CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Richtinggevende notitie Warmteprogramma

GEMEENTERAAD 4 maart 2026, gemeente HilversumBij agendapunt: Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681)4.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

Inhoudsopgave

Inleiding.........................................................................................................................................................................3 Doel ...............................................................................................................................................................................4 Procesdoorloop ............................................................................................................................................................4 Richtinggevende uitgangspunten en criteria Warmteprogramma .............................................................................5 Uitgangspunten voor het Warmteprogramma ............................................................................................................5 Criteria voor het Warmteprogramma ..........................................................................................................................9 Vervolg ........................................................................................................................................................................11 Bijlagen........................................................................................................................................................................12 1, Juridisch kader

........................................................................................................................................................12 2, Bestuurlijke planning ..............................................................................................................................................12 3, Relatie raadsmotie: Verkenning Small Modular Reactor (SMR) (M25-105) .........................................................12

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

2

Inleiding Het Warmteprogramma is de beleidsopvolger van de Transitievisie Warmte. In het Warmteprogramma beschrijft de gemeente de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. De transitie van de gebouwde omgeving naar een situatie waarin geen aardgas meer wordt gebruikt, is een niet te onderschatten operatie, waar elke inwoner en gebouweigenaar mee te maken krijgt. De keuzes die de gemeente maakt in het Warmteprogramma raken dus aan de belangen van alle Hilversummers. Het Warmteprogramma beschrijft gebiedsgericht met welke warmtetechniek gebouwen in de toekomst naar verwachting verwarmd zullen worden. Ook wordt daarbij een indicatief tijdpad gegeven. Op deze manier krijgen gebouweigenaren duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt en waarmee ze rekening kunnen houden voor wat betreft de verduurzaming van hun gebouw, en waar de gemeente aan werkt om deze transitie mogelijk te maken. In het Nationaal Klimaatakkoord is afgesproken dat de gebouwde omgeving in Nederland uiterlijk in 2050 aardgasvrij is, dat gemeentes lokaal de regie voeren over dit proces en dat de Rijksoverheid verantwoordelijk is voor de randvoorwaarden om dit mogelijk te maken. Om hier invulling aan te geven moeten gemeenten op grond van de Wet Gemeentelijk Instrumentarium Warmtetransitie een Warmteprogramma opstellen en uiterlijk in 20271 vaststellen.

In het Warmteprogramma beschrijft de gemeente ten minste in welke gebieden de komende tien jaar gewerkt wordt om het gebruik van aardgas te beëindigen. Het Warmteprogramma moet uiterlijk 5 jaar na vaststelling vernieuwd worden. Het Warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet en sluit aan op doelen en ambities van de Omgevingsvisie Hilversum 2040 op het gebied van een duurzaam, fossielvrij en voor iedereen toegankelijk energiesysteem. Met het Warmteprogramma wordt: • duidelijkheid geboden aan inwoners en overige gebouweigenaren over het verwachte aardgasvrij alternatief en tijdpad per gebied; • het bestaande ondersteuningsaanbod en financieel instrumentarium voor woningeigenaren zoals dat is ontwikkeld in de uitvoering van de Transitievisie Warmte voortgezet en waar nodig aangepast aan de inzichten uit het Warmteprogramma; • in twee reeds in gang gezette projecten, Proeftuin aardgasvrije wijk De Meent en Warmte uit de Rioolzuivering Anna’s Hoeve, de ervaring met het gebiedsgericht aardgasvrij maken verder uitgebouwd. In Hilversum is geen restwarmte op hoge temperatuur2 beschikbaar en er is ook geen kansrijke potentie voor geothermie3.

Op dit moment betekent dat, dat de warmtetransitie voor een groot deel van de toekomstige warmtevoorziening is aangewezen op omgevingswarmte van lage temperatuur (uit met name lucht en water, in combinatie met opslag in de bodem). Om deze beperkt beschikbare bronnen te verdelen bevat het Warmteprogramma een bronnenstrategie voor de inzet van de beschikbare warmte en de toedeling daarvan aan wijken. Hierbij wordt naast de beschikbaarheid van warmte ook gekeken naar factoren zoals ondergronds en bovengronds ruimtebeslag, benodigde infrastructuur en de invloed op netcongestie. Ook wordt de visie op het organiseren van collectieve warmteoplossingen en de rolneming van de gemeente uitgewerkt voor het project Warmte uit de rioolzuivering Anna’s Hoeve, met een doorkijk naar de hele gemeente. In deze Richtinggevende notitie Warmteprogramma worden de uitgangspunten en criteria beschreven die richting geven aan de keuzes die gemaakt worden in het Warmteprogramma. Tegelijk geldt dat niet alle toekomstige ontwikkelingen nu al bekend zijn. Zowel bij het opstellen van het Warmteprogramma als daarna bij de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving, zullen we blijven anticiperen op nieuwe ontwikkelingen In eerdere informatie van de Rijksoverheid is het jaartal 2026 gecommuniceerd. Deze datum is één jaar verschoven.

