de werkingssfeer van de Participatiewet. Voor hen ontvangen gemeenten slechts 15.000 euro. Bovenstaande vaststellingen heeft het algemeen bestuur doen concluderen dat het noodzakelijk is om te komen tot een heroriëntatie en een te formuleren toekomstscenario. Opdracht aan Tomin: doorontwikkeling tot een werkleerbedrijf Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het algemeen bestuur bij het uitwerken van een toekomstscenario was het borgen van kwalitatief goede werkplekken voor SW-medewerkers en andere medewerkers met een arbeidsbeperking. Sinds 1 januari 2015 vallen de (meeste) inwoners met een arbeidsbeperking niet langer meer onder de WSW of Wajong, maar onder de Participatiewet.

Dit betekent dat de groep van ongeveer 300 SW-medewerkers niet meer groter wordt. Alleen maar kleiner. Tegelijkertijd groeit de groep met een arbeidsbeperking in de Participatiewet. Per saldo, zoals blijkt uit onderstaande figuur, zal de groep waar de gemeente, sinds de invoering van de Participatiewet, verantwoordelijk voor is geworden, groter worden. De gemeente is namelijk niet alleen verantwoordelijk voor de groep die voorheen de SW instroomde, maar ook voor de groep die voorheen onder de Wajong en de uitvoeringsverantwoordelijkheid van het UWV viel.

2

Het Rijk gaat ervan uit dat gemeenten zich zoveel mogelijk inzetten om inwoners met een arbeidsbeperking te ondersteunen bij het vinden van werk bij reguliere werkgevers. Gemeenten en hun SW-organisaties kunnen hierbij gebruik maken van instrumenten, zoals loonkostensubsidie (LKS) en jobcoaching. Voor een deel lukt het gemeenten om inwoners met een arbeidsbeperking te plaatsen bij reguliere werkgevers binnen markt en overheid. De verplichting die geldt vanuit de zogenaamde Banenafspraak helpt hierbij. Werkgevers met meer dan 25 medewerkers zijn vanuit de Banenafspraak verplicht om naar rato een aantal medewerkers met een arbeidsbeperking in dienst te hebben. Een ander deel van de inwoners blijft (tijdelijk) aangewezen op een werkplek, zoals Tomin die organiseert. Dit heeft onder andere te maken met de extra begeleiding die Tomin kan bieden en de aard van de werkzaamheden die Tomin biedt. Het algemeen bestuur vraagt Tomin nu om door te groeien tot een werkleerbedrijf waarbinnen medewerkers zich zo goed mogelijk doorontwikkelen zodat zij op de best passende en best renderende werkplek terecht komen. Voor wie dat kan, is dat een plek op de reguliere arbeidsmarkt. Voor wie dat niet, nog niet of niet meer kan, is dat een plek onder leiding van Tomin, waarbij nog steeds geldt dat de best passende en best renderende plek wordt gezocht.

De doorontwikkeling van medewerkers kan gefaseerd plaatsvinden, waarbij medewerkers zich vanuit een veilige werkplek binnen de muren van Tomin kunnen door ontwikkelen tot medewerkers die gedetacheerd kunnen worden bij reguliere werkgevers en uiteindelijk de overstap kunnen maken naar een reguliere werkgever. Tomin is daarmee niet langer alleen een aanbieder van werkplekken op werksoorten zoals het verpakken van producten of het uitvoeren van groen werkzaamheden, maar tevens een werkleerbedrijf. De nieuwe opdracht aan Tomin beperkt zich niet alleen tot het organiseren van tijdelijke werkplekken. Tomin krijgt namelijk ook opdracht om specifieke werkleertrajecten te ontwikkelen voor bijstandsgerechtigden om hen ‘bemiddelbaar’ te maken. Inwoners zijn ‘bemiddelbaar’ zodra zij beschikken over basale werknemersvaardigheden en geen – of beheersbare – problemen hebben op bepaalde leefgebieden (gezondheid, financiën, huisvesting). Bij ‘werknemersvaardigheden’ kan gedacht worden aan werkmotivatie, zelfstandigheid, flexibiliteit, resultaatgerichtheid, zorgvuldigheid, plannen en organiseren, punctualiteit, opvolgen van instructies en procedures, samenwerken en overleggen, sociale vaardigheden, klantgerichtheid, communicatie in het Nederlands en initiatief. Andere scenario’s De projectgroep heeft ook andere scenario’s onderzocht.

Zo is een variant onderzocht waarin gemeenten geen nieuwe inwoners met een arbeidsbeperking plaatsen bij Tomin. Tomin zou dan langzaam afgebouwd worden. Het AB is tot de conclusie gekomen dat dit onwenselijk is, omdat er wel behoefte is aan arbeids(ontwikkel)plekken, zoals Tomin die organiseert. Bovendien zou er een situatie ontstaan, waarin er voortdurend sprake is van krimpkosten. Kosten die niet ten goede komen van inwoners met een arbeidsbeperking.

3

Verder is er een scenario onderzocht, waarbij gemeenten zoveel mogelijk inwoners met een arbeidsbeperking plaatsen bij Tomin. Het AB heeft besloten om ook niet voor deze variant te kiezen, omdat niet iedere inwoner met een arbeidsbeperking gebaat is bij een door Tomin georganiseerde werkplek. Hoewel niet iedereen, kunnen inwoners met arbeidsbeperking vaak ook terecht op de reguliere arbeidsmarkt. In de bijlage vindt u het eindrapport van de studie naar de verschillende scenario’s en kunt u meer lezen over de afwegingen die zijn gemaakt. Minimale financiële consequenties Het algemeen bestuur van Tomin onderkent de waarde van de voorzieningen die Tomin biedt. Om die voorzieningen te borgen heeft er ook een financiële analyse en doorrekening plaatsgevonden om op basis van de behoeften en mogelijkheden vanuit gemeenten te bepalen voor hoeveel inwoners Tomin plek zou moeten bieden. Op basis van deze analyse en doorrekening heeft het algemeen bestuur de directie van Tomin als uitgangspunt mee gegeven dat het totaal aan aantal werkplekken en leerwerktrajecten in de periode 2022 – 2025 gelijk dient te blijven. Aangezien het aantal SW-medewerkers de komende jaren blijft teruglopen (zie voorgaande figuur), betekent dit dat er de komende jaren nieuwe instroom blijft plaatsvinden vanuit de Participatiewet.

Krimpkosten worden zo voorkomen en er blijven nieuwe voorzieningen beschikbaar voor gemeenten bij Tomin. Voor Hilversum betekent dit dat er de komende jaren plek is voor rond de 250 fte1. Er geldt een minimale stijging van de bijdrage vanuit Hilversum, maar dit kan ondervangen worden binnen de huidige meerjarenbegroting vanuit Rijksubsidie WSW en het participatiebudget. Hoe verder? De projectgroep gaat, nog steeds onder projectleiding van Berenschot, fase 2 in en stelt een bedrijfsplan op. In dit bedrijfsplan worden vraagstukken over inhoud van de dienstverlening en bedrijfsvoering van Tomin verder uitgewerkt. De planning is dat het bedrijfsplan in het najaar wordt vastgesteld door het algemeen bestuur van Tomin. Na de zomer verwachten we u te kunnen informeren over de contouren van het bedrijfsplan. Hiertoe sturen wij u een nieuwe collegebrief en zullen in afstemming met Tomin en de overige GR leden informatiebijeenkomsten organiseren voor raadsleden. We nodigen u uit om, tijdens de informatiebijeenkomsten uw wensen, en bedenkingen mee te geven ten aanzien van de wijze waarop we het koersdocument hebben laten terugkomen in de contouren van het bedrijfsplan. De opbrengsten van deze informatiebijeenkomsten zullen worden verzameld en aan u teruggekoppeld worden. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Hilversum, de gemeentesecretaris,

de burgemeester,

W. Groot, ls.

Ch. B. Aptroot, wnd

1

Eerder genoemde figuur laat hogere aantallen zien, omdat er uit gegaan wordt van unieke personen en niet fte.

4

a.

Regionale samenwerking sociaal domein Tomingroep

Businessplan

Onderzoek in opdracht van het bestuur

64048 – Openbaar 17 mei 2021

1

64048 – Openbaar

Regionale samenwerking sociaal domein Tomingroep Onderzoek in opdracht van het bestuur

Martin Heekelaar (Berenschot) Arjan Verweij (Almere) Christine Hoogenkamp (Tomin) Daphne Willems (HBEL) Frank de Groot (Gooise Meren) Ronald van Drogenbroek (Tomin) Wouter van den Berg (Hilversum) 17 mei 2021

64048 – Openbaar

2

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

5.

Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Te beantwoorden vragen

4

1.3

Randvoorwaarden

5

1.4

Uitgangspunten

5

1.5

Gefaseerde aanpak: Berenschot Ruitmodel

5

1.3

Projectorganisatie

6

1.4

Stapsgewijze aanpak in de strategiefase

7

1.6

Leeswijzer

8

De opgave van gemeenten

9

2.2

Uitdaging gemeenten

10

2.3

Hoe doen gemeenten het?

11

2.4

Ontwikkeling bij sw-bedrijven

12

2.5

Financiën

13

2.6

Resultaten Tomingroep

15

2.7

Weesp

15

2.8

Toekomstige ontwikkelingen

16

2.9

Wat heeft vijf jaar Participatiewet ons geleerd?

17

Waarom Tomin?

18

3.1

De mensen

18

3.2

Tomins strategie

21

3.3

Maatschappelijke kosten en baten van werk

23

3.4

Aan de slag met loonkostensubsidie bij reguliere werkgever

23

3.5

Aan de slag met loonkostensubsidie bij Tomin

24

Uitvoeringsscenario’s

26

4.1

Uitgangspunten voor de te ontwikkelen scenario’s

26

4.2

Doelgroepen

26

4.3

Wsw-bedrijf

27

4.4

Bedrijf voor beschutte arbeid

27

4.5

Werkleerbedrijf

28

4.6

Breed participatiebedrijf

28

4.7

Gecombineerd bedrijf voor W&I

28

4.8

Weging van de uitvoeringsscenario’s

28

Uitwerking voorkeursscenario

30

5.1

Inleiding

30

5.2

Taakinhoud

30

5.3

Positionering van Tomingroep

31

5.4

Negen opties

32

5.5

Ontwikkelrichting

32

5.6

Gemeentelijke verhouding

34

5.7

Financiële gevolgen

35

64048 – Openbaar

3

5.8

Financiering

36

5.9

Randvoorwaardelijke afspraken

36

6.

5.10 Risico’s

37

5.11 Weging van de verschillende opties

37

5.12 Vervolg

38

Conclusies en advies

39

6.1

Conclusies

39

6.2

Advies

40

Bijlage: Criteria werksoorten

41

Bijlage: Rijksbudgetten Wsw en Participatiewet

43

Bijlage: Verwachte aantallen en bedragen per gemeente

47

64048 – Openbaar

4

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Tomingroep gaat door een uitdagende fase. Vanaf 2019 is de exploitatie van Tomingroep voor het eerst sinds vele jaren negatief. Geconstateerd is dat de huidige bestuursopdracht financieel gezien niet kostendekkend uitvoerbaar is. In 2020 heeft het bestuur dan ook besloten tot een onderzoek naar en uitwerking van toekomstscenario’s voor de samenwerking in het sociaal domein en de rol van Tomingroep daarin. Aan het eind van zomer 2019 werd duidelijk dat Tomin BV voor het eerst in 25 jaar zou afstevenen op een tekort. Directie, Raad van Commissarissen en Algemeen Bestuur hebben geconstateerd dat de strategie volgens bestuursopdracht 2018-2021 niet tot de gewenste resultaten gaat leiden. Op 6 november 2019 besloot het AB daarom tijdens een heidag om een verkenning uit te laten voeren naar verschillende toekomstscenario’s voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en verschillende onderdelen van de Participatiewet. Vertrekpunt van de verkenning moest zijn hoe de deelnemende gemeenten wensen samen te werken in het sociaal domein, welke verschillende vormen van samenwerking daarbij mogelijk zijn en de rol die de Tomingroep daarin zou kunnen spelen.

Op 9 december 2019 heeft een expertmeeting plaatsgevonden tussen beleidsadviseurs van enkele deelnemende gemeenten, de directeur van Tomin en enkele externe deskundigen (Berenschot, Iroko, Radar Advies) op het gebied van doorontwikkeling van SW-bedrijven. Hierbij werd een vijftal mogelijke toekomstscenario’s in beeld gebracht bij wijze van eerste verkenning. Op 25 juni 2020 zijn deze vijf mogelijke toekomstscenario’s1 voorgelegd aan het AB. Het AB heeft toen besloten om twee scenario’s verder te laten uitwerken in een businesscase waarin zowel financiële als maatschappelijke effecten worden beschreven alsook een impactanalyse van de te nemen stappen daartoe. De op te leveren businesscase is bedoeld om het AB in staat te stellen om in een later stadium strategische (lange-termijn) besluiten te nemen op het gebied van gemeentelijke samenwerking binnen het sociaal domein in het algemeen en de rol die de Tomingroep daarin kan innemen in het bijzonder. Primair uitgangspunt daarbij blijft om zo goed (en betaalbaar) mogelijk uitvoering te geven aan de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Voor u ligt de nadere uitwerking van deze opdracht, waarin gemeenten en Tomingroep, onder leiding van een externe projectleider hebben toewerkt naar één toekomstvariant waar draagvlak voor bestaat bij de deelnemende gemeenten.

Deze voorkeursvariant en het proces hoe daartoe is gekomen, zijn uitgewerkt en onderbouwd in deze rapportage. De rapportage bevat tevens het plan van aanpak en planning voor het vervolg.

1.2

Te beantwoorden vragen

In de businesscase moeten in ieder geval de volgende vragen worden beantwoord: 1.

Op welke wijze willen de deelnemende gemeenten samenwerken bij de uitvoering van hun arbeidsmarktbeleid voor mensen met een (tijdelijke of blijvende) afstand tot de arbeidsmarkt en welke rol moet de Tomingroep daarin spelen? De continuïteit van uitvoering van de Wsw, die gezien de teruglopende rijkssubsidie onder financiële druk staat, vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt.

2.

Is doorontwikkeling van de huidige sociale werkvoorziening (Tomingroep) richting een arbeidsontwikkelbedrijf dat zowel de SW- als Participatiewettaken uitvoert, gewenst, gezien het antwoord op vraag 1?

64048 – Openbaar

3.

5

In welke vorm (o.a. governance) is samenwerking tussen de deelnemende gemeentes van de huidige Gemeenschappelijke Regeling daarbij het meest passend?

1.3 Randvoorwaarden De businesscase moet voldoen aan de volgende randvoorwaarden: •

De businesscase moet volledig en ter zake kundig zijn. Alle relevante informatie vanuit het bedrijf en de samenwerkingspartners in de GR moet worden ingebracht.

•

De businesscase moet gevalideerd zijn: de cijfers, berekeningen en uitwerkingen van het scenario zijn objectief en verifieerbaar.

•

De businesscase moet realistisch zijn en kunnen worden uitgewerkt tot een model dat na de relevante besluitvorming kan worden geïmplementeerd.

•

Bij het uitwerken en verantwoorden van de businesscase moet elke schijn van belangenverstrengeling of bevooroordeeldheid worden voorkomen.

1.4 Uitgangspunten De volgende uitgangspunten dienen te worden gehanteerd: •

De oplossing voor de Tomingroep is passend bij de uitvoering van de Participatiewet, zoals gewenst door de (individuele) gemeenten in de regio.

•

De gekozen oplossing voldoet aan de eisen van doelmatigheid en effectiviteit.

•

De uitkomst biedt meerjarig waarborgen voor de financiële inpasbaarheid binnen de gemeentelijke begrotingen cq de gemeentelijke bijdragen aan de Tomingroep zijn zoveel mogelijk financierbaar vanuit de gemeentelijke rijksbudgetten.

•

De uitkomst biedt meerjarig een oplossing voor de invulling van taken die door het rijk zijn opgedragen aan gemeenten en/of zijn gewenst door de aan Tomingroep deelnemende gemeenten.

•

De gekozen variant is voldoende flexibel om in te spelen op eventuele toekomstige (landelijke) beleidswijzigingen.

•

Vorm volgt inhoud.

•

Het onderzoek laat voor alle individuele gemeenten – naast de gemeentelijke financiële bijdragen - zien hoe de afbouw van de Wsw georganiseerd wordt en hoe tegelijkertijd de opbouw van de nieuwe doelgroep tot stand wordt gebracht.

•

De eerder door het AB vastgestelde scenario’s zijn het uitgangspunt voor het onderzoek. Deze worden in het onderzoek nader uitgewerkt.

•

Uitgangspunt is niet per se het meerjarig voortbestaan van Tomingroep in de huidige vorm.

1.5 Gefaseerde aanpak: Berenschot Ruitmodel De onderzoeksvraag gaat over de gemeenschappelijke strategische koers van de Tomin-gemeenten op het terrein van de Participatiewet. Het ontwikkelen (richten), implementeren (inrichten) en uitvoeren (verrichten) van de strategische koers vraagt om een gefaseerde aanpak. Een dergelijk gefaseerde aanpak is met name in samenwerkingsorganisaties belangrijk. Op die manier kan stapsgewijs iedereen worden meegenomen, waarbij op bepaalde momenten gezamenlijk besluiten worden genomen. Voor een dergelijke aanpak heeft Berenschot het ruitmodel ontwikkeld.

6

64048 – Openbaar

Resultaat

Haalbaarheid

Doel

Resultaat

Haalbaarheid

Proces

Doel

Resultaat

Haalbaarheid

Implementatiefase

Besluitvormingsmoment Uitwerkingsplannen

Doel

Proces

Ontwerpfase

Besluitvormingsmoment Bedrijfsplan

Proces

Planfase

Besluitvormingsmoment Businessplan

Strategiefase

Proces

Doel

Resultaat

Haalbaarheid

Steeds grotere mate van detail

Berenschot Ruitmodel

Momenteel zitten we in de strategiefase. De strategiefase bepaalt op hoofdlijnen de richting van het bedrijf en de bijbehorende kosten en opbrengsten. De strategiefase mondt uit in het businessplan. Het businessplan wordt vastgesteld door het bestuur, waarmee de koers van de organisatie is vastgesteld. Het gaat hier vooral om de Wat-vraag: Wat gaat het bedrijf doen en welke middelen zijn daarvoor beschikbaar. Na de strategiefase volgt de planfase. In de planfase wordt de koers nader ingevuld. Het gaat om de inhoudelijke doelen die je met elkaar wilt bereiken, binnen de kaders van het businessplan. Het businessplan beschrijft het speelveld waarbinnen de doelen moeten worden gerealiseerd. De planfase wordt afgerond met het bedrijfsplan, dat wordt vastgesteld door het bestuur. Na de planfase volgt de ontwerpfase. In de ontwerpfase wordt het organisatieontwerp gemaakt. De werkprocessen worden ingericht en er wordt concreet gemaakt wie welke taken heeft bij de uitvoering van het bedrijfsplan. De uitwerkingsplannen die in deze fase worden opgesteld beschrijven stap voor stap het implementatie- en uitvoeringsproces. In de implementatiefase worden de uitwerkingsplannen geïmplementeerd, waarna de plannen daadwerkelijk worden uitgevoerd. De uitvoering wordt gevolgd. Waar nodig vindt bijsturing plaats.

Na een afgesproken termijn vindt evaluatie plaats en wordt nagegaan of de doelstellingen zijn gerealiseerd.

1.3

Projectorganisatie

Voor de uitwerking van de businesscase heeft het AB een structuur opgezet, waarin op verschillende niveaus vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten en Tomingroep zijn vertegenwoordigd. In deze structuur is een bestuurlijke opdrachtgever, ambtelijk opdrachtgever, stuurgroep, projectgroep en externe onafhankelijke projectleider opgenomen. De voorzitter van het AB is de bestuurlijk opdrachtgever. De directeur van de Tomingroep treedt op als ambtelijk opdrachtgever en als contactpersoon voor de projectleider. De stuurgroep De stuurgroep benoemt de projectleider. De projectleider legt verantwoording af aan de stuurgroep en houdt de stuurgroep op de hoogte van de voortgang van het onderzoek. De stuurgroep wordt periodiek geïnformeerd, geeft richting en stuurt zo nodig bij. Als de projectleider gedurende de uitvoering van de businesscase behoefte heeft aan richtinggevende strategische keuzes of als escalatie vereist is, dan wordt dit voorgelegd aan de stuurgroep.

7

64048 – Openbaar

Ambtelijke projectgroep De uitvoering van het project is belegd bij de ambtelijke projectgroep. In de projectgroep zitten verschillende beleidsadviseurs van de gemeenten en Tomingroep. De projectleider is voorzitter van de projectgroep en zet vanuit die rol opdrachten uit binnen de projectgroep. De projectgroep komt regelmatig bij elkaar ter afstemming en om samen zaken uit te werken. De projectgroep beoordeelt de businesscase op volledigheid en kwaliteit. Alle relevante informatie vanuit het bedrijf en de samenwerkingspartners wordt via de projectgroep ingebracht. De projectleider is verantwoordelijk voor de objectiviteit en verifieerbaarheid van de cijfers, berekeningen en uitwerkingen van de scenario’s. De projectgroep valideert de businesscase.

1.4

Stapsgewijze aanpak in de strategiefase

In de strategiefase, waarin is gekomen tot het businessplan, zijn de volgende stappen gezet.

•

Stap 1: vaststellen van de uitgangssituatie en het kader van het onderzoek.

•

Stap 2: uitwerking uitvoeringsvarianten en verkenning voorkeursvariant.

•

Stap 3: verdere uitwerking voorkeursvariant en berekenen financieel beeld.

•

Stap 4: verkenning van de wenselijkheid een nieuwe juridische samenwerkingsvorm.

•

Stap 5: uitkomsten van het onderzoek worden samengebracht in het businessplan.

De gevolgde tijdlijn van het project ziet er als volgt uit. Juni 2020

Algemeen Bestuur besluit tot uitwerking van scenario 2 en 5b

Juli 2020

Algemeen Bestuur stelt procesvoorstel vast en Selectie projectleider door stuurgroep

September 2020

Startbijeenkomst projectgroep en vaststellen vergaderrooster (1 dagdeel per week) Start met inventarisatieronde gemeenten en Tomingroep Start periodieke stuurgroepbijeenkomsten

November 2020

Presentatie eerste uitkomsten projectgroep Stuurgroep meldt prioriteit te geven aan de uitwerking van de variant leer-werkbedrijf.

December 2020

Meedenksessie uitvoering (o.a. klantmanagers); Besluit voor extra heidag AB en RvC en extra inventarisatieronde gemeenten en Tomingroep

Januari 2021

Extra ronde langs gemeenten en Tomingroep Bespreking uitwerking en achtergronden met financials van gemeenten en Tomingroep

Februari 2021

Heidag AB en RvC, bespreking voorkeursvariant per gemeente

5 maart 2021

Oplevering concept eindrapportage en advies van Projectgroep aan Stuurgroep

8 maart 2021

Bespreking eindrapportage in Stuurgroep

17 mei 2021

Presentatie definitieve businesscase aan AB en bestuurlijke besluitvorming in het AB.

64048 – Openbaar

1.6 Leeswijzer Hierna gaan we eerst in op de opgave die gemeenten hebben en wat vijf jaar Participatiewet ons heeft geleerd. Vervolgens gaan we in op de meerwaarde van Tomin voor de ondersteuning van de doelgroep. In hoofdstuk vier beschrijven we een viertal uitvoeringsscenario’s en onderbouwen we het voorkeursscenario. In hoofdstuk 5 werken we het voorkeursscenario uit. In hoofdstuk 6 presenteren wij onze conclusies en aanbevelingen.

8

64048 – Openbaar

9

2. De opgave van gemeenten 2.1 Participatiewet In 2015 is de Participatiewet ingevoerd. De Participatiewet impliceert dat de instroom in de Wsw is gestopt en dat tegelijkertijd daar een steeds grotere, nieuwe doelgroep voor in de plaats komt. De bedoeling van de wetgever is dat de groep mensen met een arbeidsbeperking vaker dan onder de Wsw het geval was regulier – al dan niet met loonkostensubsidie en eventueel begeleiding aan de slag gaat. De Participatiewet leidt op termijn tot een besparing voor de rijksoverheid van €1,6 mld. Daarvan word €0,9 mld gerealiseerd door een lager volume Wajong. De middelen die voor de nieuwe doelgroep vanuit de rijksoverheid beschikbaar zijn, zijn een stuk lager dan voorheen onder de Wsw. Voor een Wsw-er ontvangt de gemeente circa €25.000,- per persoon, terwijl de gemeente voor de nieuwe doelgroep (met arbeidsbeperking) gemiddeld €15.000,- per persoon ontvangt. Daarnaast is het klassieke re-integratiebudget van gemeenten in de periode 2010-2018 (macro) verlaagd van €1,4 mld naar €0,5 mld per jaar. De ontwikkeling van de verschillende doelgroepen, waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn, is weergegeven in de volgende grafiek. Deze aantallen zijn ontleend aan de memorie van toelichting bij de Participatiewet en bewerkt door Berenschot. Op de verticale as staan de aantallen personen in de verschillende doelgroepen (maal 1.000).

Op de horizontale as staan de jaren.

We lichten de kleuren in de figuur als volgt nader toe: •

Groen: Gemeenten blijven onveranderd verantwoordelijk voor de uitvoering van de bijstand. Uiteraard kent de omvang van het bestand fluctuaties van jaar op jaar, mede als gevolg van conjuncturele ontwikkelingen. Zo ging kort na 2015 de bijstandsafhankelijkheid omhoog door de toestroom van statushouders. Vanaf dit jaar kunnen we een forse stijging van het volume verwachten door de Corona-crisis. Voor de leesbaarheid van de figuur en voor het specifiek in beeld brengen van de gevolgen van de Participatiewet houden we echter het bijstandsniveau in dit plaatje constant.

•

Oranje: Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw. Het aantal Wsw-ers neemt geleidelijk af, omdat de toegang tot de Wsw per 1-1-2015 is gestaakt. Op 1 januari 2015 waren er ruim 103.000 Wsw-ers (90.000 arbeidsjaren). Het zittend bestand houdt de oude rechten. Uiteindelijk zal iedereen uit de Wsw zijn gestroomd. Vandaar de afname tot 0 in de figuur.

•

Blauw: Het Ministerie van SZW gaat ervan uit dat gemeenten gemiddeld voor drie Wsw-ers die uitstromen één beschutte arbeidsplek creëren. Inwoners kunnen een indicatie aanvragen bij het UWV. Het gaat dan om de plaatsing van mensen met arbeidsvermogen, die niet bij reguliere werkgevers aan de slag kunnen. Deze categorie wordt ook wel ‘Nieuw beschut’ genoemd. Gemeenten moeten, zodra een inwoner met een indicatie

64048 – Openbaar

10

een beroep doet op de gemeenten voor ondersteuning, plekken te realiseren tot aan de aantallen die zijn opgenomen in een ministeriële regeling (de taakstelling). •

Geel: Het ministerie gaat er eveneens vanuit dat mensen met een beperking die wél bij reguliere werkgevers aan de slag kunnen, ten minste tot op het niveau van de oude Wsw aan de slag worden geholpen. Dit betreft de mensen die via een loonkostensubsidie (LKS) aan de slag worden geholpen bij werkgevers. Het totaal aantal mensen dat met ondersteuning van de gemeenten aan de slag gaat, blijft dan op het niveau van de oude Wsw. Het gaat dan om de kleuren blauw en geel in de figuur; dit is qua omvang vanaf 2050 uiteindelijk gelijk aan het oranje vlak in 2015. Dit betreft een grote wijziging ten opzichte van de voormalige Wsw. Een belangrijke doelstelling is inclusie, waardoor mensen met een arbeidsbeperking die voorheen intern binnen het sw-bedrijf aan de slag gingen, nu zoveel mogelijk worden geplaatst en begeleid bij reguliere werkgevers. Landelijk hebben werkgevers zich gecommitteerd aan de zogenoemde banenafspraak, waarbij zij hebben toegezegd om op landelijk niveau voor 125.000 mensen met een arbeidsbeperking een werkplek te realiseren.

•

Rood: De omvang van deze groep neemt echter toe. Gemeenten worden namelijk ook verantwoordelijk voor de groep mensen die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en die voorheen in de Wajong zou zijn terecht gekomen (en niet in de Wsw). Deze groep wordt steeds groter. De verwachting van het ministerie is dat uiteindelijk ten opzichte van de oorspronkelijke aantallen (landelijk 375.000 mensen in de bijstand, 90.000 mensen in de Wsw) 135.000 mensen extra gebruik zullen maken van ondersteuning vanuit de Participatiewet. Ook voor deze groep is het doel om ze zoveel mogelijk regulier aan de slag te helpen en waar nodig een loonkostensubsidie en/of begeleiding in te zetten.

2.2 Uitdaging gemeenten Gemeenten hebben onder de Participatiewet derhalve de uitdaging om elk jaar meer mensen aan de slag te krijgen. Het gaat om een groep met arbeidsbeperkingen, die zonder ondersteuning niet in staat is om aan de slag te komen en te blijven. Enerzijds wordt de groep steeds groter door het grotendeels afsluiten van de Wajong, die door het UWV wordt uitgevoerd. Anderzijds gaat het om het aan de slag krijgen van mensen die voorheen een plek kregen in het kader van de Wsw. Het nieuwe instrumentarium bestaat vooral uit de loonkostensubsidie en beschutte arbeid. Belangrijk is dus dat het gemeentelijk beleid rekening houdt met een groep die elk jaar groter wordt en dat de uitvoering daarop wordt afgestemd. Tegelijkertijd zijn en worden de beschikbare middelen vanuit de rijksoverheid ingeperkt. Van 2010 tot 2018 zijn de klassieke re-integratiemiddelen met 2/3e omlaag gebracht. Voor de doelgroep met beperkte loonwaarde die geleidelijk aan in de plaats komt van de Wsw is per persoon gemiddeld €15.000,- beschikbaar1, terwijl per Wsw-er gemiddeld €25.000,- beschikbaar is. Om dezelfde aantallen te kunnen blijven ondersteunen, zijn gemeenten feitelijk gedwongen om op zoek te gaan naar steeds efficiëntere manieren om mensen aan de slag te helpen en te houden. Bovendien is sprake van een complexe financieringssystematiek.

De middelen komen vanuit de rijksoverheid bij de gemeente binnen via drie kanalen (zie bijlage): (1) het bijstandsbudget (BUIG), (2) de integratie-uitkering sociaal domein (re-integratiemiddelen) en (3) de algemene uitkering in het gemeentefonds (cluster inkomen en participatie ten behoeve van de uitvoeringskosten Participatiewet, het minimabeleid en sinds 2019 het klassieke re-integratiebudget). Voor een deel kan de hoogte van de beschikbare middelen goed worden ingeschat. Voor een ander deel is dat lastig, met name voor het bijstandsbudget (ruim de helft van het totale budget). Dat leidt tot onzekerheid bij de beleidsvorming en het inschatten van de kosten en de opbrengsten van het beleid. Belangrijk is dat gemeenten zich daar goed van bewust zijn. Feitelijk is de Participatiewet een groot experiment. Keuzes Deze middelen ontvangen de gemeenten via het BUIG-budget (loonkostensubsidie), het participatiebudget (begeleidingsvergoeding) en de algemene uitkering in het gemeentefonds (uitvoeringskosten) 1

64048 – Openbaar

11

worden gemaakt in onzekerheid. De uitkomst is onzeker. Het is daarom belangrijk dat goede en duidelijke keuzes worden gemaakt, dat de uitkomsten worden gemonitord en dat waar nodig het beleid en uitvoering worden bijgesteld. Kortom, gemeenten staan voor de uitdaging om beleid te ontwikkelen voor een steeds grotere groep mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, dat wordt verbonden met het beleid voor de klassieke doelgroep. Ook zal de uitvoering hierin mee moeten bewegen: welke rol krijgen het klassieke sw-bedrijf? Welke rol krijgen de sociale dienst en het werkgeversservicepunt? Wat doe je jaarlijks met de vrijvallende capaciteit door het krimpen van de klassieke Wsw?

2.3 Hoe doen gemeenten het? De Participatiewet is in 2019 in opdracht van het ministerie van SZW geëvalueerd. We merken op dat we feitelijk nog maar aan het begin van de invoering van de Participatiewet staan. Omdat sprake is van een geleidelijk proces gaan er decennia overheen, voordat de Participatiewet volledig is ingevoerd. Het SCP voerde een belangrijk deel van de evaluatie uit. SCP was kritisch op de resultaten van de Participatiewet. De conclusie was dat de invoering van de Participatiewet nauwelijks heeft geleid tot verhoging van de baankansen, zoals beoogd met de wet. Voor de grootste groep, de klassieke bijstandsgerechtigden, is er amper een verschil. Voor mensen die het recht op toegang tot de sociale werkvoorziening verloren, daalde de kans op werk. Voor jonggehandicapten met arbeidsvermogen stegen de baankansen. Hun inkomenspositie verslechterde echter en het gaat vaker om tijdelijk werk. Berenschot constateert dat het totaal aantal mensen met een beperking dat door gemeenten aan de slag wordt geholpen gelijk is, terwijl de doelgroep waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn, groter is dan het oorspronkelijk aantal Wsw-ers. Er zijn echter grote verschillen tussen gemeenten. In sommige gemeenten zijn veel mensen met een loonkostensubsidies aan de slag geholpen, terwijl in andere gemeenten het aantal nog beperkt is.

Specifiek voor de doelgroep ‘nieuw beschut’ blijkt dat de aantallen die aan de slag geholpen worden flink lager zijn dan door het ministerie van SZW geraamd. In totaal zijn circa 4.000 plekken gerealiseerd. De raming voor ultimo 2020 is 7.600 Maar ook hier zien we grote verschillen tussen gemeenten. In sommige gemeenten zijn relatief veel mensen met de indicatie beschut aan het werk, terwijl de aantallen in andere gemeenten achter blijven. Een specifieke groep is de groep jonggehandicapten die geen uitkering ontvangt, terwijl zij voorheen, onder de Wajong vaak wel een uitkering zouden hebben ontvangen. Het gaat om de nieuwe groep nuggers. De helft van deze groep is bekend met de mogelijkheid om hulp te krijgen vanuit de gemeente, en de helft van de groep die behoefte heeft aan hulp, slaagt er niet in om daadwerkelijk hulp te krijgen. Zo’n 20% van de jonggehandicapte nuggers heeft hulp ontvangen. Zij zijn meestal tevreden over deze hulp (Inspectie SZW, 2019).

In de bovenstaande grafieken laten we de door het ministerie van SZW geraamde aantallen zien en de realisatie van het aantal mensen zien dat met een loonkostensubsidie aan de slag is geholpen. Links tonen we de totale

64048 – Openbaar

12

ontwikkeling voor alle gemeenten die meedoen in de GR Tomin. Rechts tonen we de ontwikkeling in Gooi en Vechtstreek. De lijn-grafiek laat het totaal zien van het aantal Wsw-ers en het aantal mensen dat met een LKS aan de slag is geholpen. Het totaal aantal mensen met een beperking dat landelijk via de gemeente aan de slag is, ligt ongeveer op hetzelfde niveau als het aantal Wsw-ers in 2015, bij de start van de Participatiewet. In de regio Gooi en Vecht en Almere, is het aantal mensen met een loonkostensubsidie sterker gestegen dan landelijk. We zien dat de realisatie van LKS in Tomin-totaal sneller toeneemt dan alleen bij Gooi en Vecht. De verklaring is dat het aantal toegekende LKS in Almere sneller groeit dan in de andere gemeenten. Dat is conform verwachting en hangt ermee samen dat Almere een relatief jonge gemeente is, met relatief weinig mensen in een arbeidsongeschiktheidsregeling. De verwachting is dat dat percentage elk jaar (iets) toeneemt en meer in lijn komt met landelijke gemiddelden. Aandachtspunt is dat het doel van de Participatiewet is dat mensen zo regulier mogelijk aan de slag worden geholpen. Het blijkt dat landelijk van de 25.100 personen die aan de slag zijn met een loonkostensubsidie, circa de helft een dienstbetrekking heeft bij het vroegere sw-bedrijf.

We zien in de regio dat het aantal mensen met LKS gelijk is aan dat bij Tomin circa 644 mensen aan de slag zijn geholpen met LKS. Daarvan zijn er circa 290 aan de slag bij Tomingroep. Het lijkt erop dat in de Tomin-regio iets minder mensen met LKS in het voormalig sw-bedrijf aan de slag zijn dan elders (45%). De ambitie dat ruim 2/3e regulier aan de slag zou gaan is zowel landelijk als in de Tomin-regio (vooralsnog) niet waargemaakt. Conclusie is dat het (voormalig) sw-bedrijf, naast de doelgroep beschut, een belangrijke voorziening is gebleven voor de mensen in de Participatiewet. In de regio worden in vergelijking met het landelijk gemiddelde, relatief veel mensen vanuit de Participatiewet aan de slag geholpen. De aantallen zijn echter lager dan het totaal aantal mensen dat volgens de ramingen van het ministerie van SZW behoort tot de doelgroep van de Participatiewet.

2.4 Ontwikkeling bij sw-bedrijven Doordat het aantal Wsw-ers en de bijbehorende budgetten omlaag gaan, komen de oorspronkelijke sw-bedrijven, zonder specifieke maatregelen, in een krimpsituatie terecht. Het gaat dan om een grote veranderopgave. De meeste sw-bedrijven beschikken over een grote voorraad vaste productiemiddelen. Het oorspronkelijke rijksbudget Wsw was €2,3 mld. Dat gaat jaarlijks, evenals het aantal Wsw-ers, met circa 5% omlaag. Met het krimpen van de sw-infrastructuur verdwijnt ook de specifieke kennis en ervaring van het bedrijf. Elders (bijvoorbeeld in de sociale dienst) moet die weer worden opgebouwd, omdat gemeenten verantwoordelijk blijven voor het aan de slag helpen van mensen met een beperking. De groep neemt zelfs sterker toe, dan het aantal Wsw-ers afneemt. Verschillende partijen maken zich zorgen over de afbouw van de bedrijven. De SER (Sociale infrasructuur kwetsbare groepen binnen de Participatiewet, 2016) maakt zich zorgen over het achterblijven van de groei van het aantal mensen op een beschutte werkplek en het verdwijnen van de sw-infrastructuur. Ook gaf de staatssecretaris bij de evaluatie van de Participatiewet (2019) aan dat de voormalige sw-bedrijven een goede rol kunnen vervullen bij de arbeidstoeleiding van kwetsbare groepen.

Nu al kan geconstateerd worden dat in veel gemeenten en regio’s de sw-infrastructuur wordt ingezet voor de nieuwe doelgroepen. Veel sw-bedrijven ontwikkelen zich reeds tot een vorm van sociaal ontwikkelbedrijf. Het overgrote deel van gemeenten zet de voormalige sw-bedrijven in voor de nieuwe en brede doelgroep van de Participatiewet. In totaal waren er landelijk 90 sw-bedrijven. Voor de doelgroep nieuw beschut, die volgens de indicatie niet redelijkerwijs bij reguliere werkgevers aan de slag kan, ligt dit voor de hand. Het grootste deel van de bedrijven biedt nu ook banen aan voor de doelgroep nieuw beschut (95%). Daarnaast heeft een groot deel van de gemeente besloten om de vrijvallende (voormalige) sw-infrastructuur naast beschutte arbeid ook in te zetten voor de bredere doelgroep met (potentieel) toelating tot het doelgroepregister (70%). Vaak heeft het (voormalige) sw-bedrijf dan ook een ontwikkelopdracht: de bedoeling is dat mensen tijdelijk op een baan zitten bij het sw-bedrijf, maar dat ze zodra dat mogelijk is, doorstromen naar een reguliere baan. Een groot deel van deze bedrijven beschikt over een detacheringsfaciliteit. In dat geval zijn de mensen in dienst bij het sociaal

64048 – Openbaar

13

werkbedrijf, maar werken ze op detacheringsbasis bij een reguliere werkgever. De helft van de (voormalige) swbedrijven heeft een brede opdracht, waarbij naast werk, ook klassieke re-integratie- en ontwikkeltrajecten worden uitgevoerd. Vaak is in die gevallen de oorspronkelijke afdeling werk en soms ook inkomen, van de gemeente(n) gefuseerd met het voormalige sw-bedrijf. Van het totaal aantal medewerkers dat vanuit een regeling werkzaam is in de oorspronkelijke sw-infrastructuur, heeft 84% nog steeds een Wsw-indicatie. De overige 16% behoort tot een andere doelgroep. Daarvan behoort 12% tot de nieuwe doelgroep in de Participatiewet. Grofweg zijn landelijk de volgende keuzes gemaakt. Tussen haakjes noemen we voorbeelden uit de regio. . •

Samenvoeging sw-bedrijf met sociale dienst(en) (zie bijvoorbeeld Weener XL, Werkzaak Rivierenland, Laborijn)

•

Sw-bedrijf en re-integratie is samengevoegd in één participatiebedrijf, naast het uitkeringsbedrijf (Ergon). De vrijvallende capaciteit van het voormalig sw-bedrijf wordt deels ingezet voor de nieuwe doelgroepen en deels omgevormd, zodat aan de nieuwe eisen in de Participatiewet (uitgangspunt is dat mensen regulier aan de slag gaan) kan worden voldaan.

•

Sw-bedrijf als sociaal ontwikkelbedrijf; sociale dienst doet overige taken in het kader van de Participatiewet (AM Match, Scalabor. Rijk van Nijmegen). Het bedrijf blijft klassieke taken uitvoeren en zet de infrastructuur tevens in voor nieuwe taken. Naast beschutte arbeid worden (tijdelijke) werkplekken aangeboden aan mensen die nog niet regulier aan de slag kunnen. De werkplekken fungeren dan vaak ook als leerwerkplekken.

•

Sw-bedrijf als bedrijf voor beschutte arbeid. Sociale dienst doet overige taken in het kader van de Participatiewet. In deze variant wordt de vrijvallende capaciteit van het voormalige sw-bedrijf deels ingezet voor nieuwe doelgroepen. De overige capaciteit wordt afgebouwd.

•

Sw-bedrijf blijft alleen verantwoordelijk voor de Wsw en bouwt geleidelijk af naar uiteindelijk nul. Meestal is niet sprake van een bedrijf dat zuiver toegroeit naar een bedrijf voor alleen beschutte arbeid of volledige afbouw naar nul. Meestal doen (vml) sw-bedrijven wel (deels) nieuw beschut (De Betho)

•

Sw-bedrijf wordt geliquideerd (Hameland)

2.5 Financiën Gemeenten ontvangen via verschillende kanalen middelen voor de uitvoering van de Participatiewet. Voor een beschrijving van de financieringssystematiek verwijzen wij naar de bijlage. De volgende grafiek toont de middelen die gemeenten ontvangen via de Participatiebudgetten.

14

64048 – Openbaar

Deze grafiek laat goed zien dat enerzijds, met het krimpen van het aantal Wsw-ers, het Wsw-budget elk jaar kleiner wordt. Maar, tegelijkertijd neem het budget dat gemeenten ontvangen voor de nieuwe doelgroep elk jaar toe. In de structurele situatie, als de Wsw gelijk is aan nul, bevindt het budget voor de nieuwe doelgroep zich op het structurele niveau. Hier laten we het effect zien in het participatiebudget. Een vergelijkbaar effect doet zich voor in het bijstandsbudget, dat elk jaar in omvang toeneemt doordat het bedrag dat beschikbaar is voor loonkostensubsidies voor de nieuwe doelgroep, met het groeien van de nieuwe doelgroep, elk jaar groter wordt. Het bedrag in de algemene uitkering in het gemeentefonds dat (deels) beschikbaar is voor de uitvoering neemt eveneens elk jaar toe, met het groeien van het aantal mensen in de nieuwe doelgroep. Desalniettemin is sprake van bezuinigingen. Gemeenten krijgen in totaal minder middelen voor de uitvoering van het beleid voor de nieuwe doelgroepen dan het geld dat vrijvalt bij de Wajong (met het krimpen van de Wajong) en het geld dat vrijvalt door het krimpen van de Wsw. De volgende tabel laat de middelen zien die de Tomin-gemeenten ontvingen in 2020 voor de Participatiewet. Tevens tonen wij het aantal cliënten die onder de Wsw en de Participatiewet vallen.

Aantallen Aandeel Rijksbudget (mln) Aandeel Wsw Bijstand Totaal Wsw Bijstand Wsw Bijstand Totaal Wsw Bijstand Almere 405 5.793 6.198 7% 93% € 9,2 € 119 € 128 7% 93% Blaricum 7 110 116 6% 94% € 0,1 € 2,2 € 2,3 5% 95% Eemnes 12 116 128 10% 90% € 0,3 € 1,6 € 1,9 15% 85% Gooise Meren 78 912 990 8% 92% € 1,8 € 18 € 20 9% 91% Hilversum 296 2.174 2.470 12% 88% € 6,7 € 44 € 50 13% 87% Huizen 76 874 950 8% 92% € 1,7 € 16 € 18 10% 90% Laren 12 184 196 6% 94% € 0,3 € 2,4 € 2,7 11% 89% Weesp 29 423 452 6% 94% € 0,7 € 8,0 € 8,6 8% 92% Wijdemeren 29 232 261 11% 89% € 0,7 € 4,6 € 5,2 13% 87% Totaal 944 10.817 11.761 8% 92% € 21 € 215 € 237 9% 91%

Bedrag pp (x1000) Wsw Bijstand Totaal € 22,6 € 20,6 € 20,7 € 19,3 € 20,2 € 20,2 € 23,5 € 14,0 € 14,9 € 23,5 € 19,9 € 20,2 € 22,7 € 20,1 € 20,4 € 22,9 € 18,1 € 18,5 € 23,5 € 12,9 € 13,5 € 22,6 € 18,8 € 19,1 € 22,6 € 19,7 € 20,0 € 22,7 € 19,9 € 20,1

De aantallen Wsw betreft het aantal personen in 2020 dat werkzaam was bij Tomingroep. De aantallen bijstand betreft het aantal personen in een bijstandsgerelateerde regeling. Het gaat om personen die een uitkering krijgen op grond van de IOAW, IOAZ, Participatiewet en dergelijke. Ook zijn in deze aantallen de mensen opgenomen met een loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet. De kolommen aandeel (5e en 6e kolom) betreffende volumeaandelen van bijstand en Wsw in het totale volume. De kolommen 7 en 8 tonen de rijksbudgetten Wsw en de budgetten die gemeenten ontvangen voor een bijstandsgerelateerde regeling. In de bijlage hebben we de samenstellende delen van deze budgetten opgenomen. De twee kolommen daarna tonen de aandelen van de budgetten Wsw en Bijstand in het totale budget. Tot slot laten we voor de Bijstand en voor de Wsw de bedragen zien die gemeenten ontvangen per persoon. Uit deze tabel leiden we af dat de totale bedragen die per persoon worden verstrekt voor mensen in de bijstand iets lager zijn dan voor mensen in de Wsw. De belangrijkste verklaring is dat het budget voor de Wsw wordt gebruikt om salarissen mee te betalen. De salarissen liggen boven het minimumloon (op grond van de CAO Wsw). De kosten die voor Wsw-ers worden gemaakt (de bedrijfskosten van Tomin) worden door de Wsw-ers terugverdiend via de omzet van Tomin (de bedrijfsopbrengsten).

De bedrijfsopbrengsten zijn per Wsw-er circa €2.000,- hoger dan de bedrijfskosten. Met andere woorden, er is sprake van een positief operationeel resultaat van €2.000,- per Wsw-er. Het bedrag dat gemeenten voor de bijstandsgerelateerde regelingen krijgt, is opgebouwd uit het bijstandsbudget, het participatiebudget en de middelen voor de uitvoering (zie bijlage). Gemiddeld ontvangen

64048 – Openbaar

15

gemeenten per bijstandsgerechtigde €19.900,-. De kosten liggen lager dan bij de Wsw, omdat de bijstandsuitkering is afgestemd op het sociaal minimum. Deze ligt voor de meeste mensen onder het wettelijk minimumloon. Per bijstandsgerechtigde ontvangen de gemeenten €14.600,- in het bijstandsbudget.

2.6 Resultaten Tomingroep Tomingroep is een bedrijf van de gemeenten in de regio dat volwaardige diensten levert tegen een reële prijs. De focus ligt op het ontwikkelen van mensen en daarmee op sociaal en maatschappelijk resultaat. Doel is dat de mensen in dienst bij Tomingroep, zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen, op de best passende werkplekken. Er wordt een omgeving gecreëerd waar mensen met plezier en trots samenwerken. Tomin biedt werkplekken aan aan de klassieke doelgroep Wsw. Voorts vinden mensen met een indicatie beschut vaak een werkplek bij Tomin. Ook gaan sommige mensen vanuit de Participatiewet die nog niet zelfstandig en regulier aan de slag kunnen, werken bij Tomin. Momenteel werken er circa 755 Wsw-ers, 160 Participatiewetters en 45 mensen met een indicatie beschut bij Tomingroep.

De tabel hierna heeft betrekking op de groep Wsw-ers. Begeleid werken heeft betrekking op de groep Wsw-ers, die in dienst zijn bij een externe werkgever, waarvoor de werkgever van Tomingroep een loonkostensubsidie-Wsw ontvangt2. De volgende tabel laat zien hoe de Wsw-ers verdeeld zijn over de verschillende werkvormen binnen Tomingroep en hoe die verdeling zich verhoudt tot de landelijke situatie. De financiële situatie ten aanzien van de klassieke Wsw is goed. Tomin realiseert een operationeel resultaat (bedrijfsopbrengsten minus bedrijfskosten exclusief loonkosten Wsw) per Wsw-er van €2.000,-. Landelijk is het operationeel resultaat €900,- per Wsw-er. Daarnaast zijn de Wsw-loonkosten lager dan gemiddeld. De loonkosten per Wsw-er zijn €28.800,- per jaar. Landelijk is dat bedrag €30.900,- per jaar.

2.7 Weesp In verband met de (voorgenomen) fusie van Weesp met Amsterdam, heeft de gemeente Weesp te kennen gegeven per 1 januari 2022 uit de Gemeenschappelijke Regeling Tomingroep te zullen treden. In de eerste helft van 2021 zullen de voorwaarden waaronder Weesp kan uittreden nader worden uitgewerkt en vastgesteld. Vanuit de gemeente Weesp zijn 23 SW-medewerkers werkzaam bij Tomingroep. Zij zijn formeel in dienst van de gemeenschappelijke regeling en dit verandert niet als Weesp uittreedt. Deze medewerkers kunnen er dan ook voor kiezen om bij Tomingroep in dienst te blijven. Een overstap naar het Amsterdamse SW-bedrijf Pantar is ook mogelijk. Hun wensen op dit gebied worden nog geïnventariseerd. De gemeente Weesp heeft aangegeven het van groot belang te achten dat de verantwoordelijkheid die de gemeente Weesp nu voor deze medewerkers draagt, wordt gecontinueerd. Bij de uitwerking van de voorwaarden In de Wsw wordt dit begeleid werken genoemd. Ook voor de invoering van de Participatiewet bestond het instrument van begeleid werken Wsw. De loonkostensubsidie-Wsw komt ten laste van het Wsw-budget en moet niet verward worden met de loonkostensubsidie in het kader van de Participatiewet. 2

64048 – Openbaar

16

voor uittreding zal de vraag worden betrokken hoe dit kan worden vormgegeven en onder welke condities de SW-medewerkers uit Weesp die er de voorkeur aan geven om ook na het uittreden van de gemeente Weesp bij Tomingroep te blijven werken, hun werkplek bij Tomingroep kunnen behouden.

2.8 Toekomstige ontwikkelingen Het terrein van werk en inkomen bevindt zich in een turbulente omgeving. De aandacht van gemeenten voor dit vraagstuk was in de afgelopen relatief beperkt. Veel zorg ging uit naar de financiële, sociale en maatschappelijke vraagstukken rond Wmo en Jeugd. De ontwikkelingen op het terrein van de Participatiewet leken vooralsnog beperkt. Belangrijke ontwikkelingen waren de instroom van statushouders die vaak een beroep deden op de bijstand en de toenemende (financiële) knelpunten bij (voormalige) sw-bedrijven. De instroom van de nieuwe doelgroep met een arbeidsbeperking kwam op gang, maar bleef als aandeel in het totale aantal bijstandsgerechtigden nog relatief beperkt. Tegelijkertijd kwamen steeds meer mensen vanuit de bijstand aan de slag, door de relatief gunstige conjuncturele omstandigheden. De komende jaren ziet het beeld er waarschijnlijk anders uit. De conjuncturele gevolgen van de Corona-crisis leiden waarschijnlijk tot een forse verhoging van het aantal bijstandsgerechtigden. In het meest ongunstige scenario van het Centraal planbureau verdubbelt het aantal mensen in de bijstand. Het aandeel mensen met een arbeidsbeperking in de bijstand wordt door de autonome ontwikkeling in de Participatiewet steeds groter.

Tegelijkertijd ontstaat op landelijk niveau het besef dat er wel heel hard is ingegrepen in de sociale zekerheid en dat het aantal mensen met een uitkering onnodig hoog is. Belangrijke recente onderzoeken zijn De waarde van werk (WRR, 2019), In wat voor land willen wij werken? (commissie Borstlap, 2020) en de brede maatschappelijke heroverweging3 (2020). Geconstateerd wordt dat Nederland ondertussen in de westerse wereld onderaan staat qua bestedingen aan actief arbeidsmarktbeleid. Belangrijke voorstellen die worden gedaan zijn meer investeren in bewezen effectieve re-integratie-instrumenten, zoals persoonlijke begeleiding, lagere caseload, ondersteuning en scholing, ontzorgen werkgevers en focus op investeren in werk. Ook bestaat er een sterk pleidooi voor basisbanen en meer vormen van detachering. Het is nog niet bekend wat dit betekent voor het landelijk beleid. De verwachting is dat hier afspraken over gemaakt gaan worden bij de kabinetsformatie. Op landelijk niveau hebben het CDA en de SP het plan ‘Aan de slag in het sociaal ontwikkelbedrijf’ opgesteld. Een meerderheid van de Tweede Kamer ziet heil in deze voorstellen. Het plan is om de arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking en mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te vergroten door een landelijk dekkend netwerk van Sociaal ontwikkelbedrijven te realiseren.

Elke gemeente dient te participeren in een sociaal ontwikkelbedrijf, zodat instrumenten voor zowel werkzoekenden als werkgevers overal beschikbaar zijn. Dit kan bij een eigen gemeentelijk sociaal ontwikkelbedrijf zijn of door middel van een regionale samenwerking. Mensen met een beperking en met een grote afstand tot de arbeidsmarkt moeten zich kunnen ontwikkelen buiten en binnen het ontwikkelbedrijf. Het bedrijf biedt naast begeleiding, training en scholing, ook werk in een beschermde werkomgeving, groepsdetachering, individuele detachering en directe plaatsing in een zelfstandige baan bij het bedrijfsleven. Ontwikkeling van mensen staat centraal, maar ook het bieden van een veilige haven. Een belangrijke gedachte is dat als het niet lukt in het bedrijfsleven, mensen altijd kunnen terugkeren naar het sociaal ontwikkelbedrijf (parallelle arbeidsmarkt). Er ontstaat dan een systeem van parallelle arbeidsmarkten, waarin mensen regulier aan de slag gaan op de reguliere arbeidsmarkt en als dat niet meer lukt via een verbindingsweg terecht kunnen op de arbeidsmarkt die het ontwikkelbedrijf reguleert. Zodra een reguliere baan weer mogelijk is

Ter voorbereiding op een volgende neergaande conjunctuur of economische crisis, zijn op alle ministeries mogelijke hervormingen en koerswijzigingen in kaart gebracht. Deze voorbereidingen heten de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen. Het doel is om beleidsmakers van de toekomst breed inzicht te geven in de opties en mogelijkheden die er zijn in economische voor- en tegenspoed. De beleidskeuzes en mogelijke gevolgen zijn onafhankelijk en zonder kabinetsoordeel gepresenteerd. 3

64048 – Openbaar

17

gaat hij of zij weer terug naar de reguliere arbeidsmarkt (parallelle arbeidsmarkten, met een systeem van in- en uitvoegstroken).

2.9 Wat heeft vijf jaar Participatiewet ons geleerd? Met de invoering van de Participatiewet wordt het aantal mensen in de Wsw steeds kleiner. Daar komt een groeiende nieuwe doelgroep voor in de plaats. Doordat de Wajong voor de meeste mensen met een arbeidsbeperking niet meer toegankelijk is, doen zij in het kader van de Participatiewet een beroep op de gemeente voor ondersteuning. De gemeenten in de Tomin-regio hebben verschillende voorzieningen gerealiseerd voor mensen met een arbeidsbeperking. In lijn met de doelstellingen van de Participatiewet, worden zij zoveel mogelijk – eventueel met een loonkostensubsidie en/of een jobcoach – vanuit de gemeentelijke afdelingen Werk en Inkomen bij reguliere werkgevers aan de slag geholpen. Dat lukt echter niet altijd. In dat geval doen de gemeenten vaak nog een beroep op Tomingroep. Iets minder dan de helft van het aantal mensen dat aan de slag is geholpen met een loonkostensubsidie, is werkzaam bij Tomingroep. Tomingroep is dus ook voor de nieuwe doelgroep een belangrijke voorziening. Het gaat om mensen met een beperking of afstand tot de arbeidsmarkt die (nog) niet regulier aan de slag kunnen. Voor een deel gaat het om de doelgroep met een indicatie beschut van het UWV. Maar, er zijn ook mensen zonder indicatie beschut, die (tijdelijk of structureel) niet regulier aan de slag komen.

Gemeenten worden verantwoordelijk voor een elk jaar grotere groep mensen met een arbeidsbeperking. Uiteindelijk is deze groep groter dan het aandeel Wsw-ers. Niet iedereen komt regulier aan de slag, waardoor de voorzieningen van Tomingroep ook voor de nieuwe doelgroep belangrijk blijven. Het aandeel van de nieuwe doelgroep in het totaal aantal werknemers vanuit de nieuwe doelgroep neemt elk jaar toe. De afspraken over de Wsw zijn duidelijk. Er geldt een helder financieel kader vanuit de rijksoverheid. Over de nieuwe doelgroepen bestaat minder duidelijkheid. Er is geen landelijke regeling, met volumetaakstellingen en (zoals voorheen in de Wsw relatief royale) financiële vergoeding. Er zijn geen gemeenschappelijke afspraken over de financiering en geen afspraken over het aantal mensen waarvoor TG een voorziening biedt. Dat leidt tot onzekerheid voor Tomingroep. Onzeker is hoeveel mensen met een beperking naar Tomingroep worden toegeleid. Daarmee zijn ook de financiën onzeker. Omdat Tomingroep voor de nieuwe doelgroep in de praktijk individuele afspraken maakt met gemeenten, ontstaan er ook verschillen tussen gemeenten, zowel voor wat betreft het aantal mensen, de verdiencapaciteit en de vergoedingen. Als het aandeel van de nieuwe doelgroep groter wordt, kan dat in de toekomst leiden tot onderlinge spanningen tussen de gemeenten.

Immers, ten aanzien van de financiën geldt dat een voordeel voor de één, een nadeel is voor de ander en vice versa. Kortom, er zijn goede en heldere afspraken naar elkaar en daarmee binnen het samenwerkingsverband nodig. Doordat gemeenten geen duidelijke keuzes en afspraken hebben gemaakt over de financiering en het aantal mensen vanuit de nieuwe doelgroep dat bij Tomingroep wordt geplaatst, is het perspectief voor Tomingroep onduidelijk. De doelgroep zal evenwel groeien. Maar, gaan deze mensen ook naar Tomingroep toe? En zo ja, welke financiering staat daartegenover? Voor een private onderneming is dergelijke onzekerheid ook vervelend, maar zij kunnen zich vrij op de private markt begeven en elders op zoek gaan naar opdrachten die voldoende omzet genereren. En, als dat niet lukt, gaat het private bedrijf failliet. Voor Tomingroep is dat geen reële optie. Gemeenten zijn dus gebonden aan de organisatie en bestuurlijk verantwoordelijk voor de koers en de toekomst van de organisatie. Ook richting de zittende doelgroep en voor de reguliere medewerkers is het belangrijk dat een duidelijk perspectief wordt geboden. Moet het bedrijf zich richten op afbouw, gelijk blijven of groei? Op welke taken moet het bedrijf zich richten? En hoe moeten die worden uitgevoerd? Er moet dus worden gekozen.

64048 – Openbaar

18

3. Waarom Tomin? 3.1 De mensen Tomingroep is een bedrijf van de gemeenten in de regio dat volwaardige diensten levert tegen een reële prijs. Tomin is er voor mensen die het voor kortere of langere tijd niet lukt om zelfstandig te participeren op de reguliere arbeidsmarkt. Hier kan een psychische of fysieke handicap aan te grondslag liggen. Maar het kan ook zijn dat mensen tijdelijk niet regulier aan de slag kunnen vanwege een verslaving of omdat zij al jaren afhankelijk zijn van een uitkering en een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Tomin zorgt voor werk. Tomin is gericht op het ontwikkelen van mensen en daarmee op sociaal en maatschappelijk resultaat. Doel is dat de mensen in dienst bij Tomingroep, zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen, op de best passende werkplekken. Er wordt een omgeving gecreëerd waar mensen met plezier en trots samenwerken. Overal inzetbaar op de werkvloer: Antonie had ooit een goedlopend onderhoudsbedrijf, maar moest daarmee stoppen in verband met zijn handicap. Hij ging aan de slag als grafisch medewerker, maar na zestien jaar ging ook dat niet meer. Tot zijn geluk kon hij bij Tomingroep terecht. Antonie: Ik ben nogal een doordouwer. Ik heb er begrip voor dat niet iedereen dat kan, maar was eerst wel huiverig dat het daarom niet goed uit zou pakken. Gelukkig had ik het mis. Ik zit nu juist echt op mijn plekje.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=15d6a0fa-57a8-49e0-9ede-cd918617912f