Bijlage 2 - Bij Startnotitie - Verkenning bedreigingen lokale media en journalistiek
Tekst van het document
Dat komt door het zoeken naar en researchen van onderwerpen, maar ook door het scherp afbakenen van feiten en meningen. Een aansprekend filmpje op Instagram is iets totaal anders dan een journalistiek item, dat onderscheid leren we ze te maken. Er is nog een aspect. Het meedoen aan een pilot of aan het voor langere tijd meewerken aan lokaal nieuws zou ook kunnen helpen om meer begrip voor het vak journalist te krijgen. We weten dat velen zich niet vertegenwoordigd voelen door of begrip hebben voor de journalistiek. Het beste begrip krijg je door het zelf te bedrijven, zeker als je dit over een langere periode kunt doen. Voor een enkele echt geïnteresseerde jongere kan het een mooie opstap zijn naar een plek binnen de journalistiek. Aan de pilot werken leerlingen mee van verschillende opleidingen en niveaus. Het feit dat de jongeren hebben gekozen voor deelname en dus gemotiveerd zijn is een grote meerwaarde. Het feit dat het gaat om verschillende niveaus en richtingen maakt de pilot extra interessant. Bij het maken van een journalistiek product werk je stapsgewijs aan verschillende lagen die elkaars werking als het goed is versterken -denk bijvoorbeeld aan het schrijven van een tekst, het monteren van beeld en het maken van templates voor een uiting op sociale media. Als je eraan werkt met een diverse groep die graag samenwerkt kan dit buitengewoon goed uitpakken.
Het is uitdagend want het vergt feeling, denkwerk, samenwerking, maar ook het gebruik van je zintuigen en het soepel verbinden van abstractieniveaus. Tijdens de pilot zijn de jongeren als makers centraal gesteld. Het perspectief ligt bij hen. Het enthousiasme dat dit teweeg bracht was verrassend. De samenwerking met de docenten was intensief en we leren daarin ook van elkaar. Hoe breng je effectief dingen bij en hoeveel tijd kost dat? De ervaring en betrokkenheid van docenten is daarvoor een meerwaarde. Het gaat al met al om veel lesstof die goed en in de juiste volgorde moet worden gedoseerd, en de verbinding met de praktijk kun je geen moment loslaten. Voordat je de uiteindelijke formule hebt staan is meer dan een enkel project of pilot nodig. Je kunt dan ervaring opdoen met meerdere varianten en uiteindelijk de beste varianten structureel inzetten.
29
Interview met Hanke Wiegand en Willem Schnitfink, A. Roland Holst College Dit interview werd gehouden op 30 november 2021. De school en de docenten werken al langere tijd aan projecten ‘buiten de schoolgebouwen’. In 2019 is in nauw overleg met de school een samenwerking tussen de gemeente en het voortgezet onderwijs opgezet, waarbij de leerlingen als ‘Hilversummers van de toekomst’ meedenken over gemeentelijke maatschappelijke opgaven. De geïnterviewde docenten hebben in het kader van deze verkenning leerlingen en mede docenten betrokken bij: • De projectdag over lokaal nieuws en journalistiek (zie hoofdstuk 6) • Het project Dudok Radio • Het project NH Nieuws Centrale vraag van het interview was: Welke factoren maken naar jullie idee het duurzaam betrekken van leerlingen bij lokale journalistiek een succes? De belangrijkste bevindingen zijn ook hier cursief weergeven. Als school kun je alleen duurzaam inzetten op deze samenwerking als je de directie en het schoolbestuur achter je hebt staan. Daarnaast zijn docenten nodig die met de leerlingen een extra stap willen zetten, want deze projecten zijn aanvullend op het lesprogramma. Aan de andere kant sluiten deze projecten wel goed aan op verschillende vaardigheden die leerlingen moeten ontwikkelen. Denk aan burgerschapsvorming, het profielwerkstuk maar ook aan het helder presenteren in de klas.
