Bijlage E2. Passende beoordeling bij PlanMER Hilversum
Tekst van het document
Passende beoordeling bij de Omgevingsvisie Hilversum Gemeente Hilversum 12 december 2022
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
4
1.1
Wettelijk kader
4
1.2
Werkwijze
4
1.3
Afbakening en methode
4
1.4
Leeswijzer
5
1.4.1
Effectbeschrijving
5
1.4.2
Effectbeoordeling
5
1.4.3
Mitigerende maatregelen
5
1.4.4
Effectbeoordeling na mitigatie
6
1.5
Cumulatie van effecten
6
Afbakening
7
2.1
Eerste beoordeling maatregelen
7
2.2
Reikwijdte van in de Passende beoordeling verder behandelde maatregelen
9
Effectbeoordeling
10
3.1
Inleiding
10
3.2
Duurzame stroom opwekken
11
3.2.1
Effectbeschrijving
11
3.2.2
Effectbeoordeling
11
3.2.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
11
3.2.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
12
3.3
Warmtetransitie naar aardgasvrij
12
3.3.1
Effectbeschrijving
12
3.3.2
Effectbeoordeling
12
3.3.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
12
3.3.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
12
3.4
Behoud van huidige bedrijventerreinen en waar mogelijk uitbreiden en inzetten voor praktijkgeschoold werk
12
3.4.1
Effectbeschrijving
12
3.4.2
Effectbeoordeling
13
3.4.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
13
3.4.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
13
3.5
Het stimuleren van het bouwen en/of vernieuwen van de juiste woningen
13
3.5.1
Effectbeschrijving
13
4
3.5.2
Effectbeoordeling
13
3.5.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
13
3.5.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
14
Conclusie
15
4.1
Samenvatting effectbeoordelingen
15
4.2
Toepassing van deze Passende beoordeling en kennisleemten
15
4.3
Eindconclusie
16
Bijlage: Beschrijving relevante Natura 2000-gebieden
17
Colofon
22
1
Inleiding
De gemeente Hilversum werkt aan de Omgevingsvisie voor Hilversum in 2040. De Omgevingsvisie bevat nieuwe richtinggevende beleidskeuzes en beschrijft de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkelingen in de gemeente Hilversum, waaronder het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied. Voor dit programma wordt een PlanMER opgesteld. Indien het voorziene beleid en de activiteiten in een plan, zoals in de Omgevingsvisie, kunnen leiden tot significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden, dan moet volgens de Wet natuurbescherming (Wnb) een Passende beoordeling worden opgesteld. Wettelijke plannen, waarvoor een Passende beoordeling op grond van de Wnb nodig is, zijn bovendien m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Onderdeel van het PlanMER voor de Omgevingsvisie is daarom een Passende beoordeling die de mogelijke effecten van het voorgenomen beleid op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden beschrijft en beoordeelt. Deze Passende beoordeling is in dit rapport opgenomen, en is zelfstandig leesbaar naast het PlanMER. De Passende beoordeling gaat niet in op de effecten op Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden).
1.1
Wettelijk kader
Deze Passende beoordeling vloeit voort uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden. Deze gebieden worden aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000 ten aanzien van plannen en projecten die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen die daarvoor van kracht zijn. De Wnb maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen en anderzijds projecten. Bij de Omgevingsvisie gaat het om een plan. De artikelen 2.7 en 2.8 van de Wnb bevatten de procedures die moeten worden gevolgd bij besluitvorming over plannen die van invloed kunnen zijn op Natura 2000.
Een bestuursorgaan stelt volgens artikel 2.7 lid 1 een plan, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000- gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, een Passende beoordeling op. Het bestuursorgaan, in dit geval is dat de raad van de gemeente Hilversum, stelt het plan uitsluitend vast indien uit de Passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden zal aantasten.
1.2
Werkwijze
In deze Passende beoordeling is onderzocht of de maatregelen in de Omgevingsvisie kunnen leiden tot het risico dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden in Nederland worden aangetast.1
1.3
Afbakening en methode
Het abstractieniveau van de Passende beoordeling sluit aan bij dat van de zeer globaal geformuleerde maatregelen in de Omgevingsvisie. Dat betekent dat in de meeste gevallen effecten alleen op hoofdlijnen en kwalitatief in beeld kunnen worden gebracht. De Passende beoordeling heeft daarmee het karakter van een risicobeoordeling. Deze is richtinggevend voor de uitwerking van de maatregelen in concrete kaders, voorwaarden, maatregelen en activiteiten in vervolgtrajecten, waarmee mogelijk significant negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden van concrete projecten die voortkomen uit deze maatregelen kunnen worden vermeden.
1
De Wet Natuurbescherming hanteert ten aanzien van gevolgen van plannen en projecten twee begrippen: (I) significant negatieve gevolgen en (II) aantasting van de natuurlijke kenmerken. Voor het onderscheid tussen beide begrippen zijn subtiele juridische duidingen aan te brengen, mede omdat ze in de wet op verschillende plaatsen in het afwegingsproces worden toegepast. In deze Passende beoordeling worden beide begrippen echter als synoniem beschouwd.
Van belang daarbij is of in dit stadium aannemelijk kan worden gemaakt dat de risico’s op significante gevolgen in de beleidsuitwerking in voldoende mate kunnen worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen of het toepassen van afstemmingskaders of, wanneer dit onvoldoende mogelijk is, de betreffende beleidsuitspraken een zogenaamde ADC-toets2 kunnen doorstaan. Dit zijn belangrijke factoren om de Omgevingsvisie, vanuit de invalshoek van de Wet natuurbescherming, vast te kunnen stellen. Beoordeling van de mitigeerbaarheid/beheersbaarheid van effecten en een eventuele doorkijk naar de ADC-toets maken dan ook deel uit van deze Passende beoordeling. De Passende beoordeling is uitgevoerd voor de maatregelen in de Omgevingsvisie waarover nog niet eerder besluitvorming heeft plaatsgevonden in voorgangers van de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie van Hilversum richt zich op 2040 en is onderverdeeld in drie delen: Duurzaam Hilversum, Meedoen Hilversum en Actief Hilversum, waarbij per onderdeel doelen gesteld zijn en maatregelen om deze te behalen. De selectie van de maatregelen die voldoen aan dit criterium heeft in het PlanMER plaatsgevonden. Op voorhand is niet uitgesloten dat deze maatregelen gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Een beschrijving van de Natura 2000-gebieden is opgenomen in Bijlage C van deze Passende beoordeling.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is per maatregel uit de Omgevingsvisie beoordeeld of op voorhand kan worden uitgesloten dat deze leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken. Dit is het geval wanneer als gevolg van deze maatregel veranderingen in Natura 2000-gebieden optreden die niet negatief kunnen zijn voor de (ecologische condities voor) habitattypen en soorten die verbonden zijn aan de Natura 2000-gebieden. Maatregelen die alleen kunnen leiden tot positieve gevolgen voor de ecologische condities die in deze gebieden relevant zijn, hoeven in de Passende beoordeling niet te worden onderzocht. Voor deze maatregelen wordt in hoofdstuk 2 gemotiveerd waarom een Passende beoordeling niet noodzakelijk is. In hoofdstuk 3 van de Passende beoordeling vindt vervolgens een effectbeoordeling plaats van de maatregelen waarvoor significant negatieve gevolgen in hoofdstuk 2 niet konden worden uitgesloten. Die effectbeoordeling bestaat per maatregel uit de volgende onderdelen:
1.4.1
Effectbeschrijving
Per maatregel zijn de (risico’s op het optreden van negatieve) effecten beschreven op de Natura 2000-gebieden die door dat maatregel beïnvloed kunnen worden. Omdat de maatregelen in de Omgevingsvisie zeer globaal zijn omschreven, zijn de effecten van de maatregelen bepaald op basis van expert judgement en gebiedskennis van ecologen van Arcadis. Waar mogelijk is dit onderbouwd met literatuur, waaronder recente Passende beoordelingen voor projecten en plannen die vallen binnen de beleidsthema’s van de Omgevingsvisie. Alle uitspraken over milieueffecten zijn (beknopt) gemotiveerd.
