Bijlage D - Concretisering doelen en toetsingskader
Tekst van het document
Bijlage D – Concretisering doelen, monitoring en toetsingskader Omgevingsvisie Inhoud 1.
Aanleiding ........................................................................................................................................ 2 Een monitor Omgevingsvisie ............................................................................................................... 2 Verschillende monitors ....................................................................................................................... 2 Zienswijzen en adviezen ...................................................................................................................... 3
2.
Concretisering doelen voor de monitor .......................................................................................... 5 Indicatoren doelen Duurzaam ............................................................................................................. 6 Indicatoren doelen Meedoen ............................................................................................................ 11 Indicatoren doelen Actief .................................................................................................................. 13 Integrale doelen ................................................................................................................................ 14 Open data en ontwikkeling van de Omgevingsmonitor .................................................................... 15 Overzicht diverse bronnen ................................................................................................................ 16
3.
Doorontwikkeling Hilversums toetsingskader............................................................................... 17 Aanleiding .......................................................................................................................................... 17 Wat is een toetsingskader? ........................................................................................................... 17 Waar gebruiken we een toetsingskader voor? ............................................................................. 18 Vertrekpunt: voorlopig toetsingskader ............................................................................................. 18 Verbeteringen van het toetsingskader.............................................................................................. 20 Naar een Hilversums toetsingskader gebaseerd op de Omgevingsvisie ........................................... 21 Verdere uitwerking............................................................................................................................ 22
1
1. Aanleiding De Omgevingsvisie schetst een vergezicht van opgaven en doelen voor de lange termijn voor allerlei thema's als wonen, klimaat en gezondheid. Het is een hoog-over richting, waarbij we in toenemende mate kijken naar de samenhang van vraagstukken: wanneer gesproken wordt over toename van woningen, dan gaat het tegelijk ook over voldoende voorzieningen, groen en mobiliteit. In de ontwerp Omgevingsvisie zijn opgaven, doelen en aanzetten tot maatregelen benoemd. De hoog-over richting is daarbij vooral kwalitatief omschreven. In het PlanMER is zoveel mogelijk kwantitatief onderbouwd hoe de doelen en aanzetten tot maatregelen antwoord zullen geven op de opgaven. De methodiek is goed geschikt om een volgende stap te zetten in het concretiseren van KPI’s (kritische prestatie-indicatoren): zo gaan we de voortgang volgen/monitoren. Deze notitie beschrijft hoe we die stap zetten. Daarmee geven we invulling aan de laatste stap in de beleidscyclus (monitoring en evaluatie). Figuur 1 Beleidscyclus onder de Omgevingswet
Een monitor Omgevingsvisie Na vaststelling van de Omgevingsvisie gaan we aan de slag met (deel-)visies, programma’s en gebiedsagenda’s. Periodiek halen we het net op: liggen we nog op koers en zijn de omstandigheden zodanig veranderd dat bijstelling nodig is? Dat doen we met een Monitor Omgevingsvisie. Zo’n instrument voor gemeenteraad, college en samenleving geeft inzicht in de voortgang van opgaven en in de doelen die gesteld zijn en op de trends en ontwikkelingen die daarop van invloed zijn. Het is immers zeker dat gedurende de looptijd van de Omgevingsvisie omstandigheden zullen veranderen: (geo-)politiek, economisch en sociaal.
Verschillende monitors Het in de ontwerp Omgevingsvisie gemaakte onderscheid tussen de Omgevingsvisie, programma’s en agenda’s betekent dat verschillende monitors nodig zijn. Beleid Uitvoering
Inhoud Omgevingsvisie Programma's Agenda's
Monitoring Monitor Omgevingsvisie Programmamonitors Monitor thematische agenda’s en gebiedsagenda’s
De Monitor Omgevingsvisie geeft elke twee jaar inzicht in de voortgang van opgaven en doelen uit de Omgevingsvisie en trends en ontwikkelingen. Dit ritme bestaat uit elke vier jaar een uitgebreide rapportage en een tussentijdse rapportage op de helft van die vier jaar. De doelen staan omschreven in hoofdstuk 4 van de ontwerp Omgevingsvisie. Naast de Monitor maakt de gemeente elke twee jaar een Hilversumse vertaling van de trendstudie van Platform31 over trends, prognoses en ontwikkelingen waar Hilversum mee te maken kan krijgen en waarbij Hilversum afgezet wordt tegen andere gemeenten. Dit geeft informatie om bij te sturen, bijvoorbeeld door ambities of beleid bij te stellen. De programmamonitors gaan meer over voortgang van maatregelen uit programma’s en hun bijdrage aan de doelen. Dit is een meer operationele monitor, die gedetailleerder is en op 2
maatregelniveau meer inzicht en mogelijkheden biedt voor gerichte bijsturing dan monitoring op omgevingsvisieniveau. Inzicht op het niveau van agenda's wordt op uitvoeringsniveau verkregen in de vorm van kaarten en cijfers, maar dit is doorgaans niet het niveau waarop de Monitor Omgevingsvisie rapporteert. Uiteraard worden bij het opstellen en uitvoeren van agenda’s wel de open data en relevante monitoringsinstrumenten gebruikt.
Zienswijzen en adviezen De Monitor Omgevingsvisie monitort de doelen uit de Omgevingsvisie. Een aantal inspraakreacties en advies 2.3.2 van de commissie MER roept op om die doelen concreter en toetsbaarder te maken. Advies 2.6 van de Commissie MER geeft nuttige adviezen over het inrichten van het monitorprogramma. De adviezen gaan over monitoring en over toetsing. Dat zijn wat ons betreft twee onderwerpen. We nemen de adviezen over, met gebruikmaking van het onderscheid tussen monitoring en toetsing. Over het monitoringprogramma zijn de adviezen: •
Los leemten in kennis op. Hierbij worden specifiek genoemd: verkeersintensiteiten, geluidsbelasting, biodiversiteit en woningbouwaantallen. Sinds het opstellen van het PlanMER hebben we voor biodiversiteit, mobiliteit en woningbouwaantallen op Open Hilversum alweer meer informatie verzameld en beschikbaar gesteld. Voor geluid is niet zozeer het gebrek aan informatie een issue, maar gaat het advies meer over consistentie tussen de Omgevingsvisie en het PlanMER.