Voor de leerlingen die gemotiveerd zijn is het pluspunt dat de activiteit plaatsvindt buiten de normale lessituatie; het gebeurt op een plek waar ze normaal niet komen, en er staan docenten die ze niet kennen. Dat inspireert. Wat ook goed werkt bij de projecten bij Dudok Radio en in het Medialab, is dat ze veel verantwoordelijkheid krijgen. Duidelijke handvatten zijn belangrijk, maar daarnaast werkt het goed als ze zelf ideeën kunnen ontwikkelen en vervolgens uitvoeren. De leerlingen worden tijdens deze projecten uitgedaagd. Een interview ziet er logisch uit als een ander het heeft gemaakt, maar als je het zelf moet doen kan het best tegenvallen. Als je later navraagt blijkt dat de leerlingen het de inspanning meer dan waard vonden. Ze gaven zelfs aan dat ze er echt iets aan hebben voor hun eigen toekomst. De breedte van lokale media en journalistiek helpt ook om leerlingen enthousiast te krijgen. Het biedt kansen voor de verschillende lagen, in ons geval Mavo, Havo en Vwo. Er is praktische inzet nodig, praktische inzet met wat meer theorie, maar zeker ook onderzoeksvaardigheden. Het op een nieuwe manier om leren gaan met ideeën en gebeurtenissen draagt bij aan de beleving van leerlingen.
Omdat we als school sowieso al ons best doen om zoveel mogelijk ‘naar buiten’ te kijken sluit dat goed aan -onderwerpen met een maatschappelijke laag komen langs, die zouden anders aan ze voorbijgaan. We kijken bij elk project ook goed wat voor de leerlingen de toegevoegde waarde is. Iedereen wil tegenwoordig zichtbaar zijn in de samenleving en leerlingen zijn ongelofelijk veel bezig met media. Wij geloven dat de omgang met media positief verandert als je journalistieke vaardigheden hebt geoefend. We hebben zelf een podcast-set aangeschaft en we merken dat dit het gesprek met en tussen leerlingen opent. We denken overigens dat deze samenwerking met mediamakers voor alle scholen interessant is om te proberen. Misschien goed om het resultaat van de projecten zichtbaar te maken zodat duidelijk wordt wat mogelijk is. Bijvoorbeeld via de kring van rectoren. Het zou ook goed zijn om de opbrengst van deze samenwerking voor scholen eens te onderzoeken, misschien via een universiteit of instituut. Een laatste punt: dit zijn pittige projecten. Je moet als school buiten je oevers willen stappen. Een zeker risico durven nemen. Dat moet passen bij de school en echt gedragen worden.
30
7.5 Samenvattend: in startnotitie te verwerken inzichten De meeste inzichten zijn in eerste instantie interessant voor programmamakers en begeleiders, en zijn goed toe te passen bij het ontwerpen en uitrollen van projecten met jongeren. De volgende inzichten zijn verwerkt in de startnotitie: Tabel 12: Inzichten n.a.v. het project Dudok Radio en NH Media Inzicht 7.1
7.2
7.3
7.4 7.5 7.6
Projecten zijn pittig voor de deelnemende partijen. Je moet als begeleider een extra stap willen zetten. Een gemotiveerd team en gemotiveerde jongeren die bewust kiezen voor een mediaproject is een vereiste. In zo'n team is plaats voor verschillende competenties. Voor de leerlingen die gemotiveerd zijn is het pluspunt dat de activiteit plaatsvindt buiten de normale lessituatie; het gebeurt op een plek waar ze normaal niet komen, en zijn volwassenen bij die ze voor het eerst ontmoeten, dat inspireert. Als de ervaring geen oefening is maar ‘echt’ dan inspireert dat en brengt het focus. Duidelijke handvatten uit de media en journalistiek en een professionele begeleiding vormen een belangrijke basis voor projecten met jongeren. Voor wat betreft de journalistiek moeten de principes worden uitgelegd, maar moeten de jongeren het ook zelf ervaren om het zich eigen te maken. Geef aan de andere kant de jongeren zelfstandigheid. Confronteer ze met een onderwerp en kijk wat zich ontwikkelt. Gemotiveerde leerlingen gaan vaak vanuit zichzelf daadkrachtig aan de slag. Hou bij het betrekken van jongeren in gedachten dat volwassenen en jongeren anders omgaan met nieuws, dat betreft zowel de mainstream als nepnieuws. Het betrekken van jongeren zal hun houding tegenover de journalistiek en journalisten beïnvloeden.
