Bijlage 10 Inventarisatie beschermde soorten
Tekst van het document
Circusterrein te Hilversum
G&G-rapport 2024-238
Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Circusterrein te Hilversum Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving
C.C. van Lingen F.N.M. van der Knaap
2024
Opdrachtgever Gemeente Hilversum
G&G-rapport 2024-238
Datum Versie
15 augustus 2024 V2
Gecontroleerd door: R. de Beer Titel:
Circusterrein te Hilversum
Projectcode bureau
2024-238
Projectleiding:
Ir. R. de Beer
Veldwerk:
W. Peters, F. van der Knaap
Opdracht:
Gemeente Hilversum
Contactpersonen:
P. Nijmeijer
Akkoord voor uitgave:
Teamleider Van der Goes en Groot
Paraaf: De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot; opdrachtgever vrijwaart Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v.
druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).
Bovendijk 35-G 2295 RV Kwintsheul Hazenkoog 35A 1822 BS Alkmaar www.vandergoesengroot.nl
Circusterrein te Hilversum
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
5
1.1
Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 6
1.3
Ligging van het plangebied ...................................................................................... 6
1.4
Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 7
Methode 2.1
8
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten .................................................... 8 2.1.1 Sperwer en Buizerd ................................................................................................... 8 2.1.2 Ransuil ....................................................................................................................... 9
2.2
Grondgebonden zoogdieren.................................................................................... 9 2.2.1 Marterachtigen.......................................................................................................... 9 2.2.2 Eekhoorn ................................................................................................................. 12
2.3
Vleermuizen ........................................................................................................... 13 2.3.1 Veldbezoeken .......................................................................................................... 13
3
Resultaten broedvogels 3.1
16
Buizerd, Ransuil en Sperwer .................................................................................. 16 3.1.1 Ronde 1 (16 januari 2024) ....................................................................................... 16 3.1.2 Ronde 2 (31 maart 2024)......................................................................................... 17 3.1.3 Ronde 3 (10 april 2024) ........................................................................................... 17 3.1.4 Ronde 4 (2 mei 2024) .............................................................................................. 17 3.1.5 Ronde 5 (16 mei 2024) ............................................................................................ 17 3.1.6 Ronde 6 (3 juni 2024) .............................................................................................. 17 3.1.7 Ronde 7 (27 juni 2024) ............................................................................................ 17
4
5
Resultaten grondgebonden zoogdieren
18
4.1
Marterachtigen ...................................................................................................... 18
4.2
Eekhoorn ................................................................................................................ 19
4.3
Overige (zoog)dieren ............................................................................................. 20
Resultaten vleermuizen
22
5.1
Gewone dwergvleermuis ....................................................................................... 22
5.2
Ruige dwergvleermuis ........................................................................................... 23
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
4
6
5.3
Laatvlieger ..............................................................................................................24
5.4
Rosse vleermuis......................................................................................................25
Effectbeoordeling en maatregelen
27
6.1
Ransuil, Buizerd en Sperwer ..................................................................................27
6.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................27
6.3
Vleermuizen ...........................................................................................................27
6.4
Overige broedvogels ..............................................................................................28
7
Zorgplicht
29
8
Conclusies en aanbevelingen
31
9
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
33
10
Bijlagen
35
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan de Diependaalselaan te Hilversum her in te richten. Hilversum ligt in de provincie Noord-Holland. Het voormalige braakliggende circusterrein wordt heringericht waarbij ca. 400 flexwoningen gebouwd zullen worden. Het is mogelijk dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, beschermde, niet vrijgestelde grondgebonden zoogdieren of vleermuizen verblijven in de te kappen bomen en gebruik maken van het plangebied. Ook is het mogelijk dat deze soorten het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. De aanwezigheid van deze potentie is aangegeven in een eerder uitgevoerde ‘ecologische quickscan’ (GUTKER DE GEUS & VAN DER MEER, 2023). Om dit nader te onderzoeken heeft Gemeente Hilversum opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode augustus 2023-juli 2024. De inventarisatie is uitgevoerd door medewerkers van bureau Van der Goes en Groot.
De ligging van het plangebied (rood omlijnd).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
6 Dit rapport doet verslag van het onderzoek.
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel), Eekhoorn, Boommarter, Steenmarter, Sperwer, Ransuil, Buizerd en vleermuizen binnen het plangebied.
1.3
Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied betreft een (lang) braakliggend terrein en bevindt zich in een stedelijke omgeving aan de westkant van Hilversum. Het plangebied wordt omsloten door woonwijken en een bedrijventerrein. Op 550 meter afstand ten noordwesten van het plangebied loopt de N201, een drukke verkeersader. Aan de zuidwest kant ligt op 600 meter afstand een groter begroeid gebied aan de rand van de stad. De overige groenvoorziening rond het plangebied is beperkt.
1.4
Geplande werkzaamheden Op de locatie waar het braakliggende terrein zich bevindt, wordt een herinrichting met nieuwbouw gerealiseerd. Er komen flexwoningen ten behoeve van (tijdelijke) bewoning. Bij het bouwrijp maken van de gronden worden bomen en struiken gekapt of gerooid. De groenstrook aan de zuidwestkant van het plangebied zal worden ingericht als parkzone, waarbij mogelijk ook enkele bomen worden verwijderd. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatieve toplaag, het vergraven van de bodem, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van bomen en struiken. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen, licht en verandering van microklimaat verstoring optreden van (beschermde) soorten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
1.5
7
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3, 4 en 5 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 6 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn en of een vergunning in het kader van de Ow noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven of soorten, waarvoor de specifieke zorgplicht van toepassing is, in het plangebied verwacht worden en wordt aangegeven welke passende maatregelen genomen moeten worden. Ten slotte bevat hoofdstuk 8 de conclusies met noodzakelijke vervolgstappen. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 9 tenslotte, geeft een overzicht van de gebruikte literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunningsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
8
2
Methode 2.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Alleen vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd, zijn geïnventariseerd tijdens het onderzoek. Het betreft in dit geval de Sperwer, Ransuil en Buizerd. Deze soorten komen voor in de omgeving van het plangebied (NDFF 2014-2024, GUTKER DE GEUS & VAN DER MEER, 2023) en kunnen gevestigd zijn binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden in het plangebied. Tijdens de inventarisatie werd ook gelet op eventueel andere aanwezige jaarrond beschermde broedvogels of andere beschermde soorten. Alle waarnemingen zijn op locatie gekarteerd. De codes zijn gestipt met behulp van een mobiele telefoon of veldtablet.
