Bijlage 1 - Welstandsnota Herziening 2021 (nieuwe versie, ontvangen en bijgeplaatst op 17 mei)
Tekst van het document
19
4.
WELSTANDSCRITERIA GEBIEDEN
Een belangrijke peiler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstands- beleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen, die de bestaande structuur van het gebied niet wezenlijk doorbreken. A. Gebieden De gebiedsgerichte criteria zijn gebaseerd op het architectonisch vakman- schap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving niet teveel uit de toon te vallen, en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. De gebiedsgerichte welstandscriteria moeten worden gezien als de gewenste eigenschappen van het bouwplan. Per gebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld met daarin een korte beschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omge- ving, een typering van de bouwwerken, het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Daarnaast zijn per deelgebied uitgangspunten opgenomen voor de beoordeling, met daarin een samenvatting van de te verwachten of gewenste ontwikkelingen en een waardering voor het gebied op grond van de belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische, stedenbouwkun- dige of architectonische werken.
Dit is de grondslag voor het welstandsniveau. Elk deelgebied heeft een structuurkaart. Hierop zijn de structurerende plekken, lijnen en punten in het gebied aangegeven: 1. Structurerende plekken zijn karakteristieke plekken, vaak in de buurt van een markant gebouw, welke bekendheid en het gezicht aan een hele wijk of een buurt geven. 2. Naast deze plekken zijn er structurerende (historische) wegen. Hilversum heeft een radiaalgerichte wegenstructuur met twee ringwegen. De oude driften die vanuit het dorp Hilversum naar omliggende heide en weiden lopen, vormen de structurerende historische wegen. Bij de stadsuitleg zijn deze vaak omgezet in hoofdwegen. Ze lopen naarmate men de heide nadert steeds wijder uit. De overige, nieuwere belangrijke ontsluitingswegen zijn de structurerende wegen. 3. De zichtlijnen liggen vaak in het verlengde van de wegas en komen uit op de heide of landmarks. De landmarks zijn belangrijke punten in de structuur. Dit zijn markante gebouwen met een hoogteaccent. De Rijksmonumenten die op de kaart zijn aangegeven zijn tevens vaak een landmark. Daarna volgen de welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de relatie met de omgeving van het bouwwerk, de bouwmassa, de architectonische uitwerking, materiaal en kleur. Met de welstandscriteria kan de commissie zich binnen de grenzen van het bestemmingsplan een gewo- gen oordeel vormen.
In aanvulling op de tekst zijn foto’s opgenomen, die een impressie van het (deel)gebied geven en zowel goede als slechte voorbeelden tonen. B. Niveaus Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwali- teitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Het grootste deel van de gemeente heeft een gewoon welstandniveau. Hier heeft de gemeente gekozen voor het handhaven van een goede basiskwaliteit met daarbij voldoende vrijheid voor de burger of ondernemer om invulling te geven aan eigen initiatieven. Bouwplannen in deze gebieden mogen in prin- cipe geen afbreuk doen aan de basiskwaliteit van de omgeving. Veel bedrijventerreinen en enkele woongebieden zijn welstandsluw. Hier wil de gemeente zich terughoudend opstellen en zich met name richten op het voor- komen van negatieve gevolgen voor de omgeving. Om deze reden ligt hier de nadruk op de randen en de hoofdwegen door het gebied. In de bijzondere gebieden is extra inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. In beschermd gezicht is de cultuurhistorische kwaliteit mede bepalend voor de welstand. Hier is behoud van het historisch straatbeeld uitgangspunt. De deelgebieden hebben allemaal één welstandsniveau toebedeeld gekre- gen.
Binnen dit welstandsniveau is er ruimte voor flexibiliteit in de beoordeling. Naast een accent op voorkanten, kan de commissie meer nadruk leggen op bijvoorbeeld bebouwing aan doorgaande wegen of relatief opvallende bebouwing. Daarnaast kan de commissie soepeler omgaan met bouwplannen bijvoorbeeld in binnengebieden.
20
A. Gebiedskaart
Legenda gebieden Binnenstad (1a t/m D) Gegroeid dorp (2A en 2B) Villagebied (3A t/m E) Tuinwijk (4a t/m 4G) Uitbreidingswijk (5A t/m 5F) Inbreidingen ( 6A t/m 6D) Bedrijventerrein (7A t/m 7C) Groen en Parken (8A, C en D) Buitengebied (8B)
Aanduidingen - - - - - - - Spoor
21
B. Niveaukaart
Legenda niveaus Beschermd Bijzonder Gewoon Luw
Aanduidingen - - - - - - - Spoor
22
C. Legenda structuurkaarten per deelgebied grens deelgebied
typerende bebouwing
stedenbouwkundige verbijzonderingen
binnenstedelijk
accent met zichtlijnen
dorps, vroege uitbreidingen
ensemble
kleinschalig villagebied
samenhangende straatwanden, gevels
villapark
structurerende lijnen:
tuinwijk ontstaan / oorspronkelijke wegen en paden ontworpen wegen en straten
tuindorp (zakelijk / middenstand) overig tuinstedelijk vooroorlogs
ruimte:
tuinstedelijk wederopbouwperiode stedelijk niveau
tuinstedelijk wederopbouwperiode, gestapeld
wijkniveau
het nieuwe bouwen: stroken en stempels
Buurtniveau
het nieuwe bouwen: gestapeld
stadsrand en groenverbinding
woonerven
bijzondere bebouwing:
inbreidingslocaties en stadsvernieuwing belangrijke functie en markant
recente nieuwbouwlocaties
markant, opvallend
toekomstige nieuwbouwlocaties
belangrijke functie
kantoren
overige bebouwing:
media hoofdgebouw
bedrijven
ondergeschikte bebouwing ondergrondse bebouwing
23
4.1. CENTRUM 4.1.1. Inleiding In 2015 is de Centrumvisie vastgesteld. Hierin is de ambitie geformuleerd om een aantrekkelijk centrum te realiseren dat aansluit bij de identiteit van Hilversum. Een belangrijk middel hierin is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en met name het onderscheidend vermogen van het centrum te versterken. Dit stelt hoge eisen aan kwaliteit, uitstraling, toegankelijkheid en functionaliteit van het centrum, het kloppend hart van Hilversum. Aantrekkelijke herkenbare architectuur is een essentieel onderdeel van de beleving van het centrum.
(boven-)regionale functie
Op het gebied van ruimtelijke kwaliteit heeft de gemeente een taak in regelgeving en toezicht. Het belangrijkste middel hierin is welstandstoezicht en de welstandsnota. A. Het centrum Hilversum wil een centrum dat aantrekkelijk is om er te wonen, te ondernemen en culturele initiatieven te ontplooien en bezoekers uit Hilversum, het Gooi en van daarbuiten te ontvangen. Van oudsher heeft het centrum een lokale en (boven-)regionale functie. In het centrum zijn onder meer winkels, de markt, restaurants, cafés, evenementen, bioscopen, filmtheater en het museum gevestigd. Het centrum is echter ook gewoon een van de woonwijken van Hilversum met daarbinnen verschillende buurten. Het stationsgebied vormt een belangrijke entree naar het centrum, waar voetgangers en fietsers overstappen op bus en trein. Maar het is ook een knooppunt waar veel automobilisten passeren op weg naar hun bestemming in het centrum.
verlengde van de huiskamer
De centrale ligging van Hilversum in regio en land, gekoppeld aan de relatieve rijkdom van veel inwoners, heeft tot een grote stedelijke dynamiek en tot intensivering van bebouwing in het centrum geleid. Hilversum heeft zijn sociale en economische dynamiek behouden, met alle bijbehorende zon- en schaduwzijden. Zoals meer centrumgebieden in het land heeft Hilversum te maken met afnemende bezoekersaantallen, een teruglopende vraag naar vastgoed en als gevolg hiervan leegstand in winkels en kantoren. In de afgelopen jaren is een compacter kernwinkelgebied aan het ontstaan. De aanloopstraten buiten de centrumring maken functioneel geen deel meer uit van het centrum. Winkelleegstand heeft hier structurele vormen aange-nomen. Tegelijk is er een ontwikkeling gaande waarbij de straten, pleinen en brinken steeds meer een gewaardeerde plek voor verblijf en recreatie worden. De gevels en winkelpuien vormen hierbij het decor.