Restwarmtebronnen waarmee een leidingnet op 70 graden gevoed kan worden zoals een afvalverbrandingsinstallatie of een raffinaderij. 3 Geothermie, warmte uit de diepe ondergrond. Zoals eind 2022 met de raad gedeeld, blijkt dat de potentie van deze warmtebron onvoldoende is voor inzet voor de transitie van de gebouwde omgeving in Hilversum. 1 2

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

3

zoals nieuwe technische en financiële mogelijkheden. Als het hiervoor nodig is door de raad vastgestelde kaders te wijzigen, worden deze wijzigingen aan de raad voorgelegd. In de ontwikkeling van deze uitgangspunten en criteria en in het opstellen van het Warmteprogramma wordt nauw samengewerkt met de gemeente Wijdemeren, zodat zoveel als mogelijk inhoudelijk en procesmatig dezelfde keuzes worden gemaakt.

Doel Het doel van deze richtinggevende notitie Warmteprogramma is het beschrijven van de uitgangspunten en criteria die gehanteerd worden bij het opstellen van het Warmteprogramma. Met deze uitgangspunten en criteria worden de keuzes gemaakt voor het invullen van het Warmteprogramma, zoals de keus voor het voorkeursalternatief voor aardgas en het invullen van de gemeentelijke rol in collectieve warmteoplossingen. Enerzijds kan de gemeenteraad met het vaststellen van deze notitie invloed uitoefenen op de koers en inhoud van het Warmteprogramma. Anderzijds is deze notitie het vertrekpunt voor afstemming met de doelgroepen en samenwerkingspartners van het Warmteprogramma, zoals inwoners, bedrijven, woningcorporaties en partijen in de warmteketen. Deze richtinggevende notitie vormt het inhoudelijke en bestuurlijke fundament voor het vervolgtraject in de totstandkoming van het Warmteprogramma. De uitgangspunten en criteria bieden houvast bij het maken van keuzes over strategie, techniek, fasering en samenwerking voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving van Hilversum. Het vaststellen van het Warmteprogramma is een collegebevoegdheid. Met het vaststellen van deze notitie wordt de raad in staat gesteld om sturing te geven aan de inhoudelijke keuzes in het Warmteprogramma.

Procesdoorloop We staan nu aan het begin van het proces om een Warmteprogramma op te stellen. Deze richtinggevende notitie geeft sturing aan de keuzes in het Warmteprogramma. In het Warmteprogramma wordt in hoofdlijn aangegeven met welke warmteoplossing gebieden in de toekomst aardgasvrij zullen worden. Vervolgens vullen de zogenaamde Uitvoeringsplannen dit per gebied4 verder in, waarmee deze Uitvoeringsplannen ook bouwstenen zijn voor de gebiedsagenda’s. In elke fase betrekken we inwoners en samenwerkingspartners bij de planvorming. Waarbij de inhoud steeds concreter wordt, van de richtinggevende uitspraken in deze notitie tot de uitwerking in de gebiedsgerichte Uitvoeringsplannen. Nu

2027

Richtinggevende kaders Warmteprogramma

Warmteprogramma

Wijkuitvoeringsplannen

Richting: Waarop worden keuzes in Warmteprogramma gemaakt

Hoofdlijn: Welke oplossing komt waar Wie neemt welke rol

Uitwerking: Hoe organiseren Hoe financieren Technisch ontwerp

4

2028 e.v

In deze notitie wordt een aantal keer gesproken van een gebiedsgericht Uitvoeringsplan of gebiedsgerichte uitwerking. Een gebied betreft

in deze gevallen een geografische afbakening, waarin vanwege ruimtelijke samenhang en/of overeenkomende gebouwtypologie voor één proces wordt gekozen. Dat kan één wijk zijn, maar het kan ook een aantal wijken of buurten samen zijn of bijvoorbeeld (na de samenvoeging) een dorpskern.

