Bijlage bij verordening: Artikelsgewijze toelichting Leidingverordening definitief opm LS
Tekst van het document
Toelichting op de Leidingverordening Algemeen: Deze Leidingverordening is een verordening die regels bevat met betrekking tot het aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen (niet-telecomkabels). Voor het aanleggen, in standhouden en opruimen van telecomkabels geldt de Telecommunicatieverordening. Kernpunten van deze Leidingverordening en de daarop gebaseerde besluiten zijn: • de bruikbaarheid en het aanzien van de weg; • de veiligheid van de kabels en leidingen; • het minimaliseren van risico’s voor milieu en gezondheid van mens en dier; • te stellen eisen aan de ordening en allocatie van kabels en leidingen; • te stellen eisen aan exploitatie en onderhoud van kabels en leidingen; • te stellen eisen aan wijzigingen van leidingentracés en verwijdering van kabels en leidingen. Voor de werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van de kabels en leidingen (niet-telecomkabels) ontbreekt tot nu toe een vorm van wetgeving. Voorheen werden vergunningen en/of toestemmingen voor deze werkzaamheden verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening of middels privaatrechtelijke overeenkomsten met netbeheerders. Met de inwerkingtreding van deze Leidingverordening wordt de vergunningverlening ten aanzien van kabels en leidingen ook beheerst door deze nieuwe verordening. Dit geldt tevens voor warmtenetten en private netten.
Hierdoor kan de gemeente betere regie voeren op de ondergrond, zij kan meer sturend optreden, bovendien worden alle netbeheerders gelijk behandeld en ontstaat er een meer evenwichtige kostenverdeling bij maatregelen aan kabels en leidingen als gevolg van publieke taken die de gemeente uitvoert (bijvoorbeeld wegbeheer).
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1.1 Definities Algemeen In dit artikel zijn de definities opgenomen. Voor een goed begrip van de Leidingverordening is het van belang om op te merken dat in beginsel alle leidingen (waaronder ook rioolbuizen en openbare verlichting) in openbare gronden waarover de bevoegdheid van het gemeentebestuur zich uitstrekt onder de reikwijdte van de verordening vallen. Voor de definitie van ‘openbare gronden’ is aansluiting gezocht bij de definitie in de Telecommunicatiewet. Uit de definitie van ‘openbare gronden’ blijkt dat het bereik van de verordening niet beperkt blijft tot kabels en leidingen die in de grond liggen, maar ook ziet op kabels en leidingen en bijbehorende voorzieningen die in of op kunstwerken zijn of worden gelegd. Met een kunstwerk wordt bedoeld infrastructuur die voor kabels en leidingen is aangelegd om bijvoorbeeld een barrière (zoals een snelweg of een waterweg) over te kunnen steken. Hierbij valt te denken aan leidingentunnels en leidingenviaducten. Ook worden voorzieningen in bestaande infrastructuur (zoals bruggen) in deze verordening als kunstwerken beschouwd. Kabelgoten vallen, voor zover zij in openbare gronden zijn gelegen, eveneens onder de werkingssfeer van de verordening.
Kabels en leidingen die zich niet in of op openbare gronden bevinden (zoals bovengrondse hoogspanningsleidingen) vallen niet onder de werkingssfeer van de verordening.
Artikel 1.1 Aanvraag Met het begrip ‘aanvraag’ wordt bedoeld: een aanvraag om een vergunning. De aanvraag moet onderscheiden worden van de melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard op grond van artikel 2.1 lid 3 van de verordening. Artikel 1.1 College Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de taken voortvloeiende uit de Leidingverordening af te handelen, waarbij deze bevoegdheden voor wat betreft de uitvoering om praktische redenen deels gemandateerd zijn of worden aan één of meer daartoe aangewezen ambtenaren. Deze bevoegdheden betreffen enerzijds het houden van toezicht en anderzijds het coördineren en verlenen van vergunningen. Indien en voor zover de bevoegdheden op het gebied van coördinatie, het verlenen van vergunningen en het houden van toezicht gemandateerd zijn aan een of meer functionarissen, wordt met ‘college’ tevens deze functionarissen bedoeld.