stad en dorp naast elkaar
In het centrum is het dorpse karakter (kleinschalig, aangenaam, intiem, overzichtelijk) en het stedelijke (kwaliteitsniveau van aanbod, levendig, verrassend, de Mediastad, bereikbaar) van Hilversum te vinden. B. Waardering en beleving De woonwijken van Hilversum zijn vaak planmatig onder strakke regie in een korte tijd ontworpen, aangelegd en gebouwd en kennen daardoor een grote samenhang. Dit wordt door de bewoners, maar ook door liefhebbers en deskundigen op het ge- bied van architectuur en stedenbouw gewaardeerd. Dit in tegenstelling tot het centrum van Hilversum, waar een fragmentarische ontwikkeling heeft plaatsgevonden over vele bouwperioden. De verschillende sferen zijn karakteristiek voor het centrum, maar worden op dit moment nauwelijks als herkenbaar en waardevol ervaren. Juist de erkenning van deze verschillen en het versterken van de verscheidenheid draagt bij aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en van het verblijf in het centrum. In het centrum zijn op verschillende plekken nog plukjes dorpsbebouwing te herkennen. In de winkelstraten staan de karakteristieke, individuele winkelwoonhuizen met rijke eclectische detaillering van de villawijken, naast rijen winkelwoonhuizen met de massieve baksteen- architectuur met opvallende hoekaccenten uit de periode van de interbellum.
De periode na het Kernplan van 1971 laat een schaalsprong zien met bebouwing die zich, zoals in die periode gangbaar was, in vormgeving en materiaal weinig van de om- geving lijkt aan te trekken. Hierna volgde het Binnenstadsplan van 1994 waarin in het Stationsgebied en de Langestraat ruimte kwam voor hogere bouw. Deze meest recente ontwikkelperiode kenmerkt zich door meer expressieve architectuur.
24
Marktplein
Al deze lagen van ontwikkelingsperioden staan in het centrum direct naast elkaar en door elkaar. De sfeer van de oude dorpsbebouwing wordt zeer gewaardeerd. Het vak manschap dat in de periode van Dudok in de rest van Hilversum is gerealiseerd wordt in het centrum gemist. En ‘nieuwbouw’ (waarmee men meestal ontwerpen uit de laat- ste decennia van de 20e eeuw bedoelt) wordt vaak als te groot, te neutraal en weinig bijzonder ervaren. In het centrum zijn echter recent nieuwe en moderne bouwplannen gerealiseerd, die wel door bezoekers van het centrum worden gewaardeerd, zoals woningen in de Herenstraat, het nieuwe Aloysius College, het Filmtheater en de bioscoop op het Marktplein. Juist de spanning tussen bewuste en inmiddels waardevolle accenten en de nog open plekken in de bouwblokken verdienen nadere waardering. Het adagium daarbij zou behoud en versterking moeten zijn door vervangende of nieuwe gebouwen harmonieuzer aan te haken op de korrelgrootte van de omgeving.
Aloysius
C. Diversiteit Als stad met dorpse wortels heeft Hilversum minder vaste ruimtelijke kaders dan ste- den met een lange geschiedenis als vesting- of handelstad. Het huidige centrum wordt gekenmerkt door fragmenten uit verschillende ontwikkelingsstadia en is daarmee geen harmonieus en samenhangend geheel. De verscheidenheid van verschillende perioden, bouwstijlen, grootten en sferen naast elkaar is een karakteristiek van het centrum van Hilversum, die niet kan worden teruggedraaid. Het oude dorp zal niet terugkomen en het centrum zal zich ook nooit tot een echte stedelijke omgeving ontwikkelen. De kracht is dat er geen nivellering heeft plaatsgevonden, maar dat er te onderscheiden deelgebieden zijn. In het centrum bevinden stad en dorp zich naast elkaar, groot en klein, oud en modern, intiem en robuust. Door de verscheidenheid als een kenmerkende eigenschap van Hilversum te zien, en waar mogelijk gebouwen met een goede architectuur te stimuleren zal de waardering en acceptatie van het centrum toenemen. Het welstandsbeleid voor het centrum gaat uit van de verschillende karakteristieken per ontwikkelperiode. De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing van het centrum wordt versterkt door per karakteristiek de kenmerken en kwaliteiten te benoemen en als uitgangspunt te nemen voor herstel en/of nieuwbouw.
Herstel van de oorspronkelijke architectuur betekent al een aanzienlijke kwaliteitsslag. Door verdwenen ornamenten en gevelelementen te herstellen worden de verschillende karakteristieken weer zichtbaar. De criteria voor welstandsbeoordeling zijn erop gericht om de kwaliteit in vormgeving, materiaal en detaillering binnen één gebouw af te stemmen op de karakteristieken van de Hilversumse ontwikkelingen. Hierdoor wordt de herkenbaarheid en de beleefbaar- heid van de bijzondere mix van gebouwen in het centrum vergroot. De kwaliteit die vaak in de bovengevels nog zichtbaar is, zal beter beleefbaar worden door winkelpuien daar- mee meer in overeenstemming te brengen. Ingrepen zoals het terugbrengen van oude reclame, verwijderen van dichte rolluiken, het aanlichten van panden en het nemen van duurzaamheidsmaatregelen dragen bij aan de kwaliteit van panden. D. Leeswijzer Van belang bij een beoordeling van een ontwerp zijn drie factoren van belang: Stedenbouwkundige structuur: De positie van een gebouw in het stedelijk weefsel maakt dat gebouwen niet op dezelfde manier ervaren worden. Gebouwen aan pleinen of op hoeken dragen meer bij aan de ruimtelijke kwaliteit dan een gebouw in een lange gevelrij of op een binnenterrein. Hetzelfde geldt voor hoge of grote gebouwen. Daarnaast kan een gebouw gevolgen hebben voor zichtlijnen en voor de hiërarchie in wegen en straten.
Deelgebieden: In het centrum verschilt de dynamiek van buurt tot buurt en van straat tot straat. Een winkelstraat heeft een andere functie dan een woonstraat. In een stati- onsomgeving doen zich sneller grote ontwikkelingen voor dan in een woonerf. Nieuwe ontwikkelingen moeten passend zijn bij maat, schaal en functie van de omgeving, maar kunnen wel een eigentijdse vormgeving krijgen. Karakteristieken: De verscheidenheid in architectuur in het centrum is zeer groot en verschilt van pand tot pand. Een gebouw van een eeuw oud kent andere karakteristieken dan een nieuw gebouw. Van aanwezige en oorspronkelijke kenmerken is een ana yse gemaakt, die vervolgens gewaardeerd en beschreven zijn. Hierna volgen beschrijvingen van de stedenbouwkundige structuur, de deelgebieden en de karakteristieke ontwikkelperioden. Op basis hiervan zijn per deelgebied uitgangspunten opgesteld en per ontwikkelperiode welstandscriteria geformuleerd.
25
Filmtheater
kwaliteit is vaak nog in de bovengevels zichtbaar
winkelpuien van matige architectonische kwaliteit
eigentijdse vormgeving, passend bij maat en schaal
4.1.2. Monumenten en waardevolle panden In het centrum zijn vele tientallen rijks- en gemeentelijke monumenten. In 2016 zijn hier nog 65 aan toegevoegd. Behoud ervan maakt de ontwikkelingsgeschiedenis van het centrum zichtbaar en beleefbaar en versterkt de identiteit van het centrum. Welstand kijkt verder dan het object op zich. Het gaat ook om de invloed van een bouwplan op zijn omgeving. Bouwplannen binnen de invloedssfeer van cultureel erfgoed worden zorgvuldig bekeken. Daarnaast zijn er in het bestemmingsplan regelingen opgenomen voor het behoud van karakteristieke panden of gebieden en voor versterking van de stedenbouwkundige structuur. Verspreid over het centrum bevinden zich historische gebouwen die geen monumenten zijn, maar die wel kenmerkend zijn voor de verschillende karakteristieken in het centrum. Deze hebben in het bestemmingsplan ook een bescherming gekregen. Aanpassing of sloop van deze panden is alleen mogelijk met een ontheffing. Daarnaast zijn er in het bestemmingsplan dubbel-bestemmingen ‘stedenbouwkundige karakteristiek’ opgenomen voor de gebieden met bijzonder welstandsniveau, waarin gebieden mede bestemd zijn voor behoud, herstel en realisatie van stedenbouwkundige karakteristieken en ensembles. Deze gebieden komen overeen met de hierna beschreven deelgebieden en de bijbehorende uitgangspunten.