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

4

Richtinggevende uitgangspunten en criteria Warmteprogramma Ten tijde van het opstellen van de Transitievisie Warmte in 2021 waren de kaders voor het organiseren van collectieve warmteoplossingen nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Hierom is in de Transitievisie Warmte een generieke aanpak gekozen om individuele woningeigenaren te ondersteunen bij het stapsgewijs verduurzamen van hun woning. In de Transitievisie Warmte is er geen gebiedsgerichte uitwerking gemaakt van de verwachte aardgasvrij oplossing. In het Warmteprogramma zullen we deze gebiedsgerichte uitwerking wel maken. In het Warmteprogramma zijn daardoor collectieve warmteoplossingen wel in beeld. Hierdoor is het ook nodig om in het Warmteprogramma te beschrijven hoe de gemeente de realisatie van dergelijke collectieve oplossingen wil organiseren. In de Omgevingsvisie zijn door de raad een aantal doelen gesteld, ten aanzien van het energiesysteem van Hilversum. Zo is als doel opgenomen om de overgang naar een voor iedereen toegankelijk systeem van duurzame energie te versnellen en te intensiveren, is uitgesproken dat Hilversum binnen één generatie fossielvrij zal zijn en is de ambitie opgenomen om bij ruimtelijke ontwikkelingen voor het energiesysteem “werk met werk” te maken door slimme koppelingen met de omliggende bebouwing te realiseren.

Hieronder worden achtereenvolgens de Uitgangspunten voor het Warmteprogramma en de Criteria waarmee zo mogelijk ook rekening gehouden wordt, beschreven. Deze uitgangspunten en criteria zijn opgesteld in afstemming met de regiogemeenten, zodat de data-analist die voor de regiogemeenten gezamenlijk analyses voor de energietransitie uitvoert, zo veel mogelijk op gelijke basis de analyses kan uitvoeren. Voor Wijdemeren wordt parallel een inhoudelijk zoveel mogelijk gelijkluidend voorstel voor te hanteren uitgangspunten vastgesteld. Zoals in de tabel “bestuurlijke planning” in de bijlage weergegeven, zullen de concept-Warmteprogramma’s van Hilversum en Wijdemeren in 2027 worden samengevoegd en in één proces worden vastgesteld.

Uitgangspunten voor het Warmteprogramma In deze paragraaf worden de uitgangspunten voor het Warmteprogramma beschreven. Dit betreffen voorwaarden waarvan de vraag of hier aan voldaan wordt met ja of nee kan worden beantwoord, zoals is een warmte-alternatief betaalbaar en betrouwbaar en of er gebieden worden aangewezen waar de gaskraan eerder dan 2050 dicht gaat.

Techniekkeuze, het voorkeursalternatief voor aardgas Om het voorkeursalternatief voor aardgas in een gebied te bepalen worden verschillende aspecten betrokken. Het alternatief moet bijvoorbeeld betaalbaar zijn voor de eindgebruiker en voor de samenleving als geheel, maar het moet ook betrouwbaar zijn en met het alternatief moet het mogelijk zijn om voor iedereen een oplossing te bieden. In essentie is er per wijk of buurt één hoofdkeuze te maken, namelijk de keus tussen een collectieve en een individuele oplossing. De belangrijkste individuele oplossing om aardgas te vervangen is een warmtepomp per woning, verbonden met zijn eigen individuele warmtebron, zoals een bodemlus of een buitenunit. Bij een collectieve oplossing wordt er gebruik gemaakt van een gezamenlijke infrastructuur om warmte bij de woningen te brengen, een warmtenet5. Binnen de beide hoofdkeuzes zijn er nog uitwerkingen die voor een groot deel na

5

Er bestaan warmtenetten op verschillende temperatuurniveaus, variërend van een zogenaamd Bronnet of Zeer Lage Temperatuur (ZLT) net

op 15 graden tot industriële stoomnetten op temperaturen boven de 100 graden. Door de afwezigheid van warmtebronnen met een hoge temperatuur, zijn de mogelijkheden voor warmtenetten waarschijnlijk beperkt tot netten met een relatief lage aanvoertemperatuur.

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

5

het vaststellen van het Warmteprogramma, in de uitwerking in de gebiedsgerichte Uitvoeringsplannen, zullen volgen. Voor de techniekkeus gelden de volgende uitgangspunten: 1. De warmtevoorziening is betrouwbaar Het aardgasvrij alternatief moet betrouwbaar zijn. De leveringszekerheid moet geborgd zijn. Onderdeel hiervan is ook dat het systeem toekomstbestendig is, er mag geen sprake zijn van een structurele uitputting waardoor het systeem in de toekomst niet meer goed functioneert. In de analyses ten behoeve van de te maken keuzes wordt ook naar de robuustheid van de oplossing onder veranderende omstandigheden gekeken. 2. De warmtevoorziening is betaalbaar Het aardgasvrij alternatief moet betaalbaar zijn, zowel vanuit het perspectief van de eindgebruiker / bewoner als vanuit het perspectief van de samenleving als geheel. In principe heeft het alternatief met de “laagste nationale kosten”6 de voorkeur. Het alternatief met de laagste nationale kosten heeft niet altijd automatisch ook de laagste “eindgebruikerskosten”. Het Rijk ontwikkelt financieel instrumentarium, waaronder subsidies, om ervoor te zorgen dat het alternatief met de laagste Nationale kosten, ook het alternatief is met de laagste kosten voor de aangesloten bewoners. Uit de ervaring in De Meent blijkt dat bewoners vooral kijken naar wat de overstap betekent voor hun maandlasten.