31
Verwerking in startnotitie Verwerkt in programmalijn breed bereik.
Verwerkt in programmalijn breed bereik.
Verwerkt in programmalijn breed bereik. Verwerkt in programmalijn breed bereik. Verwerkt in programmalijn breed bereik. Verwerkt in programmalijn breed bereik.
8 Laaggeletterden Laaggeletterden beheersen het lezen en schrijven niet goed genoeg om optimaal te kunnen functioneren in de samenleving. De groep is vaak niet zichtbaar, ook in bereiksonderzoeken wordt zij niet specifiek genoemd. Het ligt voor de hand dat deze groep doorlokaal nieuws minder goed wordt bereikt. Lokaal nieuws wordt immers voor een groot deel schriftelijk verspreid. Het Centrum voor Innovatie van Opleidingen-Expertisecentrum beroepsonderwijs (CINOP-ecbo), het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en Etil Research Group hebben (laag)geletterdheid uitgebreid en overzichtelijk in kaart gebracht. De onderzoeksresultaten zijn te vinden op https://geletterdheidinzicht.nl/ en beschikbaar via deze online tool. Het onderzoek maakt onderscheid tussen zes verschillende doelgroepen en een restgroep. Er is sprake van doelgroepen omdat de inspanning die aansluit op het onderzoek gericht is op het zowel identificeren als scholen van laaggeletterden: Tabel 13, Doelgroepen laaggeletterden, overgenomen uit Handreiking doelgroepenanalyse 20 Doelgroep A
Ouderen, werkend, met Nederlandse achtergrond, en zowel partner én kinderen
B
Ouderen, niet-actief, met Nederlandse achtergrond, en zowel partner én kinderen
C
Mensen tussen 30 en 50 jaar oud, werkend, met Nederlandse achtergrond, divers qua partners en kinderen
D E
Ouderen, zowel werkend als nietwerkend, met Nederlandse achtergrond, en ófwel een partner, ófwel kinderen Jongeren, zowel werkend als nietwerkend, zowel met Nederlandse achtergrond als met migratieachtergrond, en zonder partner en kinderen
F
Mensen met migratieachtergrond, 30 jaar en ouder, zowel werkend als nietwerkend, en met partner, met kinderen of met beide
G
Mensen die niet in één van de 6 doelgroepen A t/m F vallen
Toelichting Mensen in deze groep zijn allemaal 50 tot en met 65 jaar oud en hebben allemaal zowel een partner als kinderen. Uit eerder onderzoek weten we dat werkende laaggeletterden relatief vaak werkzaam zijn in facility management en reiniging, vervaardiging van kleding, schoenen, metaal en andere goederen, landbouw, en horeca. Het gaat daarbij relatief vaak om mensen met een beroep als schoonmaker, productiemachinebediener, assemblagemedewerker of hulpkracht in bouw, industrie, horeca en landbouw. Identiek aan de doelgroep A, maar niet actief op de arbeidsmarkt in plaats van werkend. Verdere analyse suggereert dat deze groep vooral bestaat uit mensen die met (vervroegd) pensioen of arbeidsongeschikt zijn. Op deze groep is mogelijk de ‘use it or lose it’-redenering van toepassing (vaardigheden verslechteren indien ze niet gebruikt worden, zoals bijvoorbeeld leesvaardigheid in de werkomgeving) Deze groep onderscheidt zich niet als het gaat om partners en kinderen; mensen met en zonder partners en kinderen komen proportioneel voor in deze groep. Ook in deze doelgroep kan bijvoorbeeld gedacht worden aan werkenden in sectoren zoals facility management en reiniging, vervaardiging van kleding, schoenen, metaal en andere goederen, landbouw, en horeca.