lobvormige structuur met afgeronde hoeken
4.1.3. Stedenbouwkundige structuur De transformatie van het centrum heeft zich grotendeels afgespeeld binnen het historische stratenplan. Met uitzondering van de stationsomgeving en de Centrumring, die deels nieuw is aangelegd, zijn het historische stratenpatroon en de historische brinken nog grotendeels intact. Het stratenpatroon van de dorpskern is op de oudste kadastrale kaart uit 1832 nog herkenbaar in de huidige plattegrond. De essentie van de oude Hilversumse bouwblokken wordt gevormd door de ligging op zandgrond, de afgeronde hoeken, de aanwezigheid van voetpaden en de losse ligging van de panden op korte afstand van de rooilijn. In de oude dorpskern stonden de boerderijen en huizen vaak vrijstaand en niet in de rooilijn. Dit is kenmerkend voor nederzettingen op zandgrond, waarbij de grond overal even draagkrachtig is. Gebouwen konden overal staan en de positionering was niet gebonden aan waterlopen of bodemstructuur. De draagkrachtige ondergrond van Hilversum is ook nog altijd herkenbaar in de structuur van wegen, stegen en paden van het centrum, die in principe ook overal konden lopen. De hoofdwegen waren in eerste instantie onverhard. Ze zijn ontstaan als de gekromde oude schaapsdriften, waarlangs het vee van Kerkbrink en Groest naar de heidevelden werden geleid. Doordat panden terug liggen werden de kavels afgerond, met lobvormige structuren tot gevolg.
De licht gebogen wegen met gekromde gevelwanden in Hilversum vinden hier hun oorsprong. Op kruisingen verbreedden de driften, zodat hier de brinken ontstonden. De basis van de structuur van het centrum is een spinnenweb-achtig stratenpatroon met een afwisselende bebouwing. De structuur van het oude dorp is met de verstedelijking vanaf het eind van de 19e eeuw in de stad geïncorporeerd. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon Hilversum te groeien. Door de betere verbindingen (trein en tram) werd Hilversum een forensendorp. In plaats van de vrije verkaveling met eenlaagse bebouwing op afstand van de straat, wordt de bebouwing direct naar de blokrand verdreven en komen woon- en winkelpanden aan de doorlopende rooilijn te staan. Met name aan de wegen van de Kerkbrink naar het station en de haven is in deze periode sprake van verdichting. De open verkaveling met losse, vrijstaande dorpsbebouwing is getransformeerd naar aaneengesloten bouwblokken met dichte gevelwanden. Naast grootschalige bebouwing, grotere en kleinere complexen is de bebouwing overwegend pandsgewijs gebouwd met een verticale geleding. De oude engen rondom het centrum werden vrijwel geheel volgebouwd, maar het patroon van wegen en paden bleef grotendeels intact.
Alleen het patroon van driften in het oostelijke deel van het centrum gaat, met de aanleg van de spoorlijn en de bouw van het station in 1874, in deze periode al op de schop.
26
brinken en gebogen wegen
hoekaccent op kruispunt van oorspron kelijke dorpsstructuur
In de wederopbouw richtte alle aandacht zich op het wonen in de buitenwijken en bleven in de kernen vooral de speciieke centrumfuncties gepland. Vooral de nauwe en voor het moderne verkeer onlogische wegenstructuur werd een probleem bevonden. Het Kernplan van 1946 impliceerde de sloop van de meeste dorpsbebouwing ten oosten van de Groest. Het plan is slechts voor een klein deel uitgevoerd, maar legde wel de kiem voor de aanleg van de Prins Bernhardstraat, de Schapenkamp en de sanering bij het station.
zichtlijn op de toren van st-Vitus
grootschalige doorbraken en infrastructuur
Stedenbouwkundige structuur De meest ingrijpende doorbraken in de historische structuur zijn pas in de jaren ‘70 uitgevoerd naar aanleiding van het structuurplan ’71, zoals bijvoorbeeld Schapenkamp en Prins Bernhardstraat. Deze verkeersingrepen ontkennen de oorspronkelijke wegenstructuur volledig en zijn bepalend voor verdere ontwikkeling van het oostelijk deel van het centrum. Hilvertshof is een andere grootschalige ontwikkeling uit deze periode, maar het overdekte winkelcentrum is gerealiseerd binnenin een van de grootste bouwblokken in het centrum. Ondanks het grote bouwvolume bleef de structuur van dit deel van het centrum intact. Ook andere recente bouw- en stadsvernieuwingsopgaven in het centrum voegen zich grotendeels binnen de wegenstructuur en de grote afgeronde bouwblokken.
27
4.1.4. Deelgebieden Het centrum heeft altijd een grote dynamiek gekend vanwege de aanwezigheid van stedelijke (boven)regionale voorzieningen en de centrale ligging in Hilversum, het Gooi en Nederland. Deze dynamiek verschilt in het centrum van buurt tot buurt en van straat tot straat. Het heeft geleid tot een groot architectonisch kwaliteitsverschil tussen de diverse delen van het centrum. Factoren, zoals eigendomsverhoudingen, verkeerskundige ingrepen, de ligging ten opzichte van het kernwinkelgebied, parkeergarages of station hebben de dynamiek en schaal van bebouwing in grote mate bepaald. Daarnaast zijn de te verwachten ontwikkelingen niet gelijk verdeeld over het centrum. In het centrum is een indeling van gebieden waar te nemen, waar de niveaus van, en de wijze waarop, welstandstoezicht plaats vindt verschilt. Deze gebiedsindeling is verbonden aan het verschil in dynamiek, de architectonische kwaliteit en de positie in het stedelijk weefsel. Hierna volgt de beschrijving per deelgebied. De uitgangspunten voor welstandsadvisering zijn gebaseerd op het onderscheid in deelgebieden. De uitgangspunten doen een uitspraak over: 1. de aard en gebruik van de openbare ruimte in het deelgebied en de belangrijkste planologische functies. 2. de verkaveling, parcelering, oriëntatie, omvang en korrelmaat van de bebouwing. 3.
de dynamiek in het gebied en (eventueel) te verwachten ontwikkelingen. 4. de cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden in het gebied en van de opvallendste afzonderlijke gebouwen. 5. het (welstands)beleid voor dit deelgebied en op welk niveau de welstandsbeoordeling verwacht wordt (gewoon of bijzonder) 6. de speciieke onderwerpen waarop de welstandscommissie zal letten.
orientatie naar de straat, rooilijn ver- springt
middengedeelte van de Groest
4.1.4.1.A. Stadshart: hoge dynamiek en bijzonder welstandsniveau Het deelgebied stadshart komt overeen met het kernwinkelgebied. In de afgelopen jaren is te zien dat het winkelgebied steeds compacter wordt en zich concentreert rond twee assen: de Groest en de route van station naar de Kerkbrink (Leeuwenstraat-KerkstraatSchoutenstraat). Aan de uiteinden van deze assen bevinden zich belangrijke openbare ruimten met ieder een eigen functie en karakteristiek: de Kerkbrink, het Marktplein en het Stationsplein. De bebouwing in dit gebied is grotendeels pandsgewijs gebouwd maar de straatwan- den zijn gesloten met slechts hier en daar een kleine opening. De typologie is over het algemeen winkel-woonpanden in bouwhoogten variërend van twee tot drie bouwlagen met verschillende kapvormen, maar ook enkele appartementencomplexen en overdek- te winkelgebouwen. Het gebied vormt ondanks enkele dissonanten een harmonieus en samenhangend geheel, met panden in verschillende bouwstijlen. De hoekpanden en de panden ter plaatse van brinken zijn veelal verbijzonderd in architectuur, schaal of hoogte. De relatie tussen de begane grond van winkelpanden en de woningen op de verdieping is vaak verstoord. In veel gevallen vormt de winkelpui geen eenheid met het pand, zodat in de winkelstraten eerder sprake is van een horizontaal doorlopende winkelplint met daarboven de afzonderlijke panden.