1.4.2
Effectbeoordeling
De (risico’s op) significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn in deze stap getoetst aan de bepalingen in de Wnb. Het gaat daarbij om de vraag of, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen die gelden voor de betrokken gebieden, uitgesloten kan worden dat de natuurlijke kenmerken van deze gebieden worden aangetast. Van een dergelijke aantasting is sprake wanneer er een zodanige vermindering van de oppervlakte en/of kwaliteit van habitattypen of leefgebieden van soorten optreedt, dat realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komt. In deze beoordeling is uitgegaan van de huidige aangewezen Natura 2000-gebieden en van de huidige instandhoudingsdoelen die voor deze gebieden zijn vastgesteld.
1.4.3
Mitigerende maatregelen
Voor de situaties (doelend op de effecten van specifieke maatregelen in specifieke (groepen van) Natura 2000gebieden) waarvoor niet kan worden uitgesloten dat er een aantasting van de natuurlijke kenmerken kan optreden, is aangegeven welke mogelijkheden er zijn voor het treffen van mitigerende maatregelen die een dergelijke aantasting voorkomen of (in ieder geval) verminderen tot een niveau waarbij geen sprake meer is van een significant negatief gevolg. Daarbij wordt een oordeel gegeven over de verwachte effectiviteit van deze maatregelen. Hierbij is het
2
De Wet Natuurbescherming voorziet in de mogelijkheid om alsnog toestemming te geven voor plannen of projecten waarvoor niet uitgesloten is dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden worden aangetast wanneer voldaan wordt aan de volgende drie voorwaarden: 1. Er zijn geen alternatieve oplossingen (A = alternatieven); 2. Er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang (D = dwingende redenen); 3. De effecten worden zodanig gecompenseerd dat de algehele samenhang van Natura 2000 wordt bewaard (C = compensatie).
uitgangspunt dat de best beschikbare technieken (BBT) kunnen worden toegepast op het moment dat deze risico’s optreden, en dat deze maatregelen daarom uitvoerbaar zijn. De maatregelen worden nog niet in detail beschreven, omdat dit niet aansluit bij de globale omschrijving van de maatregelen. Er is geen beoordeling gemaakt van kosteneffectiviteit. Aangenomen wordt dat wanneer maatregelen te kostbaar zijn, deze maatregelen niet, op andere wijze of op basis van een ADC-toets zullen worden uitgevoerd.
1.4.4
Effectbeoordeling na mitigatie
De effecten zijn opnieuw beoordeeld met inachtneming van mitigerende maatregelen. Er is een inschatting gemaakt van de effectiviteit van mitigatie, maar dit dient nog wel te worden geverifieerd in Passende beoordelingen op detailniveau van de afzonderlijke projecten die uit de maatregelen voortkomen. Dit levert een overzichtstabel van de effecten van de maatregelen voor (groepen van) instandhoudingsdoelstellingen in het betreffende Natura 2000gebied, rekening houdend met de mitigatie. Hierbij is onderstaande stoplichtbenadering toegepast (Tabel 1). Voor de maatregelen met een rood stoplicht is een korte doorkijk naar de ADC-toets gegeven. Tabel 1 stoplichtbenadering beoordeling
Kleur
Aard en mitigeerbaarheid van effecten Geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, of alleen positieve effecten op Natura 2000-gebieden. Aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan niet worden uitgesloten, maar is naar verwachting bij uitvoering van specifieke projecten mitigeerbaar of beheersbaar via afwegingskaders, protocollen of andere instrumenten. In geval effecten onvoldoende kunnen worden beperkt, kunnen deze projecten toch doorgang vinden omdat nu nog niet de verwachting is dat deze een zogenaamde ADC-toets niet zouden kunnen doorstaan. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan niet worden uitgesloten, mitigatie en/of succesvol doorlopen van een ADC-toets is naar huidig inzicht niet mogelijk.
1.5
Cumulatie van effecten
Een beschouwing over cumulatieve effecten op verschillende niveaus van de maatregelen is nog niet mogelijk in deze Passende beoordeling. Bij cumulatieve effecten moet worden beoordeeld wat het effect van een voorgenomen activiteit is in combinatie met projecten die een Wnb-vergunning hebben en nog niet (volledig) zijn uitgevoerd. De aard, omvang, locatie en timing van de projecten die op grond van de maatregelen in de Omgevingsvisie kunnen worden uitgevoerd is in de meeste gevallen nog onzeker. Daardoor is nu niet vast te stellen welke toekomstige projecten (die bovendien nu veelal nog niet bekend en zeker niet vergund zijn) een cumulatief effect hebben met de uitwerking van de Omgevingsvisie. Een dergelijke cumulatietoets hoeft, juridisch gezien, dan ook pas plaats te vinden op het moment van vergunningverlening. Dat is nu nog niet aan de orde.
