BIJL 1 Beeldkwaliteitsplan Bruisend Hart
Tekst van het document
Beeldkwaliteitsplan Bruisend Hart
maart 2025
Inhoudsopgave
25 maart 2025 Dit beeldkwaliteitsplan is een product van: De Gemeente Hilversum Beeldkwaliteit openbare ruimte: Lotte van Oevelen Beeldkwaliteit gebouwen: Jasper Brus Projectleider: Rob van den Boer Advies culturueel erfgoed: Marcel van Winsen (Contrei) & Noor Mens, Annette Koenders, Friederike Hensch Advies openbare ruimte en verkeer: Daniël Grootendorst, Patrick Velt, Casper Hertoge Stedenbouwkundig plan: Djacco van den Bosch, Fiona Sinoo, Marijn Burger Omgevingsplan: Rogier Kersten, Antea Group Supervisie: Wim Voogt
2
1. Inleiding
4
1.1. Doel van het beeldkwaliteitsplan 1.2. Beeldkwaliteitsplan als uitwerking van het stedenbouwkundig plan 1.3. Relatie beeldkwaliteitsplan en welstandsnota 1.4. Welstandstoetsing en supervisie 1.5. Relatie beeldkwaliteitsplan en omgevingsplan 1.6. Leeswijzer
4 4 6 7 7 7
2. Context
8
2.1. Ligging in Hilversum 2.2. Historische gelaagdheid 2.3. Waardestelling cultuurhistorische verkenning 2.4. Aanbevelingen van de cultuurhistorische verkenning
8 9 10 12
3. Stedenbouwkundige opzet en uitgangspunten voor beeldkwaliteit
14
3.1. Stedenbouwkundig plan 3.2. De nieuwe brink 3.3. Algemene uitgangspunten openbare ruimte 3.4. Algemene uitgangspunten gebouwen 3.5. Verfijningen van het stedenbouwkundig plan
14 14 14 16 17
4. Openbare ruimte
20
5. Beeldkwaliteit gebouwen
28
6. Criteria en regels voor specifieke gebouwen
38
6.1. Gebouw A & B 6.2. Gebouw C - Aan de Larenseweg 6.3. Gebouw D - Uitspanning
38 44 48
7. Objectcriteria
50
Begrippenlijst52 Bronnen53
3
1. Inleiding 1.1. Doel van het beeldkwaliteitsplan Voor u ligt het beeldkwaliteitsplan (BKP) voor de ontwikkeling van het project ‘Bruisend Hart’. Dit beeldkwaliteitsplan is een verdere uitwerking van het Stedenbouwkundig plan Bruisend Hart (SP). Dat SP is op 15 mei 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. Het BKP stelt uitgangspunten, criteria en regels voor de uitwerking van de gebouwen. Daarnaast geeft het uitgangspunten voor de uitwerking van de openbare ruimte. Ontwikkelaars, de gemeente, architecten en andere betrokken ontwerpers moeten zich houden aan deze voorwaarden en regels. Hierdoor kunnen de ambities en uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan op een ruimtelijk samenhangende manier worden gerealiseerd. Het BKP is enerzijds een kader waaraan ontwikkelingen moeten voldoen en is anderzijds inspirerend. Het BKP is na vaststelling door de gemeenteraad het welstandskader voor het gebied Bruisend Hart en als beleidsregel gekoppeld aan het omgevingsplan.
1.2. Beeldkwaliteitsplan als uitwerking van het stedenbouwkundig plan
De belangrijkste onderdelen van het SP zijn: • het tweezijdige Stationshart; • een groene ruimte voor de stad en de buurt; • ruimte voor verschillende functies die het gebied levendig maken.
In 2019 stelden bewoners, ontwikkelende partijen, maatschappelijke organisaties en overheden samen een gebiedsagenda op voor de wijk 1221. Eén van de ambities uit deze gebiedsagenda is om de omgeving van het huidige Oosterspoorplein te ontwikkelen tot een centrale ontmoetingsplek van de wijk: een ‘Bruisend Hart’. Voortbouwend op deze ambitie heeft de gemeente in 2022 de structuurvisie ‘Bruisend Hart’ opgesteld, die een toekomstvisie geeft voor de plek.
verbeterpunt was: zorg voor een goede inpassing van historische structuren en gebouwen en zorg voor een openbare ruimte met een helder centraal idee en een duidelijke vorm. Bij het opstellen van dit beeldkwaliteitsplan is rekening gehouden met deze verbeterpunten. Om cultureel erfgoed en monumenten steviger te verankeren in het beeldkwaliteitsplan is een een aanvullend cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd. Voortbouwend op de aanbevelingen uit dit onderzoek zijn uitgangspunten opgesteld voor de architectuur en openbare ruimte, zodat deze goed bij het historische karakter van de plek passen en de openbare ruimte een duidelijke vorm krijgt. Ook zijn er zijn enkele verfijningen aangebracht in de ruimtelijke vormgeving van het plan. Het cultuurhistorisch onderzoek is te vinden in de bijlagen bij dit BKP.
Het stedenbouwkundig plan benoemt binnen het gebied twee plekken (aandachtsgebieden) die in de verdere uitwerking extra aandacht verdienen: 1. 2.
Vervolgens stelde het SP voorwaarden aan de ontwikkeling zodat het Bruisend Hart een prettig en levendig gebied wordt voor iedereen. Een plek om te wonen, te werken en te ontmoeten. Een plek die wandelend of te fiets goed bereikbaar is en die uitnodigt om een drankje te drinken of een buurtwinkel te bezoeken. Ook is deze plek nauw verbonden met het station. Het wordt ingericht voor de reiziger die vanaf hier de trein pakt of aankomt in Hilversum.
de kruising van de Kleine Drift met de Zuiderweg; de relatie tussen het stationsgebouw en de bestaande monumentale gebouwen aan de Larenseweg.
De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit & Monumenten (CRK&M) heeft in haar advies op het SP diverse aandachts- en verbeterpunten gegeven. Het belangrijkste
C
D A
C D
A B
B
13
Bruisend Hart in Gebiedsagenda 1221 (2019). "Leefbaarheid, ontmoeten en spelen: Bruisend hart voor de wijk ontwikkelen.:"
4
Toekomstbeeld uit structuurvisie Bruisend Hart (2022)
Belangrijkste onderdelen stedenbouwkundig plan Bruisend Hart (2024)
5
1.3. Relatie beeldkwaliteitsplan en welstandsnota Het welstandsbeleid ligt op dit moment vast in de Herziene Welstandsnota 2022. Het plangebied van Bruisend Hart ligt in het welstandsgebied ‘Het Gegroeide Dorp – Over ’t Spoor’. Maar de uitgangspunten en criteria van de huidige welstandsnota passen niet bij de opgave van Bruisend Hart. Daarom is dit beeldkwaliteitsplan na vaststelling door de gemeenteraad een aanvulling op welstandsbeleid. Het project Bruisend Hart ligt centraal in 1221 en maakt tegelijkertijd deel uit van de ontwikkeling van het Stationsgebied aan beide zijden van het spoor. Voor het Stationsgebied aan de centrumzijde van het spoor is al een BKP opgesteld. Echter houden het SP en BKP aan de centrumzijde minder rekening met het specifieke karakter van Hilversum Oost en de wijk 1221. Daarom is voor Bruisend Hart een apart BKP gemaakt. Bij vaststelling geldt het BKP voor het werkingsgebied van het Omgevingsplan Bruisend Hart (rode lijn). Bij de besluitvorming over het stedenbouwkundig plan (2024) is gevraagd om het beeldkwaliteitsplan ook op te stellen voor de bebouwing aan de Zuiderweg. Deze komt namelijk aan de zelfde openbare ruimte te liggen. Ook zijn twee plekken geïdentificeerd die ruimtelijk deel uitmaken van het gebied: de historische knoop bij de voormalige Grote Spoorbomen en de wegverbreding bij de splitsing Larenseweg-Eemnesserweg.
Om meer ruimtelijke samenhang te creeëren met de directe omgeving wordt voorgesteld de grenzen van dit BKP wat uit te breiden (paarse lijn). Dit kan geregeld worden bij de eerstvolgende herziening van de welstandsnota. Het BKP vervangt de uitgangspunten en criteria zoals beschreven in hoofdstuk 4 voor het gebied ‘Over ’t Spoor’. De algemene welstandscriteria, de objectcriteria en de overige bepalingen blijven gelden vanuit de welstandsnota. Enkele panden binnen het plangebied zijn aangewezen als monument. Hiervoor gelden tevens de uitgangspunten voor cultureel erfgoed die in hoofdstuk 6 van de welstandsnota staan en de erfgoedverordening 2025 (vervangt monumentenverordening 2016).
