CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 Project flexwoningen Circusterrein toetsing natuurwetgeving

GEMEENTERAAD 11 december 2024, gemeente HilversumBij agendapunt: Advies buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) flexwoningen Circusterrein (1589095)11.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Project Flexwoningen Circusterrein Hilversum

G&G-advies QS2023-237

Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Project Flexwoningen Circusterrein Hilversum Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

S.J. Gutker de Geus T.S. van der Meer

2023

Opdrachtgever Gemeente Hilversum

G&G-advies QS2023-237

Datum Versie

1 september 2023 V1

Gecontroleerd door: R. de Beer De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Circusterrein te Hilversum

3

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 6

1.3

Het plangebied......................................................................................................... 6

1.4

Werkzaamheden...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 7

Methode

8

2.1

Soorten .................................................................................................................... 8

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 9

Beschermde soorten Wnb

10

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen .......................................................................... 10

3.2

Beschermde soorten.............................................................................................. 13 3.2.1 Planten ....................................................................................................................13 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 14 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 14 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 15 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 17 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 18 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 21

3.3

4

5

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 23

Effectbeoordeling en maatregelen

24

4.1

Vogels..................................................................................................................... 24

4.2

Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 25

4.3

Vleermuizen ........................................................................................................... 26

4.4

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 27

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

29

5.1

Natura 2000 ........................................................................................................... 29

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ......................................................................... 29

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) .................................................................. 29

5.4

Houtopstanden ...................................................................................................... 30

5.5

Overige relevante wetgeving................................................................................. 30

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

4

5.6

6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................31

Conclusies

32

6.1

Beschermde soorten Wnb .....................................................................................32

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................33

6.3

Zorgplicht ...............................................................................................................34

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van natuur ...........................................................34

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

36

8

Bijlagen

38

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan de Diependaalselaan te Hilversum her in te richten. Hilversum ligt in de provincie Noord-Holland. Het voormalige braakliggende circusterrein wordt heringericht waarbij ca. 400 flexwoningen gebouwd zullen worden. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. In opdracht van Gemeente Hilversum heeft Ecologisch Onderzoeksen Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

6

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied betreft een braakliggend terrein en bevindt zich in de dorpse omgeving van Hilversum. Het plangebied wordt omsloten door woonwijken en een bedrijventerrein. Op 550 meter afstand ten noordwesten van het plangebied loopt de N201, een drukke verkeersader. Aan de zuidwest kant van het plangebied grenst het plangebied aan een brede bosstrook.

1.4

Werkzaamheden Op de locatie waar het braakliggende terrein zich bevindt, wordt een herinrichting met nieuwbouw gerealiseerd. Daarbij worden bomen gekapt of gerooid. De groenstrook aan de zuidwestkant van het plangebied zal worden ingericht als park, waarbij mogelijk enkele bomen worden verwijderd. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatieve toplaag, het vergraven van de bodem, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van bomen en struiken. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen, licht en verandering van microklimaat verstoring optreden van (beschermde) soorten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

1.5

7

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

8

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2013-2023). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met vogels die geen jaarrond beschermd nest hebben moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook §3.2.4).

Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Voor deze soorten geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de zorgplicht welke wordt besproken in de conclusies en de bijlage m.b.t. de wetgeving. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

9

Potentiebeoordeling Het plangebied is op 8 augustus 2023 bezocht om de aanwezige biotopen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan te beschrijven en eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.

→https://www.nvwa.nl/

onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten

Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (§3.2) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet op voorhand uit te sluiten zijn, wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van (Europees) beschermde gebieden (Natura 2000), zie: https://www.natura2000.nl/ Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://geoapps.noord-holland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=nbp Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

10

3

Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van de NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen Aan de noordoostkant van het plangebied ligt een zandhoop die afgedekt is met een plastic. Aan de noordkant van het plangebied ligt een verlaten kruidentuin met opslagmateriaal van bakstenen, pallets en takken. Groenstructuren De bosschage in het plangebied, welke voornamelijk in het zuidwesten en noordwesten te vinden is, bestaat uit jonge en oude bomen met een opslag van Zomereik, Amerikaanse vogelkers, Wilde lijsterbes, Populier, Berk, Noorse Esdoorn, Amerikaans krentenboompje, Gewone es, Grove den, Zomerlinde, Robinia, Gewone esdoorn, Taxus, Paardenkastanje, Treurwilg en Spaanse aak. De bomen hadden ten tijde van het veldbezoek een dicht bladerdek, met name in de boomkronen. In enkele bomen zijn spechtengaten aanwezig.