•
De Commissie adviseert om het monitoringsplan concreter uit te werken en bij het besluit te voegen. Het advies is aan te geven hoe en welke indicatoren zullen worden gebruikt. Overweeg om de 15 doelen van de drie programma’s in het beoordelingskader te zetten en per doel een criterium met een norm te stellen.
•
Neem de volgende onderwerpen expliciet in de monitor op. o Grondwaterkwaliteit: dit is een complex vraagstuk o Biodiversiteit: richt het monitoringsplan zodanig in dat inzicht in de huidige situatie ontstaat en daarmee in de kansen en knelpunten voor biodiversiteit in de stad. o Mobiliteit. Monitor de verkeersintensiteiten en verkeersafwikkeling. o Geluidbelasting en hinder. o Ruimte voor ontmoeting, verblijf, recreatie en (georganiseerde) sport. Deze adviezen hebben we uitgewerkt in paragraaf 2: concretisering doelen voor de monitor.
Over het toetsen/toetsingskader adviseert de commissie: •
Gebruik een eenduidig beoordelingskader van resultaten. Breng de milieueffecten van plannen en het effect op het doelbereik stelselmatig in beeld. De werkwijze in het PlanMER is positief, maar kan op onderdelen verbeteren. Borg de integraliteit en samenhang in de toetsing. Dit advies nemen we mee in het verder uitwerken van het toetsingskader. Een
3
aanzet voor een Hilversums toetsingskader was al onderdeel van de ontwerp Omgevingsvisie. In paragraaf 3 van deze bijlage gaan we daar verder op in. •
Onderzoek effecten van (toekomstig) bij te stellen ambities onder invloed van bijvoorbeeld nieuwe inzichten en de doorwerking van de landelijke opgaven. Dit advies nemen we mee wanneer wij ambities bijstellen.
4
2. Concretisering doelen voor de monitor Voor het opstellen van deze eerste versie van de monitor zijn: 1. De doelen uit de Omgevingsvisie geconcretiseerd 2. KPI’s (indicatoren) bepaald aan de hand van de volgende criteria: a. De indicator is meetbaar (kwantitatief) en gegevens zijn beschikbaar b. De indicator is voor een breed publiek te begrijpen c. De indicator zegt iets over heel Hilversum, maar is ook te onderscheiden naar gebieden d. De indicator geeft stuurbare informatie en zegt meer over het te bereiken doel/effect, dan over het succes van een maatregel/middel. Dat laatste is meer op het niveau van de programma-indicatoren 3. De nulsituatie (waarde) benoemd. 4. De informatie uit de PlanMER is gebruikt om de verwachte ontwikkeling van de indicator te voorspellen, voor de autonome ontwikkeling (de situatie bij ongewijzigd beleid) en het doelbereik (het effect van de Omgevingsvisie ten opzichte van de autonome ontwikkeling). Om de huidige situatie te duiden, is de vijfpuntsschaal uit de PlanMER gebruikt. ++ + +/--
Doel of norm wordt ruimschoots gehaald en/of er zijn geen knelpunten Doel of norm wordt grotendeels gehaald en/of er zijn weinig knelpunten Doel of norm wordt deels gehaald en/of er zijn enkele knelpunten. Doel of norm wordt grotendeels niet gehaald en/of er zijn veel knelpunten Doel of norm wordt niet gehaald en/of er zijn erg veel knelpunten
De autonome ontwikkeling en het doelbereik van de Omgevingsvisie zijn vervolgens met pijlen weergegeven. ↑↑ ↑ ↔ ↓ ↓↓
Sterke verbetering Verbetering Geen verbetering of verslechtering Verslechtering Sterke verslechtering
We geven een voorbeeld: Doel
Indicator
Doel
Indicator
Nulsituatie (2023) Waarde
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
Bron
+
↓
↑
In dit voorbeeld is de huidige situatie positief: de norm wordt gehaald en er zijn weinig knelpunten. Autonoom zal de situatie echter verslechteren. Door de maatregelen uit de Omgevingsvisie treedt echter weer een verbetering op ten opzichte van de autonome situatie.
5
De Omgevingsvisie bevat 15 doelen. Eén indicator per doel blijkt bij samengestelde doelen (bijvoorbeeld: voldoen aan normen voor lucht, water en bodem) niet goed mogelijk. Om het aantal indicatoren beheersbaar te houden, zijn per doel maximaal 4 indicatoren gekozen. Als eerste is gekeken of het PlanMER een geschikte indicator bevatte. In het PlanMER is echter veel gewerkt met kwalitatieve informatie. Daarom is voor veel doelen verder gezocht naar kwantitatieve indicatoren en zoveel mogelijk aangesloten bij de programmabegroting-indicatoren of indicatoren uit bestaand beleid. Voor sommige doelen is het nodig om een indicator te ontwikkelen, bijvoorbeeld door landelijk onderzoek te volgen. De doelen in de Omgevingsvisie zijn veelal thematisch geformuleerd. Integraliteit en samenhang tussen de thema’s is in de Omgevingsvisie zo mogelijk nog belangrijker. Dat moet ook in de monitoring tot uitdrukking komen. Daarom zijn uit de Atlas voor gemeenten twee indexen voorgesteld.
Indicatoren doelen Duurzaam 1. Lucht, water en bodem voldoen in 2040 aan de milieunormen Doel
Indicator
Waterkwaliteit voldoet aan wettelijke normen
% van het oppervlaktewater dat voldoet aan de kaderrichtlijn water Te onderzoeken
Voldoen aan normen voor geluidsbelasting en -hinder Drinkwaterbeschikbaarheid Bodem voldoet aan wettelijke normen
Te onderzoeken Te onderzoeken
Nulsituatie (2023) 5% (2021)
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
Waterschap AGV
+/-
↓
↑
PM
PM
--
↑
0
PM PM
PM PM
PM
PM
PM
+/-
↓
↔
Overwogen is om indicatoren voor luchtkwaliteit (lucht) en stikstofdepositie (bodem) op te nemen. Luchtkwaliteit nemen we niet op, omdat het doel ‘voldoen aan wettelijke normen’ op zichzelf overbodig is: we moeten immers aan de wet voldoen. Bovendien is het doel al behaald én wordt de luchtkwaliteit vooral bepaald door zaken die buiten de invloedssfeer van Hilversum liggen. Dat laatste geldt ook voor stikstof. Waterkwaliteit (voldoen aan de Kaderrichtlijn Water in 2027) is ook een wettelijke norm. Hier geldt echter dat, net als elders in Nederland, nog veel moet gebeuren in en om Hilversum met samenwerkingspartners om daaraan te voldoen. Dat is aanleiding om deze indicator wel op te nemen in de monitor. Eén zienswijze en de commissie MER adviseert een norm voor geluidsbelasting en – hinder op te nemen. In de PlanMER zijn de WHO-adviesnormen voor geluid (53 dB per etmaal en 45 dB in de nacht voor wegverkeer en 54 respectievelijk 44 dB voor spoorverkeer) getoetst. Dit is echter geen Hilversums beleid. In de nieuwe Geluidsnota (2024) wordt nader onderzoek gedaan naar het monitoren van geluid en een reële inschatting gemaakt van het mogelijke ambitieniveau. De commissie MER adviseert ook om het onderwerp grondwaterkwaliteit in de monitoring op te nemen. Dat vertalen we hier als drinkwaterbeschikbaarheid. Een goede indicator moet hier nog voor worden gevonden.
Dat geldt ook voor bodem. Voor drinkwater is er veel informatie over de kwaliteit (zie bijvoorbeeld: https://www.vzinfo.nl/leefomgeving/drinkwater), maar nog niet over toekomstige 6
beschikbaarheid. Voor bodem is er weliswaar veel locatie-gebonden informatie, maar nog geen goede, eenduidige indicator.
2. Verbeteren van de diversiteit van planten en dieren in het buitengebied en verbindingen met het groen in de stad Doel
Indicator
Grotere kwaliteit en soortenrijkdom buitengebied
Te onderzoeken
Nulsituatie (2023) PM
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
PM
+/-
↓
↔
In de PlanMER is geconstateerd dat er in Hilversum een kennisleemte is op het gebied van biodiversiteit. De commissie MER adviseert in het monitoringplan de huidige situatie en de kansen en knelpunten voor biodiversiteit in de stad inzichtelijk te maken. Dit is in de Omgevingsvisie gewaardeerd door nader onderzoek voor te stellen. Dit onderzoek loopt in het kader van het Programma Groen. Biodiversiteit gaat meer over kwaliteit dan over kwantiteit. Er wordt landelijk volop onderzoek naar het normeren van kwaliteit, zoals de verbondenheid van groen (verspreidingsgebied), kwaliteit van het groen (verspreiding vogels), variatie begroeiing. Er is een sterke link met de kwaliteit van de bodem. Die onderzoeken volgen we om op basis daarvan een goede indicator te kunnen definiëren.
3. Tegengaan van hittestress en overlast door te veel/te weinig water Doel
Indicator
Verminderen wateroverlast/tekort
Aantal m² op locaties met wateroverlast tijdens piekbuien % van Hilversum dat voldoet aan de Europese norm ‘maximale loopafstand naar een openbare koele plek is maximaal 300m’
Tegengaan van hitteen droogtestress
Nulsituatie (2023) n.n.b.
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
Klimaateffectatlas
+/-
↓
↑
n.n.b.
Klimaateffectatlas
-
↓
↑
Als indicatoren voor hittestress en wateroverlast zijn op dit moment goede kaartbeelden beschikbaar. Deze moeten nog omgezet worden naar exacte waarden.
7
Figuur 2 Wateroverlast tijdens piekbuien
Figuur 3 Afstand tot koelte (programma Groen)
4. Iedereen heeft toegang tot een duurzaam energiesysteem Doel
Indicator
Hilversum is CO2 neutraal en aardgasvrij
Afname energiegebruik van gebouwen en voertuigen, waaronder het aantal aardgasvrije woningen Toename duurzame energie in GWh. Dit is vooral zonneenergie.
Hoeveelheid duurzaam opgewekte energie in Hilversum Toegankelijke duurzame energie
Aantal energiezuinige sociale huurwoningen (Aof B-label), ook als % van het totale aantal sociale huurwoningen
Nulsituatie (2023) Nulmeting 2023
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
Klimaatmonitor ministerie I&W
+/-
↔
↔
Nulmeting in 2023
Klimaatmonitor ministerie I&W
-
↓
↔
Nulmeting in 2023
Klimaatmonitor ministerie I&W
+/-
↔
↔
De opgave is om het energiesysteem te verduurzamen en te zorgen dat dit voor iedereen toegankelijk en betaalbaar is. De Klimaatmonitor van het ministerie van I&W geeft inzicht in het thema energie per gemeente en dit is voor ons het meest bruikbare instrument. Het geeft onder meer inzicht in het energieverbruik, energielabels van gebouwen en de hoeveelheid lokaal opgewekte duurzame energie. Het ministerie ontwikkelt en verfijnt het steeds verder, om een zo compleet mogelijk beeld te hebben van de energietransitie. De aspecten toegankelijkheid en betaalbaarheid verdienen verdere uitwerking. Om hier toch een indicator voor op te nemen, kiezen we voorlopig voor het aantal energiezuinige sociale huurwoningen. Voor 2023 zijn voor alle indicatoren nog goede nulmetingen nodig.
8
5. Een overgang naar duurzamere vormen van mobiliteit Doel
Indicator
Meer deelmobiliteit
Aantal deelauto’s per 100.000 inwoners Fietsgebruik bij afstanden tot 7,5 km
Meer fietsgebruik
Nulsituatie (2023) 35,1 (2021)
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
CROW
+/-
↔
↔
44,5% (2019)
Sportenbewegenincijfers.nl
+/-
↔
↑
De commissie MER adviseert in het monitoringplan de verkeersintensiteiten en verkeersafwikkeling op te nemen. Dit advies nemen we niet over, omdat (auto)verkeersintensiteiten niet zoveel zeggen over het doel: een overgang naar duurzamer vormen van mobiliteit. Verkeersintensiteiten zijn wel nuttige indicatoren voor een programmamonitor. De toename van het aantal deelauto’s en fietsgebruik zeggen dat meer. Een aantal zienswijzen adviseert operationele normen voor mobiliteit: het aantal 30 km/u zones, het verbeteren van fietsroutes en fietsstraten, autoparkeernormen en fietsparkeernormen en park en bike locaties. Indicatoren hiervoor zien wij meer als programma-indicator, dan als een (effect)indicator op het niveau van de Omgevingsvisie. Verkeersveiligheid is onderdeel van het doel ‘veiligheid’. De ruimte voor autoparkeerplaatsen onderdeel van het doel ‘kwaliteit van de openbare ruimte’.
6. Materialen (her-)gebruiken we verantwoord en toekomstbestendig Doel
Indicator
Hergebruik van materialen
Te onderzoeken Aantal kg huishoudelijk restafval per inwoner
Nulsituatie (2023) PM
Bron
Huidig PM
Autonoom 2040 PM
Doelbereik 2040 PM
PM
169 (2021)
CBS
PM
PM
PM
De PlanMER geeft hier geen concrete informatie over. Dat is niet gek: data en monitoringsinstrumenten voor circulariteit zijn nog volop in ontwikkeling in Europa en Nederland. Er is nog geen landelijke circulariteitsmonitor per gemeente, zoals dat er wel is voor energie. Landelijk wordt gewerkt aan indicatoren voor milieu-impact (grondstoffenvoetafdruk, % hernieuwbare grondstoffen in producten), leveringszekerheid cruciale grondstoffen, levensduurverlenging (ontwerp en repareerbaarheid) en hoogwaardige verwerking (recycling). Dit laatste raakt doelen in de EUKaderrichtlijn Afvalstoffen voor huishoudelijk afval en afval uit kantoor- winkel- en dienstensector, van 55% in 2025 en 60 % in 2030. Tot die tijd nemen we de indicator ‘aantal kg huishoudelijk restafval’ uit de Programmabegroting 2023 over.
9
7. De kwaliteit van de openbare ruimte verbetert Doel
Indicator
Hoge gebruikskwaliteit van de openbare ruimte
Waardering van het onderhoud van de Openbare Ruimte Beweegvriendelijke openbare ruimte
Meer groen in wijken en buurten
Vierkante meters parkeerplaatsen in de openbare ruimte Streefcijfer groen
Nulsituatie (2023) 7,2 (2022)
Bron Hilversum Monitor
67 (van 100, 2022) Te onderzoeken
Mulier Instituut/ RIVM Te onderzoeken
% per gebied (zie figuur)
Programma Groen
Huidig PM
Autonoom 2040 PM
Doelbereik 2040 PM
+
↔
↔
PM
PM
PM
+/-
↓
↑
Hier moet een nieuwe indicator worden ontwikkeld die iets zegt over de gebruikskwaliteit van de Openbare ruimte. Er zijn veel beheersindicatoren, maar weinig effectindicatoren. Tot die tijd gebruiken we daarom de indicator ‘waardering van de Openbare Ruimte uit de Hilversum Monitor en de indicator ‘beweegvriendelijke Omgeving’ van het Mulier instituut/RIVM, die iets zegt over hoe de fysieke omgeving in de openbare ruimte scoort op de mogelijkheid voor mensen om te sporten en te bewegen. De veranderende prioritering in de openbare ruimte wordt meetbaar door het aantal vierkante meters voor autoparkeerplaatsen in de openbare ruimte als maatstaf te nemen. Deze indicator moeten we nog verder onderzoeken. Dat doen we in de visie/handboeken openbare ruimte. Wat betreft groen stellen wij geen enkelvoudig getal per woning voor, zoals gebruikt in de MER (75m² per woning, in Hilversum nu 59,2m²) en voorgesteld in een aantal zienswijzen (25m² groen per woning extra). Een enkelvoudig getal doet geen recht aan de verschillen tussen wijken in Hilversum. In plaats daarvan nemen wij de streefpercentages groen uit het Programma Groen over in de Omgevingsvisie.
10
Indicatoren doelen Meedoen 1. Het realiseren van voldoende geschikte en betaalbare woningen en goede voorzieningen Doel
Indicator
Voldoende woningen
Toevoegen van 6.000 woningen
Nulsituatie (2023) Nulmeting 2023
Goed benutten van woningen (woningen passend bij doelgroep) Juiste voorzieningen bereikbaar
Verhuizingen
PM
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
+/-
↓
↑
PM
Dashboard nieuwbouw/ plancapaciteit, regionale woonmonitor CBS
+/-
↓
↑
PM
PM
+
↓
↑
Wat betreft wonen monitoren we de toevoegingen aan de woningvoorraad. De peildatum voor de nulsituatie is 1 januari 2023. Wij stellen voor hier zowel de harde als de zachte plancapaciteit op te nemen. Het aantal verhuizingen is een goede maat voor doorstroming en daarmee het goed benutten van woningen. Hilversum is inmiddels aangemeld voor het verhuizingendashboard van het CBS. We doen nu jaarlijks mee. De eerste resultaten (nulmeting) komen medio 2023 beschikbaar. De commissie MER adviseert in het monitoringplan de benodigde en beschikbare ruimte voor ontmoeting, verblijf, recreatie en sport op te nemen: wat is nodig bij de huidige en toekomstige bevolkingsopbouw. Voor een goede indicatie is nader onderzoek nodig. Dit onderzoek is al in de Omgevingsvisie aangekondigd.
2. Het verkleinen van economische en gezondheidsverschillen binnen en tussen buurten Doel
Indicator
Verkleinen gezondheidsverschillen
Gezonde levensverwachting in goed ervaren gezondheid % inwoners van 18+ dat voldoet aan de beweegrichtlijn Verhouding mensen met een laag en hoog inkomen
Verkleinen economische verschillen
Nulsituatie (2023) 68,5 jaar (2020)
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
KISS gezondheidsmonitor
+/-
↔
↔
51% (2021)
RIVM
+/-
↔
↔
PM
CBS
PM
PM
PM
We kiezen voor gezondheid voor positieve indicatoren: gezonde levensverwachting en voldoen aan beweegrichtlijnen. Voor het verkleinen van inkomensverschillen nemen we de figuur uit de ontwerp Omgevingsvisie die de percentages hoge en lage inkomens in gebieden vergelijken.
11
3. Het versterken van de sociale samenhang in de buurten Doel
Indicator
Versterken van sociale samenhang
Waardering van inwoners over sociale cohesie in hun wijk % volwassen dat zich soms tot vaak eenzaam voelt
Nulsituatie (2023) 6,8 (2022)
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
Hilversum Monitor
+
↓
↔
31,8% (2021)
Vzinfo.nl/gezondheidsmonitor GGD/RIVM
+
↓
↔
De sociale samenhang is moeilijk te objectiveren. Daarom kiezen we hier voor een kwalitatieve indicator: de waardering van inwoners. Een erkende signaalwaarde is het percentage inwoners dat zich eenzaam voelt.
4. Het waarborgen en versterken van veiligheid in buurten Doel
Indicator
Verbeteren van veiligheid in buurten Verkeersveiligheid
% inwoners dat zich veilig voelt in de eigen buurt Aantal geregistreerde verkeersongevallen per 100.000 inwoners
Nulsituatie (2023) 88,2%
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
Hilversum monitor
+
↓
↔
479 (2021)
Waarstaatjegemeente.nl
-
↔
↔
Ook voor veiligheid geldt dat dit moeilijk te objectiveren is. We kiezen hier voor een kwalitatieve indicator: de waardering van inwoners. Voor verkeersveiligheid is het doel het aantal ongevallen te beperken.
12
Indicatoren doelen Actief 1. Meer ruimte voor werk op werklocaties, in het centrum en de wijken Doel
Indicator
Extra ruimte voor werk Groei aantal banen Balans arbeidsmarkt en beroepsbevolking
m² werk Aantal banen Verhoudingsgetal werkenden versus niet werkenden
Nulsituatie (2023) Nulmeting 2023 Nulmeting 2023 71,0 (2020)
Bron PM LISA, CBS CBS, Hilversum in cijfers
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
+/-
↓
↔
De Omgevingsvisie heeft een duidelijk doel gesteld voor de hoeveelheid ruimte die nodig is voor werklocaties: 51,5 hectare. Die correspondeert met een jaarlijkse banengroei van 1%. De peildatum voor de nulsituatie moet nog goed bepaald worden. Als laatste indicator wordt het verhoudingsgetal werkenden versus niet werkenden gemonitord; dit geeft een indicatie hoeveel ‘werkenden’ moeten voorzien in het onderhoud van ‘niet werkenden’. Bij een score van 100 is er evenwicht. Landelijk is het cijfer 70,3. De verwachting is dat dat cijfer met de vergrijzing zal dalen.
2. Meer innovatie en een sterkere relatie tussen bedrijven en onderwijs Doel
Indicator
Groei stuwende werkgelegenheid
Aantal banen in topsectoren
Aansluiting onderwijs (curriculum) op vraag vanuit bedrijven (banen)
% stagiairs dat binnen Hilversum een stageplaats heeft.
Nulsituatie (2023) Nulmeting 2023
Bron
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
LISA
+/-
↓
↔
Te onderzoeken
PM
PM
PM
PM
Dit doel uit zich in groei van stuwende werkgelegenheid. De groei van de stuwende werkgelegenheid definiëren we als de groei van het aantal banen in topsectoren (definitie topsectoren- en innovatiebeleid van het Rijk). Aansluiting van onderwijs op de vraag van bedrijven is een lastige indicator. Onderzocht wordt of te bepalen is welk % van de stagairs van Hilversumse onderwijsinstellingen in en buiten Hilversum een stageplaats heeft.
3. Binden en boeien van jongeren en middengroepen Doel
Indicator
Binden en boeien
Groene druk
Nulsituatie (2023) 39% (2020)
Bron
Huidig
CBS
PM
Autonoom 2040 PM
Doelbereik 2040 PM
Het binden en boeien van jongeren en middengroepen houden we bij via de ‘groene druk’: het percentage van inwoners tussen 0-19 jaar ten opzichte van inwoners van 20-65 jaar. De verwachting is dat die in Nederland toeneemt van 37% in 2020 tot 40% in 2050: een groei van 3% punt.
13
4. Een compact en aantrekkelijk centrum voor Hilversum en de regio Doel
Indicator
Aantrekkelijk centrum
Beoordeling van het centrum door inwoners (verhogen) Leegstandspercentage
Compact centrum
Nulsituatie (2023) 7,5 (2021)
Bron
9% (2021)
Locatus
Huidig
Autonoom 2040
Doelbereik 2040
PM
PM
PM
Koopstromenonderzoek
We volgen hier de indicatoren uit de gebiedsagenda Centrum. Het hoofddoel is het vasthouden en verbeteren van de beoordeling van het centrum door inwoners en bezoekers. Het leegstandspercentage is een indicatie van de compactheid. Het doel daarbij is een gezonde frictieleegstand.
Integrale doelen De interactie tussen de verschillende doelen is nauwelijks in enkele getallen te vatten. Om daar toch een indruk van te geven, stellen we voor in de Monitor twee indexen uit de Atlas voor gemeenten op te nemen: de woonaantrekkelijkheidsindex en de sociaal-economische index. Dat geeft een indruk van hoe goed het in Hilversum wonen, werken en leven is. De indexen zijn getallen die zijn opgebouwd uit meerdere aspecten en die de positie van Hilversum ten opzichte van de 50 grootste gemeenten in Nederland weergeeft. Hilversum staat wat betreft beide indexen in de top-10. Handhaving in de top-10 zou zeer ambitieus, ook in het besef dat dit sterk afhangt van hoe de andere gemeenten zich ontwikkelen. Doel
Indicator
Duurzaam, actief en met kansen voor iedereen
Positie woonaantrekkelijkheidsindex
Hilversumse waarden
Positie sociaaleconomische index Historische landschappelijke, stedenbouwkundige, en architectonische waarden
Nulsituatie (2023) 6
Bron Atlas voor gemeenten
10
Atlas voor gemeenten Te onderzoeken
Te onderzoeken
Huidig PM
Autonoom 2040 PM
Doelbereik 2040 PM
PM
PM
PM
+
↔
↔
Bij de verdere ontwikkeling van de monitor onderzoeken we de haalbaarheid van goede samengestelde indicatoren voor de opgaven Duurzaam, Actief en Meedoen en een goede indicator voor het beschermen en versterken van cultuurhistorische waarden.
14
Open data en ontwikkeling van de Omgevingsmonitor De data voor de Omgevingsmonitor worden zoveel mogelijk transparant beschikbaar gesteld op Open Hilversum, zodat gemeenteraad, college, inwoners, ondernemers en organisaties over dezelfde informatie beschikken. Daarnaast brengen we op Open Hilversum met een groeiend aantal databronnen Hilversum steeds beter in beeld. Het Stadspanel Data kijkt daar mee om de toepasbaarheid voor inwoners en organisaties te verbeteren. Als doorontwikkeling zien we dat naast momentopnames in de tijd, bestaat ook de behoefte om trends te kunnen lezen over de jaren heen en te kunnen voorspellen. Na instemming van de gemeenteraad met deze indicatoren, werken we de Omgevingsmonitor verder uit. Het programma Transitie naar Datagedreven Sturing (2022-2025) wordt ondersteund met capaciteit om de Omgevingsmonitor verder te ontwikkelen en om te werken aan de organisatieontwikkeling naar datagedreven sturen. De Omgevingsvisie gaat over een langere periode, dus voor de lange termijn moet ook doorontwikkeling van de monitor geborgd zijn. -
-
-
-
Een monitor Omgevingsvisie vereist datakwaliteit en -toegankelijkheid en indicatoren waarvan het beheer in de organisatie geborgd is. Dit vraagt organisatiebreed om voldoende aandacht, inzet en middelen. Sectorale data-ontwikkeling moet geborgd zijn binnen de afdelingen. Ontwikkelcapaciteit voor monitoring van integrale vraagstukken zal aandacht blijven vragen. Monitoring vraagt om heldere indicatoren. Wat meet je, en wat zegt het resultaat? Overeenstemming over het gebruik van de juiste indicatoren is essentieel. Succes van een monitor hangt af van de mate waarin de monitor gezamenlijk gezien en gebruikt wordt als een bruikbaar instrument. Voor gedragenheid is afstemming met de stad essentieel. Het gesprek met de samenleving is gebaat bij eenzelfde beeld van de realiteit, onderbouwd met feiten. De datavolwassenheid moet groeien. Voldoende middelen voor vormgeven en beheren van de monitor (beleidscapaciteit en datateam) Aandacht voor dataportaal Open Hilversum en koppeling daarvan aan BouwenaanHilversum Behoud van de functie van de Hilversum Monitor
15
Overzicht diverse bronnen Open Hilversum: https://open-hilversum.hub.arcgis.com/ Atlas van de leefomgeving: https://www.atlasleefomgeving.nl/ Dashboard klimaatbeleid: https://dashboardklimaatbeleid.nl/ Klimaateffectatlas: https://www.klimaateffectatlas.nl Dashboard Waarstaatjegemeente: https://www.waarstaatjegemeente.nl/dashboard Dashboard Incijfers: https://hilversum.incijfers.nl/ Compendium voor de leefomgeving: https://www.clo.nl/ Dashboard volksgezondheid: https://www.vzinfo.nl/ Leefstijlmonitor: https://www.rivm.nl/leefstijlmonitor Info volksgezondheid: https://www.staatvenz.nl/ CBS: www.cbs.nl Atlas voor gemeenten: https://atlasresearch.nl/de-atlas-2023/
16
3. Doorontwikkeling Hilversums toetsingskader Aanleiding In de ontwerp Omgevingsvisie was een aanzet voor een Hilversums toetsingskader opgenomen, dat was gebaseerd op de methodiek die in de PlanMER is gebruikt om de bestaande situatie en de effecten van maatregelen in beeld te brengen. De aanleiding was amendement A22-59, die opriep een concept Hilversums toetsingskader op te stellen. De commissie MER adviseert zo’n eenduidig toetsings- of beoordelingskader te gebruiken om de effecten van plannen (milieueffecten, doelbereik) en het stelselmatig in beeld te brengen. De commissie is positief over de gehanteerde werkwijze in het PlanMER en heeft enkele aanbevelingen, die gaan over het borgen van integraliteit en samenhang in de toetsing. In de zienswijzennota gaven we aan dit advies mee te nemen in het verder uitwerken van het toetsingskader.
Wat is een toetsingskader? Een toetsingskader is een objectieve methode om initiatieven of mogelijkheden te beoordelen en te vergelijken met de doelen uit de Omgevingsvisie. Dat gebeurt in de regel door het gebruik van criteria en principes voor belangrijke thema's. Een principe kan zijn: ‘veilige mobiliteit voor iedereen’, of ‘een duurzame ontwikkeling’. Toepassing ervan maakt inzichtelijk of en hoe een initiatief of project duurzaam is, leidt tot sociale samenhang of tot economische vitaliteit. Een toetsingskader wordt ook wel eens ‘afwegingskader’, 'beoordelingskader’ of ‘spelregels’ genoemd. Er circuleren in Nederland vele soorten toetsingskaders, zoals de Omgevingswijzer, het Rad van de Leefomgeving of de praktijkproef afwegingskader Omgevingsvisie van de VNG, dat mede is gebaseerd op de zogenaamde Global Goals, die door steeds meer overheden (Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) worden toegepast in beleid en bij het toetsen van subsidieaanvragen en het beoordelen van initiatieven uit de samenleving. Opvallend vaak in de vorm van een cirkel en bijna altijd integraal van karakter, wat hier betekent dat alle denkbare thema's die in de leefomgeving van mensen spelen worden meegewogen. Elk toetsingskader werkt met principes en thema's. Elk toetsingskader legt een bepaalde focus op de inhoud en heeft (dus) zo zijn eigen ‘aantrekkelijke’ onderdelen: -
De Omgevingswijzer legt de nadruk op ‘people, planet en profit’ Het Rad van de Leefomgeving zet nieuwe ontwikkelingen af tegen de huidige situatie De praktijkproef afwegingskader gaat uit van de nationale prioriteiten van de Nationale Omgevingsvisie en toetst aan de hand van de Global Goals
De gemeenteraad heeft in amendement A22-59 (gemeenteraad juli 2022) het college gevraagd een aanzet te geven voor een ‘Hilversums’ toetsingskader. In de ontwerp Omgevingsvisie is dat opgevat als: -
Het Hilversumse toetsingskader moet vooral gaan over onderwerpen en thema's die in de Hilversumse Omgevingsvisie de boventoon voeren. ‘Typisch Hilversum', ofwel de ‘Hilversumse waarden’ moeten bij het Hilversumse toetsingskader centraal staan (dit mist in afwegingskaders van andere overheden). Het beoordelingskader uit de Milieu Effect Rapportage is een goede basis.
17
Waar gebruiken we een toetsingskader voor? Een toetsingskader kan op verschillende manieren worden ingezet: -
-
-
Als toetsingskader voor het stellen van prioriteiten in thematische programma’s, gebiedsontwikkelingen of maatregelen van de gemeente. Waar zetten we meer en minder op in? Als middel om de gebiedsagenda’s te verbinden met de Omgevingsvisie. Per gebied kan een eigen toetsingskader worden opgesteld in gesprek met inwoners, ondernemers en organisaties. Bijvoorbeeld om gebiedsgerichte prioriteiten te stellen. Zo is in het ene gebied meer aandacht nodig voor klimaatadaptatie en vergroening dan in het andere gebied. Beoordeling van initiatieven kan dan ook meer gebiedsgericht gebeuren. Het PlanMER adviseerde hierover: De gemeente geeft aan dat zij naast de drie programma’s die zijn beschreven en uitgewerkt in de concept Omgevingsvisie ook verder gaat met een aantal gebiedsagenda’s. Voor wat betreft de monitoring die daarop volgt, kan de gemeente naar gelang de kenmerken van de gebieden die hiervoor gedefinieerd worden, gewichten of accenten aanbrengen in het toetsingskader van het planMER. Niet voor ieder gebied is immers ieder onderdeel van het totale Rad van de Leefomgeving relevant.
De nadruk kan per gebied komen te liggen op die criteria die de grootste knelpunten afdekken voor ieder specifiek gebied Het toetsen van nieuwe initiatieven van inwoners, ondernemers en organisaties toetst aan de inhoud van de Omgevingsvisie en de (daarvan afgeleide) regels uit het op te stellen Omgevingsplan. Als initiatieven passen binnen de kaders, dan werkt Hilversum mee aan de uitvoering daarvan. Als dat niet zo is, kan de gemeente meedenken hoe initiatieven wel in het toekomstbeeld kunnen passen, of besluiten dat er geen plek voor is in Hilversum.
Vertrekpunt: voorlopig toetsingskader In het Meerjarenperspectief Gebiedsontwikkelingen 2021 (gemeenteraad 2021) is al aangegeven dat de gemeente een toetsingskader opstelt op basis van de Omgevingsvisie en in de tussentijd werkt met voorlopige kaders op basis van bestaand beleid. Hilversum werkt dus al met een voorlopig Hilversums toetsingskader voor het beoordelen van initiatieven. Dat voorlopige kader hebben we gemaakt op basis van ervaringen in Hilversum, bijvoorbeeld met de gebiedsagenda en locatieontwikkelingen van 1221 en met het raadsvoorstel ‘analysefase Circusterrein’ van september 2021 (p. 52 en verder). Het voorlopige toetsingskader bevordert al dat de gemeente meewerkt aan initiatieven die de stad ook echt verder helpen. En het helpt om de capaciteit van de gemeente te prioriteren: het college bespreekt periodiek met de organisatie de lijst met projecten en initiatieven in relatie tot de beschikbare capaciteit om te komen tot prioritering.
Dat doen we door projecten en initiatieven te toetsen aan het vastgestelde beleid en regels: in welke mate draagt het bij aan door de gemeenteraad vastgestelde doelen op het gebied van klimaat, landschap, energie, wonen, economie, mobiliteit, gezondheid etc.? Ook wordt getoetst op eerdere afspraken (zijn er bijvoorbeeld convenanten of intentieovereenkomsten afgesloten?), bestuurlijk draagvlak (is het initiatief onderdeel van het coalitieakkoord of de programmabegroting?) en zakelijke argumenten.
18
Samengevat ziet het voorlopige toetsingskader er zo uit: Maatschappelijke meerwaarde
Toets
1a. Ligt het initiatief in een prioritair gebied?
Ligt het initiatief in een van de gebiedsopgaven uit het coalitieakkoord of de Structuurvisie Hilversum 2030?
1b. In welke mate draagt het initiatief bij aan Natuur, Welzijn en Welvaart?
Per thema wordt gemotiveerd kwalitatief beoordeeld in hoeverre het initiatief bijdraagt aan de doelen van de gemeente. 1c. Zijn er specifieke omstandigheden
Toets aan eerdere afspraken (zoals intentieovereenkomsten) en beleid van andere overheden.
Bestuurlijk-politiek draagvlak 2a. Is het initiatief onderdeel van het coalitieakkoord en/of een activiteit in de begroting?
Toets aan coalitieakkoord en begroting
2b. Is sprake van toezeggingen of moties uit de raad?
Toets aan toezeggingen en moties
2c. Is maatschappelijke weerstand te verwachten?
Ambtelijke inschatting
Zakelijk 3a. Heeft de gemeente een grondpositie?
Toets grondpositie
3b. Wat is de potentie voor een bijdrage vanuit de ontwikkeling aan bovenplanse kosten
Ambtelijke inschatting business case
3c. Samenwerking/ communicatie met initiatiefnemer
Ambtelijke inschatting haalbaarheid van het maken van goede afspraken
3d. In welke mate is de initiatiefnemer in staat een participatietraject in de geest van de Omgevingswet te organiseren?
Ambtelijke inschatting
Ambtelijke inschatting 3e. Hoe groot is het risico dat dit initiatief in de toekomst beslag legt op middelen van de gemeente? 3f. Is het initiatief randvoorwaardelijk voor het succes van andere initiatieven of projecten?
Ambtelijke inschatting
19
De scores op maatschappelijke meerwaarde, bestuurlijk draagvlak en zakelijkheid leiden tot een integraal ambtelijk advies over wel of niet medewerking verlenen. De mogelijkheden daarbij zijn: - Ja, de gemeente is dragende partij die het initiatief trekt - Ja, de gemeente ondersteunt de initiatiefnemer, met of zonder kostenverhaal - Ja, maar voor dit initiatief volstaat een vergunningstraject - Ja, maar door capaciteitsgebrek komt het op de wachtlijst - Nee Opgemerkt wordt dat bij toetsing aan bestuurlijk draagvlak vooralsnog gekeken wordt naar al eerder gemaakte afspraken en kaders zoals het coalitieakkoord en de begroting. Er wordt gezocht naar een mogelijkheid om ook in te kunnen spelen op nieuwe urgente ontwikkelingen die kunnen ontstaan die niet in het coalitieakkoord staan, maar toch aandacht vragen (zoals opvang vluchtelingen, maar eventueel ook stikstof).
Verbeteringen van het toetsingskader Het PlanMER gaat uit van het Rad van de Leefomgeving. Het Rad van de Leefomgeving is goed bruikbaar om de staat van de fysieke leefomgeving en effecten van nieuwe ontwikkelingen te beoordelen/af te zetten tegen de bestaande situatie. Niet alleen op plan/initiatievenniveau maar ook op programmaen visieniveau. Het Rad kijkt breed en kent verschillende perspectieven: twee over de fysieke leefomgeving, een over de economische omgeving en een over de woonomgeving, dat meer een sociaal karakter heeft. Zo kijken we ook in de Omgevingsvisie: breed, naar alle afzonderlijke aspecten en naar de interactie daartussen. Het Rad van de Leefomgeving lijkt erg op het rad dat in het voorlopige toetsingskader wordt gebruikt en op diverse andere afwegingskaders die we in Hilversum hebben gebruikt: voor het stedenbouwkundig plan en landschapsplan voor het buurtschap Crailo in 2020 (informatie staat hier), de analysefase van het Circusterrein en om Locatie Ontwikkelplannen voor ontwikkellocaties in 1221 te toetsen.
Ontwerp Omgevingsvisie Circusterrein
Crailo
Locatie Ontwikkelplannen 1221
20
Het Rad van de Leefomgeving uit de PlanMER blijkt (dus) bruikbaar voor het in beeld brengen van de huidige situatie, het normeren van ambities en het in beeld brengen van (gewenste) veranderingen. Tegelijk valt op dat in elk bovenstaand voorbeeld de indicatoren verschillen. Om het meer uniform en ‘Hilversums’ te maken, verdient het aanbeveling om te werken met een vaste set indicatoren.
Naar een Hilversums toetsingskader gebaseerd op de Omgevingsvisie Het voorlopige toetsingskader is en blijft goed bruikbaar voor het toetsen van initiatieven. De Omgevingsvisie en de adviezen van de commissie MER geven echter goede aanleiding om het toetsingskader verder te verbeteren en er nog meer een ‘Hilversums’ toetsingskader van te maken. Die verbeteringen gaan met name over de onderdelen 1a (ligt het initiatief in een prioritair gebied?) en 1b (in welke mate draagt het initiatief bij aan vastgestelde beleidsdoelen), 3d (In welke mate is de initiatiefnemer in staat een participatietraject in de geest van de Omgevingswet te organiseren?) en het vertalen van de ‘rolneming’ naar de terminologie uit de Omgevingsvisie. Wij stellen voor het toetsingskader verder uit te werken door 1. Te werken met 1 (uniform) rad en daarvoor als uitgangspunt te gebruiken: een combinatie van het rad uit de PlanMER en het rad uit de ontwerp Omgevingsvisie. We nemen daarbij het aandachtspunt van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten mee om cultuurhistorie (stedenbouw, architectuur, landschap) meer in het rad uit te lichten.
2. De indicatoren uit de Omgevingsvisie te gebruiken om de hoogte van de ambities weer te geven. 3. Bovenop de ‘thematische’ doelen een extra kwalitatieve, dan wel feitelijke toets uitvoeren op de samenhang van de verschillende doelen. Dit is het advies van de commissie MER over het doen van ‘botsproeven’ Als voorbeeld wordt hier verbetering van de bodem genoemd. Dat kan bereikt worden door bijvoorbeeld het waterpeil aan te passen (feitelijke toets), het realiseren van extra vergroening / verbeteren biodiversiteit (feitelijke toetst) en het aanpakken van vervuilers (feitelijke toets). Het verbeteren van de bodem draagt onder andere bij aan gezondheid (kwalitatieve toets), klimaatadaptatie (kwalitatieve toets) en groen/landschap (kwalitatieve toets). Deze aanpassing betekent een uitbreiding van het toetsingskader.
4. Toetsvraag 1a te veranderen in ‘ligt het initiatief in een prioritair gebied?’ naar de vraag: ‘past het initiatief in de gebiedsagenda?’ Totdat de gebiedsagenda’s er zijn, hanteren we de toetsvraag ‘past het initiatief binnen de Omgevingsvisie’? 5. Een eenduidige terminologie over de rol van de gemeente te hanteren. In de Omgevingsvisie wordt de rol van de gemeente geduid met de termen: zelfpresterend/uitvoerend, opdrachtgever, regisseur, co-producent, supporter/lobbyist, toeschouwer. Deze termen zullen consistent worden gebruikt. Over het nut en de noodzaak van een toetsingskader voor het beoordelen van participatie is in de zienswijzennota aangegeven dat vooral verbetering van de verslaglegging van participatie belangrijk is en we een en ander verder onderzoeken als onderdeel van een startnotitie Participatiebeleid.
21
Verdere uitwerking Na besluitvorming over de zienswijzennota wordt het toetsingskader verder uitgewerkt in de definitieve Omgevingsvisie. Na vaststelling van de Omgevingsvisie wordt het toetsingskader onderdeel van een heldere brochure ‘Initiatieven in Hilversum’, waarin het proces en voorwaarden voor initiatiefnemers helder beschreven staan, en in programma’s en gebiedsagenda’s benut.
22