CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Welstandsnota Herziening 2022

GEMEENTERAAD 9 juni 2022, gemeente HilversumBij agendapunt: Technische herziening welstandsnota 2022 (1046233)43.030 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

WELSTANDSNOTA GEMEENTE HILVERSUM HERZIENING 2022 Versie: 4 april 2022

1

INHOUD A. B.

Stroomschema welstand Begrippenlijst

Hoofdstukken 1. Inleiding 1.1. Uitgangspunten voor het beleid 1.2. Gebruik van de nota. 1.3. Leeswijzer 2. Welstand en beleid 2.1. Redelijke eisen van welstand 2.2. Afwijkende plannen 2.3. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid 3. Welstand op hoofdlijnen 3.1. Identiteit 3.2. Beoordelingsgronden 3.3. Ruimtelijke opbouw 3.4. Cultureel erfgoed 3.5. Algemene criteria 4. Welstandscriteria gebieden 4.A. Gebieden 4.B. Niveaus 4.1. Centrum 4.1.1 Centrum A. Inleiding B. Het centrum C. Waardering en beleving D. Leeswijzer 4.1.2. Monumenten en waardevolle panden 4.1.3. Stedenbouwkundige structuur 4.1.4. Deelgebieden 4.1.4.1.A Stadshart: hoge dynamiek en bijzonder welstandsniveau 4.1.4.1.B Historische buurt: lage dynamiek en bijzonder welstandsniveau 4.1.4.1.C ‘Oostrand’: hoge dynamiek en bijzonder welstandsniveau 4.1.4.1.D. Aanloopstraten: afnemende dynamiek en bijzonder welstandsniveau 4.1.4.1.E. Inbreidingen: lage dynamiek en bijzonder niveau 4.1.4.1.F. Dorpsranden: lage dynamiek en gewoon niveau 4.1.5. Karakteristieken 4.1.5.1. Ontwikkelingsperiode 1 - Agrarisch en industrialisatie 4.1.5.2. Ontwikkelperiode 2 - Villakern 4.1.5.3. Ontwikkelperiode 3 - Cityvorming / interbellum 4.1.5.4. Ontwikkelingsperiode 4 – Wederopbouw 4.1.5.5. Ontwikkelingsperiode 5 - Expansie 4.1.5.6. Ontwikkelingsperiode 6 - Contemporain 4.1.6. Nieuwe plannen 4.1.7. Uitgangspunten deelgebieden 4.1.7.1.

Uitgangspunten deelgebied 1A: Stadshart 4.1.7.2. Uitgangspunten deelgebied 1B: Historische Buurt 4.1.7.3. Uitgangspunten deelgebied 1C: Oostrand 4.1.7.4. Uitgangspunten deelgebied 1D: Aanloopstraten 4.1.7.5. Uitgangspunten deelgebied 1E: Inbreidingen 4.1.7.6. Uitgangspunten deelgebied 1F: Dorpsranden 4.1.8. Criteria perioden 4.1.8.1. Criteria periode 1: agrarisch en industrialisatie 4.1.8.2. Criteria periode 2: Villakern 4.1.8.3. Criteria periode 3: Cityvorming 4.1.8.4. Criteria periode 4: Wederopbouw 4.1.8.5. Criteria periode 5: Expansie 4.1.8.6. Criteria periode 6: Contemporain

2

4.2. Gegroeid dorp 4.2.1. Gebied Over ‘t Spoor 4.2.2. Gebied Bloemenbuurt-Noord en Vitusbuurt 4.2.1.1. Uitgangspunten Over ‘t Spoor 4.2.1.2. Criteria Over ‘t Spoor 4.2.2.1. Uitgangspunten Bloemenbuurt-Noord en Vitusbuurt 4.2.2.2 Criteria Bloemenbuurt-Noord en Vitusbuurt 4.3. Villagebieden Gebied 3A - Emmastraat en omgeving 4.3.1. 4.3.2. Gebied 3B - Utrechtseweg en omgeving 4.3.3. Gebied 3C - Soesztdijkerstraatweg en omgeving 4.3.4. Gebied 3D - Beschermd gezicht Stedelijk Villagebied 4.3.5. Gebied 3E - Beschermd gezicht Noordelijk Villagebied 4.3.6. Aanvullend beleid voor de gebieden 3D en 3E - Noordwestelijk Villagebied 4.3.6.1. Gebieden 3D en 3E - Ensembles Noordwestelijk villagebied 4.3. Villagebieden: uitgangspunten en criteria 4.3.1.1. Uitgangspunten Gebied 3A - Emmastraat en omgeving 4.3.1.2. Criteria Gebied 3A – Emmastraat en omgeving 4.3.2.1. Uitgangspunten Gebied 3B – Utrechtseweg en omgeving 4.3.2.2. Criteria Gebied 3B – Utrechtseweg en omgeving 4.3.3.1. Uitgangspunten Gebied 3C – Soesztdijkerstraatweg en omgeving 4.3.3.2. Criteria Gebied 3C – Soesztdijkerstraatweg en omgeving 4.3.4.1. Uitgangspunten Gebied 3D – Beschermd gezicht Stedelijk Villagebied 4.3.4.2. Criteria Gebied 3D – Beschermd gezicht Stedelijk Villagebied 4.3.5.1. Uitgangspunten Gebied 3E – Beschermd gezicht Noordelijk Villagebied 4.3.5.2.

Criteria Gebied 3E – Beschermd gezicht Noordelijk Villagebied 4.4. Tuinwijken 4.4.1. Gebied 4A - Electrobuurt, Zwaluwplein en Liebergen Oost 4.4.2. Gebied 4B -Plan Simon Stevin 4.4.3. Gebied 4C – Erfgooierskwartier/Noord 4.4.4. Gebied 4D - Plan Oost 4.4.5. Gebied 4E - De Waaier 4.4.6. Gebied 4F - Plan Zuid 4.4.7. Gebied 4G - Schrijverskwartier 4.4. Tuinwijken: uitgangspunten en criteria 4.4.1.1. Uitgangspunten Gebied 4A - Electrobuurt, Zwaluwplein en Liebergen Oost 4.4.1.2. Criteria Gebied 4A - Electrobuurt, Zwaluwplein en Liebergen Oost 4.4.2.1. Uitgangspunten Gebied 4B -Plan Simon Stevin 4.4.2.2. Criteria Gebied 4B -Plan Simon Stevin 4.4.3.1. Uitgangspunten Gebied 4C – Erfgooierskwartier/Noord 4.4.3.2. Criteria Gebied 4C – Erfgooierskwartier/Noord 4.4.4.1. Uitgangspunten Gebied 4D - Plan Oost 4.4.4.2.a. Criteria Gebied 4D – deelgebied Plan Oost en Kamrad 4.4.4.2.b. Criteria Gebied 4D – deelgebied Larenseweg en omgeving 4.4.4.2.c. Criteria Gebied 4D – deelgebied Seinhorst 4.4.5.1. Uitgangspunten Gebied 4E - De Waaier 4.4.5.2. Criteria Gebied 4E - De Waaier 4.4.6.1. Uitgangspunten Gebied 4F - Plan Zuid 4.4.6.2.a. Criteria Gebied 4F – deelgebied tuinwijk Plan Zuid 4.4.6.2.b. Criteria Gebied 4F – deelgebied Tuindorp Bloemenbuurt Zuid 4.4.6.2.c. Criteria Gebied 4F – deelgebied lintbebouwing Hilvertsweg 4.4.7.2. Criteria Gebied 4G - Schrijverskwartier 4.5.