6
C D A B
Grens van de wijziging van het omgevingsplan Hilversum voor het project Bruisend Hart (rood) en daarbuiten de voorgestelde grens van het beeldkwaliteitsplan (paars) na een herzieing van de welstandsnota.
1.4. Welstandstoetsing en supervisie
1.6. Leeswijzer
Dit nieuwe welstandskader voor Bruisend Hart geeft uitgangspunten en beoordelingscriteria voor nieuwe gebouwen. De kaders sluiten aan bij de ambities van het stedenbouwkundig plan en zijn helder en toetsbaar beschreven. Het BKP is in overleg met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten (CRK&M) en de supervisor opgesteld en wordt aan de raad voorgelegd ter vaststelling als nieuw welstandskader voor het gebied.
Het Beeldkwaliteitsplan is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2 beschrijft de context van het plangebied, inclusief de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden. Een meer uitgebreide cultuurhistorische verkenning en waardestelling is een bijlage bij dit BKP. • Hoofdstuk 3 beschrijft de nieuwe stedenbouwkundige opzet van het gebied en geeft algemene uitgangspunten voor beeldkwaliteit. • De algemene uitgangspunten worden in hoofdstuk 4 uitgewerkt in specifieke uitgangspunten voor het ontwerp van de openbare ruimte. • In hoofdstuk 5 worden de uitgangspunten uitgewerkt in criteria voor verschillende gebouwonderdelen. • In het plangebied staan verschillende gebouwen met ieder een specifieke ligging en karakter. Daarom geeft hoofdstuk 6 specifieke criteria voor de verschillende deelgebieden/gebouwen.
De supervisor van de wijk 1221 en het stationsgebied heeft de taak om te zorgen voor samenhang tussen de verschillende ontwikkelingen aan beide kanten van het spoor. Plannen voor nieuwbouw en voor de inrichting van de openbare ruimte in het gebied Bruisend Hart worden besproken met de supervisor. De CRK&M doet de formele welstandstoetsing.
1.5. Relatie beeldkwaliteitsplan en omgevingsplan Het beeldkwaliteitsplan is een toetsingskader voor welstand. Daarnaast is het ook een beleidsregel die gekoppeld is aan het omgevingsplan (OP) Hilversum. Voor Bruisend Hart is het omgevingsplan gewijzigd. In de regels bij die wijziging van het omgevingsplan wordt voor de activiteit ‘bouwen’ voor een kwalitatieve beoordeling van bebouwing verwezen naar het beeldkwaliteitsplan als toetsingskader. Daarom bevat dit BKP naast uitgangspunten en criteria voor welstandstoetsing ook concrete regels voor toetsing van bouwplannen. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal het beeldkwaliteitsplan onderdeel zijn van de toetsing. De bouwregels waaraan deze aanvragen getoetst worden zijn te vinden in de blauwe kaders van dit BKP.
7
2. Context 2.1. Ligging in Hilversum
2.2. Historische gelaagdheid
Het plangebied van Bruisend Hart ligt op een centrale plek in Hilversum: net buiten het centrum en aan de oostzijde van het spoor. Het ligt midden in de wijk 1221, tussen de Geuzenbuurt, de Elektrobuurt en de Kleine Driftbuurt in. Het ligt tussen buurten met verschillende karakters: het meer hoog-stedelijke nieuw te ontwikkelen stationsgebied en de vroege dorpsuitbreidingen en tuinwijken van de wijk 1221. Diverse uitvalswegen aan de oostzijde van het spoor komen hier samen en veel bezoekers van het centrum passeren deze plek. Door die sleutelpositie is dit een beeldbepalende plek voor Hilversum.
In het plangebied zijn kenmerken uit verschillende historische perioden te herkennen, waaronder verschillende monumentale gebouwen. Met andere woorden: er is een grote historische gelaagdheid. Om zorgvuldig aan te sluiten op dit historische karakter is er een uitgebreide cultuurhistorische verkenning en waardestelling uitgevoerd (zie bijlage). De uitkomsten van dit onderzoek zijn leidend geweest voor het beeldkwaliteitsplan. Hier volgt een korte samenvatting van de cultuurhistorische verkenning, waardestelling en aanbevelingen. Het volledige rapport is te vinden in de bijlagen.
Noord Beeld & Geluid
GeuzenBuurt Raadhuis
Astronomische buurt
Elektrobuurt
Kleine Driftbuurt
Groest
Anna's Berg
De cultuurhistorische verkenning onderscheidt vier herkenbare historische lagen in het plangebied: 1. De pre-industriële of agrarische periode (tot ca. 1880). Het verloop van oude zandwegen tussen de heide en de dorpskernen is nog herkenbaar, bijvoorbeeld in de Kleine Drift. 2. De aanleg van het spoor en de industrialisatie (1880-1918). Herkenbaar uit deze periode is de Noorderweg en de Zuiderweg langs het spoor, de lintbebouwing langs oude wegen (gegroeide dorp) en de overblijfselen van een levendige stedelijke knoop bij de grote spoorbomen. Deze historische knoop is nog te herkennen in het Tramstation (1902) en de voormalige uitspanning op de hoek Larenseweg en Kleine Drift (1880), nu bekend als de Ki-bar. 3. Het interbellum (1918-1940) in Hilversum wordt gekenmerkt door een meer planmatige aanleg van tuinwijken onder regie van W.M. Dudok. In de stationsbuurt werden slechte woningen uit de vroeg-industriële periode vervangen door nieuwe woningen en woon-winkelpanden die samen semigesloten bouwblokken vormden (zgn. verbeterplannen). Onder andere het huidige Café Dudok is herkenbaar uit deze periode. 4. In de naoorlogse periode (1945-) werd spoor-gerelateerde bebouwing gesloopt voor de aanleg van het Oosterspoorplein, dat in de eerste instantie vooral in gebruik was als parkeerplaats.
Door het sluiten van de Grote Spoorbomen en door de bouw van een langwerpig stationsgebouw aan de centrumzijde verzwakte de relatie tussen de oost- en westzijde van het spoor. De openbare ruimte werd steeds meer ingericht voor de auto.
Laag 2: stedelijke knoop
Laag 2: Terras van de Uitspanning aan de Larenseweg 2
Laag 2: Station van Stoomtram
Kerkbrink
Sint Vitus
Links: stedenbouwkundige schets met daarin het netwerk van openbare ruimtes verbonden met het plangebied.
8
Laag 3: Politiepost aan Kleine Drift
9
2.3. Waardestelling cultuurhistorische verkenning Historisch gelaagde gebieden kennen zowel constituerende lagen als transformatielagen. Constituerende lagen zijn de eerste ruimtelijke grondlagen van een gebied en vormen de basis voor de gebiedsidentiteit. Transformatielagen zijn latere toevoegingen of wijzigingen die constituerende lagen kunnen aantasten of versterken. Een transformatielaag is dus niet automatisch een waardevolle toevoeging aan het geheel. Voor het plangebied zijn de eerste drie lagen grondlagen ('constituerend'). Uit de agrarische en industriële periode zijn vooral de oude landwegen, het spoor en de stedelijke knoop bij de grote spoorbomen herkenbaar. De interbellum-periode is het meest beeldbepalend voor de architectuur. Dit is met name zichtbaar in tuinwijkachtige bebouwing. Omdat deze bebouwing uit het interbellum grotendeels het oude wegenpatroon volgt is ook de agrarische periode nog herkenbaar. Hierdoor heeft het gebied een bijzondere identiteit: een kleinstedelijke stationsbuurt met een combinatie van niet-geplande stedelijkheid van rond 1900 en tuinstadarchitectuur uit het interbellum. De wat meer planmatige tuinwijkstedenbouw uit het interbellum is afleesbaar in semi-gesloten bouwblokken en rustige, tweezijdig bebouwde straten zoals de Eemnesserweg. In het interbellum ontstonden twee typen straatprofielen, die beiden in het gebied aanwezig zijn.
Een meer stedelijk straatprofiel met de stoep tot aan de winkelpui, zoals aan
de Larensweg, en een meer tuinwijk-achtig profiel met voortuinen en laanbeplanting, zoals de Eemnesserweg en de Zuiderweg aan het huidige Oosterspoorplein. Door deze verschillen heeft de noordelijke zijde van het Oosterspoorplein een meer stedelijk karakter dan de zuidzijde.