Wanneer het alternatief met de laagste Nationale kosten, zo nodig met een beroep op door het Rijk geboden regelingen, ook het initiatief is met de laagste kosten voor de bewoners, wordt dat alternatief gekozen. De invulling van deze randvoorwaarden door het Rijk is dus noodzakelijk en voorwaardelijk om het Warmteprogramma uit te voeren. Bij de uitwerking in Uitvoeringsplannen is betaalbaarheid voor de eindgebruiker ook een belangrijk aandachtspunt. Voor gebieden waar een collectieve oplossing als voorkeursalternatief wordt aangewezen, geeft de rolneming van de gemeente in de organisatie van deze collectieve warmteoplossing ook handvatten om invloed op de betaalbaarheid van alternatieven voor aardgas uit te oefenen. 3. Iedereen kan mee Met het gekozen voorkeursalternatief voor een gebied moeten alle gebouwen in dat gebied tegen aanvaardbare kosten aardgasvrij kunnen worden. Voor bebouwing die van de gebiedstypologie afwijkt, geldt dat deze ofwel in het voorkeursalternatief past ofwel voldoende perspectief heeft om op een andere manier aardgasvrij te worden. In alle te maken keuzes dragen we de zorg dat iedereen vroeg of laat de stap naar aardgasvrij kan maken.

Uitgangspunten ten aanzien van gemeentelijke rolneming De Wet Collectieve Warmte stelt regels voor hoe collectieve warmteprojecten worden georganiseerd. Eén van de belangrijkste zaken die in deze wet wordt geregeld is dat warmteprojecten met meer dan 1500 aangesloten woningen altijd door een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang moeten worden geëxploiteerd. Dit betekent dat de gemeente moet weten hoe ze haar rol in wil vullen in het organiseren van deze projecten. Publieke rolneming en warmtebedrijforganisatie Nu

6

2027

2028 e.v

Publieke waarden en waarop sturen

Kaders voor de organisatievorm

Opgericht Warmtebedrijf dat projecten realiseert

Welke waardenwillen we beschermen en wat is daarvoor nodig quarolneming

Welke keuzes maakt de gemeente over haar rol in een publiek warmtebedrijf

Laagste Nationale Kosten: Het alternatief met de laagste nationale kosten heeft, wanneer alle (vermeden) kosten van alle actoren worden

opgeteld, de laagste totale kosten. Hierin zijn naast directe systeemkosten en investeringen in isolatie, ook kosten voor bijvoorbeeld netverzwaring opgenomen.

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

6

4. Sturing op publieke waarden In de organisatie van collectieve warmteprojecten is het belangrijk dat de gemeente kan sturen op de voor de gemeente belangrijke publieke waarden. In ieder geval wil de gemeente sturing kunnen geven op de volgende onderwerpen: • Eindgebruikerskosten en nationale kosten • Duurzaamheid van de bron en het net • Ruimtelijke inpassing • Rol in de warmtevoorziening ten behoeve van gebiedsontwikkelingen De rolneming is er op gericht om sturing op deze onderwerpen mogelijk te maken. 5. Eén publieke entiteit als warmtebedrijf De gemeente kiest in overeenstemming met de Wet Collectieve Warmte (WCW) voor een warmtebedrijf waarin publieke partijen de meerderheid van de zeggenschap hebben. Hiermee blijven publieke belangen leidend in de ontwikkeling en exploitatie van het warmtesysteem. Daarbij wordt gekozen om met één warmtebedrijf voor het grondgebied van Hilversum invulling te geven aan de collectieve warmtesystemen. Dit betreft in ieder geval de projecten die volgens de WCW door een publiek warmtebedrijf bediend moeten worden. Projecten met minder dan 1500 aansluitingen, zoals de straatprojecten in de proeftuin Hilversumse Meent kunnen eventueel ook door een privaat warmtebedrijf bediend worden.