De afgedekte zandhoop in het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

11

Verlaten kruidentuin met puinafval aan de noordkant van het plangebied.

De ondergroei van de bosschage bestaat uit soorten als Klimop, Hondsdraf, Paarse dovenetel, Braam, Roos, Dwergmispel, Eenstijlige meidoorn, Robertskruid, Klein springzaad, Hulst, Mannetjesvaren, Gewone sneeuwbes en Grote brandnetel In de overgang van dichte bosschage en open kruidenrijk terrein staan soorten als Keizerskaars, Bijvoet, Witte honingklaver, Sintjanskruid, Zomerfijnstraal, Boerenwormkruid, Akkerdistel, Gewone brunel, Vlinderstruik, Zeepkruid en Vingerhoedskruid. In het zuidoosten van het plangebied ligt een braakliggend terrein waarop soorten staan als Zandteunisbloem, Hertshooiweegbree, Herderstasje, Rode klaver, Hazenpootje, Melganzenvoet, Gewone steenraket, Goudsbloem, Wilde marjolein, Gewoon biggenkruid, Duizendblad, Vlasbekje en Zwarte nachtschade. Wateren en oevers In het zuidwesten grenst het plangebied aan een brede watergang met watervogel-toegankelijke oevers. De oevers zijn begroeid met soorten als Klimop en Braam. In de watergang zijn geen waterplanten aanwezig en de bodem is bedekt met een dikke sliblaag/dikke laag afgevallen bladeren, afkomstig van de omliggende bomen. Van de zuidkant in het plangebied richting de oostkant loopt een smalle, bijna drooggevallen watergang.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

12

Overig Binnen het plangebied ontbreekt bebouwing.

Impressie van de ondergroei in de bosschages.

Open delen tussen ruige bosschages in het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

13

3.2

Beschermde soorten

3.2.1

Planten Aangetroffen soorten In het verleden is Glad Biggenkruid waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF 2013-2023). De soort is niet in het plangebied zelf waargenomen. In het verleden is Echte gamander in de omgeving van het plangebied (NDFF 2013-2023). De soort is niet in het plangebied zelf waargenomen.

→https://www.verspreidings

atlas.nl/vaatplanten

De waarnemingen van Echte gamander in de omgeving van het plangebied, betreffen niet wilde exemplaren die ver buiten hun normale verspreidingsgebied groeien←. Tijdens het veldbezoek werd Reuzenberenklauw waargenomen. Dit is een invasieve plantensoort die voorkomt op de ‘Unielijst’ van de NVWA.

Reuzenberenklauw in een bosschage in het noordwesten van het plangebied. Op de locatie waar men voornemens is een park te realiseren.

Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor de genoemde soorten. Tevens wordt het plangebied te intensief beheerd en is het te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Ook is de bodem te veel gestoord en gewoeld.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

14

Glad biggenkruid is een soort van zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, met name stikstofarme bodem. De soort is vooral te vinden op halfopen duingraslanden, akkers en langs open bermen.

3.2.2

Vissen Omdat in het plangebied zelf geen water aanwezig is, kunnen hier geen (beschermde) vissoorten voorkomen. Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20132023). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissen aanwezig vanwege het ontbreken van wateren/geschikt biotoop.

3.2.3

Amfibieën Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek werd een Bruine kikker waargenomen. Deze soort is in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Rugstreeppad en Kamsalamander waargenomen (NDFF 2013-2023). De Rugstreeppad en Kamsalamander zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). De Rugstreeppad werd op 2000 meter afstand ten zuidwesten van het plangebied vastgesteld en de Kamsalamander werd ten zuidwesten van het plangebied vastgesteld op 1800 meter (NDFF 2013-2023).