De Groest is als flaneerzone met terrassen en de (dubbele) rijen kastanjebomen een krachtige en heldere openbare ruimte. De samenhang wordt gevormd door het groene karakter. De architectuur van de gevels is op het straatbeeld minder van invloed. De bebouwing aan de Groest kent een grote diversiteit aan typologie en schaal. Contrasten tussen de verschillende gebouwen zijn hier eerder regel dan uitzondering. Het karakter van de Groest als voormalige verkeersader is in sommige gebouwen nog duidelijk afleesbaar. Van deze gebouwen is de kwaliteit van de architectuur achter gebleven bij de uitstraling die het middengedeelte van de Groest (o.a. Rex, Gooi- en Eemlander) wel heeft gekregen en behouden. De Leeuwenstraat vormt de verbinding tussen de Groest en het station. De straat ligt in het verlengde van de Kerkstraat. Er bevinden zich in deze straat een aantal monumentale of waardevolle winkelwoonhuizen, maar de winkelpuien sluiten in kwaliteit in veel gevallen hier niet op aan. Het matige onderhoud en de pragmatische aanpassingen aan de winkelverdieping passen niet bij de uitstraling die de Leeuwenstraat als belangrijkste voetgangersverbinding naar het centrum verdient.
28
verstoring tussen winkelpui en gevel
Leeuwenstraat
De Kerkstraat is vanouds de winkelstraat waar vooral de grote landelijke winkelketens hun vestiging hebben. De straat heeft een grote dynamiek van verbouwingen, maar ook veel nieuwbouw uit alle bouwperioden sinds 1900. Van alle straten in het centrum heeft de Kerkstraat de meeste diversiteit in architectuur en bouwstijlen. In de Kerkstraat is de samenhang tussen winkelpui en bovenverdieping vaak verstoort of afwezig. Op de hoeken van de kruising met de Zeedijk zijn de hoekpanden geaccentueerd, wat bij het pand van Douglas duidelijk beter is bewaard dan bij de latere invullingen op de overige hoeken. Het westelijke deel van het gebied Stadshart bestaat uit pleinen en brinken (Kerkbrink) met daartussen korte verbindingen zoals de Schoutenstraat en de ‘s Gravelandseweg. Dit gedeelte is een van de twee oude dorpskernen en dit is nog herkenbaar aan de Kerkbrink, waar de kenmerkende Gooise combinatie brink, raadhuis (nu museum) en kerk terug te vinden is. In dit gebied stamt een groot gedeelte van de bebouwing uit de periodes van villa- en cityontwikkeling uit eerste helft van de 20e eeuw, wat sterk het karakter van dit gebied bepaald. Ook komen in dit gebied recentere toevoegingen voor, zoals de winkel-panden uit de wederopbouwperiode (C&A, Oldenhof) en de bankgebouwen.
Bijzondere gebouwen rond de brinken en pleintjes zijn het Oude Raadhuis en de Grote Kerk en het recentere winkel- en wooncomplex Gooische Brink. 4.1.4.1.B. Historische buurt: lage dynamiek en bijzonder welstandsniveau In de deelgebieden ‘Historisch Buurt’ zijn het vooral gebouwen uit de vroege ontwikkelperiodes van Hilversum, die bepalend zijn voor de identiteit. Het zijn drie gebieden die als eilanden in het centrum liggen. In deze gebieden hebben weinig stedelijke ontwikkelingen plaats gevonden of is de ontwikkeling bewust in de schaal en stijl van de omringende bebouwing gehouden.
Kerkstraat
Kerkbrink
In het zogenaamde ‘historische buurtje’ tussen Herenstraat en Langestraat bestaat een deel van de gebouwen uit gerestaureerde en herbouwde woningen en boerderijen. De overige boerderijen en 19e eeuwse woningen zijn nog oorspronkelijk. Daarnaast zijn er nog twee kleine enclaves in het centrum waar veel kenmerken van de oorspronkelijke dorpse bebouwing bewaard zijn gebleven: rond de Biersteeg en de omgeving tussen Oude Doelen en Melkpad. De bebouwing van deze gebieden bestaat uit afwisselend vrijstaande en aaneen gebouwde woonhuizen en voormalige boerderijen of vroeg-industriële bedrijfsgebouwen. Ze zijn met de voorgevel gericht naar de straat, waarbij de rooilijnen verspringen ten opzichte van elkaar. De nokrichting is afwisselend. De panden zijn van bescheiden omvang en hebben een duidelijke hoofdmassa die in het algemeen bestaat uit een op- bouw van één of twee lagen met kap. Dit is vaak een (samengesteld) zadeldak, soms gecombineerd met een representatieve topgevel. De voorgevel en soms ook zijgevels zijn veelal symmetrisch ingedeeld en hebben onderverdeelde staande ramen die aan de boven- en onderzijde horizontaal gelijnd zijn. Gevels zijn zorgvuldig gedetailleerd en zijn voorzien een donker gekleurd of grijs trasraam, gemetselde lateien, accenten als metselwerkverbanden, luiken en soms ook gesneden windveren en geproileerde goot- klossen en lijsten.
Op enkele kleine en zorgvuldig gedetailleerde dakkapellen na komen aan- en uitbouwen weinig voor. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel. Gevels zijn van baksteen of wit gepleisterd met accenten. Hellende daken zijn gedekt met gesmoorde keramische pannen. De kozijnen zijn van hout en hebben een traditioneel Hollandse proilering. Houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren als donkergroen en gebroken wit.
herbouwde woning in ´Historisch buurtje
Biersteeg
De Biersteeg is een smalle, besloten steeg tussen Groest en Kampstraat. In het midden van de steeg ligt een pleintje dat is omringd door oudere bebouwing. Veel bebouwing heeft een dubbele orientatie waarbij de zijde gericht naar de Biersteeg duidelijk meer aandacht verdient. Het dorpse deel aan het Melkpad is een overgangsgebied van smalle straten met oude kleinschalige dorpsachtige bebouwing. Tussen de vrijstaande gebouwen zijn nog verschillende doorzichten en doorsteken naar het binnengebied bewaard gebleven. Dit gebied wordt aan de noordoost- en zuidkant begrensd door grootschalige gebouwen en complexen en het Marktplein als grotere openbare ruimte.
29
dorpse relicten
4.1.4.1.C. ‘Oostrand’: hoge dynamiek en bijzonder welstandsniveau Het oostelijke deel van het centrum wordt vanwege de aanwezigheid van station en infrastructuur gekenmerkt door een hoge dynamiek. Ook nu (omgeving Marktplein) en in de toekomst (stationsgebied, spoor en HOV) is dit deel van het centrum in ontwikkeling en zullen grootschalige ingrepen met een impact voor de omgeving blijven plaatsvinden. Zowel gebouwen als de openbare ruimten in dit gebied zijn van een grotere schaal en omvang dan in de andere deelgebieden van het centrum. In het gebied staan een aantal grote gebouwen met een openbare functie (Vorstin, bioscoop, station, Vituskerk, Gooiland) aan grote openbare ruimten, die vanwege ligging, functie en evenementen veel publiek trekken. In het noordelijke deel van dit deelgebied bevindt zich het voormalige Langgewenst. Met de bouw van de nieuwe bioscoop aan oostzijde van het plein en de restauratie van de voormalige bioscoop is deze ruimte nu definitief ingericht als het Marktplein: een ruim, herbergzaam plein, met voldoende ruimte voor de warenmarkt en andere grote evenementen. Het nieuwe marktplein is door duidelijke wanden omsloten. De Groest loopt ruimtelijk door in het Marktplein en er is een sterke functionele relatie tussen de Groest en de markt. Rond het plein ontstaan kansen voor levendige functies, zoals horeca met terrassen.