Het publieke warmtebedrijf hoeft niet per se Hilversums te zijn, het kan ook een bovenlokale entiteit zijn, als daarbinnen de Hilversumse belangen goed geborgd zijn. Door te kiezen voor één entiteit voor het Hilversumse grondgebied wordt versnippering voorkomen. Ook kunnen met één publiek warmtebedrijf voor het gehele grondgebied, afspraken gemaakt worden over koppelkansen bij nieuwbouwontwikkelingen in een omgeving waar een warmtenet voorzien is. 6. Inzet van financieel instrumentarium door de gemeente Uitgangspunt is dat de gemeente het huidige ondersteuningsaanbod voor inwoners continueert, mits het Rijk de fondsen daarvoor ook continueert. Wel wordt het aanbod indien nodig doorontwikkeld, om aan te sluiten op de inzichten uit het Warmteprogramma. 7. Instrumentarium om aardgasvrij gebieden aan te wijzen, de Aanwijsbevoegdheid In 2050 stopt in heel Nederland de distributie van aardgas voor verwarming van gebouwen. Gemeenten hebben met de Wet Gemeentelijk Instrumentarium Warmtetransitie een instrument om gebieden aan te wijzen waar de levering van aardgas eerder dan in 2050 stopt. Dit instrument is de zogenaamde Aanwijsbevoegdheid.

Toepassing van de Aanwijsbevoegdheid is aan procesvereisten gebonden en kan alleen wanneer aan voorwaarden wordt voldaan zoals het vanuit de gemeente organiseren van de beschikbaarheid van een alternatief en waarborgen voor de betaalbaarheid voor de inwoners. Om de Aanwijsbevoegdheid in te zetten en tot beëindiging van aardgaslevering te komen, worden een aantal stappen doorlopen: Aankondiging van het voornemen om de aanwijsbevoegdheid in te zetten in Jaar X het Warmteprogramma Vaststelling van het Uitvoeringsplan met een aardgasvrij alternatief dat Circa 3 jaar na jaar X voldoet aan de wettelijke voorwaarden Opname van het verbod op het gebruik van aardgas in het Omgevingsplan Volgend op vaststelling Uitvoeringsplan Realisatie / uitrol van het aardgasvrij alternatief Volgend op vaststelling Uitvoeringsplan Beëindiging van de aardgaslevering door de netbeheerder Niet eerder dan 8 jaar na jaar X In bovenstaand schema is er een wettelijke termijn van minimaal 8 jaar tussen vaststelling van het Warmteprogramma en de daadwerkelijke beëindiging van de aardgaslevering. Daarnaast is er sprake van een overgangstermijn tussen verankering in het Omgevingsplan en beëindiging gaslevering, waarvoor in de regel zo’n 2 à 3 jaar wordt aangehouden.

De business case voor collectieve oplossingen wordt beïnvloed door het tempo waarin aansluitingen op het warmtenet worden gerealiseerd (het zogenoemde vollooptempo) en de uiteindelijk te realiseren deelname aan

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

7

het collectief. Het is een doel van het warmteprogramma om tot oplossingen te komen die voor de gemeenschap als geheel tot een haalbare en betaalbare warmtetransitie leiden. Daarmee is het belangrijk om instrumenten te kunnen inzetten waarmee het vollooptempo en de deelname aan het collectief kunnen worden beïnvloed. Om te bepalen en te onderbouwen welke instrumenten nodig zijn voor een realiseerbaar project, is verdere invulling in de gebiedsgerichte uitvoeringsfase nodig. Daarom kiezen we nu bij het opstellen van het Warmteprogramma om deze aanwijsbevoegdheid nog niet toe te passen. In de uitwerking van het project Warmte uit de rioolzuivering Anna’s hoeve in een Uitvoeringsplan, wordt onderzocht welk instrumentarium nodig is om tot uitvoering te kunnen komen. Indien de Aanwijsbevoegdheid deel is van het benodigde instrumentarium, dan zal het Warmteprogramma aangepast moeten worden. Aangezien dat ook een afwijking betreft van deze door de raad vastgestelde uitgangspunten, zal dan ook een wijziging van deze uitgangspunten aan de raad worden voorgesteld.

Uitgangspunt tijdlijn 8. Wanneer is de Hilversumse gebouwde omgeving aardgasvrij Het Warmteprogramma is er op gericht om een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050 bereikt te hebben. Hoewel 2050 nog ver weg lijkt, is de opgave om aardgasvrij te worden dusdanig omvangrijk, dat ook aardgasvrij in 2050 een uitdagende opgave is. Met aardgasvrij in 2050 wordt aangesloten op de ambitie in de Omgevingsvisie, fossielvrij in één generatie. Ook sluit dit aan op de landelijke lijn, zoals afgesproken in het Nationaal Klimaatakkoord. De uitwerking van de volgorde van de gebieden en indicatieve planning in de tijd volgt in het Warmteprogramma.