Fasering van bebouwing en wegen. De interbellum bebouwing is dominant en beeldbepalend. Beeld: cultuurhistorische verkenning, Contrei
De belangrijkste groenelementen uit het vroeg-industriële en interbellum tijdperk zijn voortuinen (met sierhekken, tuinmuren en hagen), ruimte-vormende laanbeplanting (vaak met slanke bomen), en plantsoenen. Een ander beeldbepalend element uit deze perioden zijn de groen ingerichte voorerven en terrassen van cafés. Het terras van de voormalige uitspanning (Ki-bar) bij de kruising Larenseweg en Kleine Drift was een mooi voorbeeld. Op enkele uitzonderingen na bestaat de meeste bebouwing niet uit individuele panden, maar uit de voor het interbellum kenmerkende ‘lange korrel’ van horizontaal ontwikkelde eenheden. Het individuele pand werd ondergeschikt gemaakt aan de straatwand als geheel. Lange woningrijen werden in één keer opgetrokken en als één gemeenschappelijke eenheid ontworpen.
Cultuurhistorisch waardevolle openbare ruimten in het plangebied. Beeld: cultuurhistorische verkenning, Contrei
De interbellum-architectuur die beeldbepalend is voor de bebouwing van de buurt is voornamelijk opgetrokken in een expressionistische en zakelijk-expressionistische stijl. Vaak hebben ze een bijzonderde plastiek en een hoge kap. Meestal hebben de gebouwen een horizontale geleding en een duidelijk horizontaal ritme. De gevels bestaan grotendeels uit baksteen metselwerk en hebben veel reliëf.
Historische ankerpunten (blikvangers) en stedelijke knoop. Beeld: cultuurhistorische verkenning, Contrei
Beeldbepalend gebouw van periode 3 (interbellum), het huidige Café Dudok.
10
Oude agrarische wegenstructuur (gestippeld) over de huidige situatie. Beeld: Contrei.
11
2.4. Aanbevelingen van de cultuurhistorische verkenning De cultuurhistorische verkenning richtte zich op de vraag hoe cultuurhistorische waarden steviger verankerd kunnen worden in het gebied. Daarvoor geeft het onderzoek cultuurhistorische en ruimtelijke aanbevelingen. Deze richten zich op het versterken van de (historische) identiteit van het gebied. Het achterliggende idee is dat de historische gelaagdheid van de plek zichtbaar gemaakt kan worden terwijl de grondlaag samenhang geeft aan de ontwikkeling. Hier volgt een samenvatting van de aanbevelingen. "Algemeen: basisaanbevelingen 1. Identiteit: versterk het tuinwijkkarakter uit het Interbellum aan de kleinstedelijke kant van het station. 2. Versterk met de ruimtelijke structuur de tuinwijkstedenbouw van de buurt (...) 3. Houd prestedelijke structuren als oudste laag zichtbaar 4. Oosterspoorplein: ontwerp het als één krachtige, samenhangende ruimte, waar de verschillende schaalniveaus architectuur, stedenbouw en openbare ruimte-inrichting sterk op elkaar betrokken zijn. 5. Versterk het meer stedelijke profiel in het noorden en het tuinstadprofiel in het zuiden (asymmetrisch plein) 6. Sluit met de vergroeningstactieken aan op de groenidentiteit van Hilversum als geheel en die van het vroeg-industriële tijdperk en het Interbellum 7.
Architectuur: gebruik vormtaal, materialisering en kleurgebruik uit het Interbellum als inspiratiebron voor woningbouw en stationsblokken. (...)" De aanbevelingen voor tuinwijkstedenbouw (2) en interbellum-architectuur (7) zijn in het rapport nader uitgewerkt in een reeks kenmerken zoals een afbakening van eenduidige straat- en pleinruimtes, een lange korrel met een hoofdzakelijk horizontale gevelcompositie en een bijzondere plastiek. Daarnaast geeft het rapport aanbevelingen voor specifieke deelgebieden/plekken in het plangebied.
12
I. De Kleine Drift en het nieuwe plein De bebouwing rondom het plein straalt zoveel mogelijk één identiteit uit. Daarvoor moet nieuwe bebouwing zo worden vormgegeven dat deze past bij bestaande bouwhoogtes. Gebouwen staan zo min mogelijk vrij in de ruimte, maar vormen gezamelijk pleinwanden. Dit is vooral belangrijk voor gebouw A en B, die gezamelijk de westelijke pleinwand gaan vormen. Voor de openbare ruimte is het wenselijk dat deze zoveel mogelijk op een rustige en eenduidige manier wordt ingericht. Hiervoor zijn brinken een goed voorbeeld. II. Zuidzijde plein / Zuiderweg Aan de zuidzijde van het plein staan meer gebouwen die passen bij tuinwijken. Een belangrijk kenmerk is de 'groene intermediair' tussen de openbare ruimte en de woning, die vaak vorm krijgt in een voortuintje. In de huidige situatie is deze groene intermediair niet altijd aanwezig of beleefbaar. In het rapport wordt voorgesteld om deze te versterken, bijvoorbeeld door tuinen te realiseren langs de gehele Zuiderweg. III. Historische ankerpunten en stedelijke knoop. De stedelijke knoop bij de voormalige spoorwegovergang heeft een bijzondere historische betekenis, die zichtbaar is uit het feit dat de historische bebouwing zich nadrukkelijk met de voorzijde tot deze plek richt (koppen naar elkaar). De plaatselijke wegverbreding geeft de kans om hier een publieksvriendelijke ruimte van te maken.
Handhaaf de monumentale uitspanning en herstel het groene terras. De noordgevel van gebouw A mag hier niet zomaar een zijgevel zijn, maar moet een representatieve uitraling krijgen die past bij deze plek ('warm welkom', kiss & ride). IV. Nieuwe pleinwand Larenseweg Gebouw C zit direct vast aan 'Café Dudok', en moet zoveel mogelijk één eenheid vormen met dit monument. Tegelijkertijd vormt het de noordelijke pleinwand en is hier een wat meer stedelijke uitstraling gepast dan aan de zuidzijde: met een stoep tot aan de gevel.
Principetekeningen van aanbevelingen uit cultuurhistorische verkenning
B
A
I. Aandachtspunt: aansluiting gebouw B op bebouwing Zuiderweg
I. Aandachtspunt: aansluiting gebouw A op Café Dudok
B
A
I. Vermijd autonoom ogende gebouwen die vrij in de ruimte staan. Wees alert op grote contrasten tussen bestaande en nieuwe hoogtes en geef de nieuwe bebouwing zodanig vorm dat ze zich relateert aan de bestaande hoogtes. De monumentale uitspanning en de bomen zijn onzichtbaar gemaakt voor dit beeld.
A
II. Voorbeeld smalle voortuin (Ohmstraat)
C
IV. Gebouw C en Café Dudok vormen één eenheid. Ook bij een een andere bouwhoogte of kapvorm.
III. De kop van gebouw A wordt beeldbepalend voor de Noorderweg.
C
C
V. Maak de openingen van het vorkplein visueel smaller en laat de gevels bij deze opeingen met elkaar communiceren.
V. Zandloper / vorkplein Eemnesser- en Larenseweg De aanbeveling om meer duidelijk gedefinieerde openbare ruimten te maken is ook van toepassing op het 'vorkplein' bij de splitsing Larenseweg-Eemnesserweg. Hiervoor dient gebouw C de pleinwandopening wat te vernauwen.
13
3. Stedenbouwkundige opzet en uitgangspunten voor beeldkwaliteit 3.1. Stedenbouwkundig plan
vormen gezamenlijk de westelijke pleinwand.
Het stedenbouwkundig plan stelt een centrale publieke plek voor die qua omvang vergelijkbaar is met het huidige Oosterspoorplein. Deze centrale openbare ruimte krijgt een parkachtig karakter en wordt omringd door bestaande en nieuwe gebouwen die een sterke relatie met deze ruimte hebben. Met andere woorden: het wordt een groen plein.
Rondom het groene plein liggen enkele overgangs- of entreeruimtes die ook een duidelijk vorm krijgen: de Zuiderweg, de wijkentree oost, de historische knoop bij de voormalige Grote Spoorbomen en het vorkplein bij de aansluiting op de Eemnesserweg.
Dit groene plein ligt iets oostelijker dan het huidige Oosterspoorplein. Hiervoor wordt bebouwing tussen de Larenseweg, Kleine Drift en de Zuiderweg gedeeltelijk gesloopt. In het stedenbouwkundig plan is de visie opgenomen om een nieuwe plek te maken met oog voor historie. Het motto bij nieuwbouw is: vernieuwing op basis van historisch besef en een zorgvuldige inpassing in de bestaande omgeving. De gebouwen rondom het plein vormen een duidelijke bebouwingswand en krijgen een solide uitstraling met warme kleuren zodat deze passen bij de bestaande bebouwing in 1221. De gebouwen passen in maat en schaal bij hun omgeving, met één hoogteaccent aan het spoor van maximaal 25 meter hoog.