Uitbreidingswijken 4.5.1. Gebied 5A – Noord 4.5.2. Gebied 5b - Van Riebeeck 4.5.3. Gebied 5C - Röntgenstraat en omgeving 4.5.4. Gebied 5D - Zeeheldenkwartier 4.5.5. Gebied 5E - Kerkelanden 4.4.6. Gebied 5F - De Meent 4.5. Uitbreidingswijken: uitgangspunten en criteria 4.5.1.1. Uitgangspunten Gebied 5A - Noord 4.5.1.2. Criteria Gebied 5A - Noord 4.5.2.1. Uitgangspunten Gebied 5b - Van Riebeeck 4.5.2.2. Criteria Gebied 5b - Van Riebeeck 4.5.3.1. Uitgangspunten Gebied 5C - Röntgenstraat en omgeving 4.5.3.2. Criteria Gebied 5C - Röntgenstraat en omgeving 4.5.4.1. Uitgangspunten Gebied 5D - Staatliedenkwartier 4.5.4.2. Criteria Gebied 5D - Staatliedenkwartier

3

4.5.5.1. 4.5.5.2. 4.5.6.1. 4.5.6.2.

Uitgangspunten Gebied 5E - Kerkelanden Criteria Gebied 5E – Kerkelanden Uitgangspunten Gebied 5F - De Meent Criteria Gebied 5F - De Meent

4.6. Stadsinbreidingen 4.6.1. Gebied 6A - Laan van Heelmeesters 4.6.2. Gebied 6B - Park Diependaal 4.6.3. Gebied 6C - Villa Indústria 4.6.4. Gebied 6D - Anna’s hoeve 4.6. Stadsinbreidingen: uitgangspunten en criteria 4.6.1.1. Uitgangspunten Gebied 6A - Laan van Heelmeesters 4.6.1.2. Criteria Gebied 6A - Laan van Heelmeesters 4.6.2.1. Uitgangspunten Gebied 6B - Park Diependaal 4.6.2.2. Criteria Gebied 6B - Park Diependaal 4.6.3.1. Uitgangspunten Gebied 6C - Villa Indústria 4.6.3.2. Criteria Gebied 6C - Villa Indústria 4.6.4.1. Uitgangspunten Gebied 6D - Anna’s hoeve 4.7. Bedrijven 4.7.1. Gebied 7A - Traditionele bedrijventerreinen 4.7.2. Gebied 7B - Arenapark 4.7.3. Gebied 7C - Media Park 4.7. Bedrijven: uitgangspunten en criteria 4.7.1.1. Uitgangspunten Gebied 7A - Traditionele bedrijventerreinen 4.7.1.2. Criteria Gebied 7A - Traditionele bedrijventerreinen 4.7.2.1. Uitgangspunten Gebied 7B – Arenapark 4.7.2.2. Criteria Gebied 7B – Arenapark 4.7.3.1. Uitgangspunten Gebied 7C - Media Park 4.7.3.2. Criteria Gebied 7C - Media Park 4.8. Groen en recreatie 4.8.1. Gebied 8A - Groen en parken 4.8.2. Gebied 8B - Buitengebied 4.8.3. Gebied 8C - Landgoed Zonnestraal 4.8.4. Gebied 8D - Landgoed Monnikenberg 4.8. Groen en recreatie: uitgangspunten en criteria 4.8.1.1. Uitgangspunten Gebied 8A - Groen en parken 4.8.1.2. Criteria Gebied 8A - Groen en parken 4.8.2.1.

Uitgangspunten Gebied 8B – Buitengebied 4.8.2.2. Criteria Gebied 8B – Buitengebied 4.8.3.1. Uitgangspunten Gebied 8C - Landgoed Zonnestraal 4.8.3.2. Criteria Gebied 8C - Landgoed Zonnestraal 4.8.4.1. Uitgangspunten Gebied 8D - Landgoed Monnikenberg 5. WELSTANDSCRITERIA OBJECTEN 5.0.1. Vergunning 5.0.2. Herhalingsplan 5.0.3. Voor- en achterkant 5.1. Aanbouwen 5.1.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.1.2. Beoordeling 5.1.3.1. Criteria in welstandsluwe en gewone gebieden 5.1.3.2. Criteria in bijzondere welstandsgebieden 5.1.3.3. Criteria in beschermde situaties 5.2. Bijgebouwen 5.2.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.2.2. Beoordeling 5.2.3.1. Criteria in welstandsluwe en gewone gebieden 5.2.3.2. Criteria in bijzondere gebieden 5.2.3.3. Criteria in beschermde situaties 5.3. Dakkapellen 5.3.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.3.2. Beoordeling 5.3.3.1. Criteria dakkapellen voorkant 5.3.3.2. Criteria dakkapellen achterkant

4

5.4. Kozijn- en gevelwijzigingen 5.4.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.4.2. Beoordeling 5.4.3.1. Criteria in welstandsluwe, gewone en bijzondere gebieden 5.4.3.2. Criteria in beschermde situaties 5.5. Erfafscheidingen 5.5.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.5.2. Beoordeling 5.5.3.1. Criteria in welstandsluwe en gewone gebieden 5.5.3.2. Criteria in Erfafscheidingen in bijzondere gebieden 5.5.3.3. Criteria in Erfafscheidingen in beschermde situaties 5.6. Installaties 5.6.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.6.2. Beoordeling 5.6.3. Criteria 5.7. Dakramen en panelen 5.7.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.7.2. Beoordeling 5.7.3.1. Criteria in bijzondere welstandsgebieden 5.7.3.2. Criteria in beschermde situaties 5.8. Dakopbouwen 5.8.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.8.2. Beoordeling 5.8.3. Criteria 5.9. Reclame 5.9.1. Beschrijving en uitgangspunten 5.9.2. Beoordeling 5.9.3. Criteria 6. CULTUREEL ERFGOED 6.1. Waarde 6.2. Uitgangspunten Bijlage 1. ENSEMBLES BESCHERMD GEZICHT 1.A. Gebied 3D - Stedelijk Villagebied 1.B. Gebied 3E - Noordelijk Villagebied

5

A. Stroomschema welstand EEN CULTUURHISTORISCH GEBOUW OF GEBIED monument waardevol pand beschermd gezicht

In andere gevallen

Criteria voor Erfgoed Hilversum heeft een rijke historie. In hoofdstuk 6 staan uitgangspunten voor cultureel erfgoed, waar bij aanpassingen de invloed op de kwaliteit van de omgeving moet worden afgewogen. Aanpassingen of toevoegingen aan monumenten en waardevolle panden vragen om een zorgvuldige en op maat van het object gesneden aanpak. De beschermde gezichten hebben speciiek op het gebied afgestemde criteria voor zowel bescheiden objecten als grotere plannen.

Ga verder met

EEN OBJECT aanbouw bijgebouw kozijn- of gevelwijziging dakkapel dakopbouw erfafscheiding installatie dakraam paneel of collector reclame

Criteria voor veel voorkomende (bescheiden) objecten Binnen bepaalde grenzen zijn objecten als aanbouwen en dakkapellen vergunningvrij. Deze vergunningvrije bouwwerken worden niet preventief aan welstand getoetst, maar tegen eventuele excessen kan wel achteraf worden opgetreden. Informatie over vergunningvrij bouwen kunt u onder meer verkrijgen bij de gemeente en de rijksoverheid. Voor vergunningplichtige bouwwerken bij en wijzigingen van bestaande panden zijn in hoofdstuk 5 eenvoudige criteria opgenomen, waarmee snel uitsluitsel te geven is binnen welke grenzen het plan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand voldoet. Plannen die niet passen binnen de criteria in dit hoofdstuk zijn niet per deinitie in strijd met redelijke eisen van welstand. Of ze alsnog voldoen, wordt bezien aan de hand van bijvoorbeeld de gebiedscriteria of de algemene criteria.