De mensen in deze doelgroep zijn vrijwel allemaal 50 tot en met 65 jaar oud, en het zijn vooral singles met kinderen (een kleiner aandeel is kinderloos met partner). Mensen in deze doelgroep zijn relatief iets vaker werkloos en niet-actief, maar de groep bevat ook werkenden. Deze groep bestaat zowel uit jongeren (16 tot 30 jaar oud) met een Nederlandse achtergrond als jongeren met een migratie-achtergrond. Het gaat deels om jongeren die nog met een opleiding bezig zijn, bijvoorbeeld op mbo-niveau, al zijn er ook werkenden in deze groep. Mensen in deze groep hebben allen een migratieachtergrond (m.n. 1e generatie). Mensen in deze groep zijn allemaal 30 jaar en ouder (een combinatie van mensen tussen 30 en 50 jaar oud en mensen van 50 tot en met 65 jaar oud) en hebben meestal zowel een partner en kinderen (een kleinere groep heeft partner of kinderen). Deze doelgroep onderscheidt zich niet duidelijk van andere doelgroepen op het gebied van arbeidsmarktstatus. Tot slot blijft er een groep mensen over die enerzijds niet bij één van de 6 doelgroepen passen, maar die anderzijds ook onderling te verschillend zijn om samen nog een extra zevende doelgroep te kunnen vormen.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om 2e generatie migranten, jongeren met kinderen, 1e generatie migranten van 30 jaar en ouder die zowel geen partner en geen kinderen hebben en oudere werknemers die zowel geen partner als geen kinderen hebben.
20
Handreiking Doelgroepenanalyse, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO), door Annemarie Groot en Jo Fond Lam, feb 2020, link naar de handreiking, link naar de wetenschappelijke verantwoording.
32
8.1 Laaggeletterdheid in de regio Gooi en Vechtstreek en Hilversum Uit onderzoek21 blijkt dat 14% van de Hilversummers laaggeletterd is. Dat is niet alleen hoger dan het landelijk gemiddelde van 12%, het is ook opvallend hoog ten opzichte van de andere regiogemeenten: Tabel 14, figuur 6: Laaggeletterdheid in regio Gooi en Vechtstreek22
Regiogemeente
Laaggeletterdheid in procenten bevolking
16% 14% 12%
Weesp
1%
10%
Wijdemeren
1%
8%
Gooise Meren
2%
6%
Blaricum
5%
Eemnes
5%
Huizen
5%
Laren
5%
Hilversum
14 %
4% 2% 0%
Gemeenten zetten in op het zowel het structureel terugdringen van laaggeletterdheid als op het tegengaan van de negatieve effecten. Het specifiek verbeteren van het bereik van lokaal nieuws valt buiten de scope van deze inzet. De opbouw in de zes doelgroepen ziet er in Hilversum als volgt uit: Tabel 15: Opbouw Hilversumse laaggeletterden in doelgroepen A B C D E F G
Groep Ouderen, werkend, met Nederlandse achtergrond, en zowel partner én kinderen Ouderen, niet-actief, met Nederlandse achtergrond, en zowel partner én kinderen Mensen tussen 30 en 50 jaar oud, werkend, met Nederlandse achtergrond, divers qua partners en kinderen Ouderen, zowel werkend als niet-werkend, met Nederlandse achtergrond, en ófwel een partner, ófwel kinderen Jongeren, zowel werkend als niet-werkend, zowel met Nederlandse achtergrond als met migratieachtergrond, en zonder partner en kinderen Mensen met migratieachtergrond, 30 jaar en ouder, zowel werkend als niet-werkend, en met partner, met kinderen of met beide Mensen die niet in één van de 6 doelgroepen A t/m F vallen TOTAAL
Percentage 11 % 8% 8% 10 % 10 % 37 % 17 % 101 %
Percentages zijn overgenomen uit onderzoek van het Centrum voor Innovatie van OpleidingenExpertisecentrum beroepsonderwijs (CINOP-ecbo), het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en Etil Research Group. De onderzoeksresultaten zijn te vinden op https://geletterdheidinzicht.nl/, en ondermeer beschikbaar via deze online tool. 22
33
Figuur 7: Opbouw Hilversumse laaggeletterden in doelgroepen
Percentage van de Hilversumse laaggeletterden 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%
A
B
C
D
E
F
G