De inrichting van het groene plein is gebaseerd op Gooise brinken, zoals de brink in Muiderberg en Laren. Aan de westzijde van deze nieuwe brink ligt het stationsgebouw, dat enigszins het verloop van de historische Kleine Drift volgt in de nieuwe ‘Grote Drift’. De Grote drift wordt een fijne looproute die alle monumentale gebouwen op het plein met elkaar verbindt, met de stations-entree als nieuwe bijzondere plek. De voormalige uitspanning (D) blijft op de oorspronkelijke locatie.
3.3. Algemene uitgangspunten openbare ruimte 1.
2.
3.2. De nieuwe brink De belangrijkste aanbeveling van het cultuurhistorisch onderzoek is om de planmatige en kleinstedelijke tuinwijkstedenbouw van de buurt te versterken. In de Hilversumse tuinwijkstedenbouw uit het interbellum worden openbare ruimtes duidelijk gedefinieerd door de omliggende gebouwen. Voor dit plan betekent dit dat het centrale plein zoveel mogelijk ontworpen wordt als één samenhangende ruimte met een sterke integratie van de schaalniveaus van stedenbouw, architectuur en inrichting van openbare ruimte. Blok A en B, aan de spoorzijde,
14
3.
4.
5. 6.
De openbare ruimte krijgt één identiteit door één pleinvloer. Deze vloer bedient verschillende gebruikers in dit rustige beeld. Het meest beeldbepalende element is de groene Nieuwe Brink, die midden in het plangebied ligt. Het oorspronkelijke verloop van de Kleine Drift is afleesbaar in de indeling van de ruimte, de bestrating en de beplanting. In het ontwerp openbare ruimte wordt rekening gehouden met zichtlijnen naar de belangrijkste functies. De ontwerpen van de openbare ruimte en de gebouwen worden nauw op elkaar afgestemd. Aan de noordzijde van de brink loopt de stoep tot aan het gebouw. Aan de zuidzijde van de brink ligt er altijd een groene overgangszone tussen het gebouw en de openbare ruimte.
Voorbeelduitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp met daarin de contouren van het SP in oranje. (indicatief) (indicatief)
15
3.4. Algemene uitgangspunten gebouwen Uit het cultuurhistorische onderzoek is gebleken dat de grootste architectonische waarden van het gebied liggen in gebouwen uit het interbellum. Daarom is gekozen om architectuur uit het interbellum te gebruiken als inspiratiebron voor vormentaal, materiaal en de kleur van de gebouwen. Dit kan in een traditionele en in een meer hedendaagse architectuur. De uitgangspunten en criteria in paragraaf 3.4. en hoofdstuk 5 gelden niet voor gebouw D, de Uitspanning. De beeldkwaliteitscriteria voor dit gebouw staan beschreven in hoofdstuk 6.3. Ook is de erfgoedverordening 2025 (vervangt monumentenverordening 2016) hier van toepassing. Voor de gebouwen A, B en C gelden de volgende algemene uitgangspunten: 1. De nieuwbouw heeft een statige en markante uitstraling door middel van een gedurfde expressie en rijkdom in uitwerking. 2. Ieder nieuwbouwvolume is ontworpen als één gebouw, dus niet opgedeeld in meerdere pands-gewijze eenheden. 3. Gebouwen hebben een expressieve hoofdvorm en een bijzondere plastiek in de volume-opbouw. 4. Gevelwanden, hoogtelijnen en het karakter van de bestaande en nieuwe bebouwing passen bij elkaar. 5. Het plein en de omliggende gevelwanden dragen één kernidentiteit uit die geïnspireerd is door interbellum-architectuur: specifiek door het baksteenexpressionisme, het zakelijk expressionisme en de Hilversumse tuinwijken.
Referentiebeeld van expressionistische interbellumarchitectuur. De Dageraad, Amsterdam.
Diagram 1: Nieuwe Brink en plein- en straatwanden.
De getoonde voorbeelduitwerkingen in dit BKP komen grotendeels overeen met die in het vastgestelde stedenbouwkundig plan. Wel krijgen enkele stedenbouwkundige details een andere vormgeving. 1. 2.
4. 5. 6.
16
Referentiebeeld nieuwbouw Larenseweg: Café Dudok.
Diagram 3. Gebouwen aan de stoep (bruin) en gebouwen met een voortuin of groenstrook (groen).
3.5. Verfijningen van het stedenbouwkundig plan
3.
Referentiebeeld stationsgebouw.
Diagram 2: Kleine Drift met historische blikvangers
Nieuwe gebouwen bestaan niet meer uit meerdere verschillende pandsgewijze eenheden maar vormen één geheel. De wens om de verschillende gebouwen rondom de nieuwe brink één kernidentiteit uit te laten dragen heeft de voorkeur gekregen boven een verschillende invulling van het ‘stationsensemble’ en het ‘weefsel van de buurt’ (SP p.21-23). Het BKP houdt wel rekening met het verschillende karakter van deze gebouwen (het meer stedelijke en publieke karakter van de nieuwe stationshal) maar deze accenten mogen niet ten koste gaan van de architectonische samenhang rondom de nieuwe brink. Om de Nieuwe Brink op een duidelijke manier te omringen met gebouwen is de rooilijn iets anders dan voorgesteld in het stedenbouwkundig plan. Het zuidelijke gebouw aan het spoor komt naar voren richting het plein. De rooilijn van het stationsblok is iets gewijzigd om de relatie tussen de monumenten aan de historische Kleine Drift te verbeteren. De inrichting van de openbare ruimte gaat uit van één brink, zodat er meer rust en eenheid ontstaat. Het gebied Bruisend Hart maakt functioneel deel uit van het Stationshart, maar heeft nadrukkelijk een ander karakter dan het Stationshart aan de centrumzijde. De centrumzijde heeft een meer stedelijk karakter, terwijl de oostzijde meer aansluiting zoekt bij de tuinwijken van Hilversum-Oost.
17
Sfeerimpressie van de Nieuwe Brink. Met v.l.n.r. de stationshal, de voormalige uitspanning als paviljoen op de brink en het huidige Café Dudok.
18
19
4. Openbare ruimte 4.1. Visie voor een nieuwe brink Bruisend Hart maakt deel uit van het Stationshart. Echter zal Bruisend Hart anders voelen dan de centrumzijde. Het zal qua sfeer en beleving meer aansluiten bij het historische karakter van de plek en de tuinwijken van Oost. Al sinds de aanleg van het spoor en de Gooische Stoomtram is dit een levendige plek geweest waar veel looproutes en verkeersstromen bij elkaar kwamen. In het nieuwe ontwerp kijken we terug naar het verleden en halen we inspiratie uit de tijd dat boeren zich met hun vee over de Kleine Drift van Hilversum bewogen.
In de volgende paragrafen word ingegaan op de uitgangspunten voor het ontwerp openbare ruimte. Deze uitgangspunten vormen de basis voor de nadere uitwerking van de openbare ruimte. Ze omschrijven bijvoorbeeld de sfeer, het materiaal, het groen en het straatmeubilair van de nieuwe brink.
De Nieuwe Brink wordt een ontmoetingsruimte en verblijfsplek voor de wijk en de stad. Ook haalt Bruisend Hart inspiratie uit het straatbeeld van rond 1900, dat bepaald werd door laanbeplanting. In het interbellum en tijdens de naoorlogse periode is veel groen verdwenen, met name aan de Larenseweg. In de nieuwe situatie zorgen we dat de wijk weer groener wordt. Zo koppelen we de groenopgave aan de historische identiteit van deze plek.
Voorbeeld promenade Grote Drift, gedefinieerd door bomen
20
Voorbeeld voor een rustige inrichting en identiteit van de brink. (Brink Assen)
Nieuwe voorbeelduitwerking van de openbare ruimte (indicatief)
21
4.2. Groen
4.3. Materiaal en kleur bestrating
4.4. Straatmeubilair
1.
1.
1.
2. 3. 4.
5. 6.
Bomen worden ruimtevormend ingezet. Dit kan in de vorm van dak, laan-beplanting of boomgroepen in de hoeken. Gazonnen, boomweides en sierbedden bevinden zich zoveel mogelijk op één niveau met de verharding. De Nieuwe Brink is in principe het domein van de voetganger. Vermijd opvallende en niet-natuurlijke afscheidingen tussen groen en verharding. Kies bijvoorbeeld voor hagen i.p.v. hekwerken. De wijkentree heeft een groene uitstraling. Het groen draagt bij aan de biodiversiteit van de wijk.