→https://www.verspreidings

atlas.nl/amfibieën

In de omgeving van het plangebied is in het verleden Alpenwatersalamander aangetroffen (NDFF 2013-2023). Het plangebied ligt ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied← van deze soort en het betreft daarom waarschijnlijk uitgezette of aangevoerde exemplaren. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten. Potentie plangebied Het plangebied levert geschikt voortplantingswater voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Kleine watersalamander, Gewone pad, Bruine kikker, Groene kikker (Bastaardkikker en/of Meerkikker). Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in NoordHolland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied is tevens geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze amfibieën.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

15

Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden in de omgeving werd aangetroffen. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van geschikt voortplantingswater, ligt geïsoleerd door dichte bebouwing, drukke wegen en brede watergangen. Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het niet te verwachten dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. Het plangebied is te veel geïsoleerd door dichte bebouwing, drukke wegen en brede watergangen en de soort moet daarom te veel ongunstig biotoop passeren om het plangebied te bereiken. Kamsalamander Het plangebied is niet geschikt voor Kamsalamander. Binnen het plangebied ontbreken permanente, onbeschaduwde, stilstaande wateren met goed ontwikkelde submerse vegetatie welke kunnen dienen als voortplantingsbiotoop. Ook ontbreekt geschikt landbiotoop in de directe omgeving van voortplantingsbiotoop, zoals houtwallen of bosranden met veel stronken en takken waar de dieren onder kunnen wegkruipen.

3.2.4

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Houtduif, Ekster (cat.5), Merel, Zwarte kraai (cat. 5), Fitis, Vink, Boomkruiper (cat. 5), Koolmees (cat. 5) en Pimpelmees (cat. 5). Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Houtduif, Merel, Roodborst, Winterkoning en Heggenmus. In het water en de oevers langs het plangebied kunnen water- en moerasvogels broeden als Wilde eend en Meerkoet. In de rietkragen kunnen vogelsoorten als Waterhoen en Kleine karekiet. Het is mogelijk dat in de bomen categorie 5-soorten broeden als Ekster, Zwarte kraai, Spreeuw, Gekraagde roodstaart, Koolmees, Pimpelmees, Boomkruiper, Boomklever, Bosuil, Groene specht en Grote Bonte specht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

16

Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus, Gierzwaluw en verschillende roofvogels, uilen en overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vastgesteld (NDFF 2013-2023). De Gierzwaluw broedt in de nabije woonwijken op ongeveer 600 meter van het plangebied. De Huismus broedt in de nabije woonwijken op ongeveer 400 meter van het plangebied. Verder zijn broedplaatsen van Boomvalk (cat. 4), Wespendief (cat. 4), Sperwer (cat. 4) en Ransuil (cat.4) nabij het plangebied bekend (NDFF 20132023). De overige waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten betroffen overvliegende vogels zonder binding met het plangebied of de omgeving daarvan. In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast in het verleden Grote gele kwikstaart (cat.3) en Ooievaar (cat.3) vastgesteld. Deze soorten hebben echter geen aantoonbare binding met het plangebied. De meeste bekende waarnemingen betreffen overvliegende (trek)vogels. De soorten broeden niet in de directe omgeving van het plangebied. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig, waardoor de bomen tijdens het veldbezoek niet goed te inspecteren waren op de aanwezigheid van grote nesten, holtes en spleten.

Binnen het plangebied kunnen potentieel categorie 4soorten voorkomen zoals Sperwer, Buizerd en Ransuil.

Impressie van de dichtbegroeide bosschage in het plangebied. De bomen waren ten tijde van het veldbezoek niet goed inspecteerbaar op de aanwezigheid van grote nesten en holtes.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

17

De Gierzwaluw wordt in het plangebied zelf niet verblijvend verwacht vanwege het ontbreken van gebouwen, dus het ontbreken van geschikte nestlocaties. De Huismus wordt in het plangebied niet verblijvend verwacht wegens het gebrek aan bebouwing waar gebruik van gemaakt kan worden. Aangezien het plangebied in de buurt ligt van geschikte bebouwing is het wel mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied wegens het noordoostelijke deel in het plangebied waar voedsel te vinden is.