Opvallend is dat groep G, mensen met een migratieachtergrond, hier verreweg het sterkst vertegenwoordigd is. Deze groep heeft overlap met de eerdere genoemde internationals (paragraaf 1.3). 8.2 Hoe kan lokaal nieuws laaggeletterden beter bereiken? Hierover is geen onderzoek gevonden. Om erachter te komen hoe lokaal nieuws laaggeletterden beter kan bereiken is gezocht naar expertise. Margreet Kok heeft 20 jaar ervaring als docent Nt2 -Nederlands als tweede taal. Te midden van andere activiteiten gaf ze ondermeer in 2015/2016 het taalbeleid in AZC Crailo inhoudelijk vorm. Voor de bijeenkomst ‘Mediamakers en digitale inclusie’ op 4 oktober 2021 tijdens de Dutch Media Week in het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid schreef ze een verhandeling over het met media bereiken van minder taalvaardigen. Een passage gaat over de diversiteit van de doelgroep: De deelnemers hebben sterk uiteenlopende karakteristieken. Een deel is hoogopgeleid, studievaardig, sociaal vaardig, met een ‘westerse’ achtergrond, assertief, in staat ook in het nieuwe land zelf de regie over het eigen leven te nemen, goede beheersing van een westerse taal, economisch zelfstandig, (redelijk) goede gezondheid, stabiele gezinssituatie, bevredigende contacten met anderen, uit vrije keuze naar Nederland gekomen (expats), niet gebonden aan vaste rolpatronen, geen al te grote problemen.
Een ander deel is laagopgeleid, heeft weinig/geen scholing, soms analfabeet of nietgealfabetiseerd in het Latijnse schrift, niet/weinig studievaardig, uitsluitend de moedertaal beheersend, opgegroeid in een cultuur die mijlenver van de westerse cultuur afstaat, vluchteling, psychische problemen, getraumatiseerd (door oorlog of een onderdrukkend regiem), financiële afhankelijkheid (uitkering), soms afhankelijk van voedselbank, slechte woonsituatie, éénouder-gezin, gebonden aan vaste rolpatronen, geen sociaal netwerk, niet in staat het eigen leven vorm te geven. Dit zijn de uitersten van het spectrum, alles wat daartussenin zit komt voor. De motivatie om ‘echt mee te (kunnen) doen’ in Nederland, verschilt - mede op basis van deze karakteristieken - sterk. Margreet Kok, verhandeling n.a.v. ‘Mediamakers en digitale inclusie’ op 4 oktober 2021, Dutch Media Week
34
Met Margreet Kok is een gesprek gevoerd23, waarvan ze de opbrengst heeft aangevuld met een vragenronde onder ervaringsdeskundigen uit haar netwerk. De belangrijkste inzichten hebben betrekking op het inzetten van bestaande netwerken: •
•
• • • •
Betrek het netwerk van het individu, en maak verbinding met de centrale, vertrouwde personen binnen dat netwerk. Zoek een groep en ga daarbinnen aan de slag. Coaching kan helpen -meer dan alleen een journalist in de groep zetten. Enthousiasmeer bij de introductie zoveel mogelijk tussenpersonen en instanties die een rol kunnen spelen. Herhaal deze ‘inspiratiemomenten’ met een zekere regelmaat (education permanente). Stimuleer mensen om ‘mee te doen’ door samen en onder begeleiding te kijken, bv. via taalscholen, taalcafés, buurthuizen, basisscholen etc. Maak je binnen een netwerk journalistiek materiaal en koppel dan terug; zorg dat het gemaakte item ook in die specifieke groep en setting kan worden ingezet. Het idee om filmpjes over lokale actualiteiten gezamenlijk te bekijken in een taalcafé-setting wordt van harte toegejuicht. Hou in gedachten dat empathie en oprechte interesse stimuleert. Het zou ook goed kunnen werken om een gesprek ‘tussen culturen’ te (laten) organiseren. Zorg dat het nieuws relevant is voor de doelgroep. Als redenen om lokaal nieuws niet te volgen noemt men: te moeilijk, geen tijd, geen prioriteit, niet interessant. Organiseer periodiek bijeenkomsten met gebruikers/ervaringsdeskundigen om te horen wat wel/niet goed werkt en om ideeën voor nieuwe onderwerpen te inventariseren of voor te leggen. Evt.
