Bijlage 5 : Chw-bestemmingsplan 1221_(gewijzigd)_Toelichting_Bijlage 4 Externe veiligheid
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 51001953 Referentienummer: NL22-648800269-28509 Datum: 18-07-2022
Chw-Bestemmingsplan 1221 Deelrapport Externe Veiligheid
Definitief
Opdrachtgever: Gemeente Hilversum Postbus 9900 1201 GM HILVERSUM
Sweco Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Arnhem Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Rik Zegers Adviseur M +31 6 20 40 65 00 Rik.zegers@sweco.nl
Verantwoording Titel
Chw-Bestemmingsplan 1221
Subtitel
Deelrapport Externe Veiligheid
Projectnummer
51001953
Referentienummer
NL22-648800269-28509
Revisie
D3
Datum
18-07-2022
Auteur
Rik Zegers
E-mailadres
rik.zegers@sweco.nl
Gecontroleerd door
Hoi-Yee Man
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
b/a Gaby Brand
Richard van den Brink
Paraaf goedgekeurd
2 (31)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 5
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 5
1.2
Gebiedsanalyse ....................................................................................................... 6
1.3
Doel ......................................................................................................................... 6
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................ 7
2
Toetsingskader externe veiligheid....................................................................... 8
2.1
Beleidsvisie externe veiligheid................................................................................. 8
2.1.1
Het begrip risico ....................................................................................................................8
2.1.2
Verantwoording groepsrisico.................................................................................................9
2.2
Omgevingswet ....................................................................................................... 10
3
Risico-inventarisatie risicobronnen .................................................................. 12
3.1
Methodiek .............................................................................................................. 12
3.2
Risicobronnen ........................................................................................................ 12
3.2.1
Ligging risicobronnen ..........................................................................................................12
3.2.2
Overzicht risicobronnen ......................................................................................................13
3.2.3
Potentiële risicobronnen......................................................................................................15
3.3
Conclusie ............................................................................................................... 15
4
Toetsing Spoortraject Bussum - Hilversum – Baarn ....................................... 16
4.1
Onderzochte situaties ............................................................................................ 16
4.2
Uitgangspunten risicoberekeningen spoor ............................................................ 16
4.2.1
Eigenschappen spoor .........................................................................................................17
4.2.2
Vervoer gevaarlijke stoffen spoor........................................................................................17
4.2.3
Bevolkingsgegevens ...........................................................................................................18
4.3
Resultaten risicoberekeningen .............................................................................. 20
4.3.1
Plaatsgebonden risico .........................................................................................................20
4.3.2
Groepsrisico ........................................................................................................................20
4.4
Conclusie ............................................................................................................... 22
5
Verantwoording groepsrisico ............................................................................. 23
5.1
Eisen aan de verantwoording groepsrisico ........................................................... 23
5.2
Elementen verantwoording groepsrisico ............................................................... 24
5.2.1
Relevante ongevalsscenario’s ............................................................................................24
5.2.2
Aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied ...........................................................26
5.3
Plasbrandaandachtsgebied (PAG) ........................................................................ 28
5.4
Mogelijke maatregelen: alarmering en communicatie ........................................... 28
5.5
Nut en noodzaak van de ontwikkeling van het gebied .......................................... 28
5.6
Advies van de veiligheidsregio .............................................................................. 29
3 (32)
5.7
Restrisico’s ............................................................................................................ 29
6
Conclusies............................................................................................................ 30
6.1
Risicobronnen ........................................................................................................ 30
6.2
Plaatsgebonden risico ........................................................................................... 30
6.3
Plasbrandaandachtsgebied ................................................................................... 30
6.4
Groepsrisico ........................................................................................................... 30
6.5
Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid ......................................... 30
6.6
De mogelijkheden voor zelfredzaamheid .............................................................. 30
6.7
Restrisico ............................................................................................................... 31
7
Referenties ........................................................................................................... 32
Bijlage 1
Berekeningen RBMII
4 (32)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Gemeente Hilversum is van plan om voor 1221 een vernieuwend bestemmingsplan op te stellen op grond van de Crisis en Herstelwet, het Chw-bestemmingsplan. Het is een bestaande woonwijk, met veel wonen, enkele bedrijven en gemengde zones. Het plan is om het gebied te ontwikkelen tot een centrum stedelijk milieu met een hoge omgevingskwaliteit. De exacte invulling van het Chw-bestemmingsplan, wat én wanneer ontwikkeld gaat worden, is nog niet bekend. Wel is een maximum woningbouwprogramma opgesteld. Op basis van de Gebiedsagenda 1221 kunnen er tot 2030 maximaal 1.150 woningen worden gerealiseerd. Aangezien het Chw-bestemmingsplan een planhorizon heeft tot 2040 is het maximaal (mogelijk) aantal te realiseren woningen binnen het bestemmingsplan bepaald op 1.550 woningen (inclusief 1150 woningen). Voor de spoorzone (waaronder het Bruisend hart) zijn 250 woningen gereserveerd. Deze woningen worden niet mogelijk gemaakt met het Chw-bestemmingsplan, maar zijn wel worst-case (cumulatief) meegenomen in het onderzoek. In het onderzoek worden dus voor geheel postcodegebied 1221 (Chw-bestemmingsplan en Bruisend Hart) 1.800 woningen beschouwd. Aangezien er binnen het postcodegebied geen open ruimte is waar extra woningen kunnen worden gebouwd, zullen de woningen gebouwd worden op herontwikkelingslocaties.
De bestaande functies op deze herontwikkelingslocaties worden gesloopt en hiervoor in de plaats worden woningen gebouwd. Voor werkgelegenheid is het uitgangspunt dat het aantal arbeidsplaatsen behouden blijft. Bij een Chw-bestemmingsplan kan een groot deel van de onderzoeken vooruitgeschoven worden naar de vergunningverlening. Dit is voor een gebied als 1221, waar nog niet exact bekend is wat én wanneer er ontwikkeld gaat worden, een uitkomst. In het Chwbestemmingsplan moet echter wel worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Met behulp van een gebiedsanalyse is in beeld gebracht welke aandachtspunten er zijn in het postcodegebied 1221. Uit de analyse blijkt dat externe veiligheid een aandachtspunt is, vanwege het spoortraject Bussum Hilversum – Baarn, waar naar verwachting een deel van de nieuwe woningen wordt gerealiseerd. Om die reden is een risico-inventarisatie externe veiligheid uitgevoerd en is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld voor het spoor. Figuur 1.1 geeft het postcodegebied weer.