Het stationsgebied ligt aan de rand van het centrum en vormt met de stationsgebouwen, het busstation, de stationstunnel en het stationsplein de toegangspoort vanaf het station naar het centrum. De structuur van dit gebied wordt hoofdzakelijk bepaald door de langgerekte grootschalige ruimtes van de Schapenkamp, het busstation en de taxistandplaats met kiss & ride plek. Het beeld langs de Schapenkamp is divers: vrijstaande grootschalige gebouwen aan de oostzijde van de Schapenkamp en gesloten bebou- wing in wisselende vormen, materialen en hoogtes aan de westzijde. De bebouwing in het stationsgebied (oostelijk van de Schapenkamp) bestaat uit grote, solitaire bouwvo- lumes, die alzijdig zijn georiënteerd, met bouwhoogten variërend van circa 20 meter tot hoogteaccenten tot 45 meter. Het wooncomplex van vijf woontorens vormt een ensemble omgeven door een semi openbare binnentuin. Vanaf het Schapenkamp blijven de langgerekte stationsgebouwen zichtbaar tussen de losse objecten door. Het beeld van dit gebied wordt nu nog vooral bepaald door de grootschalige ingrepen vanuit de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw (Schapenkamp, Silverpoint). Voor de stationsomgeving zijn op 7 oktober 2020 het bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan ‘Stationsgebied’ vastgesteld.
De bebouwing ten westen van de Schapenkamp vormt de westelijke begrenzing van deze brede ‘boulevard’ en vormt de overgang naar het centrum. De bebouwing hier vormt in tegenstelling tot de oostzijde gesloten bouwblokken. De bouwhoogte bedraagt hier circa 12 meter, met op de hoeken accenten, in de vorm van bijzonder vormgegeven hoekpanden of ranke hoogteaccenten.
Marktplein
kop van de Groest
Stationsplein zal een ingrijpende trans- formatie ondergaan
Het zuidelijke deel van de Schapenkamp kent een groener karakter, doordat de gebouwen op grotere afstand van de weg liggen en begeleid worden door Vitustuin, het Aloysiusparkje en de brede bermen van het Schapenkamp. Naar het zuiden toe wordt de Schapenkamp visueel langzaam smaller door de aanwezigheid van de nieuwe Aloysiusschool en de monumentale Vituskerk met toren en schip aan de zuidzijde. Het Gooilandplein vormt het zuidelijke sluitstuk van dit gebied. Aan deze kruising van belangrijke wegen staan op alle hoeken grote bebouwingsmassa’s, waarvan vooral het Gooilandcomplex en de Vituskerk beeldbepalend zijn en de status van Rijksmonument hebben. De architectonische kwaliteit van de overige 2 hoeken blijft daarbij achter. In deze zone bevinden zich ook grootschalige gebouwen die cultuurhistorisch waardevol zijn zoals de Vituskerk en het Gooilandcomplex. Deze gebouwen bepalen het silhouet van het centrum en vormen accenten door hun ligging in het stedelijk weefsel en de afwijking in massa, opbouw en vorm en architectuur. De toren van de st-Vituskerk met een hoogte van bijna 100 meter is een landmark voor de stad en de wijde omgeving. Het Grand Hotel Gooiland is op het Gooilandplein georiënteerd en bestaat uit een samengesteld volume, waarbij het terras gericht is naar de belangrijkste openbare ruimte.
het groene karakter van het zuidelijke deel van de Schapenkamp
Gooiland en St Vituskerk
30
4.1.4.1.D. Aanloopstraten: afnemende dynamiek en bijzonder welstandsniveau Rond het stadshart liggen enkele toegangswegen en verbindingswegen, die altijd het karakter van een winkelstraat hebben gehad. Als verbindingen en entrees naar het centrum zijn de straten nog steeds van belang, maar de toekomst is voor de meeste straten echter een andere dan die als winkelstraat. In deze straten is in toenemende mate sprake van een sterke functiemenging van winkels, horeca, kantoren en kleinschalige bedrijvigheid, maar ook steeds vaker woningen op de begane grond. Het gaat hier om de Havenstraat, delen van de Neuweg, Emmastraat en Koninginneweg, de omgeving Langestraat-Veerstraat-Herenstraat en Bussumerstraat-Naarderstraat. De panden zijn in de meeste gevallen als winkelwoonhuis vormgegeven en vaak nog als winkel in gebruik. Ook komen er in deze straten nog vrij veel panden uit de agra- rische en industrialisatie-periode voor, soms verborgen als tweedelijns bebouwing op een binnenterrein. Deze mix van bouwtypen, -perioden en –stijlen bepaalt in grote mate de karakteristiek van deze straten en daarmee van de verbinding van de woonwijken naar het centrum van Hilversum. Winkels, voorzieningen en bedrijven hebben meestal van oorsprong al een afwijkende begane grondlaag met etalage of vitrine.
Maar door recente toevoegingen als panelen, reclameborden, luifels en zonwering is de relatie met bovenverdieping verloren gegaan. De panden zijn als korte rijtjes of complexen gebouwd en er zijn regelmatig doorzichten of doorgangen tussen de bebouwing te vinden. De gebouwen zijn met de voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte. De nokrichting is afwisselend haaks op of evenwijdig aan de weg. De voorgevellijn buigt met de straat mee of verspringt vaak. De bebouwing is in het algemeen individueel en afwisselend, soms in combinatie met accenten in de opbouw zoals verbijzonderde hoeken. De gebouwen zijn afwisselend pandsgewijs verticaal geleed en complexen van meer horizontaal gelede bebouwing. De architectonische uitwerking en detaillering zijn in het algemeen zorgvuldig en vari- eren van ijn tot sober. Met name oudere panden hebben een ijne detaillering die tot uitdrukking komt in geproileerde kozijnen, gootklossen en lijsten, gesneden houten windveren, speklagen en metselwerkverbanden. Het materiaal- en kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en terughoudend. De meeste gevels zijn van baksteen en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte tint. Houtwerk is geschilderd in terughoudende en veelal traditionele kleuren. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen.
bebouwing uit de agrarische en industrialisatieperiode aan de Havenstraat
afwijkende hoogte van begane grond, etalage met art deco kenmerken
Bijzonder element is de O.L.V. Onbevlekt Ontvangen kerk aan de Naarderstraat. Deze neogotische kerk heeft een compacte hoofdvorm met zeskantige toren. 4.1.4.1.E. Inbreidingen: lage dynamiek en bijzonder niveau Met name in deze gebieden is het veranderingsproces van het centrum uit de aanwezige diversiteit aan bebouwing aleesbaar. Het gaat in deze gebieden om grotere complexen, die gerealiseerd konden worden omdat hier grotere percelen beschikbaar kwamen (voormalige bedrijven of agrarische bebouwing, eigendommen van kerkgenootschappen). Deze invulling van vrijkomende percelen begon rond 1980 en liep door tot na de eeuwwisseling.
weinig relatie met Hilversumse context
De gebouwen en complexen zijn opgenomen in de bestaande wegenstructuur. Bij enkele complexen is een infrastructuur aangelegd, die niet gebaseerd is op de historische context. In sommige gevallen gaat het om een structuur van woonerven en hoven waar de kwaliteit van de openbare ruimte onder druk staat. In deze ontwikkelingsperiode is een evolutie te zien van de stadsvernieuwing van wisselende kwaliteit en weinig relatie met de Hilversumse context (zoals Fabrikeursstraat, Brinkweg-zuid, Weversweg, Anth. Brouwerstraat), naar meer representatieve bebouwing zoals rond de Laanstraat en de Oude Torenstraat. De bebouwing bestaat vooral uit grotere woningbouwcomplexen, met hier en daar functiemenging op de begane grond. De bebouwingsdichtheid is vrij hoog, maar de hoogte is meestal beperkt tot 3 of 4 lagen, incidenteel op hoeken (Schering, Neuweg) hoger. De stedenbouwkundige structuur heeft vaak een pragmatische oorsprong, gericht op bezonning of een eficiënte verkaveling. De bebouwing is seriematig in grotere eenheden gebouwd.