hierbij gebruikmaken van de diensten van één of meer tolken? Verdiep je van tevoren goed in de culturele verschillen m.b.t. het te behandelen onderwerp(!) Hoe meer het onderwerp aansluit bij de belevingswereld, hoe groter de herkenbaarheid en identificatiemogelijkheden en hoe groter de interesse!
Je kunt je afvragen of een slecht bereik onder laaggeletterden en minder taalvaardigen een bedreiging is voor de lokale journalistiek. Toch is ervoor gekozen om verbetering van bereik van deze groep onderdeel te maken van de startnotitie. Het belangrijkste argument is dat dit aansluit bij een bewuste inzet op inclusiviteit. De meeste inzichten zijn zeer specifiek, en geschikt om door makers te worden meegenomen bij het ontwerpen en uitvoeren van projecten. Twee meer algemene inzichten zijn verwerkt in de startnotitie. Tabel 16: Inzichten op het thema laaggeletterdheid (algemeen) Inzicht 8.1 8.2
23
Betrek het netwerk van het individu, en maak verbinding met de centrale, vertrouwde personen binnen dat netwerk. Hou in gedachten dat empathie en oprechte interesse stimuleert.
Verwerking in startnotitie Verwerkt in programmalijn Breed bereik Verwerkt in programmalijn Breed bereik
Stadskantoor, 25 oktober 2021, Stadskantoor gemeente Hilversum (gespreksverslag aanwezig bij gemeente).
35
9 Gesprekken met de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) De Nederlandse Vereniging van Journalisten vertegenwoordigt de belangen van journalisten en de journalistiek. Zij zet zich in voor ondermeer scholing, kennisdeling, goede werkomstandigheden en persvrijheid. De NVJ heeft een aantal uitgangspunten vervat in online beschikbare stukken. Over deze stukken en de startnotitie zijn gesprekken gevoerd. De opbrengst van deze gesprekken en de verwerking in de startnotitie is hieronder weergegeven. 9.1 Journalistiek en afstand tot de burger (NVJ) Uit gesprekken24 met de NVJ kwam naar voren dat een meer directe verbinding tussen de burger en de journalistiek gunstig werkt op zowel haar betekenis voor de burger als het vertrouwen van de burger in de journalistiek. In andere woorden: voorkom dat de journalistiek wordt ervaren als een ‘ver van mijn bed-show’. Een voorbeeld ter illustratie: wijkbewoners zien tientallen jaren geen journalist, tot een ernstig voorval plaatsvindt. Plotseling komen journalisten en cameraploegen in groten getale langs, wat bevreemdend werkt. De journalistieke interesse lijkt voor de bewoners gekoppeld aan het onheil, niet aan het reilen en zeilen in de wijk. Het bovenstaande is overigens geen gemeengoed; op veel plaatsen wordt door journalisten een brede en bestendige verbinding met burgers gezocht.