In andere gevallen

EEN GROTER PLAN Een groter plan voor (ver)bouw dat past in de structuur en de architectuur van het betreffende gebied, zoals het centrum, een villagebied, woonwijk, bedrijventerrein of het buitengebied

Criteria voor grotere plannen Grotere plannen worden beoordeeld aan de hand van de criteria in hoofdstuk 4. Aan de hand van de bebouwingstypologie en beleving van de burger is de gemeente verdeeld in gebieden. Hiervoor zijn uitgangspunten en welstandscriteria opgesteld, waarmee de ontwerper rekening moet houden. Aan de hand van het straatnamenregister (bijlage 4) is te vinden welke criteria van toepassing zijn.

In andere gevallen EEN AFWIJKEND PLAN Afwijkend van de gebiedsstructuur of architectuur

Procedure voor afwijkende plannen Voor plannen die de bestaande structuur doorbreken of in hun architectuur afwijken van de omgeving kunnen de eerder genoemde criteria ontoereikend zijn. Soms kunnen deze plannen met de algemene criteria worden beoordeeld, in andere gevallen zal een nieuw welstandskader nodig zijn. Zie hiervoor de toelichting in hoofdstuk 2.

6

B.

BEGRIPPENLIJST

1. Aanbouw grondgebonden ondergeschikte toevoeging van één bouwlaag 2. Aangekapt met kap bevestigd aan dakvlak X. Accent een gebouw dat door hoogte of positie in de stedenbouwkundige structuur aandacht op zich vestigd en beeldbepalend is voor de omgeving 3. Achterkant het achtererf, de achtergevel en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw en ten tweede het zijerf, de zijgevel en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied 4. Afdak dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen 5. Authentiek overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk 6. Band horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen of baksteen 7. Bedrijfsbebouwing gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter 8. Beschermd dorps- of stadsgezicht gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde is aangewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet 9. Beschot afwerking van een wand met planken, schroten of rabatdelen 10. Bestemmingsplan door de gemeenteraad vastgesteld plan waarin gebruik van grond en bebouwingsvoorschriften zijn vastgelegd 11.

Bijgebouw ondergeschikt gebouw dat bij een hoofdgebouw hoort en los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage x. Bijzondere functie het gebouw wijkt naar gebruik, grootte, positie of vorm af van de meest voorkomende bebouwingstypen in de omgeving 12. Blinde muur of gevel muur of gevel zonder raam, deur of andere opening 13. Borstwering lage dichte muur tot borsthoogte 14. Boeiboord opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal 15. Boerderij gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis 16. Bouwblok een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt 17. Bouwlaag verdieping van een gebouw, door vloeren of balklagen begrensd 18. Bovenbouw het bovendeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de schuine kap van een huis met de daarbij behorende kopgevels 19. Buitengebied buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd

7

20. Bungalow meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd 21. Buurtschap verzameling woningen of boerderijen buiten de bebouwde kom 22. Carport afdak om de auto onder te stallen, meestal bij een woning 23. Dak afdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht 24. Dakhelling de hoek van het dak ten opzichte van een horizontaal vlak 25. Dakkapel uitbouw op een hellend dakvlak 26. Dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert 17. Dakraam raam in een hellend dak 18. Deelplan een stedenbouwkundig plan, waarin een stuk van een wijk of stad gedetailleerd is uitgewerkt 19. Detail ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam 20. Detaillering uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen of aan- sluitingen 21. Drager en invulling de drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tus- sen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden) 22. Ensemble architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden 23.

Erf het perceel exclusief hoofdgebouwen, waarbij voor kleine bouwwerken onderscheid te maken is tussen erven aan een voorkant en aan een achter- kant 24. Erker ondergeschikte toevoeging van ten hoogste één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas 25. Flat groot kantoor- of woongebouw met meerdere verdiepingen 26. Galerij gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen 27. Geleding verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen 28. Gepotdekseld gedeeltelijk over elkaar gespijkerde planken om inwatering tegen te gaan 29. Gevel buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel) 30. Gootklos in de muur bevestigd stuk balk ter ondersteuning van een goot

8

31. Groengebied gebied met veel beplanting zoals parken, plantsoenen, sport- terreinen en natuurgebieden 32. Hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken 33. Hoogbouw gebouwen van meer dan vier lagen 34. Individueel gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw 35. Industriebebouwing gebouwen met een industriële bestemming 36. Industriegebied gebied bestemd voor vestiging van industriebebouwing 37. Installatie technisch toestel of set van toestellen dat tot doel heeft om de bruikbaarheid, duurzaamheid, comfort en/of veiligheid van een gebouw te bevorderen. Bijvoorbeeld: een warmtepomp, een antenne-installatie, een airco, een veiligheidsysteem, etc. 38. Kavel grondstuk, kadastrale eenheid 39. Kern centrum van een dorp of stad 40. Klossen uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten 41. Kop in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw 42. Laag zie bouwlaag 43. Laagbouw gebouwen van één of twee lagen 44. Lak substantie die wordt gebruikt om te beschermen tegen inwerkingen van buiten, afwerklaag van schilderwerk 45. Landelijk gebied zie buitengebied 46. Latei draagbalk boven gevelopening 47.

Lessenaarsdak dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak 48. Lichtkoepel raamconstructie in een plat dak, in de vorm van een koepel 49. Lijst een al dan niet versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel 50. Lineair rechtlijnig, langgerekt 51. Lint langgerekte weg met daarlangs overwegend vrijstaande bebouwing in een gegroeide structuur met variërende dichtheden. Linten

9

komen voor in de polders, langs dijken en in de dorpen (oude invalswegen). 52. Luifel een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur 53. Maaiveld bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht 54. Mansardekap dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat X. Markant een individueel gebouw of ensemble van gebouwen dat door zijn architectuur opvalt 55. Massa volume van een gebouw of bouwdeel 56. Metselverband het zichtbare patroon van metselwerk 57. Middelhoogbouw gebouwen van drie of vier lagen 58. Middenstijl verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn 59. Monument aangewezen onroerend goed als bedoeld in de wet 60. Negge het vlak of de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn 61. Nok horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak 62. Onderbouw het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met een zadeldak 63. Ondergeschikt voert niet de boventoon 64. Ontsluiting de toegang tot een terrein of een gebouw 65. Oriëntatie de richting van een gebouw 66. Oorspronkelijk origineel, aanvankelijke vorm, authentiek 67. Orthogonaal rechthoekig 68. Overstek bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel 69. Paneel rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting 70.

Peil voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 71. Plaatmateriaal bouwmateriaal dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (onder andere trespa) of staal (vlak of met profiel)

10

72. Planmatige bebouwing groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld plan 73. Plint een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw 74. Portiek gemeenschappelijk trappenhuis 75. Pyramidedak dak bestaande uit vier gelijk hellende vlakken die elkaar bovenaan in een punt ontmoeten 76. Renovatie vernieuwing van een gebouw 77. Rijtjeshuis huis als onderdeel van een reeks aaneengebouwde, gelijkende woningen 78. Ritmiek regelmatige herhaling 79. Rollaag rij verticaal gemetselde stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand 80. Rooilijn lijn die de grens aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden 81. Sanering herinrichting door middel van sloop en vervangende nieuwbouw 82. Schilddak dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlakken 83. Schuur bijgebouw ten behoeve van opslag 84. Situering de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving 85. Stads- en dorpsvernieuwing maatregelen voor de verbetering of vervan- ging van bebouwing en de openbare ruimte daaromheen 86. Stijl architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of een bepaalde stroming 87. Textuur de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de onef- fenheden van de steen en het voegwerk) 88. Voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk 89.