pragmatische oorsprong, infrastructuur in de vorm van een hof
kantoor / woongebouw met expressief materiaalgebruik
begeleidt de kromming van de weg
31
Bij rijen en complexen is herhaling van de woning als basiseenheid het uitgangspunt. De detaillering van nieuwere panden is veelal strak en sober. Bij nieuw-bouw is een beperkte schaalvergroting mogelijk. Nieuwbouw zal pandsgewijs (onder andere hoekpanden) en in kleine complexen plaatsvinden, waarbij entrees en hoek- panden worden verbijzonderd in architectonische expressie, schaal en/ of bouwhoogte. 4.1.4.1.F. Dorpsranden: lage dynamiek en gewoon niveau Aan de rand van het centrum bevinden zich enkele straten en stegen waar zowel de ontwikkeling tot stadscentrum, als grootschalige woningbouw aan voorbij is gegaan. Het gaat hier om de zijstraten van aanloopstraten, zoals de omgeving van st. Vitus- straat, Ruitersweg, Diepeweg en Schoolstraat. De straten liggen in de periferie van het centrum en zijn daarom te kenmerken als rustige woonstraten. De bebouwing bestaat uit korte lage woningrijen, met af en toe een kleinschalig bedrijfsgebouw. De steden- bouwkundige structuur van deze gebieden wordt in belangrijke mate bepaald door de licht gekromde, relatief smalle straten en de kleinschalige, pandsgewijze bebouwing. Er is in deze straten weinig mogelijkheid tot schaalvergroting.
kleinschalige vrijstaande bebouwing in verschillende richtingen georienteerd
rustige woonstraat Diepeweg
32
4.1.5. Karakteristieken Uit onderzoek blijkt dat architectonische kwaliteiten van de bebouwing in het centrum niet tot één periode beperkt is. De verschillende ontwikkelperiodes van de omliggende woonwijken zijn ook te herkennen in individuele panden in het centrum. De agrarische en vroeg-industriële bebouwing geven het centrum zijn dorpse identiteit. De invloed van de chique Gooische villawijken is terug te vinden in de rijke detaillering van veel winkelpanden. De kenmerken van de tuinwijken, die werden gebouwd tijdens de forse groeispurt van Hilversum, zijn in het centrum herkenbaar in de krachtige bakstenen gevels, de opvallende hoekaccenten en de hoge kappen. In het kielzog van Dudok is de aanzet gegeven voor het modernisme, die vervolgens door andere architecten in de naoorlogse periode is opgepakt. Er zijn voor Hilversum ontwikkelingsperioden te benoemen met duidelijk te onderscheiden karakteristieken. Deze zijn herkenbaar in de bebouwing in het centrum: 1. agrarische bebouwing en industrialisatie tot 1884; 2. villa-achtige winkel/woonhuizen uit de ontwikkeling tot villakern tussen 1884 en 1918; 3. de cityvorming in het interbellum tussen 1918 en 1945; 4. de na-oorlogse bebouwing van de wederopbouw van 1945 tot 1965; 5. panden uit de periode van de expansie van 1965 tot 1992 6.
contemporain na 1992 De jaartallen zijn indicatief, de ontwikkelingsperioden lopen geleidelijk in elkaar over. Deze karakteristieken zijn in het hele centrum verspreid terug te vinden, maar op sommige plekken overheerst één van deze karakteristieken. Rond de Kerkbrink en ’s Gravelandseweg is bijvoorbeeld aanzienlijk meer bebouwing van de villakern-periode te vinden dan rond de Groest, waar vooral veel bebouwing uit de periode van expansie is gerealiseerd. De karakteristieken worden hierna per afzonderlijke ontwikkelperiode beschreven. De welstandscriteria voor individuele gebouwen en bouwplannen zijn gebaseerd op deze ontwikkelingsperiodes. 1. De welstandscriteria doen uitspraken over onder andere: 2. ligging: positionering, rooilijn, orientatie van een gebouw, doorzichten 3. massa: opbouw, gevelindeling en -ritmiek, kapvorm, (ondergeschikte) toevoegingen 4. architectonische uitwerking en detaillering: ritmiek en stijl van het pand, mate van detail en zorgvuldigheid, speciieke (originele) details zoals kozijnen, goot- en dak- lijsten, 5. materiaal en kleur: gewenste gevelmateriaal, dakafdekking, kleur en materiaal van gevelopeningen, mate van traditionaliteit, modern, tijdsgebonden of expressiviteit 6. winkelpui en reclame (speciiek voor het centrum): inpassing binnen de karakteristieken het pand.
33
groter huis, opgedeeld in meerdere panden
voormalige agrarische bebouwing
fabrikeurswoningen
4.1.5.1. Ontwikkelingsperiode 1 - Agrarisch en industrialisatie
fabrikeurswoning en voormalige sein- toestellenfabriek
Herenstraat 10
Ontwikkelingsperiode 1: gebouwen uit de ontwikkelperioden agrarisch en industrialisatie De gebouwen uit de vroegste ontwikkelperioden tot circa 1874 zijn zeer sfeer- en beeldbepalend in delen van het centrum. De waardering voor deze gebouwen en de bebouwingsclusters is groot. Voor veel Hilversummers horen deze gebouwen sterk bij de identiteit van het centrum. Deze ontwikkelperiode deelt kenmerken met de bebouwing die in de buurten van gebied ‘gegroeid dorp’ (§4.2) tot stand zijn gekomen. De boerderijen en huizen uit de vroegste ontwikkelperiode van Hilversum zijn vaak vrijstaand en staan niet in de rooilijn. Ze raken de naburige huizen niet en voegen zich niet in een rij. Dit is kenmerkend voor nederzettingen op zandgrond, waarbij de grond overal even draagkrachtig is. De vrijstaande bebouwing en open verkavelingsstructuur van deze periode is nog het best herkenbaar aan het bouwblok dat aan het begin van Melkpad en Groest ligt, waar de kleinschalige bebouwing nog steeds grotendeels vrijstaand en in verschillende richtingen georienteerd is. Maar ook in de omgeving van de Biersteeg en Laanstraat-Kruissteeg is de dorpse structuur en architectuur nog heel herkenbaar. Van de oorspronkelijke Gooise boerderijen zijn er in het centrum van Hilversum geen meer aanwezig. Een groot deel hiervan is verloren gegaan bij dorpsbranden van 1723 en 1766.
In gebouwen die daarna zijn gebouwd, is de invloed van het begin van bevolkingsgroei en van industrialisatie (textiel) te herkennen. Boerderijen werden omgebouwd om weefgetouwen onder te brengen en grote huizen werden in de lengte opgesplitst in meerdere woningen.
kleine voortuin met hagen en hekwerk
winkelwoonhuizen met villa-achtige kenmerken aan de ‘sGravelandseweg
Van de eerste helft van de negentiende eeuw tot de komst van de spoorlijn in 1874 wordt de economie van Hilversum vooral bepaald door de tapijtindustrie. Uit deze pe- riode stammen onder andere de fabrikeurswoningen, de weverijen en fabrieksgebou- wen. Uit deze periode van industrialisatie zijn niet veel panden bewaard gebleven, maar in delen van het centrum zijn deze restanten wel heel sfeer- en beeldbepalend. Voor- beelden hiervan zijn de bijvoorbeeld Herenstraat 10 en Veerstraat 2. Gevels zijn zorgvuldig gedetailleerd en zijn voorzien een donker gekleurd of grijs trasraam, gemetselde lateien, accenten als metselwerkverbanden, luiken en soms ook gesneden windveren en geproileerde gootklossen en lijsten. Op enkele kleine en zorgvuldig gedetailleerde dakkapellen na komen aan- en uitbouwen weinig voor.
34
straatwand aan de Havenstraat
Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel. Gevels zijn van baksteen of wit gepleisterd met accenten. Hellende daken zijn gedekt met gesmoorde keramische pannen. De kozijnen zijn van hout en hebben een traditioneel Hollandse proilering. Houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren als donkergroen en gebroken wit.
