CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Actualisering verordening Jeugdhulp Hilversum - Getekend raadsbesluit

GEMEENTERAAD 29 januari 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Actualisering verordening Jeugdhulp Hilversum (1552356)19.504 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Lid 1 onderdeel i: mantelzorg Dit begrip is gelijkluidend aan het begrip mantelzorg uit de begripsbepalingen van Wmo 2015. Mantelzorg is vrijwillig en niet afdwingbaar. Lid 1 onderdeel]: ouders Behalve de natuurlijke ouders met gezag gaat het ook om adoptieouders en de aangestelde voogden van de jeugdigen. Lid 1 onderdeel k: persoonsgebonden budget Een jeugdige of ouder kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelfde benodigde hulp inkopen.

Lid2 Naast de definities in het eerste lid bevat ook de Jeugdwet definities die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke

omschrijving. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als jeugdhulp’ en jeugdige’ (zie artikel 1.1 van de Jeugdwet). Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals ‘beschikking’ (artikel 1:3 lid 2 van de Awb). De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bevat definities van begrippen als ‘verwerking’ en ‘persoonsgegevens’. In verband met de leesbaarheid van deze verordening hieronder de afkortingen van de diverse wetten en van veelgebruikte termen, zoals opgenomen in deze verordening. Awb AVG BW de wet jeugd-ggz Pgb SVB VOG WGBO WID Wlz Wmo 2015 Zvw

: Algemene wet bestuursrecht : Algemene verordening gegevensbescherming : Burgerlijk wetboek : Jeugdwet : jeugd-geestelijke gezondheidszorg : persoonsgebonden budget : Sociale verzekenngsbank : Verklaring omtrent gedrag : Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst : Wet op de identificatieplicht : Wet langdurige zorg : Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 : Zorgverzekeringswet

Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2 Toegang algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er is doorgaans geen besluit van het college voor nodig. Een beperkte toegangsbeoordeling is nodig om te bepalen of de jeugdige of zijn ouders tot de doelgroep behoren voor voorzieningen op grond van de Jeugdwet. Zie daarvoor de definities in artikel 1.1 van de Jeugdwet van eugdige’, ‘ouder’ en ‘woonplaats’ en de regeling in artikel 1.3 van de Jeugdwet ten aanzien van in Nederland verblijvende vreemdelingen. Er wordt echter niet gekeken naar de specifieke (persoons)kenmerken van de jeugdige of ouder. Dit conform de Wmo-jurisprudentie van de Centrale raad van beroep (CRvB) over algemene Wmo-voorzieningen (zie o.a. CRvB 15-04-2010, nr. 09/15 19 WMO). Artikel 3 Beschikbare algemene voorzieningen Dit artikel geeft aan welke algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Dit ter uitvoering van het eerder genoemde artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente regels stelt over de te verlenen individuele en algemenejeugdhulpvoorzieningen. Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen Voor het verkrijgen van een individuele voorziening gelden de in dit hoofdstuk beschreven procedures. Jeugdigen en ouders hebben onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdhulp en geen individuele aanspraken op jeugdhulp.

Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratisch proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 10), afhankelijk van de inhoud van de hulpvraag (artikel 8), meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan en in bepaalde gevallen ook van het gesprek en ook van onderzoek (artikel 13 lid 3) in overleg met de jeugdige of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Als de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en het onderzoek inclusief gesprek (artikel 13) zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke —

—

hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen zoals schriftelijke verslaglegging, (artikel 16) en schriftelijke indiening aanvraag (artikel 17) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een zorgvuldige dossiervorming. Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wel. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Paragraaf 1

Voorzieningen

Beschikbare individuele voorzieningen Artikel 4 Dit artikel geeft aan welke individuele voorzieningen beschikbaar zijn. Dit ter uitvoering van het eerder genoemde artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente regels stelt over de te verlenen individuele en algemenejeugdhulpvoorzieningen. Het gaat hierbij niet om een limitatieve opsomming van voorzieningen. Vanwege de diversiteit van voorzieningen is per voorziening een korte omschrijving opgenomen. Paragraaf 2

