CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Was-wordt lijst Erfgoedverordening Hilversum 2025

GEMEENTERAAD 9 juli 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Erfgoedverordening Hilversum 2025 (1501078)4.840 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Erfgoedverordening Hilversum 2025 Was/wordt lijst De wijzigingen in de Erfgoedverordening worden cursief en blauw aangegeven Artikel 1.

Monumentenverordening Hilversum 2016

Erfgoedverordening Hilversum 2025

Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: 1. archeologisch monument: monument als bedoeld in onderdeel 19 onder b; 2. archeologisch onderzoek: werkzaamheden met betrekking tot het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld door het college en de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en op grond van een programma van eisen waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek conform de eisen van het college en de KNA; 3 . archeologische waarde: de aan een gebied of specifiek element in een gebied toegekende of te verwachte kenmerkende waarde op het gebied van archeologie; 4 . beschermd (archeologisch) monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 5 . beschermd gemeentelijk (archeologisch) monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd aangewezen (archeologisch) monument; 6 . beschermd provinciaal monument: beschermd monument als bedoeld in de provinciale Monumentenverordening NoordHolland 2010; 7 . beschermd stadsgezicht: beschermd stadsgezicht aangewezen ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988; 8 . beschermd gemeentelijk stadsgezicht: een overeenkomstig deze verordening als beschermd aangewezen stadsgezicht; 9 .

bouwhistorisch onderzoek en waardering: rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt vastgesteld, dat naar het oordeel van het college voldoet aan de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed e.a.; 10 . bovengrondse cultuurhistorisch onderzoek en waardering: onderzoek naar en waardering van bovengrondse sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar

Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: - gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; - gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stadsof dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18; - gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid; - gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; - minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. - redengevende omschrijving: document dat onderdeel moet uitmaken van besluiten tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd monument met daarin tenminste gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;

onderdeel uitmaken van de leefomgeving en een beeld geven van of herinneren aan een historische situatie of ontwikkeling en ter goedkeuring aan het college wordt voorgelegd; 11 . college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum; 12 . Commissie voor Welstand en Monumenten : de op basis van artikel 15 van de Monumentenwet 1988 door de raad ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Monumentenverordening en het monumenten- en cultuurhistorisch beleid en over cultuurhistorische en monumentale belangen in de sfeer van de ruimtelijke ordening; 13 . gemeentelijke archeologische beleidskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop archeologische monumenten, archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven; 14 . gemeentelijke monumentenlijst: de lijst beschermde gemeentelijke monumenten; 15 . gemeentelijke lijst van beschermde stadsgezichten: de lijst beschermde gemeentelijke stadsgezichten; 16 . gemeenteraad: de raad van de gemeente Hilversum; 17 . monument: a. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Hieronder worden ook begrepen de roerende zaken die kennelijk deel uitmaken van, of behoren tot het onroerende monument. b. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder a. 18 . stadsgezicht : groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep zich één of meer monumenten bevinden; 29 . vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 20 . waardering:

2

3

onderdeel van de redengevende omschrijving van het monument waarin de waarden die het monument of stadsgezicht vertegenwoordigt, worden omschreven. Artikel 2 Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Verplaatst naar art 5) 1.Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. 2.Het college zendt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing aan de eigenaar. 3.Het college besluit over de aanwijzing nadat de Commissie voor Welstand en Monumenten heeft geadviseerd en de eigenaren en andere beperkt zakelijk gerechtigden in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. In spoedeisende gevallen kan het college hiervan afwijken. 4.In het geval zich de situatie als bedoeld in het eerste lid voordoet en voor het betreffendemonument een aanvraag om een vergunning is ingediend, kan het verzoek worden opgevat als een spoedeisend geval als bedoeld in het derde lid, tweede volzin van dit artikel. 5.De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of op grond van artikel 2 van de Monumentenverordening Noord-Holland 2010. Artikel 3 Voorbescherming (Verplaatst naar art. 7) 1.

Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt, start het onderzoek naar de mogelijke aanwijzing, en zijn artikelen 9 tot en met 11 van overeenkomstige toepassing. 2. De voorbescherming eindigt op het moment dat de aanwijzing als bedoeld in artikel 2, lid 1, plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen en dit besluit onherroepelijk is.

Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht; c. gegevens over door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functieaanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.

Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door

een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden

behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.

4

Artikel 4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit (Verplaatst naar art. 8) 1. De Commissie voor Welstand en Monumenten adviseert schriftelijk binnen 8 weken na datum van ontvangst van het verzoek om advies van het college. 2. Het college beslist binnen 12 weken na datum van ontvangst van het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten, maar in ieder geval binnen 24 weken na de adviesaanvraag.