5 (32)
Figuur 1.1
Ligging postcodegebied (rood) 1221 in Hilversum (exclusief Bruisend Hart)
1.2 Gebiedsanalyse Voor het Chw-bestemmingsplan is een gebiedsanalyse uitgevoerd over wat het gebied op het gebied van de fysieke leefomgeving aan kan. De gebiedsanalyse is uitgevoerd aan de hand van data over bodemverontreiniging, archeologische waarden, monumenten, natuurgebieden, geluidsbelasting, waterberging, luchtkwaliteit, wettelijke geluidzones, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid en ecologie. Met deze analyse is aangetoond voor welke aspecten geen knelpunten opleveren en welke aandachtspunten er wel zijn binnen 1221. Het spoor vormt een aandachtspunt binnen 1221, omdat het spoor een veiligheidszone kent waarbinnen niet zomaar (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, zijn toegestaan. Aangezien er binnen het postcodegebied maximaal 1.800woningen (dit is inclusief 250 woningen Bruisend Hart) worden mogelijk gemaakt tot 2040, is voor dit aspect dit aanvullend onderzoek uitgevoerd. 1.3 Doel Voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving is het van belang om de externe veiligheid rondom het postcodegebied te inventariseren. Voorliggend onderzoek Externe Veiligheid geeft inzicht in de risicobronnen rondom het postcodegebied, de hoogte van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico per risicobron en of deze voldoen aan de normen die volgen uit de wet- en regelgeving externe veiligheid.
Uit de toetsing aan de wet- en regelgeving volgt of er risicobronnen zijn waarvan het groepsrisico verantwoord moet worden.
6 (32)
1.4 Leeswijzer Dit rapport begint in hoofdstuk 2 met een beschrijving van het wettelijke kader externe veiligheid waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de inventarisatie van de risicobronnen en de selectie van de relevante risicobronnen rondom het postcodegebied. De relevante risicobron is het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Bussum – Hilversum – Baarn. In hoofdstuk 4 wordt de risicoanalyse voor de spoorweg Bussum – Hilversum – Baarn beschreven. In hoofdstuk 5 wordt een invulling gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico. Hoofdstuk 6 bevat de conclusies van de onderzoeken. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de referenties.
7 (32)
2
Toetsingskader externe veiligheid
2.1 Beleidsvisie externe veiligheid Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen); het gebruik van luchthavens. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico’s kunnen lopen, zoals omwonenden. 2.1.1 Het begrip risico Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats (buiten de inrichting of langs een transportroute), uitgedrukt in de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats (langs een inrichting, een transportroute of een buisleiding) zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval (binnen de inrichting of op de transportroute) waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is (Bevt, artikel 1 [1]; Bevb, artikel 1 [2]; Bevi, artikel 1 [3]).
Bij het beoordelen van gevaarlijke locaties, gaat het Rijk uit van een basisnorm: het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof, mag voor omwonenden niet hoger zijn dan één op de miljoen per jaar. Dat betekent dat op een bepaalde plek een omwonende geen grotere kans op zo’n ongeluk mag hebben dan één op de miljoen per jaar. (Bevt, artikel 4 [1]; Bevb, artikel 11 [2]; Bevi, artikel 8 [3]). De omvang van het risico is een functie van de afstand, waarbij meestal geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De diverse niveaus van het plaatsgebonden risico worden geografisch weergegeven door zogenaamde ISO-risicocontouren (lijnen) om een risicovol object of een transportas van gevaarlijke stoffen. Daarbij verbindt elke lijn plaatsen in de omgeving van een risicovol object of een transportas met een even hoog plaatsgebonden risico. Voor kwetsbare objecten1 geldt een grenswaarde van PR 10-6/jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten2 geldt een richtwaarde van PR 10-6/jaar. De grenswaarden moeten bij de uitoefening van een aangewezen wettelijke bevoegdheid in acht worden genomen, terwijl met richtwaarden zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden (Bevt, artikel 4 [1]; Bevb, artikel 11 [2]; Bevi, artikel 8 [3]).
Afwijking van een richtwaarde is bij alle beperkt kwetsbare objecten mogelijk vanwege zwaarwegende belangen op het gebied van vervoer, ruimtelijke ordening en economie (verder te noemen: gewichtige redenen). 1 2
Een kwetsbaar object is bijvoorbeeld een woning of een school [1] [2] [3]. Een beperkt kwetsbaar object is bijvoorbeeld een sporthal of een speeltuin [1] [2] [3].
8 (32)
Afwijking is ook toegestaan bij het opvullen van kleine open gaten in het bestaand stedelijk gebied of vervangende nieuwbouw. in het kader van de herstructurering van stedelijk gebied. Handleiding Besluit externe veiligheid inrichtingen bladzijde 99 [7]. Afwijking is primair een verantwoordelijkheid van het ter zake van een besluit aangewezen bevoegde gezag. Daarbij dient voorafgaand overleg met alle betrokken bestuursorganen plaats te vinden. In de motivering bij het betrokken besluit moet het bevoegd gezag aangegeven waarom wordt afgeweken van de norm. Groepsrisico Het groepsrisico is de cumulatieve kans per jaar dat een groep van ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van aanwezigheid in het invloedsgebied (van een inrichting of van een transportroute) en een ongewoon voorval (binnen die inrichting, of langs die transportroute) waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. (Bevt, artikel 1 [1]; Bevb, artikel 1 [2]; Bevi, artikel 1 [3]) Het groepsrisico geeft de aandachtspunten op een transportroute (ook bij buisleidingen) aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de risicobron. Dit laatste geldt ook voor inrichtingen.
Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar en op de horizontale as het aantal doden logaritmisch is weergegeven. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is per transportsegment (geldt ook voor buisleidingen) gemeten per kilometer en per jaar: 10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; 10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; 10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers. (Bevt, artikel 1 [1]; Bevb, artikel 12 [2]). De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij inrichtingen is per inrichting gemeten en per jaar: 10-5 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; 10-7 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; 10-9 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers. (Bevi, artikel 12 [3]). Bij de toetsing moet worden bezien of de kans per inrichting of per kilometerroute of -tracé? op een bepaald aantal slachtoffers groter is dan bovengenoemde oriëntatiewaarden. Deze oriëntatiewaarden gelden in alle situaties.
2.1.2 Verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht, wordt invulling gegeven in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het postcodegebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht wordt het bevoegd gezag gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen. Ook bestaat er een plicht voor het bevoegd gezag om de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen.
9 (32)
De verantwoordingsplicht behelst onder meer de volgende aspecten: de mogelijkheden van zelfredzaamheid; de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid; aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied; nut en noodzaak van de ontwikkeling; mogelijke maatregelen; restrisico. Voor inrichtingen geldt dat voor elke verandering van het groepsrisico een volledige verantwoording moet worden afgelegd (Bevi, artikel 12 [3]). In sommige gevallen hoeft alleen punt 1 en 2 behandeld te worden en dit noemen we de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hieronder wordt aangegeven in welke gevallen dat is. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg geldt volgens artikel 7 van het Bevt [1] dat bij elk plan binnen het invloedsgebied in elk geval een beperkte verantwoording moet worden uitgevoerd. Wanneer het plan binnen de 200 meter van de transportas ligt, moet een uitgebreide verantwoording worden uitgevoerd, tenzij: het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of wanneer het groepsrisico ligt tussen de 0,1 en 1 maal de oriëntatiewaarde en de toename van het groepsrisico minder is dan 10% (Bevt, artikel 7 [1]). Voor buisleidingen geldt volgens artikel 12 van het Bevb [2] dat bij elk plan binnen het invloedsgebied in elk geval een beperkte verantwoording moet worden uitgevoerd.