Opgemerkt wordt overigens dat een hoge werkdruk, hoge productiviteitseisen alsmede onderbezetting bij redacties de ongewenste situatie in de hand kunnen werken. 9.2 Journalistieke principes (NVJ) NVJ onderschrijft een verzameling journalistieke principes. Het gaat om de Code van Bordeaux uit 1954 en de meer recente en meer uitgebreide Code voor de journalistiek door het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren uit 2008. De codes worden overgenomen in de startnotitie. 9.3 Leidraad voor de inrichting en doelstelling van een lokaal mediafonds (NVJ) De NVJ heeft de bovenstaande leidraad opgesteld, en doet daarin een aantal aanbevelingen die zijn verwerkt in de onderstaande samenvatting. De indeling van de aanbevelingen is omwille van de overzichtelijkheid iets aangepast. Daarbij de opmerking dat de startnotitie niet alleen gericht op de journalistiek, maar ook op lokale media en het bereik van lokaal nieuws. Om die reden zijn niet alle aanbevelingen in de startnotitie verwerkt.
24
Gesprekken met Algemeen secretaris dhr. Thomas Bruning op 2 okt 2019, 21 april 2021 en 8 september 2021 (gespreksverslag aanwezig bij gemeente).
36
9.4 Samenvattend: in de startnotitie te verwerken inzichten Tabel 17: Aanbevelingen NVJ en verwerking in startnotitie Aanbeveling NVJ
Verwerking
Toelichting
9.1
Verbind journalistiek aan de buurten en wijken; breng het dicht bij de burger. (Bron: gesprekken met de NVJ)
9.2
Code van Bordeaux (Bron: website NVJ)
Verwerkt
9.3
Code voor de journalistiek door het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren (Bron: website NVJ)
Verwerkt
9.4
Maak het fonds bovenregionaal of landelijk. Dit komt de onpartijdigheid ten goede en verhoogt mogelijk synergie. (Bron vanaf hier: Leidraad inrichting lokaal mediafonds)
Niet verwerkt
9.5
Overweeg een bestaand landelijk opererend fonds de opdracht te geven om de toewijzing voor haar rekening te nemen
Niet verwerkt
Landelijk opererende fondsen zijn hier (nog) niet voldoende op ingericht.
9.6
Overweeg met andere gemeenten of op provinciaal niveau gezamenlijk een fonds in te richten.
Niet verwerkt
Eerdere verkenning in regionaal verband verkend had niet het gewenste resultaat. De mogelijkheid kan in de toekomst door Stichting Mediafonds Hilversum opnieuw worden onderzocht.
Verwerkt
Het bestuur van Stichting Mediafonds Hilversum wordt benoemd door de gemeente. Het is vervolgens aan het bestuur om een beoordelingscommissie aan te stellen.
Verwerkt
Dit is verwerkt in de startnotitie.
Niet verwerkt
Deze aanbeveling sluit niet een op een aan bij de belangrijkste doelstellingen van de startnotitie. De startnotitie zet in op (ondermeer) duurzame verbetering van het bereik van lokaal nieuws, niet op het aantal werkzame journalisten.
Deels verwerkt
Zowel publieke als private partijen kunnen ondersteuning vanuit het mediafonds aanvragen.