Toegang totjeugdhulp

Toegang tot jeugdhulp via de gemeente Artikel 5 Lid] Artikel 2.3 van de Jeugdwet bepaalt dat het college voor een jeugdige of een ouder, die jeugdhulp nodig heeft, een voorziening treft. Het gaat hierbij om een individuele voorziening jeugdhulp. Lid2 In deze verordening is bepaald op welke wijze een beslissing van het college om al dan niet zo een voorziening te treffen tot stand komt. Artikel 6 Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Lid] De Jeugdwet regelt dat er een directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp bestaat. Zie artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, van de Jeugdwet. Deze verwijzingsmogelijkheid bestaat dus naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp. De verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist enjeugdarts geldt zowel voor de vrij toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp.

Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.

Lid2 Alleen als dejeugdige of zijn ouders dit Wensen (bv. als ze een prsoonsgebonden budget Wensen voor de inzet van jeugdhulp) of in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de wettelijke verwijzer nodig hebben.

Artikel 7 Toegang tot jeugdhulp via de gecertificeerde instelling en justitie Lid 1 en 2 Deze bepaling vloeit voort uit artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet en regelt de uitvoering van de verplichting van het college omjeugdhulp in te zetten die nodig wordt geacht in situaties waarbij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen enjeugdreclassering aan de orde is. In die situaties zal in eerste instantie een beroep moeten worden gedaan op het voorzieningenpakket dat door de gemeente is ingekocht via subsidies dan wel contracten. In het geval dat jeugdhulp ingezet moet worden die niet door de gemeente is ingekocht, zal het college anderszins aan haar verplichting moeten voldoen. Het kan zijn dat een persoonsgebonden budget gewenst is voor dein te zetten jeugdhulp. In dat geval moeten jeugdige/ouders of gecertificeerde instelling als belanghebbende daarvoor een aanvraag indienen bij de gemeente. Of zij in aanmerking komen voor het persoonsgebonden budget wordt in dat geval wél bepaald door het college. De beslissing op de aanvraag persoonsgebonden budget dient dan wel vastgelegd te worden in een beschikking.

Lid 3 Voor de volledigheid is opgenomen dat het college voor de inzet van deze jeugdhulp in natura geen beschikking afgeeft. Als sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel ofjeugdreclassering, heeft het college daar immers geen bevoegdheid. Paragraaf 3

Toegang totjeugdhulp via het college

Hulpvraag Artikel 8 Lid] De hulpvraag is het eerste contact van jeugdige en ouders of een andere belanghebbende (onder wie pleegouder, verzorger en hulpverlener) het college om aan te geven dat er een behoefte aan jeugdhulp is bij de jeugdige of de ouders. Dit is dus geen aanvraag in de zin van de Awb. Na een hulpvraag kan een aanvraag om een individuele voorziening volgen door een belanghebbende. Maar dit hoeft niet. Bijvoorbeeld als uit het onderzoek bedoeld in artikel 13 blijkt dat de hulpvraag en het probleem op een andere manier kunnen worden opgelost. De jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een algemene voorziening kunnen hier direct naartoe zonder eerst een hulpvraag te hebben gemeld bij het college. Artikel 9 Spoedeisende gevallen Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. Onder spoedeisende gevallen worden gevallen verstaan waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht), omdat er sprake is van een acute bedreiging van veilig kunnen opgroeien en zich veilig kunnen ontwikkelen. In dergelijke spoedeisende gevallen kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

Vooronderzoek Artikel 10 Lid 1 Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. Het verzamelen van gegevens dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de hu’pvraag relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de AVG zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de hulpvraag meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek als bedoeld in artikel 13.