2.1.1
Sperwer en Buizerd Zie Tabel 1 voor de datums van de uitgevoerde onderzoeksrondes. In het begin van 2024 is een uitgebreide (aanvullende) scan gedaan om te checken of er intacte grote nesten aanwezig zijn in het plangebied. Dit was slecht te checken tijdens de quickscan. Er werd ook gekeken of eventueel aanvullende waarnemingen van diepe holtes konden worden gedaan. Er zijn daarna drie dagbezoeken afgelegd aan het plangebied tussen maart en begin juni waarbij is gelet op territoriaal- of nest indicerend gedrag van de betrokken soorten of hun jongen. Speciale aandacht werd besteed aan het eerder aangetroffen grote nest, door deze te checken op sporen (krijtstrepen, plukresten, braakballen) of broedende vogels (uitstekende staartveren).
Bezoekdatums, aard van het bezoek en weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken van de broedvogelinventarisatie (jbs), waaronder Ransuil (RU), en de gebiedsinventarisatie van Eekhoorn (EH) in het plangebied in 20244. Bezoek
Datum (2024)
Avond (A) of Dagbezoek (D), reden bezoek
Weersomstandigheden (Wind/Temperatuur/Bewolking)
1
16 januari 2024
D, nest- en holtescan, jbs, EH
ZW 3 bft, 1°C, 8/8
2
31 maart 2024
D, jbs, EH
O 3 bft, 9,7°C, 8/8
3 4 5 6 7
10 april2024 2 mei 2024 16 mei2024 3 juni 2024 27 juni2024
A, jbs, EH D, jbs, EH A, RU D, klm, jbs, takkelingen A, RU
ZW 4 bft, 11,7°C, 6/8 NW 3 bft, 17,1°C, 6/8 NW 2 bft, 16,3°C, 6/8 W 2 bft, 14,1°C, 8/8 ZW 3 bft, 22°C, 4/8
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
2.1.2
9
Ransuil Voor de dagrondes is de inventarisatie naar Ransuil gecombineerd met Sperwer en Buizerd, zie Tabel 1 voor de bezoekdatums. Speciale aandacht werd besteed aan activiteit of sporen (braakballen) rond het aangetroffen grote nest en andere terreindelen. De avondbezoeken en nachtbezoeken zijn gecombineerd met vleermuisonderzoek. Er zijn aanvullend aan de dagbezoeken daarbij drie veldbezoeken afgelegd aan het plangebied tussen mei en eind juni. Bij onderzoek naar Ransuil wordt in mei gelet op de (zacht) roepende adulte vogels of ander territoriaal- of nest indicerend gedrag van de Ransuil. De inzet van warmtebeeld-apparatuur is daarbij belangrijk. Later in mei en in juni wordt vooral gelet op bedelende jongen, die zeer opvallend en vaak langdurig roepen.
2.2
Grondgebonden zoogdieren Alleen grondgebonden soorten zoogdieren die onder de Omgevingswet zijn beschermd, zonder (provinciale) vrijstelling, zijn geïnventariseerd tijdens het onderzoek. Het betreft in dit geval de Bunzing, Wezel, Hermelijn, Boommarter, Steenmarter en Eekhoorn. Tijdens de inventarisatie is ook gelet op eventueel andere beschermde soorten. Alle waarnemingen en de locaties van geplaatste onderzoeksmaterialen zijn op locatie gekarteerd met behulp van een veldtablet.
2.2.1
Marterachtigen Bunzing, Hermelijn, Wezel In de onderzoeksperiode is onderzocht of kleine marterachtigen Bunzing, Hermelijn, Wezel aanwezig zijn binnen het plangebied en wat de gebruiksfunctie van het plangebied is. Tevens zijn tijdens het onderzoek de Boommarter en Steenmarter en Eekhoorn onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd conform het landelijke Kennisdocument ‘Kleine marterachtigen, Bunzing, Hermelijn, Wezel. Dit document is dit jaar gepubliceerd door BIJ12 en is de nieuwe landelijke richtlijn voor het uitvoeren van onderzoek naar kleine marterachtigen. Om een beeld te krijgen van de aanwezigheid en de verspreiding van de marterachtigen is bij de inventarisatie gebruik gemaakt van de volgende onderzoeksmethoden: cameraval, mostela, struikrover en sporenbuizen. In totaal zijn drie cameravallen, één struikrover, en zes sporenbuizen gebruikt bij dit onderzoek. De camera’s, struikrover en sporenbuizen zijn verspreid geplaatst door het plangebied voornamelijk in de begroeiing en de randen van de begroeiing. Een kaart met de locaties van de uitgezette onderzoeksmaterialen in het plangebied is opgenomen in Bijlage 1.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
10
Er zijn vijf bezoeken afgelegd aan het gebied (zie Tabel 2). Tijdens het eerste bezoek worden de onderzoeksmaterialen uitgezet. Hierbij wordt uiteraard gelet op locaties met de hoogste trefkans. Deze wordt bepaald op grond van de aanwezige biotopen, dekking, eventuele passagepunten (wissels), foerageergebieden etc. De tussen bezoeken zijn nodig voor controle van de materialen. Hierbij kunnen de sporenbuizen, indien nodig, voorzien worden van nieuw sporenpapier, het lokvoer (blikje sardines) bij de struikrovers kan worden vervangen, de camera’s kunnen indien nodig bijgesteld worden, voorzien worden van nieuwe batterijen en de geheugenkaartjes kunnen worden gewisseld. Eventueel kan er bij dit bezoek ingegrepen worden als de sensor te vaak loos geactiveerd wordt door bijvoorbeeld zonlicht, schaduwen en bewegende vegetatie.
Datums van activeren cameravallen (en looptijd) voor marteronderzoek.