2.
3. 4.
5.
6. 7.
Detail van Gijs Bosch Reitz, Uitgang van de Janskerk te Laren, Bomendak
22
Deel de vloer van het plein, de bestrating, zo min mogelijk op in verschillende vlakken en stroken. De verharding heeft een rustige uitstraling met subtiele nuances in kleur en textuur. Gebruik voor de verschillende verkeersmodaliteiten zoveel mogelijk op elkaar lijkend bestratingsmateriaal, de materialen horen bij dezelfde 'familie'. Hoeken van de Nieuwe Brink zijn duidelijk gedefinieerd in de bestrating en/of groene inrichting. Verkeersfuncties onderscheiden zich door middel van opsluitbanden en andere legverbanden in de bestrating. De hoofdfietsroute vormt een continue en aantrekkelijke directe verbinding tussen het centrum en het oostelijke deel van Hilversum. Het materiaal van wandelpaden op de Brink zijn passend bij het groene karakter. Bij de entrees/ grenzen van het plein merkt de automobilist dat hij een verblijfsruimte betreedt. Dit kan door bijvoorbeeld een verschil in materiaal of een hoogteverschil.
Brink Muiderberg. Voorbeeld van een brink-achtige inrichting met lage hagen.
2. 3. 4.
5.
Plaats zo min mogelijk verschillende objecten in de openbare ruimte om een rustig beeld te behouden. Voorkom waar mogelijk paaltjes, trafo’s, kastjes nutsvoorzieningen en andere obstakels in de openbare ruimte. Inrichtingselementen zijn 'familie' van elkaar in kleur, materiaal en vormgeving. Het waterelement op de brink wordt integraal meeontworpen en draagt bij aan klimaatadaptatie. Openbare verlichting, masten en armaturen worden afgestemd op de functie van de ruimte die wordt aangelicht. De inrichting van de openbare ruimte voelt als vanzelfsprekend en ondersteunt oriëntatie en het gewenste (verkeers)gedrag. Hierdoor worden bewegwijzering en bebording tot een minimum beperkt.
Verschillende verkeersmodaliteiten hebben één pleinvloer. Voorbeeld station Naarden-Bussum
4.5. Hoogteverschillen en toegankelijkheid 1.
2. 3.
4. 5.
Binnen Bruisend Hart zijn er in de openbare ruimte hoogteverschillen tot ca. 2.5m. Het uitgangspunt is om zo min mogelijk abrupte sprongen in het maaiveld te maken. Beperk trappen en opstanden zoveel mogelijk. Het maaiveld van de wijkentree loopt geleidelijk op naar het plein. Het fietspad en het naastliggende voetpad hebben een helling van 1:25 om toegankelijkheid van de wijkentree voor mindervaliden te verbeteren. De verschillende functies aan de wijkentree hebben toegankelijke ingangen. Geleidelijnen worden integraal meeontworpen in de openbare ruimte.
Voorbeeld toegankelijkheid. Geleidelijnen zijn meeontworpen. (Station Driebergen-Zeist)
23
4.6. Buitenruimte van de Uitspanning, gebouw D
4.7. Vorkplein EemnesserwegLarenseweg
Rond 1900 was de Uitspanning een café omringd door een laag stalen hekwerk, het had een poort aan de kant van het spoor en op het voorterrein stonden meerdere grote bomen in de halfverharding die schaduw boden op het terras.
In het verleden is het pleintje op de kruising LarensewegEemnesserweg een prominente plek geweest voor de wijk. In de huidige situatie is het vooral een verkeersplein.
1. 2.
De inrichting rond de Uitspanning is geïnspireerd op het terras van rond 1900 (zie foto). Straatmeubilair rond de Uitspanning, zoals bankjes en lichtmasten, passen bij deze sfeer. Zo vormt de Uitspanning een eiland op de brink dat terug refereert naar het beeld van de wijk in 1900.
1. 2.
3.
4.8. Klimaatadaptatie 1.
2.
Richt het vorkplein in als verblijfsruimte. Maak van het vorkplein een eigen pleintje en scheidt het vorkplein visueel van de Nieuwe Brink door middel van inrichting en beplanting. De inrichting van het plantsoen is geïnspireerd op de vroeg-industriële periode. De laanbeplanting van de oude driften kan worden teruggebracht.
3.
Water wordt zichtbaar en sfeerbepalend in de openbare ruimte. De afvoer en infiltratie van hemelwater is zichtbaar in de openbare ruimte in wadi's, goten en groenstroken. Natuurlijke oplossingen worden verkozen boven technische oplossingen. Je kiest bijvoorbeeld eerder voor een wadi dan voor infiltratiekratten. Nieuwe bomen zijn vaak van de 1ste grootte (hoger dan 15 meter) om de biodiversiteit te versterken en schaduw te creëren om hittestress tegen te gaan.
De verdere criteria voor de Uitspanning zijn de vinden in 6.3. Gebouw D - Uitspanning
Het terras van de Uitspanning rond 1900.
24
Inspiratiebeeld van de splitsing Larenseweg-Eemnesserweg in het interbellum.
Laanbeplanting van de driften in de 19de eeuw vroeg industriele periode (Larenseweg).
voorbeeld van waterinfiltratie zichtbaar maken op het maaiveld
25
4.9. (Groene) marges
4.10. Tijdelijke situatie
1. 2.
De tijdelijke situaties die ontstaan tijdens de ontwikkeling en bouw in het gebied hebben impact op de beleving van omwonenden en andere bezoekers. Omdat het plangebied centraal in Hilversum-Oost ligt moet er extra aandacht uitgaan naar deze tijdelijke situatie. Ook kan het zijn dat er ruimte beschikbaar komt voor een tijdelijke invulling waar bewoners bij kunnen worden betrokken.
3. 4.
Passend bij het programma hebben de gebouwen gevel- en/of stoeptuinen. De noordzijde van het plein heeft in regel een stoep tot aan de gevel met een gemarkeerde zone voor winkeliers en horeca, uitgelijnd met het terras van Café Dudok en afgewisseld met gevel- en/of stoeptuinen. Terrassen en zones voor uitstallingen worden duidelijk gemarkeerd in de openbare ruimte. De gehele zuidwand van de Zuiderweg heeft groene voortuinen of een plantsoenstrook.
Verdere criteria voor groene marges zijn te vinden bij 5.9. Geveltuinen en ander gebouw-gebonden groen.
Diagram 3. Gebouwen aan de stoep (bruin) en gebouwen met een voortuin of groenstrook (groen).
26
Inspiratiebeeld groene marges aan de noordzijde.
Uitgangspunten voor de tijdelijke situatie zijn: 1. Voor tijdelijke inrichtingsplannen is een advies van de stationsmanager en de supervisor nodig. 2. Bij tijdelijke invullingen wordt rekening gehouden met de stationsbeleving vanuit de reizigers. Indien de stationsbelevingsmonitor (SBM) tijdens werkzaamheden een substantiële verslechtering aantoont treden we in overleg voor verbetering. 3. Borg dat tijdelijke invullingen tijdelijk zijn (vergunningen voor maximaal 2 jaar). 4. Tijdelijke invullingen mogen het proces om te komen tot de eindsituatie niet blokkeren (m.b.t. ruimtelijke inrichting en verkeersstromen). 5. Een groene invulling heeft voorrang, bijvoorbeeld met een 'wandelend bos' of groene bouwhekken. 6. Bied ruimte voor bewonersinitatieven bij de tijdelijke invulling. 7. Let op goede verlichting t.b.v. sociale veiligheid 8. Borg bij tijdelijke invullingen de veiligheid en toegankelijkheid van het reizigersdomein (bijv. voorkom struikelranden e.d.)
'Wandelend bos' in Leeuwarden
Groene bouwhekken
27
5. Beeldkwaliteit gebouwen 5.1. Rooilijn
5.2. Plastiek
5.3. Gevelcompositie
De gebouwen vormen duidelijke plein- en straatruimtes. Daarom staan nieuwe gebouwen niet zelfstandig en vrij in de ruimte, maar vormen ze gezamelijk duidelijke pleinen straatwanden. De positie van de nieuwe gevels wordt nauw afgestemd op de bestaande.
Een belangrijk kenmerk van Hilversumse architectuur uit het interbellum is de heldere en expressieve plastiek, zowel in de hoofdvorm van het gebouw als in de gevel (gevelplastiek). Met het begrip plastiek wordt hier bedoeld: een driedimensonale vorm van bouwmassa's die zwaarte en beweeglijkheid suggereert. Voorbeelden zijn smalle torenachtige volumes of zogenaamde boekensteunen.