Wanneer het plan binnen de 100% letaliteitsgrens (voor brandbare stoffen) of binnen de PR 10-8/jaarcontour (voor toxische stoffen) ligt, moet een uitgebreide verantwoording worden uitgevoerd, tenzij: het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of wanneer het groepsrisico tussen de 0,1 en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt en de toename van het groepsrisico minder dan 10% bedraagt (Bevb, artikel 12 [2]). 2.2 Omgevingswet De verwachting is dat op 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking treedt. Met de inwerkingtreding van deze wet veranderd de regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Ook de wetgeving ten aanzien van Externe Veiligheid veranderd3. De belangrijkste wijzigingen zijn: De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in. Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. De gemeenten moet in die gebieden rekening houden met het risico van brand, explosies of gifwolken. De gemeente kan die gebieden in het omgevingsplan aanwijzen als voorschriftengebied. Dan gelden daar aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); Er wordt een nieuwe categorie gebouwen geïntroduceerd; de zeer kwetsbare gebouwen.
Deze zeer kwetsbare gebouwen moeten overheden extra beschermen; Het Register Externe Veiligheidsrisico’s vervangt het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS).
3
Bron: https://iplo.nl
10 (32)
Middels de omgevingsvisie en de omgevingsplannen ( is de vervanger van het bestemmingsplan) wordt nader invulling gegeven aan het aspect externe veiligheid. Hierbij krijgt de gemeente/provincie meer mogelijkheden voor maatwerk. Gemeente Hilversum is nog volop bezig om samen met de inwoners te komen tot een omgevingsvisie4.
4
Bron: https://hilversum2040.nl
11 (32)
3
Risico-inventarisatie risicobronnen
In dit hoofdstuk zijn de risicobronnen beschreven die mogelijk relevant zijn voor het Chwbestemmingsplan. Tevens is getoetst of de betreffende risicobronnen daadwerkelijk relevant zijn, en met welke risico’s rekening gehouden moet worden. 3.1 Methodiek Allereerst is onderzocht in hoeverre externe veiligheid een rol speelt binnen het postcodegebied. Hiertoe wordt gekeken of het externe veiligheidsrisico’s oplevert voor de omgeving (als risicobron) en of het postcodegebied kwetsbaar of beperkt kwetsbare objecten toe laat. Vervolgens is onderzocht of er (buiten het postcodegebied) risicobronnen zijn die voor de ontwikkeling van het postcodegebied relevant zijn. In dit geval wordt onderzocht of er risicobronnen zijn waarvan het invloedsgebied of de veiligheidsafstand van de risicobron over het postcodegebied (met daarin (beperkt) kwetsbare objecten) is gelegen. Wanneer hiervan sprake is, is de risicobron of het postcodegebied relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid en moet getoetst worden aan de eisen die vanwege de externe veiligheid worden gesteld. 3.2 Risicobronnen De exacte invulling van 1221, wat én wanneer ontwikkeld gaat worden, is nog niet bekend. Wel is een maximum woningbouwprogramma opgesteld. Tot 2040 kunnen er maximaal 1.800 woningen worden gerealiseerd binnen het postcodegebied 1221 ten opzichte van het huidige woningaantal.
250 woningen hiervan zijn gereserveerd voor het Bruisend Hart, een locatie welke niet binnen het Chw-bestemmingsplan ligt. Dit betekent dat voorliggend Chwbestemmingsplan maximaal 1.550 woningen mogelijk maakt tot 2040. Wel is per deelgebied aangegeven hoeveel woningen er gebouwd kunnen worden (zie figuur 4.1). Conform artikel 1 uit het Bevi worden (niet verspreid liggende) woningen aangeduid als kwetsbaar objecten. Er is daarom aangenomen dat het hele postcodegebied als kwetsbaar object wordt beschouwd. (Potentiële) risicobronnen met een invloedsgebied over het postcodegebied (over de kwetsbare en beperkt kwetsbare bestemmingen) zijn relevant voor externe veiligheid. 3.2.1 Ligging risicobronnen Inrichtingen met opslag van gevaarlijke stoffen (PGS15-opslagen), sporen en (niet-basisnet) wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, kunnen een invloedsgebied hebben tot 4.000 meter, waterwegen tot 1.070 meter en Brzo-bedrijven kunnen zelfs een nog groter invloedsgebied hebben. Ruimtelijke ontwikkelingen op een afstand groter dan 2.000 meter van een risicobron hebben echter geen relevante invloed op de hoogte van het groepsrisico. Daarom vindt de risico-inventarisatie plaats tot 2.000 meter van het postcodegebied. Voor het postcodegebied is een risico-inventarisatie van de risicobronnen uitgevoerd met behulp van de Risicokaart van Nederland [4].
Hierbij is binnen 2.000 meter afstand van het postcodegebied gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het postcodegebied: transport van gevaarlijke stoffen over een weg, waterweg of spoorweg; inrichtingen met gevaarlijke stoffen; buisleidingen; luchthavens.
12 (32)
In figuur 3.1 is het postcodegebied, met een buffer van 2000 meter van het postcodegebied, weergegeven. Binnen deze contour zijn de aanwezige risicobronnen gemarkeerd.
Figuur 3.1
Postcodegebied met buffer van 2.000 meter met de aanwezige risicobronnen
3.2.2 Overzicht risicobronnen Binnen het inventarisatiegebied van het postcodegebied bevinden zich de volgende risicobronnen: 1. transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-01; 2. transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-500-04; 3. transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-500-01; 4. transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-07; 5. transport van aardgas door een aardgastransportleiding A-510-01; 6. aardgasontvangst en reduceerstation; 7. transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Bussum - Hilversum – Baarn; 8. transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27. Buiten de 2.000 meter zijn geen risicobronnen, waarbij het invloedsgebied over het postcodegebied valt.
13 (32)
Aardgastransportleidingen In en om het postcodegebied liggen diverse hogedrukgasleidingen van de Gasunie. In onderstaande tabel zijn de diameter en druk van de aardgastransportleidingen, de afstand tot aan de beoogde locatie voor het postcodegebied en het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleidingen gegeven. Tabel 3-1
Overzicht aardgastransportleidingen nabij postcodegebied
Naam buisleiding
Druk [bar]
Diameter [inch]
Invloedsgebied [m]
Indicatieve afstand postcodegebied [m]
W-533-01 W-500-04 W-500-01 W-533-07 A-510-01
40 40 40 40 66
13 13 12 16 18
140 140 140 175 245
1.700 1.017 1.830 1.760 1.760
Uit bovenstaande tabel kan worden opgemaakt dat het postcodegebied niet gelegen is binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen. Aangezien het postcodegebied zich buiten de genoemde veiligheidsafstanden bevindt, zijn deze risicobronnen niet relevant voor de planontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn Het postcodegebied ligt pal naast de spoorlijn Bussum – Hilversum – Baarn. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van de spoorlijn wordt bepaald door het vervoer van zeer toxische vloeistoffen (D4) over de spoorlijn. De grens van het invloedsgebied van de stof D4 ligt op meer dan 4.000 meter5. Aangezien het postcodegebied zich hierbinnen bevindt, is deze bron relevant voor de planontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27 Op een afstand van circa 1.500 meter van het postcodegebied ligt de A27. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet. Omdat de afstand groter is dan 200 meter ten opzichte van de ligging van het postcodegebied, is een QRA niet nodig. Uit de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat blijkt dat over de A27 transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De stof met de grootste letaliteitsafstand die wordt getransporteerd, is LT2 (114 transporten).