Cameravallen, struikrover, sporenbuizen Uitzet materialen Controle Controle Controle Ophalen materialen
3 en 4-6-2024 19-6-2024 2-7-2024 12-7-2024 30-7-2024
Bij de laatste ronde wordt het materiaal opgehaald waarna het beeldmateriaal en de prentenplaten tijdens een bureaustudie worden geanalyseerd. In Tabel 2 staan de startdatum, controledata en einddatum van het onderzoek. Het materiaal heeft in totaal (minimaal) acht weken uitgestaan in het veld. Daarnaast is tijdens de veldbezoeken in het plangebied gericht gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen zoals latrines, prooiresten en uitwerpselen. Met deze aanvullende waarnemingen kan mogelijk een beter beeld worden verkregen van de aanwezigheid en het terreingebruik door marterachtigen. Boommarter, Steenmarter Om een beeld te krijgen van de aanwezigheid van de Boommarter en Steenmarter is met behulp van de drie cameravallen voorzien van lokvoer, op een geschikte locatie geprobeerd deze soorten vast te stellen. Als leidraad voor de cameraopstelling met het lokvoer is uitgegaan van de methode in NEM VERSPREIDINGSONDERZOEK MARTERS: INVENTARISEREN MET CAMERAVALLEN, 2022.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
11
Hieronder wordt kort de werking van de verschillende vangtechnieken toegelicht. →https://www.zoogdier
vereniging.nl/wat-wedoen/monitoring/meetp rogrammas-nem/nemverspreidingsonderzoekbunzing-boommarter
Cameraval De cameravallen zijn voorzien van een sensor die reageert op de combinatie van warmte en beweging. Als er een warmbloedig dier (bijvoorbeeld een zoogdier of vogel) voor de camera beweegt, begint deze met opnemen. Overdag zijn de beelden in kleur, en ’s-nachts of bij te weinig licht schakelt de camera automatisch over naar een infrarood beeld. De camera maakt hierbij geen geluid en de infrarood lampjes zijn niet te zien door de dieren, waardoor de dieren niet afgeschrikt kunnen worden. De dieren blijven zich daarom natuurlijk gedragen. Als lokvoer is een blikje sardines gebruikt. Bij één cameraval is naast de sardines een test gedaan met een mengsel van visolie met pindakaas op een in de grond geprikte stok. De gebruikte losse cameravallen zijn van het type Bushnell NatureView HD Cam, model 119740. Deze camera heeft een reactie snelheid van 0,2 seconden. Deze methode is geschikt voor alle marterachtigen (zoals Wezel, Hermelijn, Bunzing, Boommarter en Steenmarter). Struikrover De struikrover is een combinatie is van een lokmiddel en een cameraval. Het is een korte PVC buis waarin een wildcamera is geplaatst met als lokmiddel een blikje sardientjes. Hiermee kunnen alle aanwezige marterachtigen in een gebied worden vastgesteld. De gebruikte camera in de struikrover is een Browning model: BTC5PX-1080. Deze camera heeft een reactie snelheid van 0,22 seconden.
Opstelling van cameraval 1 in het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
12
Een sporenbuis in het veld (linksonder) en struikrover (rechtsonder) (archieffoto’s G&G).
Deze methode is geschikt voor alle marterachtigen (zoals Wezel, Hermelijn, Bunzing, Boommarter en Steenmarter). Sporenbuizen De sporenbuis is een pvc-buis 10 cm in diameter. Deze zijn vooral bedoeld om prenten van kleine marterachtigen Wezel en Hermelijn waar te nemen. In de sporenbuis ligt een plankje met in het midden een stempelkussen met inkt. Aan weerszijden van het stempelkussen liggen witte vellen sporenpapier. De Wezel (en Hermelijn) zijn van nature nieuwsgierig. Ze lopen graag in de dekking op zoek naar prooidieren en onderzoeken daarbij holen. Daarbij is het dus de bedoeling dat ze door de sporenbuizen lopen en prenten achterlaten. De sporenbuizen worden in een raai van meerdere buizen gelegd langs lijnvormige elementen met bij voorkeur een onderlinge afstand van 10 à 15 meter. Deze methode is met name geschikt voor Wezel. Al kan Hermelijn er ook mee worden vastgelegd. Bij het bepalen van de onderzoeksinspanning zijn sporenbuizen niet ‘meegeteld’ omdat niet alle soorten ermee kunnen worden uitgesloten. Ze zijn ingezet om de resultaten aan te vullen en voor sommige soorten betrouwbaarder te maken.
2.2.2
Eekhoorn Het doel van het onderzoek is inzicht te krijgen in de aanwezigheid van Eekhoorns en hun nestplaatsen. Bij het gebiedsonderzoek wordt als bomen niet zijn bebladerd, gezocht naar eekhoornnesten en aanwezige dieren. Het onderzoek naar Eekhoorn is daarbij gecombineerd met het onderzoek naar roofvogels, zie Tabel 1 voor de bezoekdatums. Tijdens alle bezoekrondes wordt daarbij gelet op vraatsporen in het terrein die kunnen wijzen op aanwezigheid van de Eekhoorn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
13
In een klein en geïsoleerd bos als dat op het Circusterrein, is het uitgevoerde onderzoek met cameravallen en Struikrovers ook een bruikbare methode om aanwezigheid van de Eekhoorn vast te stellen. Doorgaans foerageren Eekhoorns regelmatig op de grond en worden ze daarbij vastgelegd met de cameraval als die binnen het bereik van de sensor komt. Er is bij eventueel vaststellen van Eekhoorns op camera echter minder context hoe de soort het terrein gebruikt dan bij de gebiedsinventarisatie.
2.3
Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd krachtens de Ow onder het regime van de Habitatrichtlijn. Het doel van het onderzoek is de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van richtlijnen uit het protocol voor vleermuisinventarisaties, opgesteld door het Vleermuisvakberaad (VLEERMUISVAKBERAAD, 2021). Voorafgaand aan het onderzoek is op grond van de eerder uitgevoerde ecologische quickscan en de aanwezige biotopen nagegaan welke soorten vleermuizen redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoek is in dit geval met name gericht op de algemenere boom bewonende soorten: Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis. Uiteraard is tijdens het onderzoek ook gelet op aanwezigheid van andere soorten vleermuizen in het plangebied. Bij het aantreffen van ‘bijzondere’ (boom bewonende) soorten zoals Watervleermuis, Baardvleermuis en Gewone grootoorvleermuis, welke mogelijk verblijvend aanwezig zijn binnen het plangebied, worden het aantal bezoekrondes en/of rondetijden aangepast op het protocol voor de desbetreffende soort.