Uitgangspunt participatie bij tot stand komen Warmteprogramma 9. Participatie & Communicatie – mate van betrokkenheid bewoners en stakeholders De inwonerbetrokkenheid bij de warmtetransitie neemt toe met de tijd, van laag in de huidige fase bij abstracte uitgangspunten, naar hoog in de fase van uitrol in een wijk (wat betekent dit voor mij in mijn woning en voor mijn woonlasten). Daarom kiezen we ervoor om het Warmteprogramma in twee rondes te bespreken met georganiseerde inwonersgroepen, zoals wijk- en buurtorganisaties, huurders belangenorganisaties, energiecoöperaties, Hilversum 100 etc. In de eerste ronde bespreken we deze richtinggevende notitie en in de tweede ronde het concept Warmteprogramma. Daarnaast kunnen individuele bewoners via een reactieformulier hun inbreng delen. Bedrijven, woningcorporaties, de netbeheerder en andere institutionele doelgroepen worden op maat betrokken. Nadat het Warmteprogramma is vastgesteld volgt voor de gebiedsgerichte uitwerking in Uitvoeringsplannen opnieuw een participatieproces. In het Warmteprogramma wordt beschreven op welke manier de gemeente deze participatie wil vormgeven.

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

8

Criteria voor het Warmteprogramma In deze paragraaf worden de criteria beschreven waarmee zo mogelijk rekening wordt gehouden bij de keuzes in het Warmteprogramma. Deze criteria gelden dus minder absoluut dan de uitgangspunten.

Techniekkeuze, het voorkeursalternatief voor aardgas Voor de techniekkeus gelden de volgende criteria: 1. Ruimtelijke impact De gekozen oplossing heeft een zekere ruimtelijke impact, denk aan ondergrondse leidingen, onder- en bovengrondse pompkasten, transformatorruimtes, benodigde installaties in de woningen etc. Met deze impact in de openbare ruimte (ondergronds en bovengronds) en in de woning wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden. 2. Impact op stroomnet en netcongestie Sommige aardgasvrij alternatieven hebben een grotere invloed op netbelasting dan andere. Doordat er in Hilversum geen hoge temperatuur warmtebronnen beschikbaar zijn, zullen de Hilversumse aardgasvrij alternatieven naar verwachting een hogere netbelasting hebben dan met gebruik van aardgas. De prognoses van netbeheerder Liander voor de uitbreiding van het stroomnet, houden al rekening met deze stijging van de elektriciteitsvraag ten behoeve van de warmtetransitie. Indien mogelijk wordt de oplossing gekozen met de laagste impact op het stroomnet. Tijdens de gebiedsgerichte uitwerking na het vaststellen van het Warmteprogramma, kunnen er in het ontwerp en de engineering nog netontlastende keuzes gemaakt worden, zoals het optimaliseren van seizoensopslag. Ook is de relatie met de investeringsplanning van de netbeheerder van belang bij het bepalen van het tijdpad.

Wanneer er voor de uitvoeringsfase eerst netverzwaring nodig is, wordt hiermee rekening gehouden bij de planning in de tijd. 3. Draagvlak De gekozen oplossing zal bij realisatie op voldoende draagvlak moeten kunnen rekenen, om tot realisatie te kunnen komen. Dit aspect is met name geborgd door aandacht voor de betaalbaarheid, ruimtelijke inpasbaarheid, uitvoerbaarheid en de keus om verbranding van houtachtige biomassa niet toe te passen. Voor gebieden waar een individuele all-electric oplossing met warmtepompen wordt voorgesteld, zal een verkenning van de cumulatieve geluidseffecten worden gemaakt bij toepassing van warmtepompen met zogenaamde buitenunits. Op deze manier wordt zoveel mogelijk voorkomen dat gekozen oplossingen op weerstand stuiten. In de op dit Warmteprogramma volgende gebiedsgerichte uitvoeringsplannen, worden in een participatieaanpak de bewoners en gebruikers van het gebied betrokken en in staat gesteld om invloed op de planvorming en uitvoering te hebben.