2
Afbakening
2.1
Eerste beoordeling maatregelen
In Tabel 2 is aangegeven voor welke maatregelen negatieve effecten op Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen op voorhand kunnen worden uitgesloten en voor welke niet. De maatregelen met mogelijk negatieve gevolgen zijn geselecteerd voor de effectbeoordeling. Van de wel meegenomen maatregelen wordt een reikwijdte ten aanzien van Natura 2000-gebieden bepaald. Tabel 2 Maatregelen die beoordeeld worden in de Passende beoordeling. Maatregelen met een mogelijk negatief effect worden passend beoordeeld Programma
Maatregelen
Duurzaam
Terugnemen van milieubelastende stoffen door regelmatig onderhoud aan wateren (ecologisch baggeren) Het landschap om Hilversum ontlasten door meer groene buitenruimte in en aan de randen van de stad te maken, of de toegankelijkheid en kwaliteit te verbeteren In samenwerking met gebiedspartners onderzoeken wat de beste oplossingen zijn tegen klimaatverandering en herstel van kwaliteit van de natuur De natuur aan de westzijde van Hilversum versterken door optimalisatie van het (grond)watersysteem De omslag maken naar kringlooplandbouw: een duurzame landbouw, zonder negatieve gevolgen voor de omgeving Een visie voor de landgoederen uitwerken: zoveel mogelijk behoud cultuurlandschap, verbeteren bodemkwaliteit, landbouwproducten zoveel mogelijk lokaal, zorgvuldig omgaan met mogelijkheden voor woningbouw Stimuleren van maatregelen zoals 'steenbreek' en zelf opvangen van hemelwater Groene aantrekkelijke routes voor langzaam verkeer Bij aanplant groen inzetten op verschillende soorten die bestand zijn tegen hitte en droogte Inzetten op een groennorm bij ruimtelijke ontwikkelingen Onderzoeken wat de (on)mogelijkheden zijn in de ondergrond wat betreft kabels en leidingen in relatie tot planten van bomen Toewerken naar een robuuster watersysteem: afkoppelen van hemelwater en vinden van gebieden voor wateropslag Zorgen voor een continue grondwatervoorraad Energie-efficiëntie door isolatie
Duurzame stroom opwekken Warmtetransitie naar aardgasvrij Regie op de energie-infrastructuur, ook in de ondergrond Invoeren van betaald parkeren, te beginnen in de gebieden tot aan de buitenring Gelijktijdig met het invoeren van betaald parkeren het invoeren van vergunningparkeren voor bewoners Realiseren van allerlei maatregelen die vallen binnen wat Mobility as a service (MaaS) wordt genoemd Verbeteren van de alternatieven voor de auto Parkeernormen aanpassen Bij het vernieuwen en ontwikkelen van de stad denken we toekomstgericht en circulair: gebouwen moeten zoveel mogelijk aanpasbaar en klimaat-adaptief zijn Inzetten op meervoudig ruimtegebruik Behouden van ruimte voor werk in de buurten Terughoudend omgaan met transformatie van kantoorvilla's naar woningen Behoud van huidige bedrijventerreinen en waar mogelijk uitbreiden en inzetten voor praktijkgeschoold werk Werken met profielen voor de werklocaties met vormen van functiemenging in beeld Geen nieuwe bedrijven met een milieucontour toelaten Toevoegen van wonen en voorzieningen voor werknemers Op het Media Park, Arenapark en de Monnikenberg kan innovatie de ruimte krijgen Creëren van meer ruimte voor onderwijs, bewust nabij de bedrijven op de campussen
Actief
Mogelijk negatief effect op Natura 2000? Nee
Meenemen in Passende beoordeling? Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee
Nee
Nee Nee Ja Ja Nee Nee
Nee Nee Ja Ja Nee Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Ja
Nee Nee Nee Ja
Nee
Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee
Nee
Programma
Meedoen
Maatregelen
Zoeken naar manieren om de beroepsbevolking in te zetten bij de transities. Dat biedt kansen voor praktijkgeschoold werk. We willen de inzetbaarheid van mensen die nu aan de kant staan vergroten. De gemeente zet zich ten eerste in om samenwerking tussen onderwijs, kennisinstellingen en bedrijfsleven te verbeteren en - in regionaal verband voor innovatiebudgetten Het realiseren van een hoog voorzieningenniveau. Dit past ook bij de centrumfunctie die Hilversum voor de regio Gooi en Vechtstreek heeft en wil behouden. Inzetten op het compacter maken van het winkelgebied van het centrum en dat we voor het versterken van de levendigheid werkruimte, dienstverlenende functies en woningen aan het centrum willen toevoegen De buurt- en wijkwinkelcentra zijn en blijven van belang voor de buurt Behouden van ruimte voor werk in de buurten Het versterken van de ingezette beweging van het (vooral) bekostigen van maatwerk en zorg naar (vooral) bekostiging van preventie en collectieve voorzieningen De omslag maken van een vooral individuele benadering van de energietransitie naar meer collectieve vormen en hierbij actief inwoners ondersteunen bij de uit te voeren maatregelen Een vitalere economie en daarmee samenhangend meer werkgelegenheid, met een extra accent op praktijkgeschoold werk Het behouden en realiseren van bereikbaar, toegankelijk en divers onderwijs op verschillende niveaus Het bij
elkaar brengen van instanties en plekken voor het bieden van werk en het verstrekken van een uitkering Het creëren van een lokale afzetmarkt voor het verbouwen van gezonde, betaalbare voeding Als gemeente de regie nemen om de demografische samenstelling van wijken te optimaliseren en voorzieningen voor kwetsbare groepen over de stad te verdelen Voldoende voorzieningen in de wijk en een goede verdeling van voorzieningen voor kwetsbare groepen Passende stedelijke voorzieningen realiseren op de schaal van heel Hilversum, op goed bereikbare plekken, aansluitend op demografische ontwikkelingen Het stimuleren van het bouwen en of vernieuwen van de juiste woningen Om de doorstroming op gang te brengen meer kleinere woningen voor oudere 1 en 2 persoonshuishoudens realiseren Het realiseren van betaalbare woningen voor mensen die werken in kritische sectoren als de zorg, de huishoudelijke hulp, het onderwijs en veiligheid Er is nieuwe wetgeving in voorbereiding waarbij gemeenten kunnen bepalen hoeveel koopaanbod beschikbaar moet zijn voor eigen bewoners of juist voor specifieke arbeidsdoelgroepen zoals leraren en zorgpersoneel.
Hilversum wil gebruik gaan maken van deze wetgeving en gaat onderzoeken hoe deze zo effectief mogelijk kan worden ingezet Kijken naar de hele keten: het gaat steeds over preventie, signaleren, ingrijpen en handhaven Waar mogelijk versterken van de sociale samenhang en sociale controle Het inrichten van een leefomgeving die uitnodigt tot fysiek en sociaal gezond gedrag en die veilig is Inzetten op slimme functiemenging, zodat op cruciale plekken sprake is van levendigheid en voldoende ogen op straat In alle ruimtelijke ontwikkelingen moet de verblijfsruimte en toegang gericht zijn naar het openbaar gebied Prioriteiten blijven leggen op ondermijning, jeugd en veiligheid, drugsoverlast, verwarde personen en de verkeersveiligheid Het versterken van de ingezette beweging van het (vooral) bekostigen van maatwerk en zorg naar (vooral) bekostiging van preventie en collectieve voorzieningen
Mogelijk negatief effect op Natura 2000? Nee
Meenemen in Passende beoordeling? Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja Nee
Ja Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
In Tabel 2 staat aangegeven welke maatregelen niet worden meegenomen in de Passende beoordeling. Door het uitvoeren van deze maatregelen vindt geen oppervlakteverlies plaats van omliggende Natura 2000-gebieden. Er vindt geen versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door licht, geluid of trillingen, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten plaats door de maatregelen op omliggende Natura 2000-gebieden. Tevens is er geen sprake van externe werking van bovengenoemde maatregelen.