Voorkant het voorerf, de voorgevel en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw en ten tweede het zijerf, de zijgevel en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied 90. Windveer plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen 91. Wolfseind meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft 92. Zadeldak dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samen- komen x. Zichtlijn punt in de ruimte waarvan men zonder belemmering zicht heeft op een stedenbouwkundig accent

11

93. Zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouw- werk

12

1.

INLEIDING

De gemeente Hilversum heeft in 2014 geheel, en 2017 alleen voor het centrum, haar welstandsnota herzien. In 2020 heeft een technische herziening plaatsgevonden, de Herziening 2021. In de loop van 2021 zal een inhoudelijke herziening plaatsvinden waarbij tevens wordt ingehaakt op de aanstaande Omgevingswet. 1.1. Uitgangspunten voor het welstandsbeleid Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Met de verschijningsvorm van een bouwwerk wordt iedere voorbijganger geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Daarbij is het van belang aanvragers door middel van de welstandsnota van tevoren op de hoogte te stellen van de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoor- deling. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. 1.2.

Gebruik van de nota De welstandsnota is niet bedoeld als leesboek, maar opgesteld als een naslag- werk. De nota bevat verschillende beoordelingskaders. Hoofdstuk 2 beschrijft de basis van het welstandstoezicht in het licht van de opbouw en ontwikkeling van de gemeente. De daaropvolgende hoofdstukken bevatten de criteria, die de gemeente hanteert bij de beoordeling van bouwplannen. Wie wil weten welke criteria op een aanvraag van toepassing zijn, doorloopt de volgende stappen om het juiste beoordelingskader te vinden (zie ook het onder A opgenomen stroomschema): Is het beoogde bouwwerk een monument of beeldbepalend pand? Voor cultureel erfgoed zijn specifieke beoordelingskaders opgenomen die de commissie gebruikt in afwijking van of in aanvulling op die van het gebied, waarin het bouwwerk staat. Zijn de criteria voor veelvoorkomende objecten van toepassing op het beoog- de bouwwerk? Voor veel voorkomend kleine plannen als dakkapellen en uitbouwen zijn in hoofdstuk 5 zo vast mogelijk omlijnde criteria opgenomen, die in beginsel door de hele gemeente gelijk zijn. In welk gebied wordt het beoogde bouwwerk geplaatst? Voor plannen die niet met de objectcriteria te beoordelen zijn gelden de gebiedscriteria van hoofdstuk 4. Deze bieden ruimte voor interpretatie. In het straatnamenregister (bijlage 4) is per straat aangegeven welke gebiedscriteria van toepassing zijn.

Indien gewenst kan met een vertegenwoordiger van de commissie worden gesproken over de interpretatie van dit beoordelingskader in het licht van het beoogde plan. 1.3. Leeswijzer Hoofdstuk 2 bevat een toelichting op de basisbeginselen van welstand. Daarnaast wordt er een korte toelichting gegeven op de beoordeling van grote nieuwe ontwikkelingen die buiten de reikwijdte van de nota vallen en ingegaan op het overige ruimtelijke beleid van de gemeente als basis voor de welstand. In dit hoofdstuk wordt tevens het begrip ‘vakmanschap’ uitgewerkt. ’Hoofdstuk 3 beschrijft het welstandsbeleid op hoofdlijnen, waarbij onder andere het gebruik van de algemene welstandscriteria en de excessenregeling worden toegelicht. In hoofdstuk 4 wordt voor de gebieden in de gemeente aangegeven op welke wijze het vakmanschap zou moeten worden ingevuld. De beschrijvingen en criteria geven aan welke eigenschappen wenselijk zijn en dienen als agenda voor de beoordeling door de commissie. Hoofdstuk 5 bevat criteria voor veel voorkomende (kleine) objecten als dak- kapellen en bijgebouwen. Hoofdstuk 6 geeft welstandscriteria ten behoeve van de toetsing van bouw- plannen aan monumenten en waardevolle panden. In de bijlagen zijn onder meer een begrippenlijst, de tekst van de algemene criteria en een register van straatnamen met een verwijzing naar de betreffende gebiedsbeschrijving(en) opgenomen.

De in de nota opgenomen foto’s zijn te zien als illustratie bij de gebiedsbe-schrijving (dus niet als afbeelding van de gewenste eigenschappen).

13

2.

WELSTAND EN BELEID

De welstandsnota is onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In dit hoofdstuk is een samenvatting gemaakt van relevant ruimtelijk kwaliteitsbeleid, zoals stedenbouwkundige plannen, beeldkwaliteitplannen, monumenten en cultuur- historie, groen en water. Deze samenvattingen zijn gebruikt om de uitgangspunten voor de vernieuwing van de welstandsnota vast te stellen. Daarnaast is in dit hoofdstuk aangegeven wat de procedure is als de nota onvoldoende handvatten biedt. 2.1. Redelijke eisen van welstand Volgens de Woningwet moet een plan voldoen aan redelijke eisen van wel- stand. Deze eisen betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. In deze nota is dit vertaald in een nadruk op de beleving van de bebouwing vanuit de openbare ruimte en het landschap. Bouwdelen in het zicht zijn belangrijker voor het algemeen belang dan bouwdelen die aan het oog onttrokken zijn. De gemeente heeft in het welstandsbeleid met name het algemeen belang op het oog. De gemeente hanteert beoordelingskaders, waarin deze aspecten zijn ver- werkt in beschrijvingen en criteria. Daarbij wordt onder meer de invloed van een plan op het straatbeeld en op het aanzien van de gemeente als geheel gewogen. Voor een dakkapel aan de achterkant van een woningrij gelden heel andere criteria dan voor een ingrijpende verbouwing van een monumentale school of een nieuw te bouwen winkel in de binnenstad.

Naarmate een plan meer invloed heeft op de identiteit van de gemeente, zullen er meer aspecten worden betrokken bij de beoordeling en zal er zorgvuldiger worden gewogen. Daarnaast moet worden bekeken of het een omgeving betreft, die vooral moet worden beheerd of een omgeving die aan verandering onderhevig is. De nota bevat in beginsel drie soorten welstandscriteria: algemene criteria, gebiedscriteria en criteria voor bepaalde typen (kleine) objecten. Daarnaast zijn er aanvullende criteria voor excessen. 2.1.a. Algemeen De algemene welstandscriteria beschrijven het vakmanschap, dat van een ontwerper mag worden verwacht bij het maken van bouwplannen. Dit vakmanschap is voor gebieden, objecten en kleine plannen uitgewerkt in richtlijnen, die aangeven hoe de algemene criteria in een buurt of bij een specifiek bouwtype kunnen worden geïnterpreteerd. In praktijk zullen deze criteria daarom vooral op de achtergrond een rol spelen. 2.1.b. Gebieden De gebieden vormen de kern van het welstandsbeleid. De gemeente is ver- deeld in gebieden met een eigen identiteit, zoals driften, woonwijken en bedrijventerreinen. Van deze gebieden is het ruimtelijk en architectonisch beeld beschreven, gevolgd door een waardering en een verwachting van mogelijke veranderingen in het gebied. Deze bepalen de uitgangspunten voor de welstandstoets.