Criteria ten aanzien van de rolneming in collectieve warmte 4. Rol energiegemeenschappen Lokaal eigendom en inwonerbetrokkenheid worden in het algemeen gezien als goed voor het draagvlak van de energietransitie. Tegelijk geldt dat de complexiteit, kapitaalintensiviteit en de risico’s van warmteprojecten, van een andere orde is dan bij het realiseren van een collectief zonnedak. Indien in een gebied een sterke kans is voor inwonersparticipatie in de organisatie en/of het eigendom van een warmteproject, dan wordt gekeken hoe dit op projectniveau ingevuld kan worden, met voldoende garanties voor een toekomstbestendig project. 5. Financiële gevolgen van deelneming in een publiek warmtebedrijf De Wet Collectieve Warmte stelt dat warmtenetten met meer dan 1500 aansluitingen een publiek meerderheidsbelang moeten hebben. Voor een substantieel deel van de bebouwde kom van Hilversum geldt dat er naar verwachting een dergelijk warmtenet komt en dat hier de grens van 1500 aansluitingen ruim wordt overschreden. Daarmee is er een te verwachten rol voor een dergelijk publiek warmtebedrijf. De drie grote publieke netbeheerders Liander, Stedin en Enexis hebben aangegeven hier een rol in te kunnen spelen als uitvoeringsorganisatie en als aandeelhouder, voor gemeenten in hun verzorgingsgebied.

“Onze” netbeheerder Liander heeft hiervoor dochter Firan opgericht, die deze uitvoeringstaak kan invullen. Het voorgestelde model is dat er lokaal of met meerdere gemeenten samen een warmtebedrijf wordt opgericht waarin naast de gemeente en de netbeheerder ook Energie Beheer Nederland (EBN, een staatsdeelneming) deel neemt. Van de gemeente

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

9

wordt een aandeel verwacht variërend van een klein symbolisch deel tot een meerderheidsaandeel. Er zijn ook voorbeelden van 100% gemeentelijk aandeel, zoals in Purmerend, Veenendaal en Groningen. Er is een samenhang tussen de rol die de gemeente hierin neemt, de business case van warmteprojecten en de door de gemeente te maken beleidsmatige keuzes. In de verdere uitwerking van het Warmteprogramma wordt onderzocht hoe de gemeentelijke rol kan worden ingevuld om deze publieke doelen te realiseren en welke financiële consequenties en risico’s dat heeft. Hierin zijn nog allerlei keuzes te maken ten aanzien van de financiële strategie van het Warmtebedrijf. Het gaat daarbij niet alleen over de aandelenverhouding in het Warmtebedrijf, maar bijvoorbeeld ook over de verhouding eigen versus vreemd vermogen. De Wet Collectieve Warmte is er, met de zogenaamde “Kostprijs-plus”benadering op gericht dat er een reëel rendement gerealiseerd wordt. Tegelijk worden er regels gesteld voor de waardering van assets en de berekening van de kosten waarop de kosten en dus de warmtetarieven worden gebaseerd. Deze regels dwingen ook om tarieven te verlagen wanneer er een hoger rendement dan toegestaan wordt gerealiseerd. Parallel ontwikkelt het Rijk niet alleen regelgeving, maar ook subsidieregelingen die ervoor moeten zorgen dat de benodigde warmtetarieven voor de eindgebruikers betaalbaar zijn.

Hiermee wordt zowel tegemoetgekomen aan de noodzaak voor een voor de inwoners betaalbare transitie als aan de noodzaak om een gezond publiek rendement mogelijk te maken in de warmtebedrijven. Om een gedegen onderbouwde keus te maken is nadere verkenning nodig en onderzoeken we verschillende varianten om zo van de verschillende mogelijkheden ook de kansen en risico’s in beeld te hebben. Wij zullen deze informatie betrekken bij de te ontwikkelen voorstellen voor de raad hierover. De mate waarin het mogelijk is om te sturen op de eerder genoemde uitgangspunten worden in relatie tot de financiële impact beoordeeld in de verdere uitwerking. De raad is in positie om hier invloed op uit te oefenen, vanuit haar budgetrecht en de verplichte positieve advisering over deelnemingen. Zoals in het hoofdstuk Vervolg benoemd, wordt dit in eerste instantie voor het project Warmte uit de rioolzuivering Anna’s Hoeve uitgewerkt, met een doorkijk naar de rol voor heel Hilversum. Eerst zullen we in 2026 in het ontwerp Warmteprogramma verder invulling geven aan de koers en strategie voor het organiseren van het Warmtebedrijf. In 2027 komen we vervolgens met voorstellen voor deelneming in een warmtebedrijf en de daarbij behorende financiële voorstellen.