Het invloedsgebied van deze stof is maximaal 880 meter. Dit betekent dat het postcodegebied buiten het invloedsgebied van de weg is gelegen, wat inhoudt dat het groepsrisico niet hoeft te worden verantwoord. Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A1 Op een afstand van net iets meer dan 2.000 meter (2.250 meter) van het postcodegebied ligt de A1. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet. Omdat de afstand groter is dan 200 meter ten opzichte van de ligging van het postcodegebied, is een QRA niet nodig. Uit de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat blijkt dat over de A1 transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De stof met de grootste letaliteitsafstand die wordt getransporteerd is LT2 (419 transporten). Het invloedsgebied van deze stof is maximaal 880 meter. Dit betekent dat het postcodegebied buiten het invloedsgebied van de weg is gelegen, wat inhoudt dat het groepsrisico niet hoeft te worden verantwoord.
5
Bron handleiding risicoanalyse transport van november 2017.
14 (32)
Aardgasontvangst en reduceerstation Op circa 1.770 meter ten oosten van het postcodegebied bevindt zich een aardgasontvangst- en reduceerstation. Dit station valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het station heeft een veiligheidsafstand van 25 meter tot aan kwetsbare objecten. Het postcodegebied ligt op voldoende afstand van het gasdrukmeet- en regelstation om geen hinder van deze risicobron te ondervinden. Deze bron is daarom niet relevant voor de planontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid. 3.2.3 Potentiële risicobronnen Eventuele potentiële risicobronnen ten aanzien van de energietransitie zijn alleen toegestaan, indien er sprake is van kleinschalig gebouw-gebonden opwekking van duurzame energie en als het effect niet buiten de kavelgrens treedt. Dit is vastgelegd in de regels van het Chw-bestemmingsplan. Overige risicobronnen (zoals buurtbatterijen) zijn niet toegestaan. 3.3 Conclusie Voor het postcodegebied is in het kader van externe veiligheid alleen de spoorlijn Bussum – Hilversum – Baarn een aandachtspunt. Voor deze risicobron is een nader onderzoek uitgevoerd en zijn risicoberekeningen uitgevoerd met het rekenprogramma RBMII voor de hoogte van het groepsrisico.
15 (32)
4
Toetsing Spoortraject Bussum - Hilversum – Baarn
Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat het spoor een aandachtspunt is voor de externe veiligheid. De plaatsgebonden risicocontour van het spoor is vastgelegd in de Regeling basisnet (Rbn). De hoogte van het groepsrisico dient berekend te worden voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Dit hoofdstuk geeft inzicht in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn. 4.1 Onderzochte situaties De externe veiligheidseffecten, veroorzaakt door het spoor, worden inzichtelijk gemaakt door de externe veiligheidssituatie van de huidige en de toekomstige situatie in 2040 te beschouwen en met elkaar te vergelijken. In het geval van het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn zijn de transportaantallen gevaarlijke stoffen voor de huidige en toekomstige situatie gelijk, omdat deze transportaantallen toekomstbestendig zijn. Alleen de bevolkingsdichtheid rond het spoor verandert in de toekomstige situatie vanwege de nieuwe ontwikkelingen binnen het postcodegebied. Onderstaande tabel geeft de onderzochte situaties weer: Tabel 4.1
Onderzochte situaties spoor
Item Infrastructuur
Huidige situatie 2021 Huidige infrastructuur
Vervoersaantallen Populatie
Basisnet Huidige situatie: huidige bevolking, inclusief nog ingevulde bestemmingsplancapaciteit
Toekomstig situatie 2040 Wijzigt niet t.o.v. huidige infrastructuur Basisnet Huidige situatie aangevuld met de ruimtelijke ontwikkeling van het Chw-bestemmingsplan en de spoorzone, waaronder het Bruisend hart.
4.2 Uitgangspunten risicoberekeningen spoor Het risico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over een spoor wordt berekend volgens de rekenmethodiek uit het HART en het rekenprogramma RBMII. Dit rekenprogramma is een gestandaardiseerde rekenmethodiek voor het berekenen van risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen voor de omgeving. RBMII berekent op basis van een aantal invoerparameters, zoals bevolkingsgegevens, ongevalsgegevens en aard en omvang transporten gevaarlijke stoffen, de externe risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdspoorwegen. Met de berekeningsresultaten kan worden aangetoond in hoeverre de transportroute met gevaarlijke stoffen over het spoor over een kilometer voldoet aan de in het externe veiligheidsbeleid vastgestelde normering. In deze paragraaf zijn de volgende parameters nader toegelicht: eigenschappen van het transporttracé spoor; aantal en type vervoer van gevaarlijke stoffen; bevolkingsgegevens langs het transporttracé spoor.
16 (32)
Tenslotte is het weerstation ook een invoerparameter dat invloed heeft op de resultaten van de risico’s. De windrichting bepaalt namelijk de richting waar een (giftige of brandbare) wolk naar toe drijft. 4.2.1
Eigenschappen spoor
Gehanteerde spoor lengte en breedte Conform de HART [5] is zowel één kilometer spoor ten noorden als één kilometer ten oosten van het plan meegenomen in de berekening. De breedtecategorie van het spoor is vastgelegd in bijlage II van de Rbn. Het transporttracé is een onderdeel van Route 30, Diemen – Amersfoort Oost, met als deelroutes DK, DL, DM, DO, DP en DQ. In onderstaande tabel is voor de deelroutes de breedtecategorie en de hierbij behorende rekenbreedte conform de toelichting van de tabel in bijlage II Rbn weergegeven. Ook is aangegeven of een wisseltoeslag6 van toepassing is en of sprake is van een lage snelheid7. Tabel 4.2
Deelroutes met hun kenmerken
Deelroute
Breedtecategorie
Rekenbreedte
Wisseltoeslag
DK DL DM DN DO DP DQ
0-24 m 0-24 m 25-49 m 25-49 m 0-24 m 0-24 m 0-24 m
9m 9m 49 m 49 m 9m 9m 9m
Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee
Lage snelheid Nee Nee Nee Ja Ja Nee Nee
4.2.2 Vervoer gevaarlijke stoffen spoor Over dit spoortraject worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Zowel de stofcategorie als de bijhorende maximale aantallen zijn opgenomen in bijlage II van de Rbn, en weergegeven in tabel 4.3. Tabel 4.3
Transporten gevaarlijke stoffen spoor
Stofcategorie A B2 C3 D3 D4
Type stof Brandbaar gas (LPG) Toxisch gas (Ammoniak) Zeer brandbare vloeistof (Pentaan) Toxische vloeistof (Acrylnitril) Zeer toxische vloeistof (Acroleine)
Vervoersaantallen per jaar 1.440 910 6.020 1.110 180
Voor stofcategorie A geldt een Warme/Koude Bleve verhouding van 0 en voor stofcategorie B2 geldt een Warme/Koude Bleve verhouding van 0,84. Verder heeft dit traject een Plasbrand aandachtsgebied (PAG) van 30 meter.