Lid2 Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de AVG zijn ook hier van overeenkomstige toepassing. Bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de Locatie voor het gesprek kunnen ook al concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een andere voorziening en of het college op grond van artikel 1 .2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen. Lid3 In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, dan kan een (uitgebreid) vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig.

Indien geen vooronderzoek plaatsvindt, blijft het vaststellen van de identiteit van de jeugdige of ouders in het kader van de rechtmatigheid noodzakelijk. Dit gebeurt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (WID). Ter voorkoming van onnodige bureaucratie stelt het college eenmalig de identiteit vast. Alleen als er twijfels rijzen over de identiteit, vindt vaststelling nogmaals plaats.

Lid4 Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 geldt in de Jeugdwet geen identificatieplicht. Wel moet het burgerservicenummer van de jeugdige worden vastgesteld, zodat de ondersteuning aan de juiste persoon wordt verstrekt en persoonsgegevens correct worden verwerkt. Onafhankelijke cliëntondersteuning Artikel 11 Deze cliëntondersteuning is kosteloos voor de inwoner. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning aan een cliënt of aan degenen die voor de cliënt zorgen. De ondersteuning bestaat uit hulp bij vraagverheldering, informatie en advies, bemiddeling en toeleiding naar passende zorg en ondersteuning. De ondersteuning heeft als doel bij te dragen aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening voor de cliënt op het gebied van zorg, preventieve zorg, jeugdhulp, maatschappelijke zorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het college draagt er zorg voor dat onafhankelijke, vindbare en deskundige cliëntondersteuning beschikbaar is. Bij deze vorm van ondersteuning is het belang van de cliënt uitgangspunt.

Familiegroepspian Artikel 12 Lid 1 1-let familiegroepspian is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als: huipverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Dit familiegroepsplan beoogt dat ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen zoveel.mogelijk zelf en met steun van hun netwerk problemen in de opvoed- en. opgroeisituatie voorkomen en aanpakken, èn dat ouders en jeugdigen daarbij regie voeren over de hulp die zij nodig hebben. Inwoners zijn in veel gevallen zeer wel in staat verantwoordelijkheid te nemen voor problemen in eigen familie- of vriendenkring. Sociale samenhang draagt daarnaast bij aan het welzijn van kinderen.

Als er een familiegroepsplan is opgesteld, kan dit als plan van aanpak gaan gelden. Wel kan het in de loop van het traject nodig blijken het plan te actualiseren. De hulpverlener zal dat dan bij de opstellers van het familiegroepsplan aan moeten kaarten. Ook is het mogelijk om, indien ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen vooraf aan het traject niet bereid zijn of niet in staat zijn een familiegroepsplan op te stellen, op een later moment een familiegroepspian op te stellen. De uitvoering van een familiegroepsplan is begrensd door het professionele kader op grond van de te hanteren professionele standaard als bedoeld

in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dc artikelen 4.1 .1 en 4.1.5 van de Jeugdwet en de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De professional zal dus vanuit zijn beroepsuitoefening moeten toetsen of hij uitvoering kan geven aan het familiegroepsplan en daarover in gesprek moeten gaan met betrokkenen, met als ondergrens de veiligheid en gezonde ontwikkeling van dc jeugdige. De gemeente heeft de taak om haar beleid zo vorm te geven dat het gericht is op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de Wet). De wet vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd over hun rechten en plichten. Dat jeugdigen en ouders niet gedwongen kunnen worden om een familiegroepsplan op te stellen spreekt voor zich. Echter, het college kan in gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben dit wel aanraden en stimuleren. —

—

Lid2 Het kan zijn dat het nodig is om enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepspian om bier effectief uitvoering aan te geven. Dat deze ondersteuning geboden dient te worden als de jeugdige of zijn ouders hier behoefte aan hebben, wordt bevestigd in dit artikellid. Welke vorm deze ondersteuning heeft, is aan de gemeente. Het familiegroepsplan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden als er ondersteuning wordt geboden. Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, aangezien dit mede affiangt van de mate van ondersteuning. Lid3 Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat het familicgroepsplan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een familiegroepsplan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten. Informatie over persoonsgebonden budget Artikel 13 De jeugdige en/of zijn ouders worden geïnformeerd over de mogelijkheden te kiezen voor een persoonsgebonden budget. Deze informatieplicht volgt uit artikel 8.1.6 van de Jeugdwet. Onderzoek Artikel 14 Algemeen Na een hulpvraag volgt een onderzoek.