Kenmerkend voor architectuur uit het intellum is dat gebouwen alzijdig en als totaalbeeld zijn ontworpen. Met andere woorden, de gevel wordt integraal mee-ontworpen met de driedimensionale verschijningsvorm van het gebouw.
Veel gebouwen uit het interbellum volgden het oude stratenverloop. Hierdoor zijn bij bochten en kruispunten van oude driften karakteristieke gebogen plein- en straatwanden ontstaan. Deze komen ook terug in het plangebied van Bruisend Hart. Ten aanzien van de rooilijnen van de nieuwbouw gelden de volgende criteria: 1. Gevels staan in de basis in de rooilijn. 2. Gevelsprongen tussen panden zijn toegestaan tot maximaal 0,1m. 3. Er zijn gevelsprongen binnen het pand toegestaan van maximaal 0,5m. 4. Bij stedenbouwkundige accenten en bij entree's zijn grotere verspringingen in de gevel van maximaal 1,5m toegestaan.
Referentiebeeld plastiek en schaduwspel
28
Ten aanzien van de plastiek van de nieuwbouw gelden de volgende criteria: 1. Het gebouw bestaat uit één of enkele helder afleesbare en expressieve hoofdvormen. 2. Hoogteaccenten zijn slank of anderszins expressief, zijn compositorisch in balans met de rest van het gebouw en geven het gebouw een sprekend silhouet. 3. Hoogteverschillen en plastische verbijzonderingen worden toegepast bij gebouwdelen die daar uit monumentale overwegingen om vragen: bij een belangrijk publiek programma-onderdeel of als stedenbouwkundig accent. 4. Gebouwen hebben minimaal 3 vormen van diepteverschillen in de gevels (gevelplastiek): Voorbeelden zijn: erkers, balkons, gevelsprongen, bijzonder metselwerk met reliëf en terugliggende entree's.
Referentiebeeld plastiek: rijke en verfijnde 'singuliere' plastiek met toren-achtige erker. (Hoge Larenseweg)
Ten aanzien van de gevelcompositie van de nieuwbouw gelden de volgende criteria: 1. De verschillende gevelaanzichten van gebouwen zijn als één samenhangend beeld ontworpen. Het totaalbeeld valt dus niet uit elkaar in verschillende gevels die weinig samenhang vertonen. Zie ook 5.5. Hoekoplossing: gebouwen gaan altijd de hoek om. 2. De gevelcompostie hangt nauw samen met de plastiek van het gebouw. De gevel is niet volledig vlak, maar heeft door de gevelplastiek, het reliëf en de detaillering een rijk schaduwspel ('geleding') 3. De gevels zijn hoofdzakelijk horizontaal geleed. Verticale accenten zijn een verbijzondering als stedenbouwkundig accent of bij entree's.
Referentiebeeld gevelcompositie: sterke hoofdvormen, expressief hoogteaccent, gevelplastiek en schaduwspel. Mathenesserplein, Rotterdam. Architect J. van den Broek.
Schematische weergave van criteria voor gevelcompositie. Van boven naar beneden: één samenhangend beeld (1), schaduwspel & gevelplastiek (2), horizontaliteit (3).
29
5.4. Plinten Onder de plinten van het gebouw wordt hier verstaan de begane grond en een duidelijk te onderscheiden lijn aan de onderzijde van het gebouw. De plinten vragen om extra ontwerpaandacht om het gebouw stevig te 'verankeren' op het maaiveld, de interactie met de openbare ruimte vorm te geven en de ervaring van de gebruiker en passant te verrijken. Voor de plinten van de nieuwbouw gelden de volgende criteria: 1. Plinten zijn in samenhang met de rest van de gevel ontworpen. 2. Plinten hebben een verbijzonderd materiaalgebruik ten opzichte van de gevel erboven. De materialisering van de plint draagt bij aan de beleving van de voetganger ('aanraakbaarheid' en taciliteit). 3. Tektoniek: plinten maken dat het gebouw 'stevig' op het maaiveld verankerd is en niet lijkt te zweven. De plint is een soort van sokkel die de rest van het gebouw lijkt te dragen. 4. De plinten hebben een grote gevelplastiek (diepteverschillen). 5. De materiaaltoepassing van de plint is robuust en tijdsbestendig. Dat betekent: de materialen gaan lang mee en beschadigen niet snel.
6.
De plint maakt de grens van de openbare ruimte duidelijk afleesbaar. 7. Plinten dragen bij aan de herkenbaarheid van verschillende functies in het gebouw. Een woningentree heeft bijvoorbeeld een andere uitstraling dan een entree van een publieke functie. 8. Entree's van woningen liggen terug in het volume en bieden zo beschutting en een stapsgewijze overgang van publiek naar privé. 9. Individuele woningentree's worden bij voorkeur in paren (naast elkaar) geplaatst. 10. Reclame en zonneschermen zijn integraal meeontworpen en zijn ondergeschikt.
Rechts: inspiratiebeelden voor plinten met commerciële of publieke functies. Door de vormgeving en materialisering is het gebouw visueel stevig op het maaiveld verankerd en lijkt het niet te zweven.
Links: Terugliggende woningentree met verbijzonderd materiaalgebruik.
Regels voor toetsing van bouwplannen 1.
2.
3.
4.
30
Ruimtes aan grenzend aan openbare ruimte hebben een vrije (netto) verdiepingshoogte van minimaal 3,6 meter. Ruimtes aan het maaiveld hebben minimaal 50% glas in hun gevels. Matglas of dichtplakken met folie is in de basis niet toegestaan. In principe sluiten vloerpeilen aan op de aangrenzende openbare ruimte met een verschil van maximaal 0,3m. Boven de openbare ruimte zijn afdakjes of permanente luifels niet toegestaan.
Links: Terugliggende woningentree in de Kleine Driftbuurt. Individuele woningentree's worden in paren geplaatst.
31
5.5. Hoekoplossing
5.6. Balkons en erkers
De hoeken van de gebouwen zijn belangrijk om het plein een omsloten karakter te geven. En als ze goed communiceren met nabijgelegen beeldbepalende gebouwen versterken ze de ruimtelijke samenhang. Ook zijn hoeken bij uitstek de plek waar de volume-opbouw en plastiek van het gebouw tot uitdrukking komt. Hiervoor zijn Hilversumse hoekoplossingen uit het interbellum een inspiratiebron. Hier kregen bochtige en geknikte straatwanden een sculpturale afgeronde vorm en werden belangrijke hoeken benadrukt met toren-achtige volumes.
De plastiek kan worden verrijkt met een combinatie van erkers, inpandige balkons en uitkragende balkons. Voor balkons en erkers gelden de volgende criteria: 1. Balkons of erkers zijn een integraal mee-ontworpen in de plastiek en gevelcompositie van het gebouw. 2. Balkons of erkers passen ook in materiaal en detail bij de rest van het gebouw en hebben gemetselde borstweringen. 3. Borstweringen of balkonhekken bieden voldoende privacy tegen inkijk. 4. Voorkom glazen windschermen tussen balkons.
Uit de bovenstaande beschrijving wordt duidelijk dat de specifieke situatie bepaalt hoe een gebouw de hoek om gaat. Deze specifieke situaties worden nader verduidelijkt in de tekeningen van hoofdstuk 6.
Regels voor toetsing van bouwplannen
Voor de hoeken van gebouwen gelden de volgende algemene criteria: 1. Gebouwen gaan altijd de hoek om. 2. Interbellumarchitectuur in het centrum en de aanloopstraten van Hilversum dient als inspiratiebron voor het materiaalgebruik en de vormentaal. 3. Tegenoverliggende hoeken, bestaand en nieuw, tonen overeenkomsten in bijvoorbeeld in vormentaal, materiaal en/of detail. 4. De tekeningen in hoofdstuk 6 dienen als specifiek beoordelingskader voor de hoekoplossing.
1. 2.
Balkons en erkers passen in materiaal en detail bij de rest van het gebouw en hebben gemetselde borstweringen.
Voorbeelden van Hilversumse hoekpanden
32
Boven openbare ruimte zijn uitkragende balkons en erkers toegestaan vanaf 4,5m boven het maaiveld. Balkons en erkers kragen maximaal 1,2 m uit ten opzichte van de gevel.
Inspiratiebeeld erker.
