Antwoorden op technische vragen van D66 over meervoudige bewoning (toegevoegd 11 oktober 2021)
Tekst van het document
Technische vragen voor de Raadscommissie van 29 september 2021 Vragen van aan wethouder over
: D66 : F. Voorink : Meervoudige bewoning
Hierbij stuur ik technische vragen over het commissievoorstel bestemmingsplan regeling meervoudige bewoning 2021 1. Is dit voorstel gelegd naast het woonbeleid uit de Woonvisie? 2. Is er een kader opgesteld van welke onderdelen van gebruik van woonruimte via het bestemmingsplan worden gereguleerd en welke onderdelen via de toekomstige voorraadvergunningen uit de Huisvestingsverordening worden gereguleerd? Met andere woorden, graag een toelichting op de gekozen verhouding tussen regulering via ruimtelijk beleid en huisvestingsbeleid. Met alle begrip voor het feit dat de Huisvestingsverordening door een andere wethouder in een andere commissie aan bod gaat komen. Echter, enig inzicht heeft D66 wel nodig. 3. Zijn de beleidsregels alleen voor de bestemmingsplannen bedoeld of ook voor de Huisvestingsverordening? 4. Er zijn verschillende regels voor een gebouw wat al een woonbestemming heeft en wat geen woonbestemming heeft in gebied 1a. Wat is de reden dat hierin onderscheid wordt gemaakt? 5. Valt woningdelen onder de definitie van onzelfstandige woonruimte en/of onder de definitie van meervoudige bewoning? 6. In de beleidsregels staat dat onzelfstandige eenheden minimaal 18 m2 groot moeten zijn. Is dat inclusief evenredig deel gemeenschappelijke ruimten? met hartelijke groet, Marianne van Vliet D66 Hilversum
Conceptantwoord -penvoerder is Aernoud Rijntjes tel: 0651284419 D66 heeft technische vragen gesteld over agendapunt ‘vaststelling bestemmingsplan regeling meervoudige bewoning 2021 van de commissie van d.d. 29 september 2021. De vragen en de antwoorden daarop vindt u hieronder. Vooraf Het bestemmingsplan Regeling meervoudige bewoning 2021 is de opvolger van het huidige bestemmingsplan dat in 2016 is vastgesteld. Op een paar punten is de regeling aangepast. Vraag: Is dit voorstel gelegd naast het woonbeleid uit de Woonvisie?
Antwoord: Nee, het voorstel (het vaststellen van het bestemmingsplan Regeling meervoudige bewoning 2021) is niet expliciet gelegd naast de woonvisie. De regeling is in 2016 vastgesteld en wordt nu herzien (na een evaluatie). De regeling beoogt meervoudige bewoning (bewoning door meer dan één huishouden in panden) te sturen. Vraag: Is er een kader opgesteld van welke onderdelen van gebruik van woonruimte via het bestemmingsplan worden gereguleerd en welke onderdelen via de toekomstige voorraadvergunningen uit de Huisvestingsverordening worden gereguleerd? Met andere woorden, graag een toelichting op de gekozen verhouding tussen regulering via ruimtelijk beleid en huisvestingsbeleid. Met alle begrip voor het feit dat de Huisvestingsverordening door een andere wethouder in een andere commissie aan bod gaat komen. Echter, enig inzicht heeft D66 wel nodig. Antwoord: Tot 2015 was in de Huisvestingsverordening een regeling opgenomen over ‘woningonttrekking’. Die regeling was voornamelijk ook bedoeld om ‘kamerbewoning’ te reguleren. Die regeling in de Huisvestingsverordening is komen te vervallen (2015) en is overgenomen door de regeling meervoudige bewoning die is opgenomen in het bestemmingsplan regeling meervoudige bewoning 2016. Meervoudige bewoning van panden is dus sinds 2016 geregeld via het ruimtelijk beleid (bestemminsplan).
Aanvullend antwoord naar aanleiding van de behandeling in de raadscommissie van 29 september 2021. Vraag: Waarom zijn de mogelijkheden, de instrumenten (vergunningsstelsel) uit de Huisvestingsverordening niet in samenhang met het voorstel (herziening regeling meervoudige bewoning) opgesteld. Antwoord: In de Huisvestingsverordening kunnen regels worden opgenomen over ‘onttrekking, samenvoegen en omzetting’ van woonruimten. In die verordening kan een verbod worden opgenomen om woonruimte (zelfstandige woning of onzelfstandige woning) te onttrekken, samen te voegen of om te zetten van zelfstandige bewoning in onzelfstandige bewoning. Via een vergunning kan daarvan worden afgeweken. In de modelverordening van de VNG is dat geregeld in hoofdstuk 4 (Wijziging samenstelling van de woonruimtevoorraad) van de Huisvestingsverordening. Zoals gezegd is sinds 2015 dit hoofdstuk in Hilversum niet meer in de Huisvestingsverordening opgenomen. Zie deze link (vergadering vaststelling Huisvestingsverordening, raad 3 juni 2015; zie ook de Huisvestingsverordening 2011 waarin deze regels nog wel waren opgenomen, toen in hoofdstuk 3).