3.2.5

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek werd een Haas waargenomen. Deze soort is in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting (zie verder Bijlage 1.2.1). In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Eekhoorn, Das, Boommarter waargenomen (NDFF 2013-2023). De Boommarter, Das en Eekhoorn zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Van Boommarter zijn meerdere waarnemingen bekend op minstens 700 meter afstand van het plangebied (NDFF 2013-2023). De soort werd voornamelijk waargenomen in de omgeving ten noorden van het plangebied. Van de meeste genoemde soorten zijn meerdere waarnemingen bekend. Hierboven worden de waarnemingen die het dichtst bij het plangebied werden gedaan genoemd. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten. Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Vos, Haas, Bosmuis, Dwergmuis, Konijn, Rosse woelmuis, Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1.

Het plangebied biedt veel schuilmogelijkheden in de vorm van dichte vegetatie, begroeide oeverranden, opgeslagen materialen, stronken en takken waar (kleine) marterachtigen zoals Steenmarter, Bunzing, Hermelijn en Wezel gebruik van kunnen maken. Het plangebied is geschikt voor Boommarter en Eekhoorn vanwege de aanwezigheid van dichte bosschages en omvangrijke dekking biedende vegetatie in de omgeving.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

18

De bosschages in het plangebied bieden mogelijk geschikt biotoop voor beschermde grondgebonden zoogdieren zoals Eekhoorn en marterachtigen.

Het plangebied is ongeschikt voor de Das. In de directe omgeving van het plangebied ontbreken kleinschalige landbouwgebieden en open terreinen waar de dieren kunnen foerageren. Het plangebied ligt te geïsoleerd tussen bebouwing en wegen om goed bereikbaar te zijn voor deze soort. Tevens zijn vaak wandelaars met honden aanwezig op het terrein. Ook ontbreken geschikte heuvels en houtwallen met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld waar de Das een burcht in kan graven.

3.2.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Alle soorten vleermuizen, evenals verblijfplaatsen en essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn 7 soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2013-2023). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Watervleermuis, Meervleermuis en Baardvleermuis.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

19

Aan de noordkant is een opvallende vliegroute waargenomen van Meervleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis. Aan de zuidkant van het plangebied zijn diverse vliegroutes gesignaleerd van Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Gewone dwergvleermuis. In het plangebied zelf zijn geen verblijfsplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. De bekende waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken. Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. De aanwezige holtes in de bomen zouden geschikt kunnen zijn als (tijdelijke) verblijfplaats voor in bomen verblijvende soorten zoals Ruige dwergvleermuis en Rosse vleermuis. Andere boombewonende soorten zoals bijvoorbeeld Watervleermuis en Gewone Grootoorvleermuis zijn zeldzaam en worden op voorhand niet verwacht in de onderzochte bomen.

Deze soorten dienen tijdens vervolgonderzoek (zie §4.4) wel te worden onderzocht en als tijdens het vleermuisonderzoek indicatieve waarnemingen worden gedaan van deze soorten, moeten bezoekrondes en bezoektijden worden aangepast conform het geldende onderzoeksprotocol, zodat het eventuele voorkomen van deze soorten volledig in beeld wordt gebracht. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet geheel te inspecteren op de aanwezigheid van holtes en spleten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

20

De openingen in de Amerikaanse vogelkersen (rode pijlen) aan de zuidoostkant van het plangebied geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte boomholtes.

Kaart van het plangebied met tijdens het veldbezoek gevonden potentieel voor vleermuizen geschikte boomholtes (blauwe lijn).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

21

Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Het plangebied kan onderdeel uitmaken van een vliegroute van vleermuizen. Met name de lijnvormige structuren zoals bosschages, bomenrijen, watergangen, rietkragen en randen van bebouwing kunnen onderdeel uitmaken van een langere landschapslijn en daarmee onderdeel zijn van een vliegroute van vleermuizen.