Deze maatregelen hebben daardoor geen significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Daarom worden de effecten van die maatregelen niet onderzocht in deze Passende beoordeling.
2.2
Reikwijdte van in de Passende beoordeling verder behandelde maatregelen
De maatregelen in de Omgevingsvisie zijn over het algemeen nog zeer globaal omschreven. Om die reden zijn deze maatregelen nog niet duidelijk gerelateerd aan specifieke gebieden. Daarom is de beoordeling (ook) niet op het niveau van afzonderlijke Natura 2000-gebieden uitgevoerd. In figuur 1 is op de kaart weergegeven welke Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van de gemeente Hilversum voorkomen en relevant zijn voor deze Passende beoordeling. Deze zijn de volgende Natura 2000-gebieden: Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer. Een beschrijving van deze Natura 2000-gebieden is te vinden in de bijlage.
Figuur 1 Relevante Natura 2000-gebieden
3
Effectbeoordeling
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk vindt de feitelijke effectbeoordeling plaats per maatregel. Binnen de Natura 2000-gebieden zijn alleen de maatregelen beoordeeld waarvoor effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten (zie hiervoor ook Tabel 2). In Tabel 3 zijn voor de in de Passende beoordeling mee te nemen maatregelen alle mogelijke effecten weergegeven. Dit zijn effecten die algemeen van toepassing zijn bij dergelijke maatregelen en hierbij is nog niet specifiek gekeken naar de situatie voor de gemeente Hilversum. De volgende uitgangspunten zijn van toepassing: • •
Er worden geen gebouwen gebouwd of wegen aangelegd in Natura 2000-gebieden. Er wordt altijd gewerkt binnen milieunormen. Daardoor zal er nooit sprake zijn verontreiniging.
Verstoring door geluid, licht, en optische verstoring
Verstoring door trilling en mechanische effecten
Verdroging
X
Verontreiniging
X
Verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht
Versnippering
Maatregelen Duurzame stroom opwekken Warmtetransitie naar aardgasvrij Behoud van huidige bedrijventerreinen en waar mogelijk uitbreiden en inzetten voor praktijkgeschoold werk Het stimuleren van het bouwen en of vernieuwen van de juiste woningen
Oppervlakteverlies
Tabel 3: Mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden per maatregel3
X
X
X X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Bij oppervlakteverlies vindt door verandering van functie van een gebied een afname van de oppervlakte van habitats en/of leefgebieden plaats. Het treedt bijvoorbeeld op als woningen worden gebouwd of recreatievoorzieningen worden aangelegd in een Natura 2000-gebied. Versnippering treedt bijvoorbeeld op wanneer een weg wordt aangelegd die twee deelgebieden van elkaar scheidt, en waardoor deze minder goed bereikbaar worden voor dieren. Er is dan sprake van het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Uitgangspunt voor deze Passende beoordeling is echter dat de maatregelen niet leiden tot aanleg van voorzieningen binnen de grenzen van Natura 2000-gebieden. Daarnaast is als uitgangspunt genomen dat alle activiteiten die zijn verbonden aan de uitvoering van maatregelen plaatsvinden binnen geldende milieunormen, waardoor effecten van verontreiniging in Natura 2000-gebied eveneens uitgesloten zijn. Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NO x), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van
3
Voor de mogelijke effecten die kunnen optreden is het rapport Effectenindicator Natura 2000-gebieden (Alterra-rapport 1375, Alterra, Wageningen, 2005) gebruikt als inspiratie (zie: https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/handreikingen/rapport%201375.pdf). Hierin staan 19 verstorende factoren die van invloed kunnen zijn op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000. Een deel van deze verstorende factoren is relevant voor de maatregelen die de gemeente Hilversum voorstaat met haar Omgevingsvisie en die kunnen optreden op de relevante Natura 2000-kenmerken in geding. Enkele verstorende factoren van de effectenindicator zijn samengevoegd onder één noemer in deze Passende beoordeling.
bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van wateren met een niet al te lage zuurgraad. Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie, die ontstaat door stikstofemissies tijdens het gebruik van bedrijven, woningen, industrie en infrastructuur. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Een overmaat aan stikstof leidt tot verruiging en verarming van vegetaties en daarvan afhankelijke faunagemeenschappen, en is daardoor negatief voor veel Natura 2000gebieden. Verdroging van natuur is het gevolg van het optreden van lagere grondwaterstanden en/of afname van de toestroming van grondwater (kwel). Habitattypen en leefgebieden die afhankelijke zijn van natte tot vochtige condities, al dan niet in samenhang met kwel, nemen af in kwaliteit wanneer het milieu droger wordt. Afname van kwel draagt bovendien bij aan verzuring van het milieu, omdat basenrijk water zorgt voor de instandhouding van een goede buffercapaciteit.
Ook de compensatiemaatregelen voor verdrogingseffecten, zoals het inlaten van gebiedsvreemd water in laagveenmoerassen om waterstanden op peil te houden, hebben vaak negatieve gevolgen, bijvoorbeeld door eutrofiëring. Veel dieren, en dan met name zoogdieren en vogels, zijn gevoelig voor hoge niveaus van geluid, licht en trillingen en van aanwezigheid en bewegingen van mensen en door mensen gebruikte werktuigen. Verstoring leidt tot hogere stressniveaus, aanpassing van natuurlijk gedrag en uiteindelijk tot effecten op de populaties van soorten (wegtrekken uit gebieden, verhoogde sterfte en verminderd voortplantingssucces). Verstoring door geluid, licht en optische verstoring ontstaat bijvoorbeeld door een toename van wegverkeer (geluid), licht uit woonwijken en industrieterreinen en de aanwezigheid van beweging van mensen, auto’s, schepen e.d. (optische verstoring). Verstoring door trilling en mechanische effecten vindt bijvoorbeeld plaats bij boor- of heiwerkzaamheden. In de volgende paragrafen zijn per maatregel de volgende stappen doorlopen: • • • •
De beschrijving van de effecten op Natura 2000-gebieden voor elk van de relevante maatregelen. Een eerste beoordeling van de effecten van de maatregel op Natura 2000-gebieden. Een overzicht van mogelijkheden voor het treffen van (mitigerende) maatregelen dan wel planaanpassingen, of instrumenten waarmee effecten kunnen worden voorkomen (op hoofdlijnen aangeduid). Een eindbeoordeling van de mate van de risico’s op aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000gebieden.
3.2
Duurzame stroom opwekken
3.2.1
Effectbeschrijving
Het PlanMER concludeert dat Hilversum niet aan haar opgave van duurzame stroomopwekking zal voldoen met enkel zon-op-daken. Ervan uitgaande dat Hilversum aan haar opgave wil voldoen en dit middels zonne-energie wil bewerkstelligen, is zon-op-land onvermijdelijk. De maatregel en het gestelde doel voor het opwekken van duurzame stroom botst onder andere met de opgaven met betrekking tot bodem, natuur en landschap.