De welstandscriteria zijn te zien als een uitwerking van de algemene criteria, die de voor een bouwplan gewenste eigenschappen beschrijven. 2.1.c. Objecten Net als te onderscheiden gebieden zijn er voor elke gemeente ook kleine objecten, die zich lenen voor vereenvoudigde toetsing. Voorbeelden daarvan zijn uitbouwen aan en dakkapellen op een woning. Voor dit soort plannen zijn zo eenduidig en meetbaar mogelijke criteria opgenomen, die de planindiener vooraf een grote mate van duidelijkheid geven over de uitkomst van de toetsing. 2.2. Afwijkende plannen De welstandsnota gaat voornamelijk in op het toetsingskader voor de bestaande bebouwde omgeving. De nota is geschreven voor het beheer van bestaan- de gebieden en objecten. Betreft het bouwplan een nieuwe ontwikkeling die afwijkt van de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek, dan kan het kader worden gebaseerd op (stedenbouwkundige) randvoorwaarden. Voor deze ingrepen werkt de gemeente veelal met concrete stedenbouwkundige plannen zoals masterplannen en beeldkwaliteitplannen, die het gewenste bebouwingsbeeld beschrijven en waarin de toetsingscriteria voor welstand kunnen worden opgenomen. Een andere mogelijkheid is de plannen te toetsen aan de hand van de algemene criteria. 2.2.a.

Procedure In geval er specifieke welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten worden opgesteld, gebeurt dit door de stedenbouwkundige of supervisor en bij voorkeur in overleg met de commissie. De gemeenteraad stelt de welstandscriteria vervolgens vast ter aanvulling op de welstandsnota. Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Deze beleidsstukken gelden als welstandsbeleid, zodra ze door de gemeente- raad zijn vastgesteld en gepubliceerd als welstandsbeleid. Voor informatie over het opstellen van randvoorwaarden voor beeldkwaliteitplannen kunt u contact opnemen met de gemeente. 2.3. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid Er zijn momenteel verschillende locaties en gebieden, waarvoor de gemeente gebruik maakt van stedenbouwkundige plannen of beeldkwaliteitplannen om sturing te geven aan veranderingen. Stedenbouwkundige plannen zijn van grote betekenis voor het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Ze zijn voor het gemeentebestuur een duidelijk kader waarbinnen op ontwikkeling gerichte bestemmingsplannen opgesteld worden en bouwplannen gerealiseerd moeten gaan worden. Ook geven ze het ambitieniveau aan.

De stedenbouwkundige plannen dienen als uitgangspunt voor de ontwerpers van bestemmingsplannen en bouwplannen en vormen na vaststelling als welstandsbeleid bij de bouwaanvraag tenslotte het beoordelingskader voor de commissie voor welstand en monumenten en de betrokken gemeentelijke afdelingen. Voor grotere gebieden (stadsdelen), waar ontwikkelingen worden gewenst, worden masterplannen, ontwikkelingsplannen of ruimtelijke en functionele studies gemaakt.

14

De speerpunten van het ruimtelijk beleid van Hilversum zijn: 1. stad in het groen 2. stad van jonge monumenten 3. mediastad De gemeente kent een groenstructuurplan en een landschapsbeleidsplan. Daarnaast is in de bestemmingsplannen steeds een stedenbouwkundige- of kwaliteitsparagraaf opgenomen. 2.3.a.Structuurvisie Hilversum 2030 In de Structuurvisie Hilversum 2030 van mei 2013 staan de keuzes, de hoofd- lijnen en de gewenste ruimtelijke ontwikkeling genoemd. De structuurvisie is geschreven vanuit een gewenst toekomstperspectief, waarin bestaande kwaliteiten, te verwachten ontwikkelingen en ambities beschreven zijn als de nieuwe realiteit in het jaar 2030. In 2030 zijn de huidige kernkwaliteiten van Hilversum optimaal benut, waar- door natuur, architectuur, media, zorg en de regio opnieuw met elkaar zijn verweven. Er is aandacht voor identiteit, de woningbouwopgave, het woonmilieu, de werkomgeving, de infrastructuur, de centrumfunctie en de benodigde voorzieningen. In 2030 staat Hilversum bekend om zijn hoogwaardige stedenbouwkundige, architectonische en landschappelijke kwaliteiten. De tuinstadgedachte en het beëindigingsplan van Dudok zijn hierbij als vertrekpunt genomen. De harmonieuze groene overgangen tussen stad en omliggende natuurgebieden zijn zichtbaar en voelbaar gemaakt. De bestaande (o.a. ‘dorpse’ en tuinstad-) kwaliteiten gehandhaafd.

Maar ook is er in de dynamische gebieden ruimte gekomen voor noodzakelijke en gewenste functies voor de stad als de regio. Hilversum is dan ook wel zowel ‘dorp’ als ‘stad’ gebleven. Op veel plekken staan prachtige gebouwen en complexen. Maar ook liggen er verspreid over de gemeente grotere en kleinere, soms verborgen, groene plekken in de stad: de groene parels. Sterke punten in de stad zoals prachtige (monumentale) gebouwen, (omroep-)complexen en industrieel erfgoed maar ook groene plekken, parken en vijvers zijn met elkaar verbonden. Hilversum is in 2030 (inter-)nationaal bekend als de stad van jonge monumenten en stedenbouw. W.M. Dudok was zowel stedenbouwkundige als architect in Hilversum. Zijn omvangrijke werk heeft vanaf het begin van de 20ste eeuw een belangrijk stempel gedrukt op de vormgeving van Hilversum. Tijdgenoten van Dudok en hedendaagse architecten hebben bijgedragen aan de hoog- waardige stedenbouw en architectuur in Hilversum. Dit cultureel erfgoed vormt mede de identiteit van Hilversum. In 2030 is er een duidelijk onderscheid tussen woongebieden met beperkte ruimtelijke uitbreidingen en dynamische gebieden waar ruimtelijke ontwikkelingen, functiemenging, schaalsprongen en bijzondere ruimtelijke kwaliteiten zijn gerealiseerd. Het contrast tussen de verschillende gebieden, de wijken in de stad, is hierdoor sterker en duidelijk geworden.

In de woongebieden zijn de bestaande karakteristieken, woonmilieus en kwaliteiten per wijk behouden. Er is in deze gebieden niet of nauwelijks ruimtelijk verdicht. In de woongebieden zijn in 2030 per wijk bestaande karakteristieken en kwaliteiten behouden. Wel hebben sommige kerken, schoolgebouwen, kan- toren en bedrijven een andere functie gekregen. Door flexibel te bestemmen was het mogelijk om op verschillende plekken panden een nieuwe bestemming te geven. Hierdoor is er weinig leegstand. Bij nieuwbouw is er vaak passend in de schaal en de bestaande karakteristiek gebouwd. In de dynamische gebieden zijn veel woningen, bedrijven, het ziekenhuis en andere zorggebouwen, media gerelateerde bedrijven, onderwijsgebouwen en welzijnsfuncties gerealiseerd. Alle dynamische gebieden hebben hun eigen specifieke kwaliteit. Doordat per gebied kwaliteitseisen zijn gesteld is er ruimtelijke samenhang ontstaan. Op prominente plekken zijn gebouwen gerealiseerd met een hoge architectonische kwaliteit. Dit is bereikt door het inzetten van verschillende instrumenten, zoals masterplannen, beeldkwaliteitsplannen, ambitiedocumenten en adviezen van de stadsbouwmeester. Op een aantal plekken in de stad is in 2030 hoogbouw gerealiseerd. Dit om eenvormigheid in nieuwe bebouwing te voorkomen, bepaalde gebieden in de stad te accentueren en voldoende en aantrekkelijke openbare ruimte over te houden.