3.2.7

Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn waarnemingen bekend van Hazelworm (reptiel), Levendbarende hagedis (reptiel), Ringslang (reptiel) en Grote vos (dagvlinder) in de omgeving van het plangebied (NDFF 2013-2023). Vrijwel alle waarnemingen van de beschreven soorten werden gedaan op minimaal 700 meter afstand van het plangebied (NDFF 2013-2023). De soorten zijn nooit in de directe omgeving van het plangebied waargenomen.

→https://www.verspreidings

atlas.nl/reptielen

De Grote vos is éénmaal waargenomen in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek werden dagvlinders waargenomen zoals Bont zandoogje en Boomblauwtje.

Boomblauwtjes in het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

22

Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor overige beschermde fauna in verband met het ontbreken van geschikt biotoop. In het plangebied ontbreekt geschikt habitat voor de Ringslang. Er zijn plaatselijk geen geschikte natte terreindelen met begroeide oeverzones en hopen riet, maaisel of aangespoeld materiaal waar Ringslang kan jagen en zich kan voortplanten. De beschoeide oevers weerhoudt Ringslangen ervan om aan land te komen. Het plangebied is niet geschikt voor Levendbarende hagedis vanwege het ontbreken van open bos, ruig grasland en heide. Het plangebied is niet geschikt voor Hazelworm wegens de geïsoleerde ligging. In het plangebied ontbreken licht vochtige, halfopen terreinen met dichte vegetatie en veel stronken, takken of opgeslagen materialen waar de dieren kunnen schuilen. Het plangebied is niet geschikt voor Grote vos. De soort plant zich voort op zonnige plekken in open bossen, bosranden en boomgaarden. De waarneming van Grote vos in de omgeving van het plangebied betreft waarschijnlijk een langstrekkend exemplaar.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

3.3

23

Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen mogelijk (incidentele) aanwezigheid en gebruik als essentieel leefgebied (zoals bijvoorbeeld vaste verblijfplaatsen). In hoofdstuk 4 wordt uiteengezet welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4). Indien de potentieel aanwezige beschermde functie wordt genoemd in kolom 4 valt deze automatisch onder essentieel leefgebied voor de mogelijk aanwezige soorten. Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur en veldbezoek)

Mogelijk aanwezig in plangebied

Mogelijk beschermde functie aanwezig binnen het plangebied

Planten

NDFF

nee

nee

Vissen

nee

nee

nee

Amfibieën

NDFF

nee

nee

veldbezoek, NDFF

ja

niet-jaarrond beschermde nesten

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

NDFF

ja

jaarrond beschermd nest (roofvogels en uilen)

Grondgebonden zoogdieren

NDFF

ja

voortplantingsbiotoop (Eekhoorn en marterachtigen)

Vleermuizen

NDFF

ja

verblijfplaatsen / foerageergebied / vliegroute (meerdere soorten)

Overige beschermde fauna

NDFF

nee

nee

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

24

4

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

4.1

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het kappen en rooien van bomen en struiken, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de aanwezige soorten. Als onverhoopt buiten deze periode broedende vogels aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wordt de periode van februari t/m augustus gezien als de gevoelige periode. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt. ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Ekster, Zwarte kraai, Koolmees, Pimpelmees, Boomkruiper, Boomklever, Bosuil en Grote Bonte specht) kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied.

Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

25

status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van grote vogelnesten. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten uit te voeren om de aanwezigheid van nesten vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten. Als tijdens de scan grote nesten worden gevonden is vervolgonderzoek nodig naar de Buizerd, Ransuil en Sperwer. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn dient alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een, op te stellen ‘Activiteitenplan’, deze maatregelen worden uitgewerkt.

Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

4.2

Grondgebonden zoogdieren Bij het verwijderen van de toplaag en het vergraven van de bodem of de oevers kan schade optreden voor beschermde zoogdieren. Het is derhalve noodzakelijk om voorafgaand aan het werk vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Als bomen met opvallende nesten of geschikte holtes of spleten moeten worden gekapt kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van Boommarter en Eekhoorn worden beschadigd of vernield. Het is dan noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort. Als oude holen van Konijn of Vos worden vergraven kunnen vaste verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden vernield. Als beschermde, niet vrijgestelde, zoogdieren aanwezig zijn, dient vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

26

ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een, op te stellen ‘Activiteitenplan’, deze maatregelen worden uitgewerkt.