3.2.2
Effectbeoordeling
Afhankelijk van de afstand van de plaatsing van zon-op-land ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden zijn er mogelijk risico’s op negatieve gevolgen op habitats en soorten in de Natura 2000-gebieden. Zij het door een rechtstreekse invloed van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase, cumulatieve invloed of externe werking. De stoplichtbeoordeling is daarom oranje.
3.2.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
Bij de nadere uitwerking van deze maatregel en het concreet inpassen van zon op land, is het van belang om natuurontwikkeling te integreren in het ontwerp van een zonnepark. Dit vraagt om een zorgvuldige ecologische analyse en afweging om de landschappelijke inpassing van een zonnepark te bewerkstelligen, mogelijk in combinatie met nevenfuncties (zoals natuur, landbouw of recreatie). Ook wordt er naast de ecologische beoordeling een beheerplan met monitoringsplan gevraagd. Bij deze specifieke maatregel hangt de keuze voor maatregelen sterk af
van de verwachte uitwerking. Maatregelen moeten zijn gericht op het lokaal beschermen van kwetsbare habitattypen en populaties. Te denken valt aan: • • • •
Realisatie van zonneparken zo ver mogelijk van Natura 2000-gebieden vandaan; Focus op locaties voor zonneparken waar natuurwaarden niet aangetast worden en bij voorkeur verbeterd worden; Hierbij rekening houdend met aspecten als veldopstelling en ecologische en landschappelijke inpassing; Clustering van zonneparken in de nabijheid van grootschalige infrastructurele elementen; Inpassing van zonneparken op basis van regie en definitieve afweging op provinciaal niveau.
3.2.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
De stoplichtbeoordeling blijft na het toepassen van mitigerende maatregelen oranje, omdat significant negatieve effecten op voorhand niet zijn uit te sluiten.
3.3
Warmtetransitie naar aardgasvrij
3.3.1
Effectbeschrijving
De gemeente heeft zich ten doel gesteld om in 2040 aardgasvrij te zijn. In de uitvoering van deze warmtetransitie kiest Hilversum voor een individuele benadering en een aanpak per buurt voor het aardgasvrij-klaar maken van woningen en gebouwen. Het succes van de warmtetransitie wordt voornamelijk bepaald door de technische kenmerken van de woningen en gebouwen, alsook de sociaaleconomische kenmerken van de samenleving. Ook zal de komende jaren worden ingezet op lokale energie-initiatieven rondom aquathermie en thermische energie uit afvalwater. Voor WKOsystemen en thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) moet onderzocht worden of warmtewinning uit oppervlaktewater en opslag in de bodem mogelijk is met Natura 2000-gebieden nabij. In ieder geval door een zone van 500 meter aan te houden rondom Natura 2000-gebieden4.
3.3.2
Effectbeoordeling
Hoewel de warmtetransitie naar aardgasvrij in de gemeente Hilversum plaatsvindt in de gebouwde omgeving, op significante afstand van Natura 2000-gebieden, zijn effecten van verdroging niet uitgesloten. Bij heel specifieke toepassingen zoals WKO-systemen kan er sprake zijn van negatieve effecten op de bodem en ondergrond nabij de Natura 2000-gebieden. Het is niet meer zekerheid uit te sluiten dat dit doorwerkt tot in de relevante Natura 2000gebieden en daarmee de habitats beïnvloedt. Daarom is de stoplichtbeoordeling oranje.
3.3.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
Bij de nadere uitwerking van deze maatregel kan een maatregel getroffen worden als mitigerende maatregel om negatieve effecten van de maatregel te voorkomen. Bij deze specifieke maatregel hangt de keuze voor maatregelen sterk af van de verwachte uitwerking. Maatregelen moeten zijn gericht op het lokaal beschermen van kwetsbare habitattypen en populaties. Te denken valt aan: •
Realisatie van WKO-systemen zo ver mogelijk van Natura 2000-gebieden vandaan, rekening houdend met de 500 meter zone;
3.3.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
De stoplichtbeoordeling is na het toepassen van mitigerende maatregelen groen.
3.4
Behoud van huidige bedrijventerreinen en waar mogelijk uitbreiden en inzetten voor praktijkgeschoold werk
3.4.1
Effectbeschrijving
Deze maatregel binnen het programma Actief zet in op meer ruimte voor werk op bestaande werklocaties, in het centrum en in de wijken. Wanneer bedrijventerreinen uitgebreid gaan worden dan kan dit (in de aanlegfase) leiden tot 4
Tauw 2022, Grondwaterontrekking bij natuurgebieden.
verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht, verontreiniging, verdroging, en verstoring door geluid, licht en optische verstoring na de bouw.
3.4.2
Effectbeoordeling
De exacte invulling van de wijze waarop uitbreiding van de huidige bedrijventerreinen plaats gaat vinden is niet bekend. Een significante uitbreiding van de huidige bedrijventerreinen door deze maatregel kan resulteren in de hierboven genoemde effecten. Daarom is de stoplichtbeoordeling oranje.
3.4.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
Bij de nadere uitwerking van deze maatregelen kan een aantal maatregelen getroffen worden, óf als onderdeel van het planontwerp óf als mitigerende maatregel om negatieve effecten van de maatregel te voorkomen. Bij deze specifieke maatregel hangt de keuze voor maatregelen sterk af van de verwachte uitwerking. Maatregelen moeten zijn gericht op het lokaal beschermen van kwetsbare habitattypen en populaties. Te denken valt aan: • • •
Uitbreiding van bedrijventerreinen zo ver mogelijk bij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden vandaan. Bij de uitbreiding van bedrijventerreinen gebruik maken van emissiearm materiaal, beperken van geluid, inzetten op een duurzame inrichting van bedrijventerreinen en het stellen van eisen aan milieu categorieën. Beperken van stikstofuitstoot door aanpassing van het productieproces en/of afvangen van stikstof (de-nox).
3.4.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
De stoplichtbeoordeling is na het toepassen van mitigerende maatregelen groen.
3.5
Het stimuleren van het bouwen en/of vernieuwen van de juiste woningen
3.5.1
Effectbeschrijving
Deze maatregel binnen het programma Meedoen zet in op het bouwen en/of vernieuwen van woningen. Het bouwen van woningen leidt mogelijk tot verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht, verontreiniging, verdroging, en verstoring door geluid, licht en optische verstoring na de bouw. Tijdens de bouw kan dit leiden tot verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht en tot verstoring door trilling en mechanische effecten. In het planMER is berekend dat er tot 2030 realistisch 4.105 woningen extra ontwikkeld zullen worden in Hilversum.