Niet verwerkt
De startnotitie behelst meer dan de redactionele en journalistieke inzet. Zo is vergroting van het bereik een belangrijk
9.7
9.8
9.9
9.10
9.11
Leg de toewijzing van gelden in handen van een geheel onafhankelijk bestuur, zonder directe verbinding met of belang bij de lokale politiek, het lokale bedrijfsleven of andersoortige lokaal actieve organisaties. Mocht bij een aanvraag toch sprake zijn van een (indirect) belang bij een van de bestuursleden, dan dient deze zich te verschonen. Zorg dat tenminste één bestuurslid een journalistieke achtergrond heeft, doch uiteraard niet (meer) in de betreffende regio actief is. Zorg voor een nulmeting om te voorkomen dat publiek geld gebruikt wordt om private partijen te bevoordelen, en om te borgen dat de publieke bijdrage daadwerkelijk de gesignaleerde journalistieke functie verbetert. Aangeraden wordt om hiervoor een nulmeting te doen m.b.t. de lokale journalistieke situatie. Hoeveel redacties en hoeveel individuele (freelance) journalisten zijn op dit moment actief? Zorg voor een level playing field. Aanvragen van zowel publieke als commerciële spelers, digitaal, RTV of print en redacties en freelancers zouden toegang moeten hebben tot het fonds. Wijs bij voorkeur zo dicht mogelijk bij het redactionele budget toe, zodat niet de infrastructuur (drukpers, RTV-studio, distributie) of commerciële activiteit, maar de publiek
Verwerkt
37
Verwerkt als programmalijn Wijkjournalistiek. Het onderschrijven van de code is voorwaarde voor samenwerking met de stichting en voor ondersteuning vanuit het Mediafonds. Het onderschrijven van de code is voorwaarde voor samenwerking met de stichting en voor ondersteuning vanuit het Mediafonds. Onze inspanning is gericht op het ondersteunen van projecten die plaatsvinden in Hilversum. Regionale inzet van het fonds kan in de toekomst door Stichting Mediafonds Hilversum worden onderzocht. Wel is sturen op een bovenlokaal effect in de startnotitie opgenomen.
Aanbeveling NVJ
9.12
9.13
9.14
9.15
relevante journalistieke inspanning wordt ondersteund. Wijs bij voorkeur toe over een langere periode en laat journalistieke inhoud niet bepalend zijn voor toewijzing. In het geval van projectsubsidies zorg dan voor een zeer laagdrempelige procedure en een niet op de inhoud gerichte aanvraagmethodiek. Die bijdrage kan dan het beste de vorm krijgen van een matching-bedrag. Uitgangspunt is dat een deel van de inkomsten van andere bronnen komt (adverteerders/ abonnees) en dat er dus al een zeker publiek is voor de publicaties. Stel het hanteren van een redactiestatuut als voorwaarde om er zeker van te zijn dat de aanvragende partij in onafhankelijkheid en volgens journalistieke beginselen werkt. Dat kan in de vorm van een modelstatuut, dat bij aanvraag onderschreven dient te worden. Zorg voor een behoorlijke honorering, wat een voorwaarde is voor kwaliteit. Neem dit mee in de beoordeling van ingediende begrotingen; de ureninvestering en uurvergoeding van professionals dient voldoende te zijn.
9.16
Zorg in verband met journalistieke urgentie voor een laagdrempelige procedure voor kortlopende projecten. Hanteer hiervoor een Uitgangspunt van vertrouwen en referenties.
9.17
Toe te juichen zijn aanvragen die ervoor zorgen dat lokale journalistiek een duurzame toekomst tegemoet kan gaan. Hou er rekening mee dat dit intensieve begeleiding vraagt. Overweg doorverwijzing naar of afstemming met het Stimuleringsfonds van de Journalistiek.
Verwerking
Toelichting doel. Hierbij is bijvoorbeeld distributiewijze een belangrijke factor.
Verwerkt
Dit is verwerkt in de startnotitie. De procedure wordt niet complexer dan nodig.
Niet verwerkt
Wel krijgt het bestuur van Stichting Mediafonds Hilversum de opdracht matching vanuit andere fondsen te onderzoeken.
Verwerkt
Dit wordt als voorwaarde gesteld voor verstrekking van ondersteuning vanuit het Mediafonds.
Verwerkt
Bij de aanvragen gevoegde begrotingen worden hierop beoordeeld.
Niet verwerkt
De startnotitie zet in op duurzame versterking van het lokale medialandschap en niet op het mogelijk maken van urgente projecten. Wel bestaat de mogelijkheid voor toewijzen van een bedrag voor een pilotproject volgens een verkorte procedure.
Verwerkt
Het bestuur van Stichting Mediafonds Hilversum wordt opgeroepen af te stemmen met het Stimuleringsfonds voor de journalistiek.
Bijlagen RIB 2021-45 en evaluatie Subsidieregeling Verslag projectdag jongeren en lokale media & journalistiek, juli 2021
Voor meer informatie: r.pauw@hilversum.nl
--38