Voor elk van deze locaties zijn maximale hoogtes vastgelegd. Hilversum heeft een compact, levendig en aantrekkelijk centrum gekregen met verschillende functies en karakteristieken. De aangename openbare ruimtes in het centrum nodigen uit voor ontmoeting en verblijf. Hilversum is in 2030 én dorp én stad, omringd door en verweven met natuur en architectuur, met media, zorg en met de regio. Er is meer ruimtelijke samenhang en elan ontstaan. Hilversum is hiermee de tuinstad van de 21ste eeuw. Het centrum kent verschillende deelgebieden met elk een eigen sfeer en karakter. Gelijktijdig met het intensiveren van functies, vooral aan de oostzijde van het centrum, is ook de wegenstructuur aangepast. Door deze aanpassing is het sluipverkeer in Over ’t Spoor verdwenen en het knelpunt bij de kleine spoorbomen opgelost. Ook is er een heldere en mooie rechtstreekse entree van het centrum ontstaan vanaf de zuidzijde van Hilversum. In 2030 heeft Hilversum drie rijksbeschermde Stads- en Dorpsgezichten: het Noordwestelijk Villagebied en de tuinstadontwikkelingen Zuid en Oost. De van oudsher bijzondere kwaliteiten, zowel qua stedenbouw, architectuur, cultuur- historie, openbare ruimte als groen zijn met regelingen beschermd gebleven. Nieuwe functies waren hier uitsluitend mogelijk binnen de voor deze gebieden opgestelde strenge richtlijnen.

Wel is flexibel ingespeeld op actuele ontwikkelingen, zoals duurzaamheidsaspecten. Deze beschermde gezichten vormen belangrijke ensembles in de stad, met hun specifieke karakteristieken. Hilversum telt in 2030 ongeveer duizend gemeentelijke-, provinciale- of rijksmonumenten. In het oog springende voorbeelden zijn het raadhuis van Dudok, Zonnestraal van Duiker en Beeld en Geluid van Neutelings en Riedijk. Tenslotte wordt Hilversum omgeven door beschermde cultuurlandschappen en aardkundige monumenten.

15

3.

WELSTAND OP HOOFDLIJNEN

Hilversum is een vitale stad met een eigen dynamiek en onmiskenbare histo- rische kwaliteiten. Welstand moet enerzijds recht doen aan en passen binnen het ruimtelijk kwaliteitsbeleid, dat met ontwikkelingsplannen en cultuurhistorisch beleid inzet op een stad die het aanzien waard is. Anderzijds is Hilversum ook een stad die zijn burgers, waar redelijk, de vrijheid wil geven gebouwen aan te passen aan eigen smaak en behoefte. In dit hoofdstuk zijn hoofdlijnen opgenomen, die de basis vormen voor de welstandsniveaus. Deze geeft aan hoe de gemeente de belangen van een aanvrager wil laten wegen ten opzichte van het aanzien van de directe omgeving of de stad als geheel. In de meeste gevallen zullen de uitwerkingen van criteria voor gebieden en objecten in de volgende hoofdstukken volstaan. Het kan echter gebeuren dat een plan wél voldoet aan redelijke eisen van welstand, maar niet aan de gebiedsgerichte of objectgerichte criteria. Ook kan het zijn dat een bouwplan niet is omschreven in de gebiedsgerichte criteria. In deze bijzondere situaties kan worden teruggegrepen op de hoofdlijnen, zoals die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Het schetst de hoofdlijnen van welstand, stedenbouw en cultuur- historie, die samen met de beschrijvingen en de verwijzingen naar het ruimtelijk kwaliteitsbeleid elders in de nota kunnen worden gebruikt bij de beoordeling van plannen.

Dit hoofdstuk vat eerst de uitgangspunten samen, die de gemeente hanteert ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Daarna volgt een beschrijving van het vakmanschap, dat van een ontwerper mag worden verwacht bij het opzetten en uitwerken van plannen. Dit vakmanschap is verwerkt tot algemene welstandscriteria, die onder meer gehanteerd kunnen worden bij afwijkingen van de gebieds- en objectcriteria maar ook bij excessen van toepassing kunnen zijn. Het daaropvolgende deel van dit hoofdstuk is een beschrijving van de ruimtelijke opbouw van Hilversum. Onder de noemer ‘vitaliteit en bescherming’ is een uiteenzetting opgenomen over de omgang met cultuurhistorische waarden. 3.1. Identiteit Welstand is onderdeel van de ruimtelijk kwaliteit en daarmee van de identiteit van Hilversum als stad van jonge architectuur en stedenbouw. In de toetsing moeten afwegingen voldoende flexibiliteit hebben om de kwaliteit op hoofdlijnen te kunnen bewaken. Daarnaast moeten de afwegingen waar nodig meer precies kunnen duiden welke eigenschappen op een kleiner schaalniveau van belang zijn voor specifieke kwaliteiten. Wat die hoofdlijnen en meer specifieke kwaliteiten zijn, is afhankelijk van het plan en de plek in het licht van de ruimtelijke kwaliteit.

De gemeente heeft de ambitie bestaande stedenbouwkundige, architectonische en landschappelijke kwaliteiten te koesteren en cultuurhistorische waarden te behouden. Kenmerkend is daarbij, dat Hilversum zowel dorp als stad is. Toch kan niet alles bij het oude blijven. Voor veranderingen is voortbouwen op de verstedelijkingsdynamiek uitgangspunt. Nieuwe en nood- zakelijke functies zullen daarbij vooral plaats dienen te vinden in de dynamische gebieden. Hiermee kiest de gemeente voor contrast en diversiteit tussen verschillende gebieden in plaats van gelijkheid of vervlakking. 3.2. Beoordelingsgronden De criteria in de welstandsnota zijn gebaseerd op vakmanschap zoals beschreven in algemene welstandscriteria. Het zijn basisprincipes voor elke beoordeling, maar zijn voor de alledaagse praktijk niet direct van belang. Een gewoon bouwplan zal worden beoordeeld aan de hand van criteria voor gebieden of objecten dan wel die voor cultuurhistorisch erfgoed verderop in de nota. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling, omdat ze het uitgangspunt vormen voor de meer specifieke uitwerkingen voor gebieden en objecten alsmede erfgoed. In de praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. 3.2.a.

Vakmanschap De algemene welstandscriteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele architectonische kwaliteitsprincipes. Hiermee kan een bouwplan geheel op zichzelf, op het eigen architectonische vakmanschap worden beoordeeld. Deze algemene welstandscriteria kunnen niet te pas en te onpas worden gebruikt. Ze zijn voor de onverwachte, experimentele of opvallende bouwwerken. Als stelregel geldt daarbij dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Deze hogere eis is niet van toepassing in situaties waarbij de gebiedsgerichte criteria tekortschieten, in de zin dat het bouwwerk niet is omschreven. In die gevallen kan zonder meer worden teruggegrepen op de algemene criteria, waarbij in beschermde en bijzondere gebieden uiteraard hogere eisen worden gesteld dan in gebieden met een gewoon of luw welstandsniveau. In de villagebieden (gebied 2) zijn de welstandscriteria bijvoorbeeld toegespitst op de typologie van de villa’s, maar zijn enkele typen bebouwing aanwezig die daar niet op aansluiten. Voorbeelden daarvan zijn kantoorpanden, schoolgebouwen, appartementengebouwen en bungalows.