3.5.2
Effectbeoordeling
Hoewel de maatregel niet concreet maakt waar de woningen gebouwd zullen worden, en het aannemelijk is dat deze woningen in bebouwd gebied gebouwd zullen worden op significante afstand van Natura 2000-gebieden, zijn effecten van verstoring niet uitgesloten. De bouw van dit aantal woningen, mede door deze maatregel, kan resulteren in de hierboven genoemde effecten. Een groot aandeel van de effecten is overigens niet zozeer afkomstig van de woningen zelf, maar ook van de toevoeging van menselijke activiteiten die dat met zich brengt. Denk dan aan verstoring, verontreiniging van het oppervlaktewatersysteem en aan verdroging als er meer drinkwater nodig zou zijn. De stoplichtbeoordeling is oranje.
3.5.3
Mogelijke mitigerende maatregelen
Bij de nadere uitwerking van deze maatregel kan een maatregel getroffen worden als mitigerende maatregel om negatieve effecten van de maatregel te voorkomen. Bij deze specifieke maatregel hangt de keuze voor maatregelen sterk af van de verwachte uitwerking. Maatregelen moeten zijn gericht op het lokaal beschermen van kwetsbare habitattypen en populaties. Te denken valt aan: • •
Het niet of beperkt afgeven van vergunningen van woningen die relatief dichtbij (stikstofgevoelige) Natura 2000gebieden vandaan gebouwd worden. Het stimuleren van woningbouw met emissiearm materieel, beperken van geluid, en het stellen van eisen aan milieu categorieën.
3.5.4
Effectbeoordeling na toepassing maatregelen
Vanwege het aanzienlijke aantal woningen in de planvoorraad, weinig grip van de gemeente op de private woningbouw, een aantal woningen die al ontwikkeling zijn, en de weinige concreetheid van de maatregel blijft de stoplichtbeoordeling oranje.
4
Conclusie
4.1
Samenvatting effectbeoordelingen
In deze Passende beoordeling is beoordeeld of er risico’s zijn dat uitvoering van maatregelen in de Omgevingsvisie leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Nederlandse Natura 2000-gebieden. Op basis van een zeefproces zijn uiteindelijk vier maatregelen in deze Passende beoordeling betrokken. In Tabel 4 is een samenvatting van de effectbeoordelingen weergegeven.
Effectbeoordeling voor maatregelen
Maatregel
Effectbeoordeling na mitigerende maatregelen
Tabel 4 Samenvatting van effectbeoordelingen vóór en ná toepassing van (mitigerende) maatregelen.
Duurzame stroom opwekken Warmtetransitie naar aardgasvrij Behoud van huidige bedrijventerreinen en waar mogelijk uitbreiden en inzetten voor praktijkgeschoold werk Het stimuleren van het bouwen en/of vernieuwen van de juiste woningen
Uit de beoordelingen blijkt dat voor deze maatregelen risico’s bestaan op significant negatieve gevolgen voor instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De ernst van deze gevolgen kan in de meeste gevallen worden gemitigeerd. De beoordeling na mitigatie is voor de twee maatregelen groen en in twee gevallen oranje. Dit betekent dat, mits er rekening mee wordt gehouden in het ontwerp, geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden optreedt (groen). Of dat effecten bij uitvoering van specifieke projecten momenteel niet te duiden zijn of zodanig mitigeerbaar of beheersbaar zijn, dat ze mogelijk alsnog uitgevoerd kunnen worden zonder aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden (oranje). Met de uitvoering van de maatregel ‘Duurzame stroom opwekken’ dient zon-op-land gerealiseerd te worden. Aangezien een belangrijk deel van de vogel- en habitatrichtlijnsoorten buiten het Natura 2000-netwerk ligt, kan de aanleg van zonneparken naast tijdelijke stikstokstofdepositie eventueel ten koste gaan van de oppervlakte van belangrijke natuurtypen en daarmee mogelijk een externe werking hebben op de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer. Er wordt geadviseerd om voor concrete projecten voor zonneparken een Passende beoordeling op te stellen.
Als uit de Passende beoordeling vervolgens naar voren komt dat significante negatieve effecten niet (volledig) uitgesloten kunnen worden, kan een ADC-toets een laatste mogelijkheid zijn. Een ADC-toets is de laatste stap die doorlopen kan worden voor toestemmingverlening. Het vergelijkbare speelt bij het stimuleren van het bouwen en/of vernieuwen van de juiste woningen. Vanwege het aanzienlijke aantal woningen in de planvoorraad, weinig grip van de gemeente op de private woningbouw, een aantal woningen die al ontwikkeling zijn, en de weinige concreetheid van de maatregel.
4.2
Toepassing van deze Passende beoordeling en kennisleemten
Deze Passende beoordeling heeft een relatief hoog abstractieniveau, dat aansluit bij het zeer globale niveau waarop maatregelen in de Omgevingsvisie zijn opgenomen. In verband hiermee is het in de meeste gevallen niet mogelijk om nu al de zekerheid te verkrijgen dat uit de Omgevingsvisie voortkomende plannen en projecten de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zullen aantasten. Deze Passende beoordeling geeft daarom vooral een overzicht van de maatregelen uit de Omgevingsvisie die kunnen leiden tot ecologische risico’s voor Natura 2000-gebieden. Het document geeft in hoofdlijnen aan op welke wijze significante gevolgen kunnen worden voorkomen door treffen van mitigerende maatregelen. Deze Passende beoordeling heeft daarom vooral als doel om richting te geven aan verdere planuitwerking en onderzoek naar effecten van individuele initiatieven die uit de maatregelen zullen voortkomen. Er zijn mogelijkheden om deze vervolgtrajecten
zo in te richten en uit te voeren dat uiteindelijk voorkomen kan worden dat Natura 2000-gebieden substantieel aangetast worden. Voor alle in deze Passende beoordeling beoordeelde maatregelen geldt dat diepgaander en gedetailleerder onderzoek naar ecologische effecten nodig is bij verdere uitwerking van plannen en projecten. Ten tijde van de voorbereiding van de concreet uit te voeren projecten, zal veel meer kennis over effecten kunnen worden ingezet en benut dan momenteel het geval is. Dit zal tot een nuancering van de in deze Passende beoordeling opgenomen risicoinschattingen leiden, en de onzekerheid over aard en omvang van effecten sterk doen afnemen. Aard en omvang van effecten kunnen verschillen, afhankelijk van de daadwerkelijk locatie van maatregelen die uiteindelijk worden gekozen, en de wijze waarop deze gebieden worden ingericht en ontwikkeld. Voor alle maatregelen geldt dat bij de huidige beoordelingen de huidige Natura 2000-aanwijzingsbesluiten het uitgangspunt zijn geweest. Als instandhoudingsdoelen wijzigen kunnen effectbeoordelingen anders uitpakken.