5

Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit (Verplaatst naar art. 6) De aanwijzing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt schriftelijk medegedeeld aan de eigenaren en andere beperkt zakelijk gerechtigden, en voorts aan de eventuele verzoeker.

3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken.

Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en

6

Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst (Verplaatst naar art. 2) 1. Het college registreert het beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2. De registratie bevat de plaatselijke aanduiding, datum van de aanwijzing, kadastrale aanduiding, en een waardering.

7

Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing (Verplaatst naar art. 12) 1. Het college kan, al dan niet op gemotiveerd verzoek van een belanghebbende, een aanwijzing wijzigen. 2. Artikel 2, lid 3, en artikelen 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3. Als de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege. 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd. Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing (Verplaatst naar art. 12) 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als gemeentelijk monument intrekken. 2. Als het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2, lid 3 en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing op het intrekkingsbesluit. 3. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn als toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of artikel 2 van de Monumentenverordening Noord-Holland 2010. 4. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd. Artikel 9 Instandhoudingsbepaling (Verplaatst naar art. 13)

8

9

b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanwijzing van gemeentelijke monumenten. Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders direct schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 7. Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister, danwel het moment dat onherroepelijk vaststaat dat het voornemen tot aanwijzing niet wordt uitgevoerd.

Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten Hilversum 2022. 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

1. Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. 2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een beschermd gemeentelijk monument: a. geheel of gedeeltelijk te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is; b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Artikel 10 De vergunningaanvraag (Verplaatst naar art 14 en 15) 1.Het college vraagt advies aan de Commissie voor Welstand en Monumenten voordat het beslist op de aanvraag. 2. Het college kan bepalen dat bouw-, architectuur-, cultuurhistorisch, stedenbouwkundig, of archeologisch onderzoek wordt verricht. De eigenaren, beperkt zakelijk gerechtigden en gebruikers van het monument zijn desgevraagd verplicht het onderzoek uit te voeren dan wel aan uitvoering van het onderzoek mee te werken.

1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende omschrijving van het gemeentelijke monument.

11

Artikel 11 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden (Verplaatst naar art. 14 en 15) 1.De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van het college hetbelang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het college houdt hierbij rekening met het gebruik van het monument. 2. Het college kan aan een omgevingsvergunning, in aanvulling op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voorschriften verbinden in het belang van het monument zoals bedoeld in artikel 2.22 lid 4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, eerste lid. 3. Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

12

Artikel 12 Intrekken van de vergunning (Vervallen) Het college kan de vergunning intrekken: a. Als de omstandigheden zoals die bekend waren ten tijde van de vergunningverlening zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder moet wegen dan

Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

10

Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

het belang bij de gebruikmaking van de vergunning; b. Als blijkt dat de vergunninghouder de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften niet naleeft.

13

14

Artikel 13 Vergunning voor beschermd rijksmonument (Vervallen) 1. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor een monument als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 om advies aan de Commissie voor Welstand en Monumenten en in voorkomende gevallen om advies aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 2. Het college kan bepalen dat bouw-, architectuur-, cultuurhistorisch, stedenbouwkundig, of archeologisch onderzoek wordt verricht. De eigenaren, beperkt zakelijk gerechtigden en gebruikers van het monument zijn desgevraagd verplicht het onderzoek uit te voeren dan wel aan uitvoering van het onderzoek mee te werken. Artikel 14 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden De vergunning kan slechts worden verleend als naar het oordeel van het college het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het college houdt hierbij rekening met het gebruik van het monument. Hoofdstuk 5 De bescherming van gemeentelijke stadsgezichten

2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. 4. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning vereisen dat er nader

bouwhistorisch, cultuurhistorisch, kleurhistorisch, tuinhistorisch of archeologisch onderzoek wordt verricht.

15

16

17

Artikel 15 Aanwijzing van gemeentelijke stadsgezichten (Verplaatst naar art 16) 1.De gemeenteraad kan een deel of delen van de gemeente op voorstel van het college aanwijzen als beschermd stadsgezicht. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan de Commissie voor Welstand en Monumenten. In spoedeisende gevallen kan het college hiervan afwijken. 3. De Commissie voor Welstand en Monumenten brengt advies uit binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek om advies van het college. 4. De gemeenteraad beslist binnen 36 weken na verzending van het besluit, als bedoeld in het tweede lid. 5. De aanwijzing kan geen stadsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel35 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van artikel 8 van de Monumentenverordening Noord-Holland 2010. Artikel 16 Registratie op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten (Verplaatst naar art. 2) 1.Het college registreert het gemeentelijke stadsgezicht op de lijst van gemeentelijke stadsgezichten. 2.De registratie bevat de datum van de aanwijzing, de kadastrale begrenzing, en een waardering.