35
4.1.5.2. Ontwikkelperiode 2 - Villakern
staande ramen met verticale geleding
etalage en vitrines
Ontwikkelingsperiode 2: gebouwen uit de ontwikkelperiode Villakern Tot de 1e Wereldoorlog kreeg Hilversum, naast het karakter van industriedorp, steeds sterker het karakter van villadorp. De ontwikkeling tot villakern vond in dezelfde periode plaats als de villawijken (§4.3) en de architectuur vertoont ook veel kenmerken van villa’s uit deze periode. Door sterk verbeterde verbindingen met Amsterdam werd intensivering van bewoning een bepalende ontwikkeling voor de stedenbouwkundige veranderingen in Hilversum in deze periode. Dorp en omgeving werden een centrum voor recreatie en toerisme. Belangrijker nog was de aantrekkelijkheid voor welgestelden uit Amsterdam om zich in Hilversum te vestigen. Immigratie vanuit de steden kwam tot ontwikkeling, wat verstedelijking van het dorp Hilversum tot gevolg had. Aan de westzijde van de dorpskern vond in eerste instantie niet-planmatige uitbreiding plaats van dorpsbebouwing, al snel gevolgd door de planmatige ontwikkeling van villaparken, zoals het aangrenzende Boomberg. Aan de zuidoostzijde in de omgeving van de Emmastraat ontstond villabebouwing langs de uitvalswegen naar Baarn, Soest en Utrecht. In de omgeving van Kerkbrink en Emmastraat loopt het centrum geleidelijk over in de villawijken en in beide gebieden is de villakern-periode duidelijk herkenbaar in het straatbeeld.
rijke detaillering bij Jugendstil, neoclas- sistische en neorenaissance stijl
villabebouwing langs de uitvalswegen
Door de verdichting van bebouwing in deze periode ontstond ook een hiërarchie in straten met enerzijds winkelstraten en anderzijds meer agrarische straten. Vooral het noordelijke deel van de Groest kreeg een meer stedelijk karakter door de komst van centrumfuncties als winkels, hotels, horeca en bioscopen. Winkel-woonhuizen zijn een gebouwtype dat sterk met deze ontwikkelingsperiode verbonden is. De winkel-woonhuizen aan de ’s-Gravelandseweg, Schoutenstraat en de Kerkstraat nabij de Kerkbrink hebben overwegend een verticale en villa-achtige opbouw, passend bij de bebouwing van de omliggende villawijken. Dichter naar het station (Leeuwenstraat) zijn deze winkelwoonhuizen breder en minder statig. noordelijke deel van de Groest
36
Villa’s en winkelwoonhuizen uit deze periode zijn individueel en aaneen gebouwd, of vormen korte rijen. Ze zijn duidelijk gericht op de weg en hebben een bescheiden voortuin of grenzen direct aan trottoir of voetgangersgebied. De opbouw van de woningen is afwisselend en gedifferentieerd en bestaat uit een onderbouw van één of twee lagen met een samengesteld dak. De hoofdvorm is compact waarbij de begane grond laag hoger is dan de laag erboven. Bij winkels is op de begane grond meestal een vitrine of etalage in de gevel opgenomen en is deze pui rijk gedetailleerd. Gevels zijn repre- sentatief, soms symmetrisch van opzet en veel panden hebben een statige uitstraling. Door staande ramen en kopgevels, hebben gevels een verticale geleding. De architectonische uitwerking en detaillering zijn zeer zorgvuldig en gevarieerd. Met name de gebouwen in neoclassicistische stijl, de neorenaissance stijl en de Jugendstil hebben een rijke detaillering met onder andere geproileerde lijsten, gootklossen, kozijnen en gesneden vakwerkelementen. Het materiaalgebruik is traditioneel en duurzaam. Gevels zijn van baksteen of in een lichte tint geschilderd of gepleisterd. Gemetselde gevels zijn voorzien van siermetselwerkverbanden. Hellende daken zijn gedekt met gebakken pannen. Kozijnen en deuren zijn veelal van hout en geschilderd in traditionele kleuren.
37
4.1.5.3. Ontwikkelperiode 3 - Cityvorming / interbellum krachtige blokvormige volume met hoekaccent
woon- en winkelpanden aan de Konin- ginneweg
Ontwikkelingsperiode 3: gebouwen uit de ontwikkelperiode Cityvorming/interbellum Een bescheidener schaalvergroting in het centrum deed zich in het interbellum voor langs een aantal hoofdstraten waar woon- en winkelpanden ontstonden. Deze peri- ode is zeer bepalend geweest voor Hilversum, omdat de stad hierin de sterkste groei doormaakte en zijn naam vestigde als omroepstad. Grote delen van de engen zijn in deze periode omgevormd tot tuinwijk. Gelijktijdige ontwikkelde het centrum van Hilver- sum zich tot een regionaal (winkel-)centrum. De architectuur van veel gebouwen in het centrum, deelt dan ook veel kenmerken met de tuinwijken (§4.4.) uit dezelfde periode. Het aantal woon- en winkelpanden, dat zich tot in de Koninginneweg, Herenstraat, Havenstraat, Gooilandplein en ’s-Gravelandseweg uitstrekte geeft wel aan hoe groot de centrumfunctie van Hilversum in het interbellum was. Opvallend zijn vooral de krachtige blokvormige volumes die er in die tijd ontstaan met bijbehorende hoekoplossingen, zoals op de hoeken van de Vaartweg met de Torenlaan en Havenstraat, maar ook op de splitsing van de Herenstraat en Veerstraat. Op een aantal plaatsen vond in het interbellum invulling door woningbouw plaats, zoals aan de Oude Doelen.
De uitvoeringen van deze invullingen, maar vooral ook de hoekoplos- singen van de verschillende blokken zijn doorgaans van opmerkelijk goede architectonische kwaliteit. Op sommige plekken ontstaat een spannende confrontatie tussen de dorpse open structuur en de gesloten bouwblokken met hoekaccenten van het interbel- lum, zoals op het kruispunt van Kerkstraat en Wagemakersplein.
blokkensluiter en krachtig hoekaccent in Kerkstraat bij Wagemakersplein
plastische opbouw en prominente samengestelde kap
Woningen en winkelwoonhuizen uit deze periode zijn individueel en aaneen gebouwd, of vormen korte rijen. Ze zijn duidelijk gericht op de openbare ruimte en grenzen direct aan trottoir of voetgangersgebied. De opbouw van de woningen is plastisch waarbij gevellijnverspringingen, afwisselende hoogtes en verbijzonderde hoeken nadrukkelijk een stedenbouwkundige aanleiding hebben. De gebouwen bestaan uit een onderbouw van twee lagen of drie lagen. De panden zijn afgedekt met een zeer prominente, samengestelde kap. In uitzonderlijke gevallen komen platte daken voor. De hoofdvorm is compact waarbij de begane grond laag prominenter is vormgegeven is dan de laag erboven. Bij winkels is op de begane grond meestal een vitrine of etalage in de gevel opgenomen en is deze verdieping robuust gedetailleerd. Gevels zijn representatief, meestal asymmetrisch van opzet en veel panden hebben een statige uitstraling. De architectonische uitwerking en detaillering zijn zeer zorgvuldig en gevarieerd. Gevels zijn overwegend van baksteen. Gemetselde gevels zijn voorzien van siermetselwerkverbanden en ge- kleurde of geglazuurde bakstenen. Hellende daken zijn gedekt met gebakken pannen. Kozijnen en deuren zijn veelal van hout en geschilderd in traditionele kleuren
38
plat dak in uitzonderlijke gevallen
4.1.5.4. Ontwikkelingsperiode 4 - Wederopbouw
Burg. Andriessenstraat
open gevel op kruispunt van wegen:Oldenhof
Ontwikkelingsperiode 4: gebouwen uit de wederopbouwperiode In de wederopbouwperiode is in het centrum van Hilversum relatief weinig gebouwd. Alle aandacht richt zich in deze periode op het wonen in de buitenwijken (§4.5. de deelgebieden A t/m D).
opvallend accent op C&A
In het centrum werden vooral de speciieke centrumfuncties en infrastructuur ge- pland. Hoewel de architectuur van de wederopbouwperiode in de meeste stadscentra weinig waardevolle gebouwen heeft opgeleverd, is het in Hilversum juist opvallend dat het kleine aantal wederopbouwpanden in het centrum wel waardevol, of zelfs monu- mentwaardig, bevonden worden. Zoals de flats aan de Burg. Andriessenstraat en de Kapelstraat, die beiden als enige gebouwen uitgevoerd zijn volgens Dudok’s kernplan uit 1946. Twee andere in het oog springende gebouwen zijn het pand van Oldenhof in de bocht van de ’s-Gravelandseweg en het pand van C&A, waarvan het torentje uit diverse richtingen een opvallend accent vormt. Gebouwen staan in het algemeen evenwijdig en recht aan de weg geplaatst en hebben gevels nadrukkelijk op de belangrijkste openbare ruimte georiënteerd. De gebouwen zijn plat afgedekt. Binnen de gebouwen zijn weinig accenten die de individuele woning onderscheiden. De architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig, eenvou- dig en soms ijn. Gevels hebben grote raampartijen op de begane grond en veelal meerdere smalle ramen op de verdieping. De rijen onderscheiden zich van elkaar door de gevelindeling en elementen als bijvoorbeeld erkers, balkons en luifels. Bij de appartementengebouwen vormt de entree een verbijzondering in de massa en/of gevel.