4.3
Eindconclusie
De gemeente Hilversum werkt momenteel aan een Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie bevat nieuwe richtinggevende beleidskeuzes en beschrijft de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling in de gemeente Hilversum, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied. Uit deze Passende Beoordeling kunnen de volgende conclusies worden getrokken: •
Door het aanleggen van zon-op-land kunnen er ook na uitvoering van de voorgestelde mitigerende maatregelen alsnog risico’s op aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Er wordt geadviseerd om voor zon-op-land op het moment dat er concrete plannen zijn een Passende beoordeling op te stellen. • Door de bouw van 4.105 woningen tot 2030 kunnen er ook na uitvoering van de voorgestelde mitigerende maatregelen alsnog risico’s op aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura-2000 gebieden plaatsvinden. • Voor de andere in deze Passende beoordeling opgenomen maatregelen, kunnen de risico’s op de meeste negatieve effecten worden beperkt door het toepassen van (mitigerende) maatregelen en/of gerichte aanpassingen aan de detailontwerpen. Verdere studies zijn nodig wanneer de maatregelen concreter worden. In de projectfase moet ook specifiek een uitgebreide en gedetailleerde Passende beoordeling worden opgesteld met daarin alle aanlegeffecten. • Tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase van deze maatregelen kunnen, zoals de huidige uitvoeringspraktijk leert, vrijwel altijd afdoende voorkómen of gemitigeerd worden.
Kortom, er kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming, mits bij nadere uitwerking van plannen en projecten rekening gehouden wordt met de hier gesignaleerde risico’s of effecten op Natura 2000-gebieden.
Bijlage: Beschrijving relevante Natura 2000-gebieden De teksten en tabellen in deze bijlage zijn afkomstig van www.natura2000.nl (geraadpleegd op 15 november, 2022).
Oostelijke Vechtplassen Omschrijving De Oostelijke Vechtplassen bestaat uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van Utrechtse heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan. In het gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen). Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (Woudaap, Grote karekiet). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (Porseleinhoen, Zwarte stern, IJsvogel).
Doelstelling Hieronder ziet u een lijst met alle habitattypen en/of Habitatrichtlijnsoorten en/of broedvogel- en nietbroedvogelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Voor al deze waarden is aangegeven wat de instandhoudingsdoelen in het gebied zijn. De doelen zijn geformuleerd in termen van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang (populatiegrootte of oppervlakte habitattype of leefgebied van de soort) en “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit (van het habitattype of het leefgebied van de soort). Verder is de relatieve bijdrage van het gebied aan het landelijk doel voor de betreffende waarde aangegeven en, indien van toepassing, de kernopgave met betrekking tot de waarde in het gebied. Bij alle doelen staat de “status” aangegeven. In de meeste gevallen is dit “definitief”. Indien hier “ontwerp” staat, betekent dit dat het (wijzigings-)besluit waar dit doel in staat op dit moment ter inzage ligt of ter inzage heeft gelegen, maar daarna nog niet definitief vastgesteld is. Ook wordt aangegeven als een habitattype of soort verwijderd zal worden “definitief (in ontwerp verwijderd)” of als subtypen van habitattypen vervangen worden “ontwerp (vervanging doel subtype)”. In geval van “aanmelding” is het Habitatrichtlijngebied aangemeld voor de communautaire lijst, maar is er nog geen aanwijzingsbesluit opgesteld en zijn er nog geen doelen geformuleerd.
Tabel 5 Habitattypen Oostelijke Vechtplassen
Habitattype H3140 Kranswierwateren H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H4010B - Vochtige heiden H6410 Blauwgraslanden H6430A - Ruigten en zomen H6430B - Ruigten en zomen H7140A Overgangs- en trilvenen H7140B Overgangs- en trilvenen
Habitatsubtype
Kernopgaven
>
Relatieve bijdrage C
>
>
B1
4.08,W
definitief
=
=
C
4.09,SB,W
definitief
=
>
C
4.09,SB,W; 4.15,W
moerasspirea
definitief
=
=
C
harig wilgenroosje
definitief
=
=
C
trilvenen
definitief
>
>
B1
4.09,SB,W
veenmosrietlanden
definitief
>
>
B1
4.09,SB,W
laagveengebied
Status doel definitief
Oppervlakte
Kwaliteit
>
definitief
4.08,W
H7210* Galigaanmoerassen H91D0* Hoogveenbossen
laagveengebied
definitief
>
>
B1
4.09,SB,W
definitief
=
=
C
4.09,SB,W
Kwaliteit leefgebied =
Relatieve bijdrage B2
Kernopgaven
B1
4.08,W
Tabel 6 Habitatrichtlijnsoorten Oostelijke Vechtplassen
Soort
Status doel
Populatie
H1016 - Zeggekorfslak H1042 Gevlekte witsnuitlibel H1082 Gestreepte waterroofkever H1134 Bittervoorn H1145 - Grote modderkruiper H1149 - Kleine modderkruiper H1163 Rivierdonderpad H1318 Meervleermuis H1340* Noordse woelmuis H1903 Groenknolorchis H4056 - Platte schijfhoren
definitief
=
Omvang leefgebied =
definitief
>
>
>
definitief
>
>
>
definitief
=
=
=
definitief
=
=
=
4.08,W
definitief
=
=
=
4.08,W
definitief
=
=
=
definitief
=
=
=
C
4.12,SG,W
definitief
>
>
>
B1
4.09,SB,W
definitief
=
=
=
C
4.08,W
definitief
=
=
=
B1
4.08,W
Kwaliteit leefgebied >
Relatieve bijdrage C
Kernopgaven
4.08,W
4.08,W
C
4.08,W
Tabel 7 Broedvogels Oostelijke Vechtplassen
Soort
Status doel
Populatie
A021 Roerdomp A022 Woudaap A029 Purperreiger A119 Porseleinhoen A197 - Zwarte stern A229 IJsvogel A292 - Snor A295 Rietzanger
definitief
5
Omvang leefgebied >
definitief
10
>
>
A1
definitief
50
=
=
B2
definitief
8
=
=
B1
definitief
110
>
>
B1
definitief
10
=
=
C
definitief definitief
150 880
= =
= =
B2 B1
4.12,SG,W
4.12,SG,W
4.08,W
4.12,SG,W
Tabel 8 Niet-broedvogels Oostelijke Vechtplassen
Soort
Status doel
Populatie
Populatie waarde
Instandhoudings -doelstellingen
Omvang leefgebied =
Kwaliteit leefgebied =
Relatieve bijdrage
A017 Aalscholve r A041 Kolgans
definitief
behoud
n.v.t.