Eén van de uitkomsten van het onderzoek kan zijn dat het verlenen van een individuele voorziening nodig is om het probleem op te lossen. Het onderzoek is in dat geval ook van belang voor de beoordeling van een in te dienen aanvraag voor een individuele voorziening. Voor een zorgvuldig beoordeling van de hulpvraag én van een eventuele aanvraag is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarom wordt het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact in de vorm van een gesprek nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Of dit gesprek op een gemeentelocatie plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige, is affiankelijk van de concrete situatie en wens van jeugdige en/of diens ouders. Indien nodig voor het onderzoek kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige of zijn ouders al bij de gemeente bekend zijn, zal een aantal onderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden onderzocht of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn.

In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang.

Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging ten grondslag moet liggen. Lid] De opsomming van de onderdelen van onderzoek in lid 1 is afgeleid van de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (NJB 2017/1094), waarin is bepaald aan welke eisen een zorgvuldig onderzoek in de kader van de Jeugdwet moet voldoen. Onderdeel B doelt op het bestaan van opgroei- en opvoedingsproblemen, dan wel psychische problemen of stoornissen op basis waarvan de gemeente mogelijk een jeugdhulpplicht heeft. Ook het dorniciliebeginsel is van belang. Het college van Hilversum hoeft alleen een voorziening te treffen in geval sprake is van de in de vorige zin benoemde problematiek en wairneer de jeugdige ook woonplaats heeft in Hilversum. Bij de beoordeling van de eigen kracht als bedoeld onder C wordt gekeken naar: wat de jeugdige zelf kan; de benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; de mogelijkheden en de belastbaarheid van de ouders; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen. Van ouders mag men verwachten dat zij vergaande aanpassingen doen om het gezond en veilig opgroeien van hun kind te realiseren. Dat kan ook betekenen dat een ouder zijn carrière of financiële situatie moet bijstellen om beschikbaar te zijn voor zorgverlening aan het eigen kind. -

-

-

-

-

Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel C onder V valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Zvw en/of een voorziening op het gebied van passend onderwijs. In geval de jeugdige mogelijk een beroep kan doen op dc langdurige zorg (Wlz), zal vanuit de gemeente ondersteuning worden geboden bij de aanvraagprocedure richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg (CIZ). Het niet meewerken aan onderzoek naar de mogelijkheden om gebruik te maken van andere voorzieningen komt voor rekening en risico van de jeugdige en diens ouders. Het college is dan niet gehouden een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. Verder is van belang dat er goede aansluiting is tussen voorzieningen op grond van de Jeugdwet en opvolgende voorzieningen op grond van bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Lid2 Tijdens het gesprek stelt de gemeente zich dienstbaar en empathisch op (‘stress-sensitiefwerken’).

Inwinnen informatie bij andere instanties Artikel 15 Uit het onderzoek en het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouders en de gemeente kan naar voren komen dat de gemeente informatie nodig heeft van andere instanties. De betreffende infonnatie moet wel noodzakelijk zijn voor de bepaling van de juiste voorziening op het gebied vanjeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 7.4.0 lid 1 Jeugdwet. Zo zullen voor de beoordeling omtrent de toegang tot jeugdhulp geen dossiers worden opgevraagd. In geval van medische informatie wordt de jeugdige en/of de ouders vooraf om toestemming gevraagd. Afstemming met scholen is specifiek geregeld in artikel 2.7 Jeugdwet. Verslag Artikel 16 Lid 1 en 2 Deze bepaling is opgenomen in het .belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Wel wordt aangesloten bij de praktijk van de Wmo 2015. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat dat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de jeugdige en/of de ouders in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk.

Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige en/of de ouders. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. De gemeente kan de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de jeugdige en/of de ouders overeengekomen plan (arrangement), waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die

daaruit voortvloeien zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de jeugdige en/of dc ouders dit plan ondertekenen. Lid3 Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij. Artikel 17 Aanvraag Algemeen Deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. Een inwoner kan altijd een aanvraagformulier opvragen bij de gemeente. De gebruikelijk gang van zaken is echter dat de jeugdige of de ouder(s) als eerste stap contact opneemt met de gemeente voor een gesprek met een consulent. Dit gesprek kan telefonisch of digitaal via de website aangevraagd worden. Via de consulent kan de jeugdige of ouder vervolgens de beschikking krijgen over een aanvraagformulier.

In de Jeugdwet is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De regeling in artikel 4:13 van de Awb geldt daarom onverkort. Dit betekent dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een aanvraag binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties kan in het belang van een zorgvuldige besluitvorming een langere tennijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden. Lid 1 De Awb is van toepassing. Een belanghebbende, in de regel zijn dat de jeugdige en/of de ouders, kan daarom een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat op grond van artikel 4:1 van de Awb een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college.

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in dit lid de mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag als aanvraag aan te merken. -

-

Lid2t/ni5 De Jeugdwet geeft geen regels over instemming bij indiening van een aanvraag voor jeugdhulp. Wie kan de aanvraag indienen c.q. wiens instemming is hiervoor nodig? De Jeugdwet regelt wel de toestemming die nodig is voor het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp (zie artikelen 7.3.4, 7.3.5 en 7.3.15 van de Jeugdwet). Voor zover het gaat om jeugdhulp in de vorm van een geneeskundige behandeling (zoals jeugd-ggz), is deze toestemming geregeld in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO; zie artikel 7.1.3 lid 3 Jeugdwet i.o. artikel 7:450 BW). De aanvraagprocedurejeugdhulp in de verordening sluit hierop aan. Door de instemming bij de aanvraag goed te regelen, kan voorkomen worden dat later op het moment dat de hulpverlening van start kan gaan de toestemming voor het eerst gevraagd moet worden en, bij een eventuele weigering de jeugdhulpverlening niet (of vertraagd) op gang komt. -

-

Lid 6 Ontbreekt de vereiste instemming bij de aanvraag, dan is sprake van een incomplete aanvraag, Op grond van artikel 4:5 Awb zal de aanvrager dan in de gelegenheid moeten worden gesteld om binnen een bepaalde termijn de aanvraag te voorzien van de vereiste instemming. Komt die er niet, dan kan de aanvraag buiten behandeling gesteld worden (op grond van artikel 4:5 lid 1 onderdeel a Awb). Weigert/Weigeren de ouder(s) in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in

behandeling nemen als dejeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, en ook indien de minderjarige na de weigering van de instemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. Indien een ouder geen instemming geeft voor het indienen van een aanvraag, kan dit betekenen dat deze ouder ook geen toestemming gaat geven voor het verlenen van jeugdhulp na een besluit daartoe. De Jeugdwet biedt dan de mogelijkheid het toestemmingsvereiste voor de inzet van jeugdhulp buiten toepassing te laten in het geval jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een machtiging gesloten jeugdhulp, of ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel ofjeugdreclassering (artikel 7.3.4 lid 1 Jeugdwet). Bij het ontbreken van instemming van een ouder bij de aanvraag onderzoekt het college of toepassing van artikel 7.3.4 lid 1 Jeugdwet aan de orde is.

Aanvraag en persoonsgebonden budget Artikel 18 Lid 1 Als de jeugdige of zijn ouders een persoonsgebonden budget willen voor de individuele voorziening die nodig is, moeten ze daarvoor een aanvraