Bjilage 3 Overzicht van de voorwaarden voor uittreding gemeente Weesp uit de gemeenschappelijke regeling werkvoorzieningsschap Tomingroep
Tekst van het document
1 Overzicht voorwaarden uittreding Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Tomingroep Inleiding Bij uittreding geldt dat het besluit tot uittreding een eenzijdig besluit van de deelnemer is, maar dat de gemeenschappelijke regeling de gevolgen van de uittreding moet regelen (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33597, 3, p. 29). Om de uittreedsom te bepalen, dient dus allereerst gekeken te worden naar wat hieromtrent in de Gemeenschappelijke Regeling zélf is opgenomen. In de praktijk stelt het algemeen bestuur de uittreedsom vast. Het algemeen bestuur is hierin echter niet volledig vrij, zo blijkt uit diverse uitspraken.1 Randvoorwaarden bij het bepalen van de uittreedsom Bij het vaststellen van de hoogte van de uittredingssom door het algemeen bestuur is het uitgangspunt dat de uittredende partij de schade van de gemeenschappelijke regeling en de overblijvende deelnemers dient te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van het uittreden uit de gemeenschappelijke regeling. Deze schade dient, volgens de beginselen van behoorlijk bestuur, (cijfermatig) onderbouwd te worden. Ook dient deze schade over een redelijke periode berekend te worden: volgens vaste jurisprudentie is het daarbij redelijk een afbouwperiode van vijf jaar in acht te nemen. Onvoorziene omstandigheden, zoals de toekomstige liquidatie van de gemeenschappelijke regeling, mogen daarbij geen rol spelen.
Er moet gekeken worden naar de concrete positie van de uittredende gemeente. Vraagpunt daarbij is of de continuïteit van de samenwerking direct in gevaar komt, of dat deze makkelijk te garanderen is door kleine aanpassingen (Rb. Arnhem 5 augustus 2010, LJN BN4496). Er moet worden uitgegaan van de gebruikelijke begrotingssystematiek en feitelijke mogelijkheden voor het openbaar lichaam om door bezuiniging of sanering de schade te beperken. Bij bedrijfsactiviteiten met een marktwaarde kan in de schadeberekening ook een bedrag worden opgenomen voor het verlies aan goodwill. Wanneer het openbaar lichaam langlopende verplichtingen is aangegaan (bijvoorbeeld aanschaf van kapitaalgoederen) met het vooruitzicht op voortzetting van activiteiten in een bepaalde omvang zal de schade door uittreding hoger kunnen uitvallen dan wanneer slechts sprake is van dienstverlenende capaciteit met hoofdzakelijk gehuurde middelen waarbij verplichtingen op korte termijn kunnen worden beëindigd. Indicatieve factoren voor het vaststellen van de uittreedsom Onderstaand is een lijst opgenomen die gebruikt kan worden voor het bepalen van de ‘uittreedsom’. De kosten voor ‘uittreedsom’ vallen uiteen in twee categorieën: 1. Schadevergoeding voor aantoonbaar doorlopende kosten van de gemeenschappelijke regeling (al dan doorbelast via de BV) 2.
Vergoeding voor de door de gemeenschappelijke regeling te maken incidentele kosten. Het gaat dan om het maken van een reorganisatieplan en (ambtelijke of externe) capaciteit om de uittreding c.q. de reorganisatie gestalte te geven. We geven nu inzicht in de doorlopende kosten; deze zijn gerelateerd aan de begrotingsposten (lasten) van de gemeenschappelijke regeling. De nu volgende tabel laat de belangrijkste begrotingsposten zien. Begrotingspost Toelichting doorlopende kosten Personeelskosten Dit betreft de kosten van formatie. Hierbij kan de volgende tweedeling gemaakt worden: Formatie in het primair proces (die zich bezighoudt met de door de deelnemer terug te trekken taken). Eén van de spelregels kan zijn dat er met de betreffende deelnemer(s) afspraken gemaakt worden over overname van personeel, waarbij ervoor gewaakt moet worden dat de uittredende partij niet het ‘beste’ personeel meeneemt. Voor sommige taken van een GR kan gelden dat aan bepaalde kwaliteitseisen voldaan moet worden, waardoor een minimale bezetting nodig is. Bij uittreding kan de beschikbare formatie onder de minimaal benodigde formatie zakken. Bij Zie bv. RvS 12 december 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD7959; KB van 14 mei 1985, AB 1985, 424; RvS 12 augustus 1993, Gst. 6977, 4; RvS 12 augustus 1993, ECLI:NL:RVS:1993:AQ0619. 1
2
Directe productiekosten
Kapitaalslasten
Indirecte kosten
de te ontwikkelen spelregels zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Overheadformatie. Dit betreft formatie op het gebied van financiën, P&O, etc. Wanneer taken en formatie verdwijnen uit de organisatie, valt een deel van de dekking voor de kosten van overheadformatie weg. Er zal een bepaalde norm afgesproken moeten worden voor het aantal jaren waarin de GR deze kosten voor overheadformatie af gaat bouwen. Onder directe productiekosten zijn opgenomen de materiele lasten. Er is voor deze kostencategorie sprake van doorlopende kosten bij langlopende contracten (langer dan 1 jaar). (Er zal dus een analyse gemaakt moeten worden van de langer lopende contracten in relatie tot de kosten van uittreding). Onder deze post zijn de afschrijvingen en rente opgenomen. Om inzicht te krijgen in de doorlopende kapitaalslasten zal geanalyseerd moeten worden wat de omvang en looptijd van de afschrijvingen is in relatie tot de gevolgen van uittreden. Belangrijke posten zijn ook kosten ICT en huisvesting. In de eerste plaats zal onderzocht moeten worden welk bedrag aan indirecte kosten wordt doorbelast aan de uittreder. Vervolgens: Voor wat betreft automatisering zal geanalyseerd moeten worden wat het bedrag aan vervroegde afschrijving is (voor zover niet al opgenomen bij kapitaalslasten) en of er sprake is van langerlopende contracten.
Ten aanzien van huisvesting is de eerste vraag of het pand in eigendom is of gehuurd wordt. Indien sprake is van huur, is de vraag wat de looptijd van het huurcontract is en welke mogelijkheden er zijn om het aantal gehuurde vierkante meters terug te brengen. Indien het pand in eigendom is, zullen er regels opgesteld moeten worden over een redelijke termijn dat de ruimte die beschikbaar komt - op een andere wijze wordt ingevuld. Daarnaast kan er sprake zijn van een verschil tussen de (ingeschatte) marktwaarde en de boekwaarde van het pand. Indien de marktwaarde lager is dan de boekwaarde, zullen er regels opgesteld moeten worden hoe met dit verschil om te gaan
Bij de te ontwikkelen spelregels rondom de hoogte van de schade(vergoeding) zou verder ook nog rekening gehouden kunnen worden met: 1. Eventueel nog lopende (meerjarige) taakstellingen bij de gemeenschappelijke regeling. Gevolg van uittreding kan immers zijn dat het voor de gemeenschappelijke regeling lastiger is om een taakstelling te realiseren. 2. Reserves (baten) in de begroting van de gemeenschappelijke regeling.