Artikel 1.1 Kabels en leidingen De begripsbepaling ‘kabels en leidingen’ is zodanig gedefinieerd dat hier in principe alle kabels en leidingen onder vallen, waaronder mede wordt begrepen de daarbij behorende onderdelen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, zoals brandkranen, afsluiters, mantelbuizen, kasten en gebouwen.
Artikel 1.1 Melding
Voor werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, welke staan omschreven in de nadere regels, is slechts een melding nodig. Hierbij dient opgemerkt te worden dat met het begrip ‘melding’ in deze verordening uitsluitend de melding van werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt bedoeld. Indien een partij werkzaamheden verricht die vallen onder de categorie werkzaamheden van nietingrijpende aard, kan dus worden volstaan met een melding die vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden dient te zijn ingediend.
Artikel 1.1 Netbeheerder De definitie van netbeheerder is opgesplitst in twee categorieën. Dit heeft te maken met een opkomende groep aan eigenaren van kabels en leidingen, veelal maar niet uitsluitend, vanuit de energietransitie. Waar in het verleden de ondergrond hoofdzakelijk werd gebruikt door beroepsmatige netbeheerders, is dit tegenwoordig niet meer het geval. Hierdoor is het voor de gemeente noodzakelijk om een tweedeling te maken, waarbij er sprake is van kort gezegd netbeheerders die dit vanuit hun (wettelijke) taak doen en overige beheerders. Omdat de ondergrond schaars is, wenst de gemeente te kunnen sturen op het gebruik ervan, waarbij netten die vanuit het algemeen belang worden aangelegd voorrang kunnen krijgen op netten die vanuit een specifiek belang aangelegd worden. De tweedeling zorgt ervoor dat de gemeente regie kan voeren. De definitie is grotendeels ontleend aan de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON). Ook voor diegene die een niet-openbaar elektronisch communicatienetwerk beheert (bijvoorbeeld een ‘point to point’verbinding tussen twee bedrijfslocaties), zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing. Daarnaast is rekening gehouden met netten die gezien kunnen worden als werken van algemeen belang vanuit de Omgevingswet.
Netbeheerders dienen een vergunning aan te vragen voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Artikel 1.1 Ondergrondse ordening Het regulerend optreden van de gemeente voor het bepalen van de ligging, legging en het ruimtegebruik (plaats en ruimte) van netten in de ondergrond, mede ten aanzien van overige (ondergrondse) belanghebbenden. Artikel 1.1 Openbaar elektronisch communicatienetwerk Artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet kent de volgende definitie van ‘openbaar elektronisch communicatienetwerk’: elektronisch communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om openbare elektronische communicatiediensten aan te bieden, waaronder mede wordt begrepen een netwerk, bestemd voor het verspreiden van programma's voor zover dit aan het publiek geschiedt. Artikel 1.1 Openbare gronden Onder de begripsbepaling ‘openbare gronden’ dient te worden verstaan: openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, pleinen, plantsoenen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. Ook wateren met daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn vallen onder het begrip ‘openbare gronden’. Artikel 1.1 Spoedeisende werkzaamheden
Spoedeisende werkzaamheden vallen uiteen in twee verschillende onderdelen, namelijk de calamiteit en de ernstige belemmering of storing in de dienstverlening. Hiervoor is gekozen vanwege de (potentiële) gevolgen die aan de gebeurtenis kleven. De term calamiteit is overgenomen uit het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten, artikel 7. Daar worden bepaalde verplichtingen uit de wet (WIBON) buiten toepassing verklaard op het moment dat er sprake is van graafwerkzaamheden die noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen. Het belang van het expliciet opnemen van de calamiteit in de Leidingverordening is gelegen in de wijze waarop door een netbeheerder melding gedaan dient te worden en bij wie. De melding in verband met een calamiteit dient onverwijld, wat betekent onmiddellijk en zonder uitstel, plaats te vinden vanwege de gevolgen. De termen 'ernstige belemmering' en 'storing', die volgen uit de Telecommunicatiewet maar door opname in de Leidingverordening voor elke netbeheerder gelden, staan niet specifiek omschreven in de wet, maar gedacht moet worden aan een kabelbreuk (Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 834, nr.3, p.55). Verder zal het gemeentebestuur moeten beoordelen of een ernstige belemmering of storing (in de communicatie) voldoende reden is om als spoedeisend te worden aangemerkt.
Bij spoedeisend dient ingevolge het tweede onderdeel dus niet alleen gedacht te worden aan calamiteiten waarbij de openbare orde en veiligheid in het gedrang zijn. Ook storingen die financiële of economische consequenties tot gevolg hebben, kunnen een storing spoedeisendheid geven. Het is van belang dat de netbeheerder het gemeentebestuur adequaat inlicht over de (potentiële) gevolgen van een storing, zodat het gemeentebestuur zich een beeld kan vormen van de omvang en spoedeisendheid ervan. De melding in verband met een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening dient voorafgaande aan de werkzaamheden plaats te vinden. Zo is het voor het gemeentebestuur mogelijk om de melding te toetsen op spoedeisendheid. Werkzaamheden die door een netbeheerder zijn ingepland leveren in ieder geval geen spoedeisendheid op. Artikel 1.1 Vergunning De vergunning behelst de publiekrechtelijke toestemming voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden die in beheer zijn van de gemeente.
Artikel 1.1 Warmtenet Een warmtenet betreft een warmtenet als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Warmtewet In de wet wordt het als volgt gedefinieerd: het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van warmte, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw of werk van een verbruiker of van een producent en strekken tot toe- of afvoer van warmte ten behoeve van dat gebouw of werk De wet geeft regels omtrent stads- en blokverwarming en warmte-koudeopslag en is gericht op de levering aan kleinverbruikers zoals consumenten Artikel 1.2 Toepassingsbereik De verordening is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Zoals in de toelichting bij het begrip ‘openbare gronden’ reeds is aangegeven, vallen ook kunstwerken onder dit begrip. Voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen, geldt de vergunningplicht slechts voor openbare gronden die in beheer zijn bij de gemeente. Voor telecomkabels zijn de regels van toepassing van de telecommunicatieverordening.
In het tweede lid van artikel 1.2 wordt bepaald dat paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de zogenaamde lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen), niet van toepassing is. Dat betekent dat bij het verstrijken van de beslistermijnen de vergunning niet van rechtswege wordt geacht te zijn verleend. Gelet op de grote publieke belangen die in het geding kunnen zijn, zoals het waarborgen van bereikbaarheid voor politie, brandweer en ambulance en de veiligheid voor het publiek, is het niet verantwoord dat zonder meer met de werkzaamheden mag worden begonnen als de gemeente verzuimd zou hebben binnen de gestelde termijn te beslissen. Dat laat natuurlijk onverlet dat, indien de gemeente in gebreke is, daartegen rechtsmiddelen openstaan. Hierbij moet gedacht worden aan de beroepsmogelijkheden die de Awb in artikel 6:12 biedt bij het niet tijdig nemen van een besluit door een overheidsinstantie. Artikel 2.1. Vereisten toestemming Uitgangspunt van de Leidingverordening is dat werkzaamheden in openbare gronden verboden zijn, tenzij men beschikt over een vergunning . De vergunningplicht geldt alleen voor openbare gronden die in beheer zijn van de gemeente. Naast een stelsel voor reguliere netbeheerders is er een procedure opgenomen voor (toekomstige) eigenaren van private netten.
Voor bepaalde werkzaamheden kan worden volstaan met een lichtere meldingsprocedure. De categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard waarvoor dit geldt, worden door het college vastgesteld in de nadere regels. Het betreffen werkzaamheden waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar waarbij kan worden volstaan met een melding aan het college. Naast werkzaamheden aan huisaansluitingen worden andere niet ingrijpende werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen, zolang de werkzaamheden voldoen aan de vastgestelde eisen en randvoorwaarden. Dit kan omdat deze werkzaamheden veelal slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht, en de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze niet ingrijpende werkzaamheden geldt een verkorte meldingsprocedure. Het college kan echter bepalen dat voor werkzaamheden die vallen binnen een aangegeven categorie van werkzaamheden van niet ingrijpende aard, maar welke zijn gesitueerd binnen een bepaald aangewezen gebied, niet met een melding kan worden volstaan, maar altijd een vergunning moet worden aangevraagd. In geval van storingen waarbij reparatie geen uitstel kan lijden, kan uiteraard vooraf geen vergunningsof meldingsprocedure gelden. Deze dienen wel onverwijld, dus zo spoedig mogelijk en bij voorkeur nog voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, te worden gemeld.
De burgemeester kan om redenen van openbare orde en veiligheid besluiten dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden. Voor werkzaamheden rond de kabels en leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering maar ook eventuele andere kabels en leidingen, is om praktische redenen het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit zullen intern binnen de gemeente de doelstellingen van deze verordening wel dienen te worden nageleefd. Ook is het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing op kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, waarvoor reeds een ander bestuursorgaan zoals het Rijk of de provincie op grond van haar beheertaak de vergunningverlenende instantie is. Hierbij dient wel bedacht te worden dat beheergebieden elkaar
kunnen overlappen. Van belang is dus dat bij regelgeving van andere bestuursorganen voorzien wordt in hetzelfde onderwerp. De overlap van beheergebied bij de vergunningverlening van een waterschap en de gemeente ten aanzien van kabels en leidingen, raakt elkaar vaak. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er een gemeentelijke openbare weg over een waterkering loopt. In dit geval zal de netbeheerder zowel bij de gemeente als bij het waterschap een vergunning dan wel ontheffing aan dienen te vragen. De uit te voeren toets van het waterschap ziet namelijk op het belang van het waterstaatswerk, de toetsing van de gemeente op het belang van de weg. In dat kader wordt door beide bestuursorganen voorzien in een verschillend onderwerp. Lid 7 bepaalt dat het college nadere regels vaststelt ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. De gemeente heeft als beheerder van openbare gronden deze informatie nodig voor een juiste beoordeling van werkzaamheden en inzicht in de belangen die worden geraakt. De te verstrekken gegevens worden om praktische redenen niet in de verordening zelf opgesomd maar in de nadere regels. Artikel 2.2. Vergunning aanleg private netten Dit artikel biedt de gemeente de mogelijkheid om regulerend op te treden bij de aanleg voor private netten. Artikel 2.3.
De aanvraag en de melding In geval van voorgenomen werkzaamheden moet de melding of aanvraag bij de gemeente plaatsvinden. Formeel gebeurt dat bij het college van burgemeester en wethouders, maar in de praktijk bij de gemachtigde ambtenaar. Op het verlenen van een vergunning zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zoals het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Een uitvoerende partij, de (onder)aannemer, vraagt in voorkomende gevallen namens de netbeheerder, de initiatiefnemer van werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen, in stand houden of verwijderen van kabels en leidingen, een vergunning aan. Hoewel de uitvoerende partij feitelijk de aanvraag indient, is het de netbeheerder die als aanvrager van de vergunning moet worden beschouwd. De netbeheerder is ook de partij op wiens naam de beschikking is gesteld en die aangesproken dient te worden bij besluiten betreffende het wijzigingen of intrekken van een eerder afgegeven beschikking. Meldingen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden te zijn gedaan. Artikel 2.4. Beslistermijnen Artikel 2.4 regelt in het eerste lid dat er in beginsel binnen acht weken moet worden beslist op de aanvraag. De maximale termijn van acht weken is conform het bepaalde in de Awb.
De termijn voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard is, zoals in artikel 2.1 aan de orde is gekomen, korter. Lukt het niet om binnen deze termijn een besluit te nemen dan geeft het vierde lid de mogelijkheid om de beslistermijn met nog eens acht weken te verlengen. Uiteraard zal ernaar worden gestreefd om zo spoedig mogelijk op de aanvragen te beslissen en gelden de genoemde termijnen als maximale beslistermijnen.
Lid twee regelt de mogelijkheid voor het college om een aanvraag aan te laten vullen op grond van artikel 4:5 juncto 4:15 Awb, waarmee de aanvraag wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of ongebruikt is verstreken. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van overige benodigde vergunningen voor zijn werkzaamheden (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning). Als de aanvrager hierom verzoekt, zal de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de ingediende aanvragen bij andere bestuursorganen bevorderen. In geval dat de netbeheerder een aanvraag wenst in te trekken, doet hij hiervan schriftelijk mededeling aan het college. Het college stelt de aanvraag na dit schriftelijk verzoek buiten behandeling. Een reden tot het verzoeken van het intrekken van een aanvraag kan gelegen zijn in het feit dat de netbeheerder een gedeelte van de te betalen legeskosten kan restitueren. Artikel 2.5. Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden Dit artikel biedt de basis om aan of een vergunning voorschriften en beperkingen te verbinden of de vergunning te weigeren. De verordening en de nadere regels vormen daarvoor gezamenlijk het kader. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de voorschriften en beperkingen slechts mogen strekken tot bescherming van die belangen welke deze Leidingverordening beoogt te beschermen.
Meestal kan door het verbinden van voorschriften en beperkingen aan de vergunning worden bereikt dat aan hetgeen in deze verordening is gesteld kan worden voldaan en de belangen waartoe deze verordening strekt voldoende worden beschermd. De voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden hebben betrekking op de in het eerste en tweede lid opgenomen belangen. Indien ook door het stellen van voorschriften en beperkingen de genoemde belangen niet voldoende kunnen worden beschermd dan moet de vergunningaanvraag worden geweigerd. Daarnaast geldt dat een aanvrager gebonden is aan voorschriften die gelden bij of krachtens andere wetten, zoals de Omgevingswet. Het derde lid beperkt de werkingsduur van het vergunning om uitvoering geruime tijd na afgifte te voorkomen. Een gewijzigd gebruik van gronden kan de werkzaamheden inmiddels onwenselijk maken. Zo nodig kan in de vergunning de werkingsduur van het besluit worden verlengd. De aanvrager van een vergunning is verantwoordelijk voor de naleving van die besluiten en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen en kan daarop worden aangesproken (vierde lid), ook wanneer hij werkzaamheden laat uitvoeren door ondergeschikten of derden (bijvoorbeeld (onder)aannemers).
In het vijfde lid wordt aan het college de bevoegdheid gedelegeerd om nadere regels vast te stellen ten aanzien van wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels en leidingen. Artikel 2.6. Wijziging en intrekking Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een vergunning in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het eerste lid genoemde situaties.
Allereerst kan de vergunning worden ingetrokken of gewijzigd indien de netbeheerder niet binnen zes maanden, of binnen een eventueel in de vergunning opgenomen afwijkende termijn, is begonnen met het werk en in de situatie waarin de werkzaamheden langer dan een periode van zes maanden stilliggen. Daarnaast kan de vergunning worden ingetrokken als het besluit is genomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Indien de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens de Leidingverordening, waaronder de nadere regels, of de vergunning(voorschriften) niet naleeft, kan het college de vergunning intrekken of wijzigen. Dit middel zal echter pas worden ingezet als de netbeheerder geen gehoor heeft gegeven aan een waarschuwing van het college wegens niet-naleving. Wanneer kabels of leidingen definitief buiten gebruik worden gesteld, kan de vergunning worden ingetrokken. In gevallen waarin kabels of leidingen nog wel worden onderhouden of in reserve worden gehouden zal er in beginsel geen sprake zijn van het intrekken van een vergunning. Onderdeel b van het tweede lid is van toepassing wanneer de gemeente vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak van oordeel is dat aanpassing van kabels of leidingen noodzakelijk is.
Dit is het geval wanneer de gemeente werken uitvoert die het algemeen belang dienen, waardoor deze kabels of leidingen niet kunnen blijven liggen of moeten worden aangepast. In de meeste gevallen zal hierbij sprake zijn van een gedeeltelijke verlegging van de bestaande kabel of leiding. Per situatie zal door het college worden beoordeeld of met het wijzigen van de bestaande vergunning kan worden volstaan, of dat er een nieuwe vergunning afgegeven wordt. Bij deze keuze houdt het college rekening met de gerechtvaardigde belangen van de vergunninghouder. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor wijzigingen in kabels of leidingen die in het verleden zijn gelegd en waarvoor geen expliciete vergunning is verleend, een nieuwe vergunning op grond van deze Leidingverordening dient te worden aangevraagd. De zienswijze zoals in het derde lid wordt benoemd vloeit voort uit de eisen die de Awb stelt aan de zorgvuldige voorbereiding van besluiten. Bij een wijziging of intrekking van de vergunning dient daarom een vergunninghouder in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze in te dienen. Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om aan het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning de verplichting te koppelen om de betreffende kabel of leiding te verleggen/verplaatsen of deze zelfs in zijn geheel te verwijderen.
Wordt deze verplichting opgelegd dan geeft dit de netbeheerder vervolgens de mogelijkheid om een beroep te doen op de Nadeelcompensatieregeling, waarin de procedure en voorwaarden voor tegemoetkoming in de schade die de netbeheerder door de opgelegde verplichting lijdt, is geregeld. Overigens zal per geval ook altijd worden bezien of verwijdering van leidingdelen wel wenselijk is en ook technisch mogelijk is. Wanneer de gemeente handelt vanuit haar publieke taak is het mogelijk om de vergunning in te trekken, met toepassing van de door de gemeente gehanteerde nadeelcompensatieregeling. Uit rechtspraak volgt dat een zeker commercieel belang niet in de weg staat aan de toepassing van de verordening (ABRvS 5 december 2012, 201108899/1/A3, rechtsoverweging 6.1). Uit rechtspraak van
18 juli 2023 (Rb. Sector bestuursrecht zaaknummer ZWO 22/963 BESLUI LMUL) volgt dat woon- en werkgelegenheid in ieder geval als een aan het publiekrecht ontleende taak wordt gezien. Wat leidend is, is dat de gemeente vanuit haar visies en plannen kan aantonen dat het invulling geeft aan haar vrijheid tot het regelen van hun huishouding. Dit is een aan de Grondwet ontleende bevoegdheid. De gemeente zal in elk geval waarin naast haar publieke taakvoering ook een zeker commercieel belang gemoeid is, afwegen of het nodig is om van haar nadeelcompensatieregeling af te wijken. Het zesde lid ziet op de mogelijkheid tot het op verzoek van een vergunninghouder op naam overdragen van een vergunning. Dit zal de administratieve lasten verlichten. In de vergunning kan echter specifiek zijn bepaald dat dit niet mogelijk is. Dit kan in gevallen waarin wijziging van exploitatie een rol speelt. Artikel 3.1. Overleg en afstemming tijdens planvorming Dit artikel benadrukt de regisserende rol die de gemeente kan hebben bij projecten. De gemeente zal als beheerder van de openbare ruimte de belangen van diverse gebruikers van die openbare ruimte trachten te behartigen en voor zover mogelijk ook proberen samen te brengen. De gemeente zal periodiek een strategisch overleg initiëren tussen alle betrokken partijen over alle uit te voeren projecten in de gemeente.
Daarnaast neemt het college het initiatief tot overleg met alle betrokken partijen in de planfase dan wel voorafgaand aan de start van een specifiek door of vanwege de gemeente uit te voeren werk met mogelijke gevolgen voor de ondergrondse infrastructuur. Deze uitwisseling van informatie voorafgaand aan uit te voeren werkzaamheden moet leiden tot een betere afstemming tussen het boven- en ondergrondse werk en tussen netbeheerders onderling. Alle partijen hebben hier belang bij en kunnen profiteren van deze informatie-uitwisseling. Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen tevens voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. De gemeente zoekt met de netbeheerder naar geschikte tracés, maar is hierin niet leidend. Artikel 3.2. Verplichtingen netbeheerder Deze bepaling heeft een algemene vangnetfunctie en verwoordt dat een netbeheerder (logischerwijs) primair verantwoordelijk is voor een goede staat van onderhoud van kabels of leidingen. Wanneer kabels en leidingen als gevolg van een slechte staat van onderhoud een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid of voor de overige belangen die deze verordening behartigt, biedt dit artikel aan de gemeenten een handvat om de netbeheerder hierop aan te spreken.
De verplichtingen in dit artikel zijn er verder op gericht dat de gemeente over de actuele informatie beschikt die zij nodig heeft om de doelstellingen van de Leidingverordening te kunnen behartigen. Het college kan op grond van het derde lid informatie over specifieke kabels of leidingen bij de netbeheerder opvragen. Dit gebeurt echter alleen indien het college dit noodzakelijk acht in het licht van de belangen die de Leidingverordening behartigt. Het college kan ook vragen om informatie over het al dan niet in gebruik zijn, de diameter, het materiaal, of de leeftijd van kabels of leidingen. Deze informatie is doorgaans niet bij het Kadaster geregistreerd.
Artikel 3.3. Medegebruik van voorzieningen Medegebruik van bestaande voorzieningen beperkt het graven in de openbare gronden. Zodoende wordt een netbeheerder verplicht zoveel als mogelijk medegebruik te maken van bestaande voorzieningen van een andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen. Indien de netbeheerder echter aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is, geldt de in het eerste lid opgenomen verplichting niet. Voorschriften in de vergunning kunnen het medegebruik van voorzieningen bevorderen. Het medegebruik kan aan de orde komen in het vooroverleg over het af te geven vergunning. Artikel 3.4. Verontreiniging, gevaar en hinder Dit artikel heeft betrekking op het voorkomen of bestrijden van verontreiniging, gevaar of hinder die veroorzaakt wordt door kabels en leidingen. De kosten voor deze maatregelen komen in beginsel ten laste van de netbeheerder. In situaties waarbij het niet redelijk is om alle kosten bij de netbeheerder te leggen kan worden afgeweken van dit uitgangspunt. Van de bevoegdheid van het tweede lid zal de gemeente slechts gebruik maken wanneer de belangen die de verordening behartigt in het gedrang (dreigen te) komen. Deze bepaling is aanvullend ten opzichte van de Omgevingswet. Als sluitstuk kan het college opschorting van de werkzaamheden vorderen.
Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met deze verordening het beoordelingskader. Artikel 4.1. Nadeelcompensatie In dit artikel is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding voor rechtmatig overheidshandelen) voor aanpassingen aan kabels en leidingen geregeld. Hierbij is zoveel mogelijk geanticipeerd op de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb, waarin nadeelcompensatie in het algemeen is gecodificeerd. Het artikel 4.1 vormt tot de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb de invulling van de ongeschreven verplichting om onevenredige – boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgende – schade te vergoeden. Dit volgt uit het algemene beginsel van behoorlijk bestuur égalité devant les charges publiques (gelijkheid voor de publieke lasten). Zowel vóór als na de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb fungeert de Nadeelcompensatieregeling als een beleidsregel, maar vanaf de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb ligt de grondslag voor nadeelcompensatie in art. 4:126 Awb, in plaats van in het ongeschreven recht, waardoor de Nadeelcompensatieregeling op dat moment als wet interpreterende beleidsregel zal fungeren. Ten aanzien van aanpassingen aan kabels en leidingen zijn er twee situaties waarin een netbeheerder in aanmerking komt voor nadeelcompensatie: 1.
de intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 2.5 lid 2 onder b van de Leidingverordening; 2. de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, waarbij geen vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken (bijvoorbeeld omdat de aan te passen kabel of leiding niet in openbare gronden van de gemeente ligt, de zogenaamde buitenleidingen).
In algemene termen bestaat nadeelcompensatie uit schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en die een netbeheerder in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De concrete toepassing en procedure van nadeelcompensatie voor aanpassingen aan kabels en leidingen wordt uitgewerkt in de Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen die door het college wordt vastgesteld. De uitvoering van een project is niet afhankelijk van een verzoek tot nadeelcompensatie. Een project kan derhalve van start gaan en de uitvoering van een werk hoeft niet uitgesteld te worden tot het moment dat een dergelijk verzoek tot nadeelcompensatie is afgehandeld. Sterker nog; bij het college kan een aanvraag tot nadeelcompensatie pas na de melding dat het plangebied functievrij is en de kabels of leidingen op de definitieve plek liggen, ingediend worden. Wel is het verstandig om tijdens de planvorming een risicoanalyse van de eventueel te verwachten nadeelcompensatie op te stellen. De hoogte van het te verwachten bedrag kan dan opgenomen worden in het projectbudget. Artikel 4.2. Herstraat- en degeneratiekosten De kosten voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde (graaf)werkzaamheden worden bij de netbeheerder in rekening gebracht.
Zie hiervoor in het bijzonder de Schaderegeling Ingravingen die een onderdeel vormt van de nadere regels. Deze regeling is afgeleid van de VNGrichtlijnen op dit gebied. In bijzondere gevallen zullen de netbeheerder en het college vooraf vaststellen wat er wordt verstaan onder ‘de oude staat’. Dit zal zeker in die gevallen moeten gelden waar de gemeente streeft naar een vorm van graafrust. Dit kan het geval zijn indien binnen een termijn van bijvoorbeeld vijf jaar na oplevering van een project wederom werkzaamheden in de ondergrond zullen gaan plaatsvinden. Dit wordt niet wenselijk geacht, zodat de term ‘de oude staat’ ruim kan worden geïnterpreteerd. Een gestelde termijn kan als ‘richtgetal’ fungeren, maar ‘de oude staat’ moet altijd per geval worden bekeken. Hetgeen wat onder ‘de oude staat’ wordt verstaan, kan dan als bijzondere voorwaarde bij een vergunning worden opgenomen. Artikel 5.1. Toezicht op de naleving Beoogd wordt één of meer gemeentelijke functionarissen aan te wijzen als toezichthouders. Zij zullen toezicht houden op de naleving van de voorschriften bij of krachtens deze verordening, waaronder ook de verleende vergunningen. Aangesloten wordt bij de Algemene wet bestuursrecht en haar middelen voor naleving van de voorschriften.
Artikel 5.2. Strafbepaling Deze bepaling biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen strafrechtelijk op te treden. Over het algemeen zal gekozen worden voor bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten en vormt de toepassing van strafrechtelijke sancties in beginsel een uiterst handhavingsmiddel. Artikel 6.1. Overgangsbepalingen Deze bepaling bevat het overgangsrecht. Aan de netbeheerders van de talloze kabels en leidingen die thans in openbare gronden aanwezig zijn, is in de meeste gevallen – al dan niet privaatrechtelijk dan
wel door middel van een vergunning – een ligrecht gegund waaraan diverse voorwaarden verbonden zijn. Om redenen van efficiency en om te voorkomen dat de netbeheerders hoge kosten moeten maken is er voor gekozen de bestaande toestemmingen te beschouwen als een vergunning in de zin van deze verordening. Overigens geldt voor kabels en leidingen die onrechtmatig in de openbare grond liggen hoe dan ook dat een aanvraag moet worden ingediend om een vergunning op grond van deze verordening te kunnen verkrijgen. De gemeente zal bij de toepassing van deze bepaling rekening houden met de omstandigheden waaronder in het verleden kabels en leidingen zijn gelegd en met de ouderdom van die kabels en leidingen. Het is voldoende wanneer aannemelijk gemaakt kan worden dat een kabel of leiding destijds rechtmatig is aangelegd. In het verleden zijn tussen netbeheerders en de gemeente privaatrechtelijke overeenkomsten gesloten over de verdeling van de kosten van aanpassingen aan kabels en leidingen. Indien een belanghebbende meent dat een dergelijke overeenkomst nog steeds van toepassing is, dient hij het bestaan en de geldigheid ervan aan te tonen. Op het moment dat er een overeenkomst geldt gaan de afspraken die daarin zijn opgenomen voor op de Leidingverordening en de onderliggende regels. Artikel 6.2. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.
De bekendmaking vindt plaats op de gebruikelijke wijze. Artikel 6.3. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als de Leidingverordening van de gemeente Hilversum 2024.