De gebouwen hebben gevels van baksteen in een zand- of lichte kleur, waarbij de trasramen donkerder van kleur zijn. Oorspronkelijk zijn de kozijnen van hout of staal. Het kleurgebruik is terughoudend en traditioneel.
39
flat Kapelstraat
4.1.5.5. Ontwikkelingsperiode 5 - Expansie
weinig accenten die de individuele woning onderscheiden
entree is verbijzondering in de massa
Ontwikkelingsperiode 5: gebouwen uit de ontwikkelperiode expansie Vanaf het midden van de jaren ’60 vielen grote gaten in de dorpsstructuur door sloop van lege fabrieken, verwaarlozing en afbraak. Kernsanering en ‘ad-hoc’-verstedelijking bepaalden tot 1992 het beeld. In dit proces werden steeds kleine stukjes dorpsvernieuwing gerealiseerd. Deze periode valt samen met de laatste grootschalige uitbreidingswijken (§4.5. deelgebieden D t/m F) van Hilversum. Expansie slaat vooral op de grotere hoogten en dichtheden die in deze periode in het centrum werden gerealiseerd. Vooral het beeld van de stad aan de oostkant is nogal verstoord door ontwikkelingen rondom het station, die weinig relatie hebben met de rest van het centrum en op zich nogal uitwisselbaar zijn met de nieuwere architectuur van Nederlandse groeikernen. In het structuurplan van 1971 voor de dorpskern was het nieuwe winkelcentrum Hilvertshof voorzien met parkeren op het dak en een aanvoerweg. Ook de in schaal nogal detonerende parkeergarage aan het Noordse Bosje vindt zijn oorsprong in dit plan. Op verschillende plekken in het centrum vindt Stadsvernieuwing van wisselende kwaliteit plaats, zoals aan de Anthonius Brouwerstraat, Weversweg en Fabrikeursstraat / Veerstraat.
Aan het einde van de jaren ’80 is een omslag te zien in de stadsvernieuwsplannen met ‘schermen’ van bebouwing die in vorm en materiaal weinig acht slaan op de omringende bebouwing, maar ruimtelijk wel een nieuwe context van stedelijke ruimtes scheppen langs de centrumring (o.a. Weversplein, Schietspoel). De gevels van bebouwing uit deze periode zijn eenvoudig van opbouw met meerdere identieke verdiepingen en een platte afdekking. De begane grondlaag herbergt soms winkels en de entree is dan verbijzonderd. In enkele complexen is er (vanwege bergingen of parkeergarage) nauwelijks een relatie tussen de gesloten begane grond en omringende openbare ruimte. Appartementengebouwen hebben een eenvoudige plattegrond en zijn veelal middelhoog. Hoewel de gebouwen sterk van elkaar verschillen, worden ze alle gekenmerkt door herhaling in de gevel. De meeste gebouwen zijn horizontaal geleed. De architectonische uitwerking is eenvoudig en sober. De woningen hebben meestal gemetselde gevels, vaak met betonelementen in het zicht. De gevels hebben lichte kleuren als lichtgrijs, zandgeel of oranjebruin met weinig accenten. In enkele gevallen is de gevel betegeld, gestuct, of grotendeels bekleed met (grind)beton of plaatmateriaal.
40
Hilvertshof met nieuwe gevels
Detonerende parkeergarage
Stadsvernieuwing van wisselende kwaliteit
4.1.5.6. Ontwikkelingsperiode 6 - Contemporain
nieuwe context van stedelijke ruimten langs de centrumring
horizontaliteit: identieke verdiepingen, plint met verbijzonderde entree
Ontwikkelperiode 6: gebouwen uit de ontwikkelperiode contemporain In 1992 treedt het nieuwe structuurplan van 1992 (‘Binnenstad Beter’) in werking. Dit is het begin van de contemporaine periode waarin een meer samenhangende visie op het centrum werd voorgestaan. Deze ontwikkeling valt samen met inbreidingsplannen elders in Hilversum (§4.6).
Gooische Brink
In deze plannen zijn de eerste schetsen voor de bebouwing tussen Kerkbrink en Brinkstraat, het hoge accent op de hoek van de Neuweg en de Langestraat en de nieuwbouw aan de noordzijde van de Langestraat opgenomen. Enkele nieuwe invullingen concurreren door hun grote massa op sommige plekken nogal met de traditionele hoogtepun- ten zoals de St.-Vituskerk, of zorgen er zelfs voor dat belangrijke zichtlijnen onderbro-ken zijn. De visie dat Hilversum zowel stad èn dorp is, werd voor een belangrijk deel in de herziening van het structuurplan van 1997 meegenomen. Het belangrijkste argument daarbij was, dat bij de nieuwbouwplannen meer aandacht zou moeten zijn voor verspringende rooilijnen. Een oplossing zou moeten worden gezocht in de ‘handhaving van het dorpse in dorpse gebieden en de realisatie van het stadse in de stedelijke gebieden, via de drieeenheid herstel, versterking en verbinding van het centrum’.
het dorpse in dorpse gebieden en het stadse in stedelijke gebieden
Sinds deze visie is het centrum verdeeld in zones met verschillende dynamieken en ontwikkelingssnelheden. De belangrijkste resultaten van de stedelijke gebieden zijn Gooische Brink 1 en 2 bij de Kerkbrink, de bebouwing in de Bussumerstraat bij het Wagemakersplein, de wo- ningbouw aan Spoorstraat en Kampstraat, aan de stationszijde van de Schapenkamp. Als dorps gebied was een belangrijk resultaat de herplaatsing van een aantal elders afgebroken huizen, leidend tot het zogenaamde ‘historisch buurtje’.
Bussumerstraat bij Wagemakersplein
41
De gebouwen uit deze periode kenmerken zich vaak door een expressieve vormgeving die bewust reageert op de historische of stedenbouwkundige context. De gebouwen zijn meestal nadrukkelijk georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte en de vorm- geving gaat een relatie aan met de straat, plein of brink. Gevels zijn evenwijdig aan de straat of buigen mee. Hoeken, entrees, doorgangen zijn sterk geaccentueerd en de gevels zijn op de begane grond vaak open en transparant en in enkele gevallen geldt dit ook voor de verdiepingen. Bij publieke gebouwen is het interieur zichtbaar en dit draagt bij aan het openbare karakter vanuit de openbare ruimte. Gevels kunnen zowel horizontaal als verticaal geleed zijn, of zijn sterk gelaagd. De expressieve vormgeving komt vooral tot uiting in materialisering en kleurgebruik. Gevels zijn gemetseld in zeer uiteenlopende kleuren of bestaan grotendeels uit (getint) glas of bijzonder materiaal (koper, hout).
woningbouw aan Spoorstraat en Kampstraat
de fabrikeurswoning van Fokker
reactie op stedebouwkundige context
42
4.1.6. Nieuwe plannen De welstandsnota gaat voor het centrum voornamelijk in op het toetsingskader voor bestaande bebouwde omgeving. De uitgangspunten voor de deelgebieden van het centrum en de criteria voor de gebouwen zijn opgesteld met het idee om verbouwingen en aanpassingen aan bestaande bebouwing in goede banen te leiden. Een aanpassing van een gebouw zou, zeker in de deelgebieden met bijzonder welstandsniveau, altijd tot een verbetering van de bestaande vormgeving moeten leiden. Het centrum is echter een van de meest dynamische gebieden van de stad en met grote regelmaat wordt een gebouw of een complex geheel vervangen door nieuwbouw. Het is mogelijk om een nieuwe invulling zo in te passen dat het aansluit bij de criteria van een van de eerdere ontwikkelperioden.