2.3.1
Veldbezoeken Door middel van veldonderzoek zijn de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied onderzocht. Er zijn in totaal 5 rondes uitgevoerd in de periode augustus-september 2023 en de periode mei tot en met juli 2024. Het aantal rondes is op voorhand, op grond van potentie van verwachte soorten en gebruiksfuncties bepaald. Tussen de rondes per deelgebied wordt altijd rekening gehouden met de voorgeschreven periodes conform het vleermuisprotocol (VLEERMUISVAKBERAAD, 2021). Het plangebied kan door vleermuizen op verschillende manieren worden gebruikt, bijvoorbeeld als verblijfplaats, als (onderdeel van) een vliegroute of als foerageergebied. Deze gebiedsfuncties zijn tijdens het veldwerk onderzocht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
14
Tijdens de quickscan, de nesten- en holtescan aan het begin van het jaar (zie Tabel 1) en de eerste ronde van het onderzoek zijn de relevante elementen, zoals (randen van) opgaande begroeiing, wateren, lijnvormige structuren en luwe en donkere terreindelen in beeld gebracht. Daarnaast zijn de aanwezige bomen geïnspecteerd op aanwezigheid van gaten, holtes, kieren en spleten. Bij het uitvliegen is vooral bij bomen met aangetroffen holtes gepost. Daarnaast is tijdens alle bezoeken van het onderzoek gekeken naar de aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied. Deze gebruiksfuncties zijn vooral te verwachten in luwe terreindelen van het plangebied en langs lijnvormige landschapselementen. Tijdens het onderzoek is bij mogelijke verblijfplaatsen gezocht naar gebruikssporen van vleermuizen, zoals keutels op verhardingen, poepstrepen bij gaten, vraatresten met behulp van een sterke zaklamp. Bij het bepalen en vaststellen van soorten, aantallen en terreingebruik van vleermuizen wordt gebruik gemaakt van batdetectors (beschikbare modellen Pettersson D240x en Echo Meter Touch Pro). Op de onderzoek locatie was altijd visuele- en audioweergave van de opgevangen pulsen mogelijk en er was altijd de mogelijkheid geluiden en/of pulsen op te nemen met opnameapparatuur (Echo Meter Touch Pro).
Tijdens het onderzoek werd tevens gebruik gemaakt van warmtebeeld-apparatuur (Lahoux spotter 35V Elite). Hiermee kunnen vliegpatronen van foeragerende dieren en eventuele vliegroutes van overvliegende vleermuizen beter in beeld gebracht worden. Ook kunnen de aanwezige aantallen vleermuizen nauwkeuriger worden ingeschat en kan in volledige donkere situaties (zoog)zwermactiviteit, late uitvliegers en terugvliegende dieren naar verblijfplaatsen worden opgemerkt zonder dat hier (kunst)licht voor nodig is. Hierdoor wordt onnodige verstoring van vleermuizen en omwonenden voorkomen. De eerste drie kraam- en zomerrondes (KZ1 t/m KZ3) aan het begin van de zomer, zijn met name gericht geweest op het in kaart brengen van (zwerm)activiteit bij kraam- of zomerverblijven en in- en uitvliegende dieren. Zwermactiviteit treedt met name op aan het einde van de nacht en wordt onderzocht door op kansrijke plekken te posten en/of door in een laag tempo door het plangebied te surveilleren. De laatste twee rondes (P1 en P2) zijn vooral gericht geweest op het vaststellen van paarverblijven en baltsactiviteit. De P2 ronde (eind september) is om middernacht gelopen om baltsactiviteit van Ruige dwergvleermuis later in de nacht in beeld te brengen. Vanwege de geringe grootte van de bosschages en het beperkte aantal potentieel geschikte plekken en de positie daarvan voor met
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
15
name verblijfsgebruik van vleermuizen, is het onderzoek steeds uitgevoerd door één persoon. Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag en werd er niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft of bij temperaturen lager dan 8 °C. Een overzicht met de datums, rondetijden, weersomstandigheden en de onderzoeksopzet van de uitgevoerde onderzoeksrondes wordt weergeven in Tabel 3. Tijdens het onderzoek naar vleermuizen is ook gelet op verblijfplaatsen van jaarrond beschermde vogelsoorten als Ransuil.
Overzicht van de veldbezoeken ten behoeve van het vleermuisonderzoek in het plangebied per ronde (“KZ” = kraamkolonie- en zomerverblijfronde en “P” = paarverblijfronde).
Ronde/ Datum
Tijd
Duur
Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)
Opzet
KZ1 15-05-2024
3:15-5:45
2:30 uur
NW 3 bft, 17,1°C, 6/8
ochtendbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik
KZ2 16-05-2024
21:30-23:30
2 uur
NW 2 bft, 16,3°C, 6/8
avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik
KZ3 27 juni 2024
22:00-00:00
2 uur
ZW 3 bft, 18°C, 4/8
avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik
P1 5 sept 2023
21:20-23:20
2 uur
O 2bft, 21 °C, 0/8
avondbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik
P2 25 sept 2023
22:30-00:30
2 uur
Z 3 bft, 15,8⁰C, 8/8
middernacht paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
16
3
Resultaten broedvogels 3.1
Buizerd, Ransuil en Sperwer
3.1.1
Ronde 1 (16 januari 2024) Tijdens de eerste ronde van het onderzoek zijn geen waarnemingen van roofvogels en uilen gedaan. Er is één nest aangetroffen dat bij verdere bezoekrondes op bewoning van roofvogels kan worden gecheckt, hoewel het nest wat in vervallen staat verkeerde.
Waargenomen nest (blauwe ster) in het plangebied (rood omlijnd) tijdens de eerste ronde.
Groot nest in het noorden van het plangebied, waargenomen in de eerste ronde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
3.1.2
17
Ronde 2 (31 maart 2024) Tijdens ronde 2 zijn geen indicatieve waarnemingen gedaan wat betreft vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
3.1.3
Ronde 3 (10 april 2024) Tijdens het nachtbezoek is gelet op de aanwezigheid van Ransuilen in het plangebied door te posten en te luisteren naar roepende vogels. In of nabij het plangebied zijn hierbij geen (Rans-)uilen gehoord of gezien. Het geluid van de Ransuil is echter zacht en wordt meestal slechts beperkt ten gehore gebracht.
3.1.4
Ronde 4 (2 mei 2024) Een vroege ronde waarbij veel activiteit van broedvogels werd vastgesteld zoals Zanglijster en Merel. Tijdens ronde 4 zijn geen indicatieve waarnemingen gedaan wat betreft vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Het nest lijkt steeds meer in verval te raken.