Slaap- en rustplaats
definitief
920
gemiddel de
Slaap- en rustplaats en foerageergebied Slaap- en rustplaats en foerageergebied Slaap- en rustplaats en foerageergebied Foerageergebied
=
=
C
A043 Grauwe gans A050 Smient
definitief
1200
gemiddel de
=
=
C
definitief
2800
gemiddel de
=
=
C
A051 Krakeend A056 Slobeend A059 Tafeleend A068 Nonnetje
definitief
40
definitief
80
definitief
120
definitief
20
gemiddel de gemiddel de gemiddel de gemiddel de
=
=
C
Foerageergebied
=
=
C
Foerageergebied
=
=
C
Foerageergebied
=
=
B1
Kernopgaven
Naardermeer Omschrijving Het Naardermeer is een natuurlijk meer dat op de overgang van de hoge zandgronden van het Gooi naar het (veen-) poldergebied van West-Nederland ligt. Het stond via de Vecht in open verbinding met de Zuiderzee en werd samen met zijn omgeving geteisterd door storm en vloed. Aan het eind van de 14de eeuw werd daarom het Naardermeer afgedamd en de verbinding met de Zuiderzee verbroken. Sindsdien heeft men tweemaal geprobeerd het meer droog te leggen, maar na korte tijd heeft men het toch weer laten onderlopen. De waterhuishouding van het meer wordt gevoed door neerslag en kwelwater uit het Gooi. Het is het oudste Nederlandse natuurreservaat, waarin, naast watervegetaties en verlandingszones, ook zich natuurlijk en vrijwel ongestoord ontwikkelende broekbossen voorkomen. Sinds 1984 worden maatregelen genomen om het inlaatwater te zuiveren. Mede als gevolg hiervan hebben kranswiervegetaties zich hersteld. Recentelijk zijn vernattingsmaatregelen in de graslanden rondom het Naardermeer genomen, waardoor de waterhuishouding verbeterd is. In de wateren met weinig golfslag groeien drijvende waterplanten al dan niet verankerd in de waterbodem. Deze begroeiingen bestaan in het gebied grotendeels uit grote fonteinkruiden. In de kleinere watergangen komen met kleine oppervlakte krabbescheerbegroeiingen voor.
Bij verdergaande successie gaan de veenmosrietlanden en trilvenen over in drogere en zuurdere vegetatietypen die behoren tot moerasheide of veenbos. Een aanzienlijk deel van het gebied bestaat uit deze vegetatietypen. In het Laegieskampje, aan de zuidrand van het gebied, komt blauwgrasland voor.
Doelstelling Op deze pagina ziet u een lijst met alle habitattypen en/of Habitatrichtlijnsoorten en/of broedvogel- en nietbroedvogelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Voor al deze waarden is aangegeven wat de instandhoudingsdoelen in het gebied zijn. De doelen zijn geformuleerd in termen van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang (populatiegrootte of oppervlakte habitattype of leefgebied van de soort) en “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit (van het habitattype of het leefgebied van de soort). Verder is de relatieve bijdrage van het gebied aan het landelijk doel voor de betreffende waarde aangegeven en, indien van toepassing, de kernopgave met betrekking tot de waarde in het gebied. Bij alle doelen staat de “status” aangegeven. In de meeste gevallen is dit “definitief”. Indien hier “ontwerp” staat, betekent dit dat het (wijzigings-)besluit waar dit doel in staat op dit moment ter inzage ligt of ter inzage heeft gelegen, maar daarna nog niet definitief vastgesteld is. Ook wordt aangegeven als een habitattype of soort verwijderd zal worden “definitief (in ontwerp verwijderd)” of als subtypen van habitattypen vervangen worden “ontwerp (vervanging
doel subtype)”. In geval van “aanmelding” is het Habitatrichtlijngebied aangemeld voor de communautaire lijst, maar is er nog geen aanwijzingsbesluit opgesteld en zijn er nog geen doelen geformuleerd. Tabel 9 Habitattypen Naardermeer
Habitattype
Habitatsubtype
H3130 Zwakgebufferde vennen H3140 Kranswierwateren H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H4010B Vochtige heiden H6410 Blauwgraslanden H6430A - Ruigten en zomen H6430B - Ruigten en zomen H7140A Overgangs- en trilvenen H7140B Overgangs- en trilvenen H91D0* Hoogveenbossen
Kernopgaven
=
Relatieve bijdrage C
=
=
B1
4.08,W
definitief
=
=
C
4.08,W
definitief
=
=
C
4.09,W
definitief
>
>
C
4.09,W; 4.15,W
moerasspirea
ontwerp
=
=
C
harig wilgenroosje
ontwerp
=
=
C
trilvenen
definitief
>
>
C
4.09,W
veenmosrietlanden
definitief
=
=
C
4.09,W
definitief
=
>
A1
4.09,W; 4.14,W
Kwaliteit leefgebied =
laagveengebied
Status doel ontwerp
Oppervlakte verlies =
Kwaliteit
definitief
Tabel 10 Habitatrichtlijnsoorten Naardermeer
Soort
Status doel
Populatie
H1016 - Zeggekorfslak H1082 Gestreepte waterroofkever H1134 Bittervoorn H1149 - Kleine modderkruiper H1903 Groenknolorchis H4056 - Platte schijfhoren
definitief
=
Omvang leefgebied =
Relatieve bijdrage C
Kernopgaven
definitief
>
>
>
definitief
=
=
=
definitief
=
=
=
definitief
=
=
=
C
4.09,W
definitief
=
=
=
B1
4.08,W
Kwaliteit leefgebied =
Relatieve bijdrage B2
Kernopgaven
=
B2
4.12,W
4.08,W
C
4.08,W 4.08,W
Tabel 11 Broedvogels Naardermeer
Soort
Status doel
Populatie
A017 Aalscholver A029 Purperreiger
definitief
1800
Omvang leefgebied =
definitief
60
=
A197 - Zwarte stern A292 - Snor A298 - Grote karekiet
definitief
35
>
>
B1
4.08,W
definitief definitief
30 10
= >
= >
C B1
4.12,W 4.12,W
Tabel 12 Niet-broedvogels Naardermeer
Soort A041 Kolgans A043 Grauwe gans
Status doel definitief
Populatie
Populatiewaarde
Instandhoudingsdoelen Slaap- en rustplaats
Omvang leefgebied =
Kwaliteit leefgebied =
behoud
n.v.t.
definitief
behoud
n.v.t.
Slaap- en rustplaats
=
=
Colofon PASSENDE BEOORDELING BIJ DE OMGEVINGSVISIE HILVERSUM
OPDRACHTGEVER Gemeente Hilversum AUTEUR Wout van Lankveld PROJECTNUMMER 30141457 DATUM 12 december 2022 STATUS Definitief
Over Arcadis Arcadis is de leidende wereldwijd opererende ontwerp- en consultancyorganisatie op het gebied van de natuurlijke en gebouwde omgeving. Wij helpen onze klanten en de maatschappij met doeltreffende, duurzame en digitale oplossingen. Wij zijn met 33.000 mensen actief die in ruim zeventig landen meer dan € 3,8 miljard aan omzet genereren. Wij helpen UN-Habitat met onze mensen, die kennis en expertise leveren om de moeilijke leefomstandigheden te verbeteren in gebieden die lijden onder de gevolgen van klimaatverandering. www.arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Nederland T +31 (0)88 4261 261
Arcadis. Improving quality of life
Volg ons op
arcadis-nederland
arcadis_nl
ArcadisNetherlands