Bij het uitbreiden en wijzigen van deze panden is het niet juist om de typologie van de villa als eis te stellen, want dat zou uitbreidingen onmogelijk maken. Een soortgelijke situatie is aan de orde in de - sporadisch voorkomende - situaties waarbij de bouw van dit soort afwijkende gebouwen mogelijk wordt gemaakt door het bestemmings- plan. In die situaties mag worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. Omdat het in die gebieden beschermd welstandsniveau betreft, ligt de lat hier hoog, bij het toetsen aan de algemene welstandscriteria. De algemene welstandscriteria zijn gebaseerd op de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’ die prof. Ir. Tj. Dijkstra schreef als Rijksbouwmeester in 1985 (in 2001 gepubliceerd door 010 Uitgevers). De algemene welstandscriteria zijn opgenomen in paragraaf 3.5. en doen een uitspraak over de volgende onderwerpen: 1. 2. 3. 4.

relatie tussen vorm, gebruik en constructie relatie tussen bouwwerk en omgeving betekenissen van vormen en sociaal-culturele context evenwicht tussen helderheid en complexiteit

16

5. 6.

schaal en maatverhoudingen materiaal, textuur, kleur en licht

Van een ontwerper mag worden verwacht, dat hij de gevolgen van het plan aan de hand van dit vakmanschap uitwerkt. Daarbij moet hij enerzijds rekening houden met het bouwwerk op zichzelf, maar anderzijds ook met de omgeving waarin het zijn plaats moet vinden. De te verwachten ontwikkeling van omge- ving en bouwwerk moeten waar nodig in de overwegingen worden betrokken. Een nieuw stedenbouwkundig plan of een verschuiving in verkeersstromen kan gevolgen hebben voor de betekenis van een bouwwerk op grote schaal. Ook op de kleinere schaal van het gebouw op zich gelden vergelijkbare over- wegingen. Een goed ontwerper houdt op zo’n manier rekening met de moge- lijkheden voor vergunningvrij bouwen, dat het benutten daarvan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen. Waar nodig kan de commissie welstand en monu- menten aan de hand van de gebieds- of objectcriteria deze overwegingen betrekken in de advisering. 3.2.b. Regel en uitzondering Wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving, maar door bijzondere schoonheid of situering wél aan redelijke eisen van wel- stand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscrite- ria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo’n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria.

Daarbij kunnen de hierboven beschreven uitgangspunten worden gebruikt om tot een onderbouwing te komen. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan op grond van de algemene wel- standscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van ‘rede- lijke eisen van welstand’ ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onder- scheidt. Op eenzelfde manier kunnen deze criteria als kader dienen voor de welstands- toets, als twijfel ontstaat over de toepasbaarheid van de criteria voor gebieden, objecten of erfgoed. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan te meegaand is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar onder de maat blijft en op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. 3.2.c. Excessen De gemeente kan de eigenaar van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (een exces) aanschrijven om de strijdig- heid op te heffen. De gemeente hanteert daarbij het criterium, dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor nietdeskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft dit betrekking op: 1.

het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving 2. het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpas- sing van een bouwwerk 3. armoedig materiaalgebruik 4. toepassing van felle of contrasterende kleuren 5. te opdringerige reclames 6. een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria) Ook bouwwerken waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd, moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Een vergunningvrij bouwwerk dat voldoet aan de criteria voor objecten is in ieder geval geen exces. 3.3. Ruimtelijke opbouw De ruimtelijke structuur van Hilversum op hoofdlijnen is van belang voor wel- stand, omdat gebouwen niet alleen op zichzelf maar ook in relatie tot de omgeving moeten worden beoordeeld. Een bouwwerk moet op zijn plaats zijn in de stad en in gezichtbepalende gebieden bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. 3.3.a. Groei De ruimtelijke ontwikkeling van Hilversum gaat ver terug. Het hooggelegen Gooi is een van de delen van Nederland met de langste bewoningsgeschiedenis. Lang was Hilversum een dorp. In de periode van omstreeks 1860 tot 1960 is het agrarisch dorp uitgegroeid tot een stad. Na de aansluiting op het spoornet groeide de kern uit tot satelietstad van Amsterdam.

In het noorden en later ook in het zuiden werden villaparken aangelegd met extensieve bebouwing in een groene omgeving. De eerste stadsuitbreidingen haakten aan op de bestaande historische laanstructuur. Dudok kreeg als gemeentearchitect en directeur van Publieke Werken de opdracht tot het ontwerpen van een uitbreidingsplan voor de gemeente. Deze visie werd in 1933 vastgelegd in het ‘beëindigingsplan’ welke de basis vormde voor diverse uitbreidingen in de vorm van tuinsteden. Ook de grote nieuwbouwwijken uit de jaren ‘50 en ‘60 in het oosten en noorden van de gemeente zijn op basis van dit uitbreidingsplan aangelegd. Daarna waren de groeimogelijkheden fysiek beperkt door de omringende natuurgebieden. De Meent en Kerkelanden zijn niet meer op basis van dit plan aangelegd en hebben relatief weinig relatie met andere gebieden en het onderliggende landschap. Recente woongebieden zijn kleinschalig en betreffen voornamelijk inbreidingen binnen de bestaande bebouwingsstructuur of de vervanging van bijvoorbeeld oude fabrieksbebouwing. In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de gemeente grotendeels de omliggende gronden voor een symbolisch bedrag verkocht aan Goois Natuurreservaat (GNR).

Daarmee werden twee zaken beoogd en vastgelegd: Hilversum zou niet meer uitbreiden in de groene gebieden rond de stad en de voor Hilversum benodigde functies (onder andere woningen) zouden geconcentreerd en met name in een hogere bebouwing in het centrum gerealiseerd gaan worden. De tot die tijd gehanteerde gewestelijke richtlijn om niet hoger te bouwen dan 20 meter, werd vanaf toen door de gemeenteraad aangepast. Op een aantal plekken werd een maximale hoogte van 45 meter vastgelegd. 3.3.b. Kenmerkende structuren Een stad is meer dan de wijken en gebieden zoals in deze nota zijn beschreven. Van belang voor de ruimtelijke kwaliteit van

17

Hilversum zijn ook de lange lijnen van het groen en de (spoor)wegen. In de meeste gevallen zijn deze voor de beoordeling van een bouwplan van ondergeschikt belang, maar waar nodig zijn deze lange lijnen en ruimtelijke structuren op de kaarten opgenomen en spelen ze op een rol bij de beoordeling. Bij de belangrijkste openbare ruimten kunnen bijvoorbeeld stedenbouwkundige accenten gewenst zijn. De ruimtelijke structuur van Hilversum wordt bepaald door lange lijnen, waar- van de radialen vanuit het centrum het meeste aandacht trekken. Het zijn de oude uitvalsroutes met daarlangs lintbebouwing. Naarmate deze dichter bij het centrum komen, wordt de schaal van de gebieden daartussen kleiner en de intensiteit en afwisseling groter. Daarnaast zijn er meer recente verbindingen zoals spoorlijnen en de wegen die de stadsring vormen. Dit zijn de structuurlijnen van de stad, die zowel scheiden als verbinden. Wegen zijn cruciaal voor de beleving van de openbare ruimte. Vrijwel iedereen ervaart de stad lopend, fietsend of kijkend vanuit de auto dan wel de trein. Gebouwen omlijsten en begeleiden de openbare ruimte. De straatwanden in de binnenstad zijn voor iedereen van dichtbij te zien, op andere plaatsen zijn de gebouwen verder weg. De afstand tot de weg moet worden meegewogen in het welstandsadvies.

Hoe beter zichtbaar en hoe meer gebruikers, hoe zwaar- der het belang van het gebouw voor de openbare ruimte. Hilversum heeft een aanzienlijke hoeveelheid groen die in de structuur van de stad een prominente rol speelt. Op meerdere plekken is de stad aan het omringende groen gekoppeld. Op het niveau van de wijk zijn parken en lanen duidelijk aanwezig met als voorbeelden de radialen in plan Oost en het welda- dige groen van de villabuurten. 3.3.c. Stedelijke dynamiek Voor nieuwe en bijzondere projecten werkt de gemeente met beeldkwaliteit- plannen en visies. Van een initiatiefnemer kan worden verwacht voor een meer ingrijpend plan een dergelijk document op te stellen. Ook wanneer deze plannen en visies vooralsnog ontbreken, geldt voor meer ingrijpende bouwplannen een welstandsniveau dat het beheer overstijgt. Een stad als Hilversum is een dynamisch gebied, waar niet alleen de gemeen- te maar ook andere overheden en private partijen ontwikkelingsinitiatieven nemen. Van deze partijen mag wat betreft de ruimtelijke kwaliteit een vergelijkbare inzet worden verwacht als van de gemeente. Wie de bestaande ruimtelijke structuur en bebouwingspatronen doorbreekt, moet met een goed onderbouwd plan komen. Uitbreidingen en inbreidingen moeten zorgvuldig worden ontworpen met een visie op de rol van de bebouwing in de stad en op de gevolgen van de architectuur voor de directe omgeving.