6 7
De wisseltoeslag verhoogt de faalfrequentie Een lage snelheid verlaagt de faalfrequentie
17 (32)
4.2.3
Bevolkingsgegevens
Algemeen Het groepsrisico wordt bepaald door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied. Het invloedsgebied van stofcategorie D4 is 4.000 meter. Echter, het groepsrisico wordt voornamelijk bepaald door de bevolkingsdichtheid in de nabijheid van het spoor. Daarom zijn de bevolkingsgegevens bepaald tot de primaire zone van 4608 meter (voor brandbare gassen) rondom het spoortraject. Een grotere afstand heeft nauwelijks invloed op de hoogte van het groepsrisico. De bevolkingsgegevens zijn opgevraagd bij de Basis administratie gemeenten (BAG) populatieservice [8]. Het teruggestuurde bestand is vervolgens ingelezen in RBMII. Voor het postcodegebied zijn de huidige situatie en de toekomstige situatie onderzocht. Huidige situatie 2021 Voor de huidige situatie zijn alleen de gegevens van de Populatorservice gebruikt. Er is onderzocht of er nog niet ingevulde bestemmingsplancapaciteit ontbreekt, maar dat blijkt niet het geval te zijn. De gegevens van de Populatorservice volstaat voor de huidige situatie. Toekomstige situatie 2040 In de toekomst is het voornemen om tot 2030 maximaal 1.150 woningen en tot 2040 maximaal 1.800 extra woningen te realiseren in het postcodegebied 1221 (inclusief Bruisend Hart) ten opzichte van het huidige woningaantal. De werkgelegenheid in het gebied blijft hetzelfde In figuur 4.1 zijn de deelgebieden weergegeven.
In tabel 4.4 zijn de aantallen woningen (aanname) per deelgebied gepresenteerd.
8
Conform de handleiding risicoanalyse transport (versie 1.2 d.d. 2017)
18 (32)
Figuur 4.1
Deelgebieden
Tabel 4.4
Aantal woningen per deelgebied
Locatie
Naam
Kleur
1 2 3 4 5 6 7 8 9
Geheel 1221 Korte Noorderweg Grote Sigarenfabriek Venetapark Van Son Wybertjesfabriek Zuiderweg/Lijsterweg Hunkemöller Spoorzone (waaronder Bruisend hart) -
Lichtblauw Poederblauw Groen Bruin Zeegroen Roze Turquoise Paars Oranje
Aantal woningen (aanname) 390 300 70 200 170 50 70 300 250
-
1.800
Totaal
Deze deelgebieden zijn separaat verwerkt in de RMBII-modellering, behalve voor deelgebieden 3 en 6. De deelgebieden 3 en 6 liggen buiten de zone van 460 meter en zijn daarom niet meegenomen in de berekeningen. Voor alle deelgebieden geldt dat de huidige bevolkingsaantallen zijn gehandhaafd en de nieuwe bevolkingsaantallen hieraan zijn toegevoegd. In de deelgebieden direct langs het spoor worden geen gebouwen gerealiseerd voor mensen die minder zelfredzaam zijn.
19 (32)
Weerstation Voor de berekeningen is het weerstation Soesterberg aangehouden conform bijlage II van de Rbn. 4.3
Resultaten risicoberekeningen
4.3.1 Plaatsgebonden risico In bijlage II van de Rbn [6] zijn de PR 10-6-plafondcontour, de PR 10-7-plafondcontour en de PR 10-8-plafondcontour opgenomen, gemeten vanuit het midden van de doorgaande spoorbundel. In onderstaande tabel zijn deze afstanden voor de verschillende deeltrajecten gepresenteerd. Tabel 4.5
PR-plafondcontouren spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn
Deeltraject 10-6/jaar 1 7 1 1 1 7 1
DK DL DM DN DO DP DQ
10-7/jaar 15 21 34 0 8 21 15
PR-plafond [m] 10-8/jaar 142 243 233 40 33 243 142
Het plaatsgebonden risico 10-6/jaar is maximaal 7 meter (gerekend vanaf het hart van de spoorbundel). Het postcodegebied 1221 (zowel de huidige als de toekomstige situatie) ligt hierbuiten. Daarmee wordt voldaan aan de eisen die het Bevt stelt aan het plaatsgebonden risico. 4.3.2 Groepsrisico Het groepsrisico van een spoor wordt berekend per kilometer. Hierbij wordt het kilometerspoor met het hoogste groepsrisico gebruikt om de toename van het groepsrisico te toetsen. Het hoogste groepsrisico per kilometer wordt gepresenteerd in onderstaande tabel ten opzichte van de oriëntatiewaarde per situatie. Tabel 4.6
Hoogste groepsrisico ten opzichte van oriëntatiewaarde per kilometer spoor
Variant/ situatie Huidige situatie Toekomstige plansituatie
GR-grafieken Figuur 4.2 Figuur 4.3
Hoogste GR als factor van de oriëntatiewaarde per km 1,236 (bij 530 slachtoffers) 1,700 (bij 659 slachtoffers)
20 (32)
Figuur 4.2
Groepsrisico huidige situatie postcodegebied – spoor
Figuur 4.3
Groepsrisico toekomstige situatie postcodegebied - spoor
Uit de berekeningen van het groepsrisico voor het spoor blijkt dat het hoogste groepsrisico per kilometer met 37,5% toeneemt bij de realisatie van het plan. Het hoogste groepsrisico per kilometer blijft voor zowel de huidige situatie als de toekomstige plansituatie boven de oriëntatiewaarde. Dat betekent dat in dit geval, conform artikel 8 uit het Bevt [1], het groepsrisico volledig verantwoord moet worden. In bijlage 1 zijn de rapportages opgenomen van de RMBII-berekeningen en resultaten voor de huidige en de toekomstige situatie.
21 (32)
4.4 Conclusie Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. Het spoortraject heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. De deelgebieden langs het spoor zijn deels gelegen in dit PAG. Het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn geeft zowel in de huidige als in de toekomstige situatie een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Bovendien neemt het groepsrisico in de toekomstige situatie toe ten opzichte van de huidige situatie met 37,5%. Op basis hiervan dient het groepsrisico conform het Bevt volledig verantwoord te worden. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de volledige verantwoording van het groepsrisico.
22 (32)
5
Verantwoording groepsrisico
Zoals gebleken is uit de risicoberekeningen, dient voor het transport gevaarlijk stoffen per spoor, een volledige verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Dit hoofdstuk omvat de verantwoording. 5.1 Eisen aan de verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht, wordt een invulling gegeven in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het postcodegebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht wordt het bevoegd gezag gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen. Ook bestaat er een plicht voor het bevoegd gezag om de Veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. De verantwoordingsplicht behelst onder meer de volgende aspecten: de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid; de mogelijkheden van zelfredzaamheid; aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied; mogelijke maatregelen; nut en noodzaak van de ontwikkeling; restrisico. De mogelijkheden van de bestrijdbaarheid Hierbij gaat het om de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor.