3.1.5
Ronde 5 (16 mei 2024) Tijdens het nachtbezoek is opnieuw gelet op de aanwezigheid van Ransuilen in het plangebied door te posten en te luisteren naar roepende vogels of de roep van om voedsel bedelende jongen. In of nabij het plangebied zijn hierbij geen (Rans-)uilen gehoord of gezien. Omdat de ronde werd gecombineerd met vleermuizen, is ook veelvuldig met warmtebeeld gekeken naar uilen maar deze werden niet gezien.
3.1.6
Ronde 6 (3 juni 2024) Tijdens deze ronde overdag waarbij vooral jonge vogels werden gezocht die vaak opvallend roepend en bedelend aanwezig zijn in deze periode, zijn wederom geen indicatieve waarnemingen gedaan wat betreft vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
3.1.7
Ronde 7 (27 juni 2024) Tijdens het nachtbezoek is opnieuw gelet op de aanwezigheid van Ransuilen in het plangebied met de roep van om voedsel bedelende jongen. In of nabij het plangebied zijn hierbij geen (Rans-)uilen gehoord of gezien. Omdat de ronde werd gecombineerd met vleermuizen, is ook veelvuldig met warmtebeeld gekeken naar uilen maar deze werden niet gezien.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
18
4
Resultaten grondgebonden zoogdieren 4.1
Marterachtigen In het plangebied is in de laatste week van het onderzoek twee maal een Das voor de camera verschenen. Andere marterachtigen (Wezel, Hermelijn en Bunzing, Boommarter, Steenmarter) of andere beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten zijn niet vastgelegd. De Das is in de acht weken onderzoek in totaal twee keer voor de camera verschenen, op 24 juli 2024 om 00.10 uur en daarnaast op 28 juli 2024 om 01.06 uur. Omdat het plangebied voor een groot deel omringd is door bebouwing en qua omvang niet groot is, en het aantal waarnemingen erg gering is, betreft het hier geen vast leefgebied van de Das. Daarnaast zijn tijdens alle bezoekronden geen sporen aangetroffen van Das. Dassen laten in hun leefgebied vaak sporen achter als gegraven kuiltjes, uitwerpselen en wissels. Deze sporen zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen. In de bossen rondom de stad Hilversum zijn diverse territoria van Dassen bekend (NDFF 2014-2024). Dit exemplaar betreft ongetwijfeld een zwervend exemplaar vanuit deze leefgebieden.
Das foeragerend voor camera1.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
19
Sporenbuizen Op het sporenpapier van de sporenbuizen zijn alleen prenten van muizen aanwezig. Er zijn geen prenten van kleine marterachtigen aangetroffen. In het plangebied zijn geen aanvullende waarnemingen gedaan zoals keutels, latrines of prooiresten van, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten.
Resultaten sporenbuizen Circusterrein.
4.2
sporenbuis 1 sporenbuis 2 sporenbuis 3 sporenbuis 4 sporenbuis 5 sporenbuis 6
resultaat tussenronde (prenten) muis muis muis muis muis Muis en rat
Eekhoorn Op de cameravallen en op de struikrover zijn in de onderzoeksperiode van 8 weken geen beelden gemaakt van Eekhoorn. Ook tijdens de roofvogelrondes en tijdens de controle rondes van de marteronderzoeksmaterialen zijn geen waarnemingen gedaan van Eekhoorns. Daarnaast zijn ook geen opvallende sporen in het plangebied aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van Eekhoorn in het plangebied.
Jonge vos voor camera 2 in het plangebied..
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
20
4.3
Overige (zoog)dieren Op de cameravallen en de struikrover zijn verschillende diersoorten vastgelegd. Over de periode tussen 19 juni en 30 juli is een overzicht gemaakt welke dieren voor de camera zijn verschenen. Het aantal foto’s dat gemaakt is van een bepaald dier geeft een indicatie van de hoeveelheid activiteit van die betreffende soort in het plangebied. Het aantal waarnemingen geeft geen indicatie over het aantal individuen van de soorten binnen het plangebied omdat de kans bestaat op dubbeltellingen. Van de voorliggende periode (3 en 4 juli t/m 19 juni is geen totaal overzicht gemaakt maar geeft een vergelijkbaar beeld met dezelfde soorten. Wel was de vos in de begin periode vaker in het plangebied aanwezig (ruim 33 foto’s tussen 3 juli t/m 19 juni).
Overzicht van soorten uit de onderzoeksperiode tussen 19 juni t/m 12 juli 2024.
Zoogdieren: Bosmuis / muis Rosse woelmuis Bruine rat Das Vos Vogels: Grote bonte specht Roodborst Koolmees Heggemus Merel Tjiftjaf Zanglijster zangvogel onbekend Overig: Huiskat Mens
Struikrover
Camera1
Camera2
Cameraval3
31 0 0 0 0
80 0 347 4 11
184 70 0 0 0
400 17 0 3 0
2 1 3 0 0 0 0 14
0 15 6 2 120 0 0 1
0 1 2 12 03 3 1 9
51 14 6 10 0 0 0 0
14 1
28 2
0 0
0 0
Bosmuis voor de struikrover in het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
21
Rosse woelmuis.
Juveniele Grote bonte specht.
Huiskat voor de struikrover.
Bruine rat voor camera 1.
Roodborst
Merel
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
22
5
Resultaten vleermuizen In het plangebied is één soort vleermuis vastgesteld. In Tabel 6 wordt de soort en bijbehorende indicatie van de aantallen en gebruiksfuncties weergeven.
Vastgestelde soorten vleermuizen met bijbehorende indicatie van de aantallen en gebruiksfuncties binnen het plangebied pv=paarverblijf
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis Laatvlieger
Aantal (indicatie)
Aantal verblijven
Foeragerend
Vliegroute
enkele enkele enkele enkele
geen 1 (pv) geen geen
ja ja nee ja
nee nee ja ja
De relevante verspreidingskaarten van de aangetroffen vleermuizen staan in Bijlage 3. Er werden overvliegende, foeragerende en baltsende vleermuizen waargenomen. Tevens werd tijdens de eerste paarronde een paarverblijf gevonden van de Ruige dwergvleermuis. Dit paarverblijf zat in een boomholte in het noordoosten van het plangebied, zie Bijlage 4. Per soort wordt hieronder het voorkomen van de aangetroffen vleermuizen in het plangebied kort toegelicht en wordt de leefwijze van de waargenomen vleermuizen in Nederland geschetst.