Balkons en erkers zijn integraal mee-ontworpen in de plastiek van het gebouw. Eekenhof, Enschede
33
5.7. Materiaal, kleur en detail Baksteen metselwerk en keramische pannendaken zijn beeldbepalend voor de tuinwijken aan de oostzijde van het spoor. De nieuwe gebouwen in het plangebied sluiten op een eigentijdse wijze aan bij deze bouwtraditie. De gebouwen hebben een hoog niveau van architectonische verfijning en zijn conseqeuent doorontworpen tot op het architectonische detail. Voor materiaal, kleur en architectonische detaillering van de nieuwbouw gelden de volgende criteria: 1. Materiaal en kleur worden nauw afgestemd op nabijgelegen panden uit het interbellum, waarbij harde contrasten tussen oud en nieuw vermeden moeten worden. 2. Er wordt voornamelijk gewerkt met aardse en warme kleuren waarbij baksteen het uitgangspunt is. 3. Om rust en eenheid uit te stralen zijn de gevels hoofdzakelijk opgetrokken uit één materiaal. Dit rustige beeld wordt verrijkt met variaties en accenten in metselwerk en voegwerk. 4. Kozijnen zijn deel van de gevelcompositie. Kozijn- en raamhout wordt ingezet als ritmerend, gevelordenend of ornamenteel. 5. Gevelopeningen kunnen op een meer eigentijdse of op een meer traditionele manier worden ontworpen. In beide gevallen moet er samenhang zijn tussen de verschillende gebouwen en is (Hilversumse) interbellum-architectuur inspiratiebron. 6. Neggediepte varieert en wordt expressief ingezet. 7.
Natuurinclusieve maatregelen zijn op een decoratieve wijze mee-ontworpen.
Neggediepte varieert en wordt ingezet voor architectonische expressie
Architectonische verfijning in metselwerk en raamhout.
34
Voorbeeld architectonische detaillering.
Natuurinclusieve maatregelen zijn op een decoratieve wijze mee-ontworpen
Materiaal en kleur voormalige politiepost in omgeving.
Inspiratiebeeld metselwerkpatronen
35
5.8. Gevelbeëindiging en kapvorm
5.9. Geveltuinen en ander gebouwgebonden groen
De gevelbeëindiging en kapvorm beïnvloedt hoe groot een gebouw eruit ziet en aanvoelt. Het plaatselijk verlagen van de gootlijn middels een hoge en steile langskap of het terug laten springen van de bovenste verdieping(en) kan eraan bijdragen dat een nieuw gebouw qua maat goed aansluit bij de bestaande bebouwing. Ook voor dit onderdeel biedt Hilversumse architectuur uit het interbellum goede voorbeelden.
Voor geveltuinen gelden de volgende criteria: 1. Geveltuinen zijn zorgvuldig mee-ontworpen en doen geen afbreuk aan de solide uitstraling van het gebouw. 2. Geveltuinen zijn klimaatbestendig en beheersvriendelijk. Daarom gaat de voorkeur uit naar de laag-technologische oplossing van klimplanten in de volle grond. Ook aangemetselde bloem- of plantenbakken zijn denkbaar. 3. De plantkeuze moet passen bij het karakter van de brink 4. De plantkeuze draagt bij aan de biodiversiteit in het gebied. 5. Voor het onderhoud van geveltuinen grenzend aan de openbare ruimte worden afspraken gemaakt met de gemeente.
In de bovenstaande beschrijving wordt duidelijk dat de specifieke context bepaalt welke gevelbeëindiging of dakvorm gepast is. De tekeningen in hoofdstuk 6 dienen als beoordelingskader voor de gevelbeëindiging en kapvorm. Voor gevelbeëindingen en kapvormen gelden de volgende algemene criteria: 1. Gebouwen hebben plaatselijk terugliggende verdiepingen en/of langskappen en sluiten daardoor goed aan bij de omliggende bebouwing. 2. De gebouwen vormen gezamelijk een rustig daklandschap en een krachtig en sprekend silouet. 3. Terugliggende verdiepingen zijn vormgegeven als onderdeel van de hoofdbouwmassa en gelijkwaardig gematerialiseerd en gedetailleerd. 4. Zonnepanelen en andere installaties op het dak zijn zorgvuldig mee-ontworpen. 5. Er moet zorgvuldig worden omgegaan met insnijdingen voor dakkapellen, balkons, dakterrassen en dergelijke. Doorsnijdingen van het dakvlak zoals dakkappellen en dakramen zijn mee-ontworpen, hebben een identieke vorm en zijn horizontaal uitgelijnd. De insnijdingen zijn ondergeschikt aan het dak zelf. 6. De tekeningen in hoofdstuk 6 dienen als specifiek beoordelingskader voor de gevelbeëindiging en kapvorm.
Verdere criteria voor Geveltuinen en ander gebouwgebonden groen zijn te vinden bij 4.9. (Groene) marges Voorbeeld terugliggende verdiepingen: deze zijn nadrukkelijk vormgegeven als deel van de hoofdbouwmassa gelijkwaardig gematerialiseerd en gedetailleerd.
De gebouwen vormen een rustig daklandschap en een krachtig en sprekend silhouet. Dakkapellen zijn ondergeschikt en horizontaal uitgelijnd.
36
Inspiratiebeelden gebouw-gebonden groen.
37
6. Criteria en regels voor specifieke gebouwen 6.1. Gebouw A & B Gebouw A en B vormen gezamelijk de westelijke pleinwand van de Nieuwe Brink. De gebouwen zijn markant en hebben een representatieve uitstraling die past bij de publieke functies. In gebouw A bevinden zich onder andere de stationshal en de fietsenstalling. Er komen nieuwe (atelier)woningen aan de Zuiderweg en actieve functies aan de wijkentree bij de tunnel. Beeldkwaliteitscriteria voor gebouw A & B: 1. Gevels rondom zijn gericht op de buitenruimte en zijn levendig (publieke functies, entrees verblijfs- en buitenruimtes) waarbij de verschillende functies duidelijk afleesbaar en transparant zijn. 2. Gebouw A en B vormen gezamelijk een statige en markante westwand van de Nieuwe Brink met een representatieve uitstraling die past bij de stationsfunctie. 3. De twee gebouwen zijn in samenhang ontworpen en vormen één coherent ensemble. Beeldkwaliteitscriteria voor gebouw A: 1. De entree van de stationshal is duidelijk herkenbaar vanaf de Eemnesserweg en Kleine Drift. Hier is een primair stedenbouwkundig accent gepast. 2. Het gebouw begeleidt de Kleine Drift en maakt het historische verloop leesbaar. Hiervoor is eventueel een incisie (tekening) van de bouwmassa op de begane grond en eerste verdieping denkbaar. 3. De noordgevel van blok A grenst de voormalige spoorwegovergang en stedelijke knoop.
Ook de noordgevel is een voorgevel en krijgt een representatieve uitstraling die past bij het historische karakter de nieuwe functies (kiss & ride en ingang fietsenstalling). Het gebouw kan hier in vormentaal aansluiten bij het pand op Noorderweg 16 4. De architectuur reageert op de lange zichtas vanaf de Noorderweg. In het verlengde van de Noorderweg past een rank hoogteaccent. 5. Het interieur van de stationshal is zichtbaar vanaf de perrons, de wijkentree en de brink. 6. De stationshal heeft een hoog plafond (minimaal 5m) en bijzondere lichtinval. 38
Beeldkwaliteitscriteria voor gebouw B: 1. Het gebouw heeft een secundair stedenbouwkundig accent op de lange lijn van de Zuiderweg. 2. Aan de Zuiderweg past gebouw B zich aan aan de maat en vormentaal van de woningen aan de overzijde. 3. De woningen aan de Zuiderweg hebben een eigen (individuele) voordeur en voortuin. 4. Ten behoeve van sociale veiligheid: langs de wijkentree en aan de perronzijde is het gebouw levendig geprogrammeerd en transparant. 5. Het gebouw heeft een lager gelegen daktuin die goed zichtbaar is vanaf de perrons en vanaf de wijkentree.
2.
Regels voor toetsing van bouwplannen Zoals aangegeven in de tekening. Zie ook het omgevingsplan. 1. Aan de Zuiderweg heeft gebouw B een schuine kap 2. Gebouw A heeft een gemeenschappelijke tuin voor bewoners van minimaal 300m²
Situering, regels en criteria voor gebouwen A en B
Gebouw A reageert op de lange zichtas van de Noorderweg met een rank hoogteaccent.
39
Perronzijde gebouw A
Inspiratiebeelden stationsgebouw
Woningen aan verglaasde gallerij en trappenhuis aan gevel
Het gebouw sluit aan op de maat van omliggende bebouwing en heeft tegelijkertijd één coherente vorm.