De mogelijkheden van zelfredzaamheid Hierbij gaat het om de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen, indien zich op het spoor een ramp voordoet. Aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied Het gaat om de dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van het spoor op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in het gebied reeds aanwezige personen en de personen die in het gebied op grond van de geldende bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen redelijkerwijs te verwachten zijn. Daarnaast gaat het om de verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop de vergunning betrekking heeft. Mogelijke maatregelen Hierbij gaat het om de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan zijn overwogen en de in de vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte. Nut en noodzaak van de ontwikkeling Dit betreft de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
23 (32)
Restrisico Ondanks alle mogelijke voorbereidingen om rampen met gevaarlijke stoffen tijdens het transport te voorkomen, kan het risico nooit voor 100% worden beperkt. Over het restrisico dient het bevoegd gezag, de gemeenteraad, bij het vaststelling van het Chwbestemmingsplan uitspraak te doen. Dit is de verantwoording van het groepsrisico. 5.2
Elementen verantwoording groepsrisico
5.2.1 Relevante ongevalsscenario’s Ongevallen tijdens het transport waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, zijn zeer beperkt maar kunnen van grote invloed zijn. Over het spoor worden diverse gevaarlijke stoffen getransporteerd. In onderstaand tabel worden de mogelijk relevante ongevalsscenario’s en gevolgen weergegeven. Tabel 5.1
Relevante ongevalsscenario’s met bijhorende gevolgen
1.
Ongevalsscenario Ongeval met brandbare gassen
2. 3. 4.
Ongeval met giftige gassen Ongeval met (zeer) giftige vloeistoffen Ongeval met brandbare vloeistoffen
Gevolg Explosie (hittestraling, overdruk) Wolkbrand/ (hittestraling) Giftige wolk (vergiftiging) Giftige wolk (vergiftiging) Plasbrand
5.2.1.1 Explosie Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten explosies. Een warme en een koude BLEVE (Boiling Liquid – Expanding Vapour – Explosion). Een warme BLEVE wordt veroorzaakt door een brand die een ketel opwarmt, waardoor de inhoud van de ketel uitzet door de hitte. Zodra de druk groot genoeg is, bezwijkt de ketel, stroomt de inhoud onder grote druk uit de ketel, wordt ontstoken door de aanwezige brand en zo ontstaat een explosie (een grote vuurbal en een drukgolf). Een koude BLEVE ontstaat wanneer de ketel met inhoud wordt doorboord tijdens een ongeval en instantaan openscheurt. Er ontstaat dan een explosie, doordat de inhoud onmiddellijk gaat koken, vrijkomt en ontstoken wordt. Dit leidt tot een vuurbal. Bij zowel een warme als koude BLEVE zijn de effecten: hittestraling, overdruk en mogelijk daarmee gepaard gaande rondvliegende scherven. De gevolgen zijn slachtoffers, schade aan omliggende gebouwen en objecten en secundaire branden in de omgeving (die kunnen ontstaan door de immense hittestraling). Als gevolg van de hittestraling kunnen personen in het postcodegebied komen te overlijden of zwaargewond raken, mits ze niet op tijd zichzelf in veiligheid hebben gebracht door te schuilen in gebouwen. Door de hittestraling kunnen gebouwen (zwaar) beschadigd raken of zelfs in brand vliegen.
Als gevolg van de overdruk van een explosie kan, gezien de afstand tussen het postcodegebied en het spoor, ruitbreuk ontstaan. Bestrijdbaarheid van een explosie en mogelijke hulpverlening Een warme BLEVE kan worden voorkomen, mits de brandweer op tijd de aangestraalde ketel kan koelen en de brand in de omgeving van de ketel kan blussen. Gezien de hoogteligging van het spoor ten opzichte van het maaiveld is het voor de brandweer praktisch onmogelijk om een warme BLEVE ter hoogte van het postcodegebied te voorkomen door te koelen.
24 (32)
De brandweer zal zich met name richten op het blussen van secundaire branden, het verlenen van eerste hulp en het zoveel als mogelijk beperken van toekomstige slachtoffers door personen in veiligheid te brengen. Een koude BLEVE is, in tegenstelling tot een warme BLEVE, instantaan en kan niet voorkomen worden. Zelfredzaamheid van personen In het geval van een dreigende BLEVE kunnen personen zich in veiligheid brengen door binnen te schuilen of het gebied te ontvluchten. Indien men kiest voor schuilen, dient men zoveel als mogelijk uit de buurt van ramen en glazen puien te blijven. De hittestraling is door het glas heen voelbaar en men kan zich nog steeds verbranden. Als gevolg van de overdruk kan ruitbreuk ontstaan of ruiten kunnen springen, waardoor personen gewond raken. Het gebied ontvluchten betekent vluchten van het spoor af. 5.2.1.2 Wolkbrand Een wolkbrand kan ontstaan als bij een ongeval tijdens het transport van brandbare gassen de ketel lek raakt en het gas ontsnapt en vervolgens vertraagd ontstoken wordt. Hierdoor ontstaat een wolkbrand. Het effect van een wolkbrand is met name hittestraling. De gevolgen zijn slachtoffers, schade aan omliggende gebouwen en objecten en secundaire branden in de omgeving (die kunnen ontstaan door de immense hittestraling).
Als gevolg van de hittestraling kunnen personen in het postcodegebied komen te overlijden of zwaargewond raken, mits ze niet op tijd zichzelf in veiligheid hebben gebracht door te schuilen in gebouwen. Door de hittestraling kunnen gebouwen (zwaar) beschadigd raken of zelfs in brand vliegen. Bestrijdbaarheid van een wolkbrand en mogelijke hulpverlening Een wolkbrand kan nagenoeg niet voorkomen worden door de brandweer. Net als bij een koude BLEVE ontstaat een wolkbrand nagenoeg instantaan, wanneer zich een ongeval voordoet. De brandweer zal zich met name richten op het blussen van secundaire branden en het verlenen van eerste hulp. Het aantal slachtoffers wordt bepaald door het aantal personen dat zich op dat moment binnen het effectgebied van de wolkbrand (circa 90 meter) bevindt. Zelfredzaamheid van personen In het geval van een wolkbrand kunnen personen zich in veiligheid brengen door binnen te schuilen of het gebied te ontvluchten. Indien men kiest voor schuilen, dient men zoveel als mogelijk uit de buurt van ramen en glazen puien te blijven. De hittestraling is door het glas heen voelbaar en men kan zich nog steeds verbranden. Het gebied ontvluchten betekent vluchten van het spoor af. 5.2.1.3 Giftige wolk Bij een ongeval op het spoor of op de weg waar een giftig gas of een (zeer) giftige vloeistof betrokken is, kan een gaswolk ontstaan.