Op dat moment was het (paraplu)bestemmingsplan Regeling meervoudige bewoning in voorbereiding (zie deze link, vergadering raad van 10 december 2014 en deze link, vergadering raad van 30 maart 2016, onderdeel 10), waarin werd beoogd regels over ‘woningsplitsing’ (mede naar aanleiding van een aangenomen motie (‘Stop woningsplitsing’) op te nemen. Daardoor was het niet nodig een tweede document te hebben waarin hetzelfde onderwerp wordt geregeld. Onttrekken
Het verbod om de bestemming tot bewoning te onttrekken is op grond van het bestemmingsplan (al) verboden. Een gebouw/pand waarin wordt gewoond heeft over het algemeen een woonbestemming. Dat houdt in dat daarin mag worden gewoond. Dat pand mag bijvoorbeeld niet worden gebruikt als horeca- of bedrijfspand. Omzetting van woonruimten Het verbod van omzetting (in de Huisvestingsverordening) ziet op de omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte. Zeg maar: een woning wordt veranderd voor kamerbewoning. De Regeling meervoudige bewoning beoogt dat tegen te gaan. Het is namelijk verboden, zonder omgevingsvergunning, een pand te gebruiken en/of te verbouwen voor meervoudige bewoning. Kamerbewoning is een vorm van meervoudige bewoning (bewoning door meer dan één huishouden). Samenvoegen Het samenvoegen van woonruimten waardoor twee (afzonderlijke) woonruimten samen worden gevoegd is op grond van de Modelverordening van de VNG verboden zonder vergunning. Dat is in een bestemmingsplan over het algemeen niet geregeld. Het is dus in theorie mogelijk dat meerdere woonruimtes (zelfstandige dan wel onzelfstandige woonruimtes) worden samengevoegd toe één. Dat is alleen niet mogelijk als een bestemming W-3 aan een gebouw is gegeven. W-3 staat voor ‘Wonen-3’ en houdt in dat daar twee onder één kap woningen mogen worden gebouwd en als zodanig worden gebruikt.
Samenvoeging van twee woningen tot 1 leidt tot strijd daarmee. Overigens, als samenvoegen er toe leidt dat meerdere huishoudens in die (nieuw ontstane) woonruimte (al dan niet gescheiden) wonen, is dit op grond van de regeling meervoudige bewoning verboden. Immers, het is verboden om in een pand met meer dan één huishouden te wonen. Daarvan kan worden afgeweken via een omgevingsvergunning, opgenomen in zowel het huidige bestemmingsplan Regeling meervoudige bewoning (2016) als in de (voorgestelde) herziening daarvan bestemmingsplan Regeling meervoudige bewoning 2021. Kort om, in feite zijn (al) in 2015/2016 de instrumenten van de Huisvestingsverordening in samenhang met het voorstel van toen, om een Regeling meervoudige bewoning op te stellen, beoordeeld. Dat is in het voorliggende voorstel, dat voortborduurt op de regeling meervoudige bewoning 2016, niet meer gedaan. Vraag: Zijn de beleidsregels alleen voor de bestemmingsplannen bedoeld of ook voor de Huisvestingsverordening? Antwoord: De beleidsregels (Regeling meervoudige bewoning 2021) zijn ‘gekoppeld’ aan het bestemmingsplan Regeling meervoudige bewoning 2021. Ze zijn niet gekoppeld aan de Huisvestingsverordening, daarin staan geen regels meer met betrekking tot meervoudige bewoning (woningonttrekking).
Vraag: Er zijn verschillende regels voor een gebouw wat al een woonbestemming heeft en wat geen woonbestemming heeft in gebied 1a. Wat is de reden dat hierin onderscheid wordt gemaakt?
Antwoord: Met betrekking tot gebied 1a (1221 en Bloemenbuurt Noord en Zuid) is voorgesteld niet meer mee te werken aan aanvragen om gebruik en/of verbouwingen van gebouwen/panden voor meervoudige bewoning die een woonbestemming hebben. Voor gebouwen/panden of een deel daarvan die geen woonbestemming hebben is medewerking aan dergelijk aanvragen nog wel mogelijk. Meegewerkt kan worden als wordt voldaan aan de beleidsregels. Te denken valt dan aan een gebouw, of een deel daarvan, dat bestemd is voor detailhandel of horeca. Als die bestemming niet meer de meest geschikte bestemming is, dan kan worden onderzocht of een andere bestemming meer geschikt is, bijvoorbeeld een woonbestemming. Bij die afweging kan ook worden betrokken of ook meervoudige bewoning in dat pand tot de mogelijkheden behoort. De reden van dat onderscheid is het voorkomen van bijvoorbeeld leegstand of verpaupering van dat betreffende pand. Een pand met alleen een woonbestemming zal niet zo snel leeg komen te staan. Vraag: Valt woningdelen onder de definitie van onzelfstandige woonruimte en/of onder de definitie van meervoudige bewoning? Antwoord: Een onzelfstandige woonruimte is woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
Zeg maar ‘kamerbewoning’. Dat is een vorm van meervoudige bewoning. Meervoudige bewoning is immers bewoning in een pand met meerdere huishoudens. Of sprake is van meervoudige bewoning is ook mede afhankelijk van de vraag of de personen die in een pand wonen een gezamenlijke of afzonderlijk huishouden voeren. In het geval van kamerbewoning (in onzelfstandige woonruimtes) is over het algemeen sprake van afzonderlijke huishoudens. Als twee of meerdere personen een woning delen en samen een gezamenlijk huishouden voeren dan is geen sprake van meervoudige bewoning. In hoofdstuk 4.1 van de toelichting van het bestemmingsplan is dat nader toegelicht. Vraag: In de beleidsregels staat dat onzelfstandige eenheden minimaal 18 m² groot moeten zijn. Is dat inclusief evenredig deel gemeenschappelijke ruimten? Antwoord: Het gaat om de verblijfsruimte van de onzelfstandige eenheid zelf. Dat is dus niet inclusief de gemeenschappelijke ruimtes.