5.1
Gewone dwergvleermuis In het plangebied werd de Gewone dwergvleermuis in alle terreindelen verspreid aangetroffen. De dichtheden en aantallen vleermuizen lagen meestal laag. Er werden in het geheel geen boomgerichte activiteiten of hotspots van vleermuizen vastgesteld. De begroeiing en luwe terreindelen verspreid over het plangebied werden gedurende de onderzoeksperiode af en toe gebruikt door foeragerende vleermuizen. Soms waren dieren langere tijd aanwezig. Gezien de aanwezige foerageermogelijkheden buiten het plangebied, het minimale gebruik van het plangebied en de grootte van het plangebied ten opzichte van (geschiktere) gebieden in de omgeving daarvan, is het plangebied wat betreft foerageergebied geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied van de Gewone dwergvleermuis.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
23
Er werden geen bijzondere gerichte verplaatsingen opgemerkt van Gewone dwergvleermuis die zouden kunnen wijzen op een belangrijke vliegroute. Gedurende de paarrondes van het onderzoek werd rond het plangebied eenmalig een Gewone dwergvleermuis waargenomen die in de vlucht sociale geluiden liet horen. Deze sociaal roepende vleermuizen konden niet worden gekoppeld aan de bebouwing binnen het plangebied. Verondersteld wordt dat deze vleermuizen werden aangetrokken door de aanwezige foerageermogelijkheden rond het plangebied of gevestigd zijn in bebouwing rond het plangebied. Het is gebruikelijk dat Gewone dwergvleermuizen tijdens de paarperiode en het vroege voorjaar frequent sociale geluiden laten horen tijdens het foerageren of wanneer ze zich verplaatsen. Mogelijk worden deze sociale geluiden gebruikt om aanwezige vrouwtjes naar elders gelegen verblijven te lokken. Algemeen De Gewone dwergvleermuis is veruit de meest verspreide en talrijkste vleermuissoort in Nederland. Deze soort verblijft hoofdzakelijk in gebouwen. Gedurende het hele jaar worden vooral van buiten toegankelijke spouwmuren en besloten ruimtes achter betimmeringen, daklijsten en dakpannen gebruikt. Nachtelijk zwermgedrag rond een verblijfplaats gedurende het voorjaar en zomer duidt op de aanwezigheid van kraamkolonie.
Door de verborgen leefwijze gedurende de winterperiode zijn overwinterende dieren, die zich dan meestal in kleinere groepen ophouden, vaak onvindbaar. Een sterke aanwijzing voor dergelijke winterverblijven is het voorkomen van zogenaamde middernachtzwermactiviteit in de periode augustus tot medio september. Daarnaast is gedurende de baltsperiode in de nazomer en herfst sprake van paargezelschappen die rond paarverblijfplaatsen kunnen worden waargenomen. Sociaal roepende vleermuizen worden ook vaak vliegend waargenomen verder weg van hun verblijfplaats en zijn in veel gevallen niet direct aan een paarverblijfplaats te koppelen. Foerageergebieden bevinden zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de verblijfplaatsen. Het foerageergebied wordt via vaste, veelal beschutte vliegroutes bereikt, zoals bomenlanen, watergangen of langs bebouwing.
5.2
Ruige dwergvleermuis In het plangebied werd de Ruige dwergvleermuis tijdens de paarrondes enkele malen aangetroffen in het plangebied. Ook is een paarverblijf van Ruige dwergvleermuis vastgesteld in het noordoosten van het plangebied, zie Bijlage 4. Het betreft een solitair
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
24
mannetje met een tijdelijk paarverblijf. In de latere ronde kon dit verblijf niet opnieuw worden vastgesteld. Tijdens de overige rondes (KZ, KZ2 & KZ3) zijn geen Ruige dwergvleermuizen waargenomen. Algemeen De Ruige dwergvleermuis is een algemene soort in Nederland, met name ten noorden van de grote rivieren. De soort gebruikt zeer uiteenlopende (vaak tijdelijke) verblijfplaatsen, zoals boomholten, spleten tussen boomschors, nestkasten, spouwmuren en kelders. Hoewel de soort in Nederland jaarrond aanwezig is, bevinden kraamkolonies zich vooral in Noord- en Oost-Europa. In Nederland is slechts eenmaal een kraamkolonie aangetroffen. De hoogste aantallen worden waargenomen in het najaar en de herfst. Tussen augustus en september trekken de dieren uit Midden- en Oost Europa richting het zuidwesten om onder andere in Nederland te paren en overwinteren. Bij deze jaarlijkse migratie worden afstanden tot 2000 kilometer afgelegd. Foerageer- en leefgebied zijn zeer divers, maar de hoogste dichtheden bevinden zich in bossen en lommerrijke gebieden. Net als de Gewone dwergvleermuis maakt de Ruige dwergvleermuis gebruik van beschutte landschapslijnen als vliegroute tussen verblijven en foerageergebieden.
5.3
Laatvlieger In het plangebied werden enkele overvliegende Laatvliegers opgemerkt. De waarnemingen van de soort betroffen relatief hoog vliegende, rechtdoor bewegende exemplaren. Deze waarnemingen hebben waarschijnlijk betrekking op dieren die op weg zijn van of naar foerageergebieden (veelal aan de buitenrand van bebouwing) of van of naar hun verblijfplaatsen. Er werden geen aanwijzingen verkregen dat de vleermuizen binding hadden met de bebouwing in het plangebied. Vanwege de lage aantallen waarnemingen en kortdurende aanwezigheid wordt het plangebied niet gezien als (onderdeel van) een belangrijke vliegroute of essentieel foerageergebied voor de soort. Vanwege het beperkte gebruik en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijk binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Algemeen De Laatvlieger komt in ons land algemeen verspreid voor rond dorpen in veenweidegebieden, parken, tuinen en stadsranden. Laatvliegers in Nederland verblijven uitsluitend in gebouwen en
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
25
hebben daarbij sterke voorkeur spouwmuren en gesloten ruimtes achter randpannen en loodslabben. Een kraamkolonies van de Laatvlieger gebruikt veelal een netwerk van verblijven, waarbij relatief vaak van plaats wordt gewisseld. Voor zover bekend leven mannetjes vrijwel het gehele jaar solitair. Overwinterende dieren worden zelden aangetroffen. Verondersteld wordt dat Laatvliegers in kleine groepen overwinteren, mogelijk in dezelfde gebouwen als waarin zich de zomerverblijven bevinden. Laatvliegers foerageren na het uitvliegen eerst kort in sociale groepen nabij de verblijfplaatsen. Daarna zoeken ze afzonderlijk de open jachtgebieden op. Deze liggen veelal in kleinschalig agrarisch gebied dat rijk is aan vochtige graslanden. Hierbij kunnen relatief grote afstanden worden afgelegd. Anders dan bij dwergvleermuizen maken laatvliegers minder gebruik van landschapselementen voor hun vliegroutes.