Tijdens het ongeval kan de ketel waarin het giftige gas of de (zeer) giftige vloeistof zit, scheuren waardoor het gas of de vloeistof uit de ketel stroomt. Indien het gaat om gas, ontstaat direct een giftige wolk. Indien het een (zeer) giftige vloeistof betreft, stroomt de vloeistof uit de ketel waardoor een giftige plas ontstaat. Als gevolg van het verdampen van de vloeistof ontstaat eveneens een giftige wolk. De giftige wolk wordt door de wind meegenomen.
25 (32)
In het meest ongunstigste geval wordt de giftige wolk naar het postcodegebied gedreven. De plaats en de grootte van het gebied waar slachtoffers kunnen vallen, is sterk afhankelijk van de giftige stof en van de specifieke weersomstandigheden. Een giftig gas kan zich overigens sneller verspreiden dan een tot wolk verdampte vloeistof. Bestrijdbaarheid van een wolkbrand en mogelijke hulpverlening Een giftige gaswolk die is ontstaan nadat de ketel met giftige gas is doorboord, is niet te voorkomen door de brandweer en zeer moeilijk te bestrijden. De brandweer zal zich met name richten op het veiligstellen van de omgeving en het neerslaan van de gaswolk met behulp van nevel (waterscherm). Een gaswolk die ontstaat door het verdampen van een plas vloeistof, is makkelijker te bestrijden door de vloeistofplas af te dekken. Zelfredzaamheid van personen In het geval van een gaswolk kunnen personen in het postcodegebied zich het beste in veiligheid brengen door binnen te schuilen, ramen, roosters en deuren te sluiten en de mechanische ventilatie uit te schakelen. 5.2.1.4 Plasbrand Door het transport van (zeer) licht ontvlambare vloeistoffen over het spoor kan er bij een ongeval met een ketelwagon, waarbij de wagon open scheurt en brandbaar vloeistof vrijkomt die vervolgens ontsteekt, een plasbrand optreden.
Een plasbrand is zichtbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: zij dienen het gebied, al dan niet afgeschermd van hittestraling, te ontvluchten. Aanwezigen binnen de 30 meter van de plasbrand hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de snelle ontwikkeltijd van het scenario en de hoge hittestraling. 5.2.2
Aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied
Huidige situatie In de huidige situatie is het gebied een binnenstedelijk woongebied met afwisselend woningen, winkels en bedrijven. Dit is ook zo vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Over ’t Spoor’9 Volgens de populatieservice10 zijn er in de huidige situatie 9.281 aanwezigen in de dagperiode en 9.862 aanwezigen in de nachtperiode.
9
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0402.07bp00overtspooroh01/t_NL.IMRO.0402.07bp00overtspoor-oh01_index.html 10 https://populatieservice.demis.nl/#/bagrequest
26 (32)
Toekomstige situatie In de toekomst in 2040 is het voornemen om tot 2030 maximaal 1.150 woningen en tot 2040 maximaal 1.800 extra woningen te realiseren in het postcodegebied ten opzichte van het huidige woningaantal (dit is inclusief de 1.150 woningen van 2030). In figuur 5.1 zijn de deelgebieden weergegeven. In tabel 5.1 zijn de aantallen woningen per deelgebied weergegeven.
Figuur 5.1
Deelgebieden
Tabel 5.2
Aantal woningen per deelgebied 2040.
Locatie 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Naam Postcodegebied Korte Noordenweg Grote Sigarenfabriek Venetapark Van Son Wybertjesfabriek Zuiderweg/Lijsterweg Hunkemöller Spoorzone (waaronder Bruisend hart) -
Totaal
Kleur Lichtblauw Poederblauw Groen Bruin Zeegroen Roze Turquoise Paars Oranje
Aantal woningen 390 300 70 200 170 50 70 300 250
-
1.800
Het totaal aantal aanwezigen, binnen postcodegebied 1221, neemt worst-case toe met maximaal (1.800 x 2,4=) 4320.
27 (32)
5.3 Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het postcodegebied valt binnen het plasbrandaandachtsgebied van het spoor (30 meter gerekend vanaf het spoor). Binnen dit gebied zijn aanvullende bouwkundige maatregelen voorgeschreven vanuit de Regeling bouwbesluit 2012, artikelen 2.5 tot en met 2.9. De woningen die binnen dit plasbrandaandachtsgebied worden gerealiseerd, dienen te voldoen aan deze aanvullende bouwkundige maatregelen. In het PAG worden geen gebouwen gerealiseerd voor mensen die minder zelfredzaam zijn. De zelfredzaamheid en bestrijding van brand binnen dit gebied zijn hetzelfde, zoals omschreven in de vorige paragraaf 5.2.1.4. 5.4 Mogelijke maatregelen: alarmering en communicatie Tijdige alarmering kan slachtoffers beperken. Daarbij dienen ze wel te weten hoe zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Ongeacht het scenario, kan men zich het beste in veiligheid brengen door te schuilen in gebouwen en ramen, roosters en deuren te sluiten, de mechanische ventilatie uit te zetten, uit de buurt van ramen en glazen puien te blijven en wachten tot de hulpverlening is gearriveerd en het sein ’veilig’ is gegeven. Expliciete communicatie vooraf, noodplannen en mogelijkheden om te schuilen, vergroten de zelfredzaamheid. Het plan trekt mensen aan uit de wijde omgeving die minder bekend zijn met het gebied en de mogelijke risico’s als het gevolg van transport met gevaarlijke stoffen.
Los van tijdige alarmering en expliciete communicatie, zijn er nog andere maatregelen mogelijk om de zelfredzaamheid te vergroten, de hulpverlening te bevorderen en de risico’s te verminderen. Om de zelfredzaamheid te vergroten, dienen de vluchtroutes van het spoor af te worden gerealiseerd. Bij het vluchten, bieden de gebouwen enige bescherming indien zich een ongeval met een gevaarlijke stof op het spoor voordoet. Daarnaast dient ’ongevallen met gevaarlijke stoffen’ als mogelijke dreiging van buitenaf te worden opgenomen in de veiligheidsplannen van de woningen (ontruimingsplannen). De deelgebieden dienen zo te zijn ingericht dat hulpdiensten snel ter plaatse kunnen zijn en dat het terrein voor hen goed bereikbaar is. Dit bevordert de hulpverlening en vermindert de kans op extra slachtoffers in een tweede fase. Het advies is om de in de toekomst de nieuwe gebouwen die in de deelgebieden langs het spoor liggen, uit te voeren met zo min mogelijk glas, geen grote glasoppervlakken en geen openslaande ramen. Het noodzakelijke glasoppervlak aan de risicobronzijde moet worden voorzien van een splinterwerende film of gelamineerd glas (vanwege de overdruk is tot op 180 meter glasbreuk te verwachten).
Stevige muren en blast-resistante beglazing helpen wel enigszins tegen de overdrukeffecten, maar bieden weinig soelaas tegen de warmtestraling die tot op grote hoogte en over grote afstand effecten kan sorteren. Tevens zijn dit zeer kosten intensieve maatregelen en bieden niet in ieder geval een goede bescherming. 5.5 Nut en noodzaak van de ontwikkeling van het gebied De woonwijk 1221 is aan een kwaliteitsimpuls toe, de wijk moet veiliger, gezonder, duurzamer en leefbaarder worden. Om dit te bewerkstelligen, wordt de wijk tot 2040 op een geleidelijke en op organische wijze getransformeerd in een gemengd woongebied. Om
28 (32)
richting te geven aan de toekomst van de wijk, is de Gebiedsagenda opgesteld, die op 27 februari 2021 is vastgesteld door de raad. De Gebiedsagenda is het resultaat van een open gebiedsproces en afgestemd met alle stakeholders. De agenda biedt een gezamenlijk toekomstperspectief met korte en lange termijn opgaven om het woon-, werk-, en leefklimaat van 1221 te versterken. Om de opgave juridisch te borgen, is het Chw-bestemmingsplan 1221 opgesteld. De exacte invulling van het postcodegebied, wat én wanneer ontwikkeld gaat worden, is nog niet bekend. Uitnodigingsplanologie staat dan ook centraal in het Chw-bestemmingsplan. Wel is een maximum woningbouwprogramma vastgesteld. Het Chw bestemmingsplan maakt tot 2030 maximaal 1.150 woningen en tot 2040 maximaal 1.550 woningen (inclusief 1.150 woningen) mogelijk ten opzichte van het huidige woningaantal. Voor de spoorzone (waaronder het Bruisend hart) zijn 250 woningen gereserveerd. Deze woningen worden niet mogelijk gemaakt met het Chw-bestemmingsplan, maar zijn wel worst-case meegenomen in het onderzoek. De 1.800 woningen binnen postcodegebied 1221 betreft een maximaal programma en hoeft niet volledig te worden benut. Dit betekent dat het berekende groepsrisico in voorliggend externe veiligheidsonderzoek een worstcasescenario betreft en in de praktijk naar waarschijnlijkheid lager komt te liggen.
Daarnaast is sprake van een geleidelijke en organische gebiedsontwikkeling. Daarnaast ligt de volledige ontwikkeling van 1221 nog niet vast. Het Chw-bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om onderzoeken vooruit te schuiven naar de vergunningverlening. Op het moment dat concrete ontwikkelingen zich voor doen binnen 1221, zullen de risico’s (en benodigde maatregelen) met betrekking tot externe veiligheid opnieuw worden afgewogen. Dit is met een regeling vastgelegd in het Chw-bestemmingsplan. 5.6 Advies van de veiligheidsregio Gemeente Hilversum heeft bij de voorbereiding van het Chw-bestemmingsplan het bestuur van de Veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de verantwoording van het groepsrisico en de hulpverlening. Het advies is verwerkt in het externe veiligheidsonderzoek. 5.7 Restrisico’s Ondanks alle mogelijke voorbereidingen om rampen met gevaarlijke stoffen tijdens het transport te voorkomen, kan het risico nooit voor 100% worden beperkt. Over het restrisico dient het bevoegd gezag, de gemeenteraad, uitspraak te doen. Dit is de verantwoording van het groepsrisico.
29 (32)
6
Conclusies
Gemeente Hilversum is van plan om voor het postcodegebied 1221 een Chwbestemmingsplan op te stellen. Het is een bestaande woonwijk, met veel wonen, enkele bedrijven en gemengde zones. Het voornemen is om het gebied te ontwikkelen tot een centrum stedelijk milieu met een hoge omgevingskwaliteit. De exacte invulling van het postcodegebied, wat én wanneer ontwikkeld gaat worden, is nog niet bekend. Wel is een maximum woningbouwprogramma opgesteld. Het Chw bestemmingsplan maakt tot 2030 maximaal 1150 woningen en tot 2040 maximaal 1.550 woningen (inclusief 1150 woningen) mogelijk ten opzichte van het huidige woningaantal. Voor de spoorzone (waaronder het Bruisend hart) zijn 250 woningen gereserveerd. Deze woningen worden niet mogelijk gemaakt met het Chw-bestemmingsplan, maar zijn wel worst-case meegenomen in het onderzoek. In het onderzoek zijn dus voor geheel postcodegebied 1221 (Chwbestemmingsplan en Bruisend Hart) 1.800 woningen beschouwd. In het voorliggende onderzoek externe veiligheid is getoetst aan de normen die volgen uit wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. 6.1 Risicobronnen Voor het postcodegebied is de volgende risicobron relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid: transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Bussum – Hilversum – Baarn.
6.2 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van de risicobronnen vormt geen belemmering voor het postcodegebied. 6.3 Plasbrandaandachtsgebied Het spoortraject heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. De deelgebieden langs het spoor zijn deels gelegen in dit PAG. In deze zone worden geen gebouwen voor minder zelfredzame personen toegevoegd. 6.4 Groepsrisico In de huidige situatie 2021 ligt het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Door het toekomstige plan 2040 neemt het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over het spoor toe. Het groepsrisico ligt boven 1,0 van de oriëntatiewaarde en de toename van het groepsrisico is meer dan 10%. Conform het Bevt dient het groepsrisico volledig verantwoord te worden. 6.5 Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid De mogelijkheden om een incident te bestrijden, verschilt per scenario. De volgende voorzieningen hebben een positieve invloed op de rampenbestrijding: voldoende bereikbaarheid voor hulpdiensten; voldoende bluswatervoorzieningen, opstelplaatsen en (blus)middelen. 6.6 De mogelijkheden voor zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid, verschilt per scenario.
De volgende voorzieningen hebben een positieve invloed op de zelfredzaamheid: voldoende vluchtroutes van de risicobronnen af; (nieuwe) gebouwen in het postcodegebied voorzien van afsluitbare ventilatie; opstellen van een calamiteitenplan voor de aanwezigen in het postcodegebied; inzetten van risicocommunicatie ter bevordering van handelingen naar zelfredzaamheid;
30 (32)
het toepassen van zo min mogelijk glas, geen grote glas oppervlakten of openslaande ramen aan de risicobronzijde.
6.7 Restrisico De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico, is er altijd sprake van een restrisico. Het is aan het bevoegd gezag, de gemeenteraad, om aan te geven of zij het restrisico acceptabel achten.
31 (32)
7
Referenties
1. Besluit externe veiligheid transportroutes. (2015, 01 april). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0034233/ 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen. (2018, 31 maart). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0028265/ 3. Besluit externe veiligheid inrichtingen. (2016, 01 januari). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0016767/ 4. Risicokaart (z.j.). Risicokaart. Binnengehaald van http://www.risicokaart.nl/ 5. RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (11 januari 2017). Handleiding Risicoanalyse Transport. Bilthoven. Binnengehaald van http://www.rivm.nl/Onderwerpen/R/RBM_II/Documenten/Downloads/Beleid_en_HART/H andleiding_Risicoanalyse_Transport_HART 6. Regeling basisnet. (2016, 01 december). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0035000/2016-12-01#Aanhef 7. SenterNovem (november 2006), Handleiding Besluit externe veiligheid inrichtingen 8. Relevant.nl (z.j.). BAG populatieservice. Binnengehaald van https://populatieservice.demis.nl/