Het gebouw heeft een heldere plastiek en expressieve details. Woningen met verglaasde balkons of erkers aan spoorzijde
Geluidsluwe gevels aan spoorzijde en buitenruimte achter glazen geluidsscherm
Een meer industriële vormentaal (met vliesgevels) is ook denkbaar.
40
De publieksentree is duidelijk herkenbaar en geleding van de gevel geeft uitdrukking aan de verschillende functies in het gebouw.
Fietsenrekken staan haaks op de gevel. Tussen de fietsenrekken en de gevel bevindt zich een vrije verkeersruimte.
41
Wijkentree & stationshal
Kleinschalige woonstraat gebouw B Zuiderweg
Sfeerimpressie van de wijkentree vanuit de tunnelmond.
Sfeerimpressie van de Zuiderweg, die vorm krijgt als een woonstraatje.
's Avonds licht de stationshal op als een lantaarn.
42
Het interieur van de stationshal is zichtbaar vanuit de wijkentree.
Aan de Zuiderweg is een meer tuinwijk-achtige uitraling gepast.
Hilversumse hoekoplossing voor de overgang van een hogere pleingevel naar een lagere straatgevel. (Herenstraat) Voorbeeld voor de hoek van gebouw B aan de Zuiderweg en het plein.
43
6.2. Gebouw C - Aan de Larenseweg
Gebouw C vormt een pleinwand van de Nieuwe Brink. Het programma bestaat hoofdzakelijk uit woningen, buurtwinkels en een maatschappelijke voorziening en sluit meer aan bij de tuinwijken. Beeldkwaliteitscriteria voor gebouw C: 1. De voorzijde van het gebouw vormt een pleinwand voor de Nieuwe Brink. 2. Het nieuwe gebouw vormt een ensemble met het gemeentelijk monument Café Dudok: het past bij Café Dudok qua vormentaal, materiaal en lijnenspel. 3. Het gebouw heeft een ontworpen overgang van de lagere 'straatgevel' van Café Dudok naar de hogere 'pleingevel' aan de nieuwe brink. Ter hoogte van Café Dudok wordt de grotere bouwhoogte teruggebracht en gemaskeerd met een lage, aansluitende goothoogte. 4. De oostelijke hoek van het gebouw ligt aan het vorkplein van de splitsing EemnesserwegLarenseweg. Om dit pleintje duidelijk te definiëren worden de straatopeningen van de Larenseweg en Swammerdamstraat visueel versmald en heeft het gebouw een sprekende hoek die past bij de topgevel aan de overzijde. 5. De architectuur is nadrukkelijk geïnspireeerd door vooroorlogse tuinwijken van Hilversum.
Onderzoek de mogelijkheid om een (semi-)openbare route in het blok op te nemen. Deze route maakt deel uit van de 'groene loper' die speel- en ontmoetingsplekken in de wijk 1221 met elkaar verbindt. Criteria voor deze route: 1. De stille achterzijde (het binnenterrein) wordt vormgegeven in samenhang met de toekomstige ontwikkeling van de Swammerdamstraat en het remiseterrein. 2. De (semi-openbare) route heeft een duidelijke zichtrelatie met (het waterelement op) de brink en de monumentale bebouwing op het remise-terrein. 3. Overgangen tussen verschillende sociale domeinen worden zorgvuldig vormgegeven. 4. Een doorgang naar het remise-terrein mag geen afbreuk doen aan de continuïteit van de pleinwand. 5. De route is minimaal 4 meter breedt en bij een doorgang minimaal 4 meter hoog. 6. Er zijn woning-entrees verbonden aan deze route 7. Er staat één boom van de 2e orde op de route.
Situering, regels en criteria voor gebouw C
Regels voor toetsing van bouwplannen Zoals aangegeven in de tekening. Zie ook het omgevingsplan. Gebouw C: 1. In het bouwvlak achter de pleinbebouwing bevindt zich een tuin voor bewoners. 2. Een gedeelte van de pleinwand aan de zuidzijde wordt visueel verlaagd door middel van een langskap of set-back. De goothoogte of bovenzijde van de borstwering is hier maximaal 11m.
44
45
De woningen in gebouw C kijken uit op de Nieuwe Brink (inspiratiebeeld).
Architectuur geïnspireerd door Hilversumse tuinwijken.
Inspiratiebeeld inrichting en sfeer binnenterrein.
46
Inspiratiebeelden voor gevelbeëindiging en detaillering van gebouw C
Inspiratiebeeld voor semi-openbare doorgang.
Inspiratiebeeld voor semi-openbare doorgang. Poort aan de Kleine Drift.
47
6.3. Gebouw D - Uitspanning
De Uitspanning markeert de aansluiting van de Kleine Drift op de Larenseweg, en maakt zo deze twee wegen uit de agrarische periode zichtbaar. In de vroeg-industriële periode en in het interbellum maakte de Uitspanning deel uit van de levendige stedelijke knoop bij de grote spoorbomen en het station van de Gooische Stoomtram. Om de Kleine Drift en Larenseweg uit de agrarische periode en de stedelijke knoop uit de vroeg-industriële periode zichtbaar te houden wordt de Ki-bar gehandhaafd op haar huidige locatie. Het is nog niet duidelijk of de ki-bar geconstrueerd of gerestaureerd wordt. Dit moet nader worden onderzocht.
Het historische beeld van een groen voorerf met bomen dient als inspiratiebron. Voor de erfafscheiding is denkbaar: een doorzichtig hekwerk, een haag of een poort.
Met de gedeeltelijke sloop van het bouwblok waar de uitspanning deel van uitmaakte veranderen de zij- en achtergevels in voorgevels. Hierdoor verandert de Uitspanning in een alzijdig paviljoen en krijgt het een tweede voorkant aan de Nieuwe Brink. Een nieuwe aanbouw maakt deze tweede voorkant. Uitgangspunten voor de inrichting van de buitenruimte zijn te vinden bij 4.6. Buitenruimte van de Uitspanning, gebouw D. De renovatie van de Uitspanning gaat uit van het specifieke historische karakter van het gebouw, en niet van de interbellum-architectuur die elders het plangebied bepaalt. Daarom zijn algemene beeldkaliteitscriteria niet van toepassing op gebouw D. Voor gebouw D gelden de volgende beeldkwaliteitscriteria: 1. Besteed aandacht aan de nieuwe positie van de uitspanning. 2. Het gebouw heeft rondom voorkanten. M.a.w. het gebouw is alzijdig. 3. Opslag en afvalberging zijn inpandig zodat deze de sfeer van het park niet negatief beïnvloeden. 4. De vorm van de nieuwe aanbouw is gebaseerd op het rijtje aan de Larenseweg waarvan de uitspanning deel uitmaakte. 5. De erker (uit de jaren 30) wordt bij de restauratie gehandhaafd. 6. Geïnspireerd op het historische beeld krijft het gebouw op de hoek Kleine Drift en Larenseweg een groene voortuin met en bijpassende erfafscheiding en bomen.
48
Situering, regels en criteria voor gebouw D. Verdere uitgangspunten voor het terrein rond de uitspanning zijn te vinden in 4.6. Buitenruimte van de Uitspanning, gebouw D
Regels voor toetsing van bouwplannen Zoals aangegeven in de tekening. Zie ook het omgevingsplan. Gebouw D: 1. De Uitspanning wordt gehandhaaft op de oorspronkelijke locatie. 2. De aanbouw/uitbreiding heeft een kap die aansluit op de kap van het huidige gebouw. 3. Het gebouw heeft 2 publieke entrees. Eén bij de hoek Kleine Drift-Larenseweg en één gericht op de Nieuwe Brink. 4. De uitbreiding/aanbouw geeft het gebouw voldoende ruimte voor ondersteunende functies (bijvoorbeeld inpandige afvalberging). 5. Een tweede aanbouw, luifel of overkapping is niet toegestaan.
49
7. Objectcriteria Voor het gebied Bruisend Hart gelden de algemene objectcriteria met welstandsniveau ‘Bijzonder’ van de welstandsnota. Enkele objecten mogen echter niet toegepast worden in het gebied en zijn daarom niet van toepassing. In het beeldkwaliteitsplan zijn daarnaast enkele aanvullende gebied-specifieke objectcriteria opgenomen.
•
De volgende objecten mogen NIET worden toegepast in het Bruisend Hart omdat zij niet passen bij het gewenste gebruik, stedenbouwkundige opzet en/of de identiteit van het gebied: • Aanbouwen (1) en bijgebouwen (2) zijn niet toegestaan; vanwege het karakter van de gebouwen en de openbare ruimte zijn aanbouwen onwenselijk. • Het is niet toegestaan om meer dakkapellen (3) toe te voegen dan past in het oorspronkelijke ontwerp van het gebouw.