Een dergelijk plan moet een bijdrage zijn aan Hilversum en dus niet ten koste gaan van de omgeving. Een bijzondere vorm van inbreiden is het toevoegen van hoogbouw. De sky-line van Hilversum is tot op heden bescheiden, maar het silhouet is aan het veranderen. In de jaren ‘90 van de vorige eeuw heeft de gemeente vrijwel alle omliggende gronden met natuurwaarden voor een symbolisch bedrag verkocht aan het GNR, vanuit de visie dat deze gebieden niet meer zouden worden bebouwd en dat voor de stad noodzakelijke toevoegingen uitsluitend zouden gaan plaatsvinden in het bestaande stedelijke gebied. Dit hield tevens in dat er met name in het centrum dichter en ook hoger kon worden gebouwd. De tot die tijd geldende Gewestelijke richtlijn van maximaal 20 meter werd hiermee verlaten. Op een aantal plekken in het centrum van Hilversum wordt daarom afgeweken van deze oorspronkelijke maximale bouwhoogterichtlijn. Hier kan bebouwing tot 45 meter worden toegevoegd. Deze nieuwe gebouwen veranderden daarmee de oorspronkelijke bebouwingsschaal. Ook op een aantal andere specifieke locaties in de stad is hogere bebouwing toegestaan: in het MediaPark en ArenaPark tot 30 meter, op het voormalige Regev Terrein (Villa Industria) 42 meter, als verwijzing naar de daar ooit aan- wezige hoge gashouders, aan de Van Linschotenlaan (35 meter) en natuurlijk in Kerkelanden (ca 50 meter).

Op andere locaties in en buiten het centrum worden bouwhoogten van 25 meter toegestaan. Plannen moeten worden beschouwd op verschillende schalen: als onderdeel van de directe omgeving, als oriëntatiepunt in de hoofdstructuur en als onder- deel van het silhouet van de stad. De architectonische kwaliteit van een der- gelijk opvallend gebouw zal ook opvallend goed moeten zijn. Op elk schaal niveau vraagt hoogbouw om zorgvuldige afwegingen en een aansprekend ontwerp. Het is onwenselijk dat in de hoogbouwclusters schermen en wanden van hoogbouw ontstaan. Naast hoogbouw is ook laagbouw in deze gebieden mogelijk. Ook kleine initiatieven kunnen van grote invloed zijn op hun omgeving. Als een plan van bescheiden afmetingen niet past binnen de criteria moet het een bijzondere kwaliteit hebben zoals bedoeld in de algemene criteria. 3.4. Cultureel erfgoed Hilversum is een gemeente met een grote hoeveelheid erfgoed, maar tegelijkertijd geen museum. Welstand besteedt aandacht aan de toekomst met inbegrip van de cultuurhistorische waarden. Veranderingen moeten passen binnen het beeld van de stad met zijn monumenten en beschermde gezichten. 3.4.a. Van zorg tot kans Op 12 september 2007 heeft de gemeenteraad de beleidsnota ‘Monumenten, van zorg tot kans’ vastgesteld. Hierin wordt het Hilversums erfgoed als bron van dynamiek beschouwd.

Belangrijk onderdeel van deze nota is enerzijds het geleidelijk opheffen van de term waardevol object en anderzijds te komen tot een zorgvuldige actualisatie van de gemeentelijke monumentenlijst. Daarnaast wordt er aandacht aan herbestemming en het integreren van cultuurhistorie bij ontwikkelingen besteedt. Hilversum heeft van het Rijk de status van zelfstandige vergunningverlenende monumentengemeente gekregen. Bij restauratie van objecten wordt uitgegaan van het oorspronkelijke ontwerp, waarin het nieuwe gebruik wordt opgenomen. 3.4.b. Monumenten en waardevolle panden In de gemeente Hilversum bevinden zich 265 door het Rijk aangewezen monumenten, 3 provinciale monumenten, ruim 750 gemeentelijke monumenten en waardevolle panden. Gemeente, Provincie en Rijk hebben samen dus enkele honderden bouwwerken aangewezen als monument of waardevol pand.

18

Het zijn unieke complexen en gebouwen zoals villa’s, scholen en kerken die samen met de wegen en het groen de geschiedenis van de stad leesbaar maken. Monumenten zijn gebouwen met een grote cultuurhistorische waarde, die zowel in het exterieur als in het interieur kan liggen. Het zijn bijvoorbeeld gebouwen met een kenmerkende architectuur of panden met een gevel die deel uitmaakt van een historische straatwand. Het kunnen ook panden zijn met een vanaf de straat niet zichtbare stijlkamer of bouwhistorisch belangrijke resten. Omdat welstand betrekking heeft op het uiterlijk van gebouwen, zal een monumentale waarde die niet van buitenaf zichtbaar is in de regel een ondergeschikte rol spelen in de advisering. Het monumentenadvies gaat hier wel op in. Waardevolle panden zijn in de regel oude panden, die bijdragen aan het karak- ter van de stad en deel uitmaken van het historisch straatbeeld. In het bestem- mingsplan ligt vast welke panden beeldbepalend zijn. Voor deze panden is de welstandstoets van belang, omdat daarmee bij wijzigingen het waardevolle uiterlijk goed kan worden meegewogen. Welstand kijkt verder dan het object op zich. Het gaat ook om de invloed van een bouwplan op zijn omgeving. Bouwplannen binnen de invloedssfeer van cultureel erfgoed worden zorgvuldig bekeken. 3.4.c.

Beschermde gezichten Een beschermd gezicht is in wezen een gebied, dat als geheel is benoemd tot monument. In Hilversum is in 2007 het NoordWestelijk Villagebied in 2007 aangewezen als beschermd gezicht. Plan Oost met Kamrad en Plan Zuid zijn beide gebieden waarin de stedenbouwkundige en architectonische ideeën van oud stadsarchitect W.M. Dudok bij uitstek tot uitdrukking komen. Beide gebieden zijn in 2015 door het Rijk aangewezen tot beschermd stadsgezicht.

3.4.d. Beoordeling Of een bouwwerk een monument of waardevol pand is dan wel in een beschermd gezicht staat, is te vinden in de monumentenlijst (te vinden op de gemeentelijke website) of in het bestemmingsplan. Mocht u hierover vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de gemeente. In hoofdstuk 6 zijn uitgangspunten en criteria voor cultureel erfgoed opgenomen die, eventueel samen met de gebiedsbeschrijving en criteria, kunnen worden gebruikt bij de beoordeling van bouwplannen.

3.5. Algemene criteria De algemene welstandscriteria richten zich op de zeggingskracht en het vak- manschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij uni- versele kwaliteitsprincipes. 3.6.1. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. 3.6.2. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openba- re (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. 3.6.3. Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag wor- den verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. 3.6.4.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrek- kingskracht door simpelheid verloren gaat. 3.6.5. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. 3.6.6. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te ver- wachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=77065566-6d84-439a-9aa7-913b81396c1e