Artikel 15. Weigeringsgronden 1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Indien wezenlijke belangen voor het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, wordt een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 17 Wijziging van de aanwijzing 1. De gemeenteraad kan op voorstel van het college een aanwijzing wijzigen. 2. Artikel 15, lid 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

Artikel 17. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wijzigen

Artikel 16. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 36 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functieaanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

3. Als de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege. 4. De inhoud en de datum van de wijziging wordt op de lijst van gemeentelijke stadsgezichten geregistreerd.

of intrekken. Artikel 16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

18

Artikel 18 Intrekken van de aanwijzing (Verplaatst naar art 17) 1. Als de gemeenteraad de aanwijzing intrekt, zijn artikel 15, lid 2, 3 en 4 van overeenkomstige toepassing op het intrekkingsbesluit. 2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn als toepassing wordt gegeven aan artikel 35 van de Monumentenwet of artikel 8 van de Monumentenverordening Noord-Holland 2010. 3. De intrekking wordt op de lijst van gemeentelijke stadsgezichten geregistreerd

19

Artikel 19 Beschermende bestemmingsplannen (Vervallen) 1. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stadsgezicht een beschermend bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stadsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 2. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stadsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt.

Artikel 18. Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd, dan wel het achterwege blijven van bebouwing tot meerwaarde leidt voor het cultuurhistorische karakter van het beschermde stadsof dorpsgezicht. 3. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing. 4.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd wanneer de totstandkoming van nieuwbouw binnen de karakteristiek van het beschermde gebied onvoldoende is verzekerd. 6. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 19. Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 13 of met het bepaalde krachtens artikel 14, eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.

20

Artikel 20 Verbodsbepaling, vergunningaanvraag en weigeringsgronden (Verplaatst naar artikel 18) 1. Aanvragen om een vergunning tot sloop in het beschermde gezicht worden op grond van artikel 2.2, lid 2 onder c van de Wabo, door het college ter advisering voorgelegd aan de Commissie voor Welstand en Monumenten. 2. Het college vraagt advies aan de Commissie voor Welstand en Monumenten voordat het beslist op de aanvraag. 3. De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van het college het belang van het beschermde gezicht zich daartegen niet verzet. 4.De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd wanneer de totstandkoming van nieuwbouw binnen de karakteristiek van het beschermde gebied onvoldoende is verzekerd.

Artikel 20. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de toezichthouders. 2. Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

21

Artikel 21 Betreding (Vervallen) Het college kan bepalen dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De rechthebbende ten aanzien van dit terrein moet desgevraagd dulden dat dit terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan. Artikel 22 Schade (Vervallen) 1. Als en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van: a. de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 9 te verlenen; b. voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 9,schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kan het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekennen. 2. Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de Procedureverordeningplanschade bij toepassing van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstigetoepassing.

Artikel 23 Toezicht (Verplaatst naar art 20) Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn

Artikel 21 Intrekken oude verordening De Monumentenverordening Hilversum 2016 wordt ingetrokken gelijktijdig met inwerkingtreding van deze Erfgoedverordening gemeente Hilversum 2025.

22

23

Artikel 22. Overgangsrecht 1. Een krachtens de Monumentenverordening Hilversum 2016 aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Monumentenverordening Hilversum 2016.

Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking daags na publicatie.

24

25

26

27

28

belast, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, de bij besluit van het college dan aan te wijzen personen. Artikel 24 Nadere regels (Verplaatst naar art. 5) Het college is bevoegd nadere regels vast te stellen ten behoeve van een zorgvuldige bescherming en omgang met het boven- en ondergrondse erfgoed. Artikel 25 Strafbepaling (Verplaatst naar art. 19) Degene die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 9 en artikel 20 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete uit de tweede categorie. Artikel 26 Inwerkingtreding (Verplaatst naar art. 23) 1. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag waarop zij is bekendgemaakt. 2. De Monumentenverordening Hilversum 2001, vastgesteld d.d. 13 juni 2001, komt met de inwerkingtreding van deze verordening te vervallen. 3. Voor zover deze verordening betrekking heeft op rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, tweede lid van de Monumentenwet 1988. Artikel 27 Overgangsbepalingen (Verplaatst naar art. 22) De op grond van de Monumentenverordening Hilversum 2001 aangewezen gemeentelijke monumenten, worden geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig de bepalingen van deze verordening; Artikel 28 Citeertitel (Verplaatst naar art. 23) Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening Hilversum 2016”.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Hilversum 2025.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=f32484d4-e146-464a-8319-c5740d596f59