4.3

Vleermuizen Verblijfplaatsen Als bomen met diepe holtes of spleten moeten worden gekapt kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden beschadigd of vernield. Het is dan noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van holtes en spleten die geschikt zouden kunnen zijn voor vleermuizen. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een bomenscan uit te voeren om de aanwezigheid van holtes of spleten in bomen beter in kaart te brengen. Eventueel kunnen de holtes middels een scan, met gebruik van onder andere een endoscoop, zaklamp en spiegel geïnspecteerd worden. Daarbij wordt gekeken of er verblijvende vleermuizen (of sporen daarvan) aanwezig zijn. Indien gebruik van de holtes door vleermuizen niet uitgesloten kan worden dient een volledig vervolgonderzoek te worden uitgevoerd om aantallen, soorten en gebruiksfunctie in kaart te brengen. Een dergelijke holte-scan is geen volledig protocollair vleermuisonderzoek. Een holte-scan heeft drie mogelijke uitkomsten:  De holtes zijn ongeschikt voor verblijvende vleermuizen en er worden geen vleermuizen of sporen daarvan aangetroffen.

 Er worden geen vleermuizen of sporen daarvan aangetroffen, maar de holtes blijken niet volledig te inspecteren.  Er worden verblijvende vleermuizen of sporen van gebruik door vleermuizen aangetroffen in de holtes. Indien de holtes voldoende te inspecteren zijn en geen verblijvende vleermuizen of sporen daarvan worden aangetroffen kan beoordeeld worden dat de holtes ongeschikt zijn. Er is in dat geval mogelijk geen vervolgonderzoek naar vleermuizen nodig. Indien vleermuizen (of sporen daarvan) aanwezig zijn of de holtes niet volledig te inspecteren zijn dient een volledig vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Bij dit onderzoek dienen soorten, aantallen en gebruiksfuncties in kaart te worden gebracht. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is dan tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

27

aangevraagd waarbij in een, op te stellen ‘Activiteitenplan’, deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de werkzaamheden omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk of permanent uitwijken. Vliegroutes Het plangebied kan gebruikt worden als klein onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht.

4.4

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om Buizerd, Ransuil, Sperwer, marterachtigen, Eekhoorn en in bomen verblijvende vleermuizen Ruige dwergvleermuis en Rosse vleermuis. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld. Aanbevolen wordt de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (grofweg half maart – half juli) óf het plangebied voor de broedperiode ongeschikt te maken voor broedvogels. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van grote vogelnesten. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten en holtes en spleten uit te voeren om de aanwezigheid daarvan vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten. Indien nesten, holtes en spleten die geschikt kunnen zijn voor beschermde soorten (bijvoorbeeld roofvogels, uilen en vleermuizen) aanwezig zijn, dient in de meeste gevallen een volledig onderzoek te worden uitgevoerd (zie Tabel 2).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

28

Optimale periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.

Soort/Soortgroep

Optimale periode

Vogels Nesten-scan roofvogels en vaststellen aanwezigheid van nesten uilen november – februari Sperwer Ransuil Buizerd

Aantal bezoeken 1*

half maart – juni half maart – juni maart – half mei

2-4 2-4 2-4

(jaarrond)

3 (materialen uitzetten, controleren, ophalen)

mei – augustus (jaarrond) mei – augustus (jaarrond) (maart) mei – augustus (jaarrond) (maart) mei – augustus (jaarrond) (maart) mei – augustus (jaarrond) mei – augustus (jaarrond)

1 1 1 1 1 1

Grondgebonden zoogdieren Camera/vallenonderzoek zoogdieren

Boommarter Steenmarter Bunzing Hermelijn Wezel Eekhoorn

Vleermuizen Gebiedsfunctie Alle soorten

Alle soorten

Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis

Van der Goes en Groot

Periode

vliegroutes, april – november foerageergebied (boom)holtescan, vaststellen november – aanwezigheid februari van geschikte boomholtes Kraamkolonies Paarverblijven en en zwermgedrag zomerverblijven (2 bezoeken) (3 bezoeken) half mei – half juli juni – half juli

Aantal bezoeken 2*

1*

5

augustus – oktober half juni – half juli

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

5

29

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

5.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 1600 meter afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Oostelijke Vechtplassen’ (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming door stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000gebieden. Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorende .pdf-bestanden.

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

30

zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes, Bufferzones, Aardkundige Monumenten en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het gebied is niet begrensd als een Bijzonder Provinciaal Landschap en ligt ook niet in de directe omgeving hiervan (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op het BPL, een nadere toetsing is niet nodig.

5.4

Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen onder de Wnb genoemde beplantingen gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.

5.5

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, BPL en het NNN.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

5.6

31

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000gebieden. Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorende .pdf-bestanden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

32

6

Conclusies 6.1

Beschermde soorten Wnb  Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli.  In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van in bomen broedende roofvogels (Sperwer, Buizerd en Ransuil). Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2).

Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.  Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.  In het onderzoeksgebied kunnen beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om de Boommarter, Steenmarter, Eekhoorn en kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel). Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffings-

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

33

aanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.  In het plangebied kunnen in bomen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.  Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van (grote) vogelnesten, holtes en spleten. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten, holtes en spleten uit te voeren. Indien nesten, holtes of spleten die geschikt kunnen zijn voor beschermde soorten (bijvoorbeeld roofvogels, uilen en vleermuizen) aanwezig zijn, dient in de meeste gevallen een volledig onderzoek te worden uitgevoerd (zie Tabel 2).

 Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de werkzaamheden omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk of permanent uitwijken.  Het plangebied kan gebruikt worden als klein onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht.

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving  Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen.  Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

34

Natura 2000-gebieden. Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorende .pdf-bestanden.

6.3

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.  Ontzie groenvoorzieningen zoveel mogelijk tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en probeer dezelfde bouwwegen voor zowel aanvoer als afvoer te gebruiken.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten.  Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houd bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk gebruikt worden om insporing en potentiële verstoring van dieren en planten te beperken.

 Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

6.4

→https://www.checklist

groenbouwen.nl/

Aanbevelingen ter bevordering van natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Er zijn veel goede ←websites beschikbaar met tips en informatie over groen bouwen en het natuurlijk inrichten van tuinen. Als aanvulling worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan:  Het verbreden van wateren rondom planpercelen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers.  Het plaatsen van speciale kasten aan bomen/in muren en het geschikt maken of openhouden van spouwmuren ten behoeve van vleermuizen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

35

 Het plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen door middel van speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen.  Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren.  Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals Eenstijlige meidoorn, Wilde liguster, Gewone vlier, Sleedoorn of Klimop die vogels en insecten als vlinders, wilde bijen en zweefvliegen kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, (spits)muizen en vleermuizen.  Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten Zoals Muurvaren, Steenbreekvaren en Muurleeuwenbek.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-237

Circusterrein te Hilversum

36

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BOS, F., M. BOSVELD, D. GROENENDIJK, C. VAN SWAAY, I. WYNHOFF, DE VLINDERSTICHTING, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FIELL, C & P., 2018. Bat roosts in trees: a guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Pelagic Publishing, 20-22 Wenlock Road, London. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. GITTENBERGER, E. & A.W. JANSSEN (RED.), 2004.

De Nederlandse zoetwatermollusken. Recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water. – Nederlandse Fauna 2. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KRANENBARG, J., J.E. HERDER, W.A.M. VAN EMMERIK & M. GROEN (RED), 2022. Visatlas van Nederland. Stichting RAVON, Sportvisserij Nederland & Noordboek, Gorredijk. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. NETWERK GROENE BUREAUS, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Netwerk Groene Bureaus, Odijk. NEDERLANDSE VERENIGING VOOR LIBELLENSTUDIE, 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata) – Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=c31f7baf-aa1b-4683-a9c8-91f4bf725d53