5.4
Rosse vleermuis In het plangebied werd de Rosse vleermuis slechts incidenteel waargenomen tijdens de paarrondes. De soort werd alleen hoog langs vliegend waargenomen zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuizen binding hadden met bomen of begroeiing in het plangebied. Vanwege de lage aantallen waarnemingen wordt het plangebied niet gezien als (onderdeel van) een belangrijke vliegroute of essentieel foerageergebied voor de soort. Vanwege het beperkte gebruik en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijk binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Algemeen De Rosse vleermuis is in Nederland een uitgesproken boombewonende soort en komt algemeen voor in bosrijke gebieden en oudere stadsparken. De kraamkolonies, die regelmatig bestaan uit meer dan honderd vrouwtjes, gebruiken een netwerk van boomholten waar de dieren regelmatig tussen verplaatsen. In de zomerperiode verblijven de mannetjes in kleine groepen. De baltsperiode vindt in de nazomer plaats, waarbij de mannetjes een territorium bij een boomholte verdedigen. Hier worden dan met enkele vrouwtjes paargezelschappen gevormd. In het najaar worden ook wel alternatieve verblijfplaatsen zoals vleermuiskasten gebruikt. Winterverblijven kunnen zich in dikke bomen bevinden met diep uitgerotte holtes, maar worden in ons land niet vaak aangetroffen.
Rosse vleermuizen jagen bij voorkeur op grote hoogte boven open gebieden zoals bosranden, grasland, meren en moerassen. Foera-
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
26
geergebieden en verblijfplaatsen kunnen relatief ver uit elkaar liggen. Vliegroutes tussen deze gebieden lijken nauwelijks gebonden aan landschapselementen en worden op grote hoogte overbrugd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
6
27
Effectbeoordeling en maatregelen De aanwezigheid van beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren, vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of vleermuizen in het plangebied of de directe omgeving daarvan kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden hieronder beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.
6.1
Ransuil, Buizerd en Sperwer Er zijn geen waarnemingen gedaan van Ransuil, Buizerd of Sperwer. Het eerder aanwezige grote nest is in vervallen staat. Verder zijn in het plangebied en in de directe omgeving geen jaarrond beschermde vogelnesten vastgesteld.
6.2
Grondgebonden zoogdieren In het plangebied is in 8 weken onderzoek twee keer een Das vastgelegd. Het betreft hier ongetwijfeld een zwervend exemplaar uit de leefgebieden buiten de stad. Gezien het geringe aantal beelden zal het plangebied geen ‘essentieel’ onderdeel uitmaken van leefgebied van deze soort. In het plangebied zijn geen andere beschermde, niet vrijgestelde, grondgebondenzoogdieren (Eekhoorn, Bunzing, Hermelijn, Wezel, Steenmarter, Boommarter) vastgelegd. Er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren mogelijk.
6.3
Vleermuizen Verblijfplaatsen De aanwezige verblijfplaats van Ruige dwergvleermuis binnen het plangebied zal door de werkzaamheden aan de bomen beschadigd en of vernield kunnen worden. Er is tijdelijke compensatie gerealiseerd. Er dient ofwel gewerkt te worden onder een goedgekeurde gedragscode, waarbij nauwgezet de voorwaarden en reikwijdte beschreven in een dergelijk document in acht worden genomen, ofwel dient er een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ adequate maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Het foerageergebied van vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
28
Vliegroutes Er zijn geen duidelijke vliegroutes waargenomen in het plangebied. De langs- of overvliegende vleermuizen kwamen in kleine aantallen voor en hadden geen vaste route.
6.4
Overige broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig. In het plangebied kunnen wel vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden komen. Dergelijke vogelnesten kunnen worden verstoord of vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals diverse graafwerkzaamheden, het verwijderen van de vegetatieve toplaag en het kappen en rooien van bomen en struiken. Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk, voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels, het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
7
29
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 5.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 5.1.1). In het plangebied vastgestelde soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten worden besproken in hoofdstuk 3, 4 en hoofdstuk 5. Daarnaast kunnen mogelijk soorten in het plangebied voorkomen welke genoemd worden op de Rode Lijsten. Aangezien natuurlijke habitats en belangrijke leefgebieden voor deze soorten ook vallen onder de specifieke zorgplicht en deze onder de geplande werkzaamheden mogelijk worden aangetast, wordt hier ook rekening mee gehouden bij de hieronder beschreven maatregelen. Met behulp van passende preventieve maatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor soorten worden voorkomen of beperkt: Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal moet gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.
Groenvoorzieningen moeten tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen zoveel mogelijk worden ontzien. Bij het werk kunnen zo klein mogelijke werkbreedtes gebruikt worden. Tevens kan men steeds dezelfde bouwwegen en paden voor zowel vervoer, aanvoer en afvoer gebruiken. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden moet richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten. Om negatieve effecten voor grondgebonden fauna te verminderen kan de vegetatie eerst 10 centimeter worden afgemaaid waarna het perceel een nacht met rust gelaten wordt voordat de vegetatie volledig verwijderd wordt. Het verwijderen van groenvoorzieningen kan zoveel mogelijk beperkt worden en na de werkzaamheden kan de vegetatie op vergelijkbare wijze met dezelfde soorten aangeplant worden, op dezelfde locaties als waar groenvoorzieningen verwijderd worden. Bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen moet een zo smal mogelijke werkbreedte aangehouden worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
30
Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk gebruikt worden om insporing en potentiële verstoring van dieren en planten te beperken. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig gewerkt worden dat de meest gevoelige periodes van te verwachten soorten (vooral voortplantingsperiode) vermeden worden. Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt om verstoring van nachtactieve fauna te beperken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
8
31
Conclusies en aanbevelingen Tijdens de inventarisatie zijn Das en vier soorten vleermuizen aangetroffen (zie Tabel 7). Sperwer, Buizerd, Ransuil, Boommarter, Steenmarter en kleine marterachtigen konden niet worden vastgesteld. In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot eind juli.
Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties binnen het plangebied.
Vogels
Sperwer Buizerd Ransuil
Aanwezig
Verblijf
Essentieel leefgebied
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Ja Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Verblijf (aantal, type)
Foerageergebied
Essentieel foerageergebied
Vliegroute
Essentiële vliegroute
Nee 1 pv Nee Nee
Ja Ja Ja Nee
Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Ja Ja
Nee Nee Nee Nee
Grondgebonden zoogdieren Das Boommarter Steenmarter Bunzing Hermelijn Wezel Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
32
In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aanwezig van beschermde, niet-vrijgestelde zoogdieren. Ook biedt het plangebied geen essentieel leefgebied voor deze soorten. De aangetroffen Das betreft een zwervend exemplaar uit de bekende leefgebieden buiten de stad. In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om een verblijfplaats van de Ruige dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan de boom waarin de verblijfplaats van Ruige dwergvleermuis is aangetroffen, ofwel aan bomen in de directe invloedsfeer daaromheen, dient er ofwel gewerkt te worden onder een goedgekeurde gedragscode, ofwel dient er een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ adequate maatregelen worden uitgewerkt. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. De in het onderzoek vastgestelde vliegroute in het plangebied is op grond van de daar gevonden aantallen vleermuizen en vergelijkbare lijnelementen in de omgeving, die als alternatief gebruikt kunnen worden, niet beoordeeld als ‘essentieel’.
Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen (zie hoofdstuk 7).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
9
33
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BARATAUD, M., Y. TUPINIER, H. LIMPENS & A C. BETAIN, 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Biotope editions, Publications scientifiques du muséum. ISBN 9782366621440. BIJ12, Kennisdocument Kleine marterachtigen Bunzing – Hermelijn – Wezel versie 1.1 juli 2024, Bij12, Utrecht. BIJLSMA, R.G., HUSTINGS F. & C.J. CAMPHUYSEN, 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., A. KIEFFER, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij. Zeist. DIJK A.J. VAN & A. BOELE, 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion uitgevers B.V., Baarn. HUSTINGS F., BORGGREVE C., VAN TURNHOUT C. & THISSEN J. 2004. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels volgens Nederlandse en IUCN-criteria. SOVON-onderzoeksrapport 2004/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding.
Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. KWAK, R. VAN, BEUSEKOM, R. VAN, FOPPEN, R., LOUWE KOOIJMANS, J. & DE PATER, K. 2018. Bedreigde vogels van Nederland. Vogels van de Rode Lijst in hun leefgebied. KNNV uitgeverij, Zeist. LA HAYE, M., V. DIJKSTRA, K. VAN VEEN, S. WESTRA, Y. LIEFTING. NEM Verspreidingsonderzoek Marters: inventariseren met cameravallen. versie 11 juli 2022. Zoogdiervereniging, Nijmegen. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. S.J., GUTKER DE GEUS, &, T.S. VAN DER MEER, 2023. Project flexwoningen Circusterrrein Hilversum. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2023-237. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul. SIERDSEMA, HENK, 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
34
SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
35
10
Bijlagen
Bijlage 1
Verspreidingskaart uitgezette materialen t.b.v. marterachtigen en Eekhoorn Kaart waarnemingen Das Verspreidingskaarten vleermuizen Verspreidingskaarten verblijfplaatsen vleermuizen Huidige natuurwetgeving
Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
Bijlage 1 Verspreidingskaart uitgezette materialen t.b.v. marterachtigen en Eekhoorn
struikrover
1 2
3
Cam3
4
5 Cam2 cam1 6
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
Bijlage 2 Kaart waarnemingen Das
3 foto’s Das, 1 bezoek op camera 3
4 foto’s Das, 1 bezoek op camera 1
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
Bijlage 3 Verspreidingskaarten vleermuizen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
Bijlage 4 Verspreidingskaarten verblijfplaatsen vleermuizen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
Bijlage 5 Huidige natuurwetgeving Bijlage 5.1 Omgevingswet (Ow) De Omgevingswet (Ow) is het nationale wettelijke kader waarin onder andere de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen. De Wnb op haar beurt is het nationale wettelijke kader waarin de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet destijds zijn samengevoegd. De Ow bundelt alle wetten die gaan over regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bouw, infrastructuur, natuur, milieu, lucht, water, bodem en cultureel erfgoed. In de Ow is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming, die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De basisregels zoals de doelen van de wet, de algemene zorgplicht, regels van zogenaamde kerninstrumenten, vergunningplicht, verantwoordelijkheden en taken van bevoegde gezagen, bevoegdheidsverdeling en overige instructieregels, staan allemaal in de Ow. De doelstellingen van de Ow baseren zich op de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur. Vanwege deze intrinsieke waarde is de wet gericht op het in stand houden en bereiken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een hoge omgevingskwaliteit.
Een andere doelstelling van de Ow is het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningsverlening en handhaving. Het stelsel Ow bestaat uit een algemene wettekst (de Ow zelf) dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), zogenaamde uitvoeringswetten, en de Omgevingsregeling. Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) In het stelsel Ow staat de regelgeving uitgewerkt in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze zijn: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); hierin staan de algemene regels voor Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten waaronder de vergunningplicht (voor overheden en initiatiefnemers) en de regels voor de aanwijzing van vergunningsvrije gevallen en mogelijkheden voor maatwerk. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); hierin staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-238
Circusterrein te Hilversum
eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Bbl is de vervanger van het Bouwbesluit. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening, zoals beoordelingsregels. Omgevingsbesluit (Ob); hierin staan regels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. De Omgevingsregeling (Or) bestaat naast de AMvB’s voor de uitwerking van de administratieve en technische regels. Het invoeringsbesluit regelt het overgangsrecht, wijzigingen in bestaande besluiten en aanpassingen van de AMvB’s. Bijlage 5.1.1 Zorgplicht Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht in de Ow is een brede zorgplicht en geldt voor de gehele fysieke leefomgeving (afdeling 1.3 Ow & art. 1.6 en 1.7). ‘Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit of het nalaten ervan nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken dan wel de activiteit achterwege te laten.’ De algemene zorgplicht is in principe altijd van toepassing, tenzij een specifieke zorgplicht (art. 1.8 Ow en art. 11.6 Bal) is opgenomen voor een bepaalde activiteit in de Ow.