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

10

Vervolg In gesprek met inwoners, bedrijven, woningcorporaties en partners in de warmteketen worden de uitgangspunten en criteria in deze Richtinggevende notitie getoetst. Indien uit deze dialoog blijkt dat voor het vaststellen van het Warmteprogramma aanpassing nodig is van deze uitgangspunten, worden deze aanpassingen ter vaststelling aan de raad voorgesteld. Deze notitie wordt verder als kader gebruikt voor het opstellen van het Warmteprogramma. Het concept Warmteprogramma wordt in een technische sessie teruggekoppeld aan de raad. In het Warmteprogramma zullen we de gemaakte keuzes verantwoorden en toelichten. Na het vaststellen van het Warmteprogramma volgt nog weer verdere uitwerking in gebiedsgerichte Uitvoeringsplannen. Voor een deel van Hilversum zal een Publiek Warmtebedrijf met deelneming van de gemeente collectieve warmteprojecten gaan realiseren. De invulling hiervan wordt voor het project Warmte uit de rioolzuivering Anna’s Hoeve, vormgegeven met een doorkijk naar de opgave voor heel Hilversum. De organisatorische en financiële uitwerking zijn hiermee deel van dit project. De raad is in deze fases weer aan zet waar het haar bevoegdheden betreft zoals budgetrecht, instemmen met deelneming in een vennootschap en indien van toepassing wijzigen van het Omgevingsplan.

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

11

Bijlagen 1, Juridisch kader Wet Gemeentelijk Instrumentarium Warmtetransitie Het wettelijk kader dat verplicht tot het opstellen van het Warmteprogramma wordt gevormd door de Wet Gemeentelijk Instrumentarium Warmtetransitie (WGIW). Dit kader verplicht tot het opstellen en vaststellen van het Warmteprogramma uiterlijk in 2027. Vervolgens dient het Warmteprogramma elke 5 jaar geactualiseerd te worden. De WGIW is ook de wet die de gemeente in staat stelt om gebieden aan te wijzen waar eerder dan in 2050 de levering van aardgas stopt, de zogenoemde Aanwijsbevoegdheid. De WGIW stelt verplicht om in het Warmteprogramma op te nemen in welke gebieden de gemeente voornemens is om deze Aanwijsbevoegdheid in te zetten. In het bij de WGIW horende Besluit Gemeentelijk Instrumentarium (BGIW) wordt invulling gegeven aan vereisten op het gebied van onder meer de betaalbaarheid van het aardgasvrij alternatief. De WGIW is op 23 april 2024 aangenomen in de Tweede Kamer en op 10 december 2024 in de Eerste Kamer. De wet treedt gefaseerd in werking. Een eerste onderdeel is in werking getreden op 1 januari 2025. De rest van de WGIW treedt naar verwachting per 1 juli 2026 in werking. Het ontwerp BGIW gaat nog voor advies naar de Raad van State. Verwachte inwerkingtreding is medio 2026.

Daarnaast worden nog wetgevingsdetails uitgewerkt in een Ministeriele Regeling, met name ten aanzien van instructieregels die de betaalbaarheid waarborgen. Wet Collectieve Warmte De Wet Collectieve Warmte (WCW) regelt de marktordening voor warmtelevering aan huishoudens. In deze wet is onder meer bepaald dat warmteprojecten met meer dan 1500 woningaansluitingen een publiek meerderheidsaandeel hebben. Ook wordt in nog nader uit te werken regelingen het zogenaamde Kostprijs+ model uitgewerkt, waarin de bepaald wordt wat maximale tarieven zijn voor warmtelevering, gebaseerd op de projectkosten. Nadat De Tweede Kamer afgelopen zomer in stemde, stemde ook De Eerste Kamer op 9 december 2025 in met deze wet. De WCW treedt naar verwachting vanaf medio 2026 gefaseerd in werking.

2, Bestuurlijke planning Raadsbesluit Richtinggevende notitie Warmteprogramma

4 maart 2026

Terugkoppeling naar de raad in een technische sessie

juni 2026

Collegebesluit Ontwerp Warmteprogramma Hilversum

september 2026

Samenvoeging met Wijdemeren, doorlopen Plan MER en zienswijze procedure Vaststelling Warmteprogramma samengevoegde gemeente

juni 2027

3, Relatie raadsmotie: Verkenning Small Modular Reactor (SMR) (M25-105) De verkenning waarmee uitvoering wordt gegeven aan deze motie, loopt parallel aan het opstellen van het concept Warmteprogramma. Indien deze verkenning leidt tot inzichten die aanleiding zijn om tot een andere invulling van het Warmteprogramma te komen, dan biedt de periode tussen vaststelling van het concept Warmteprogramma en de vaststelling van het Warmteprogramma voor de samengevoegde gemeente in 2027, nog tijd om deze inzichten te verwerken.

Richtinggevende notitie Warmteprogramma (1921681 / H. Boer)

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=7984c9a9-f9cd-4a04-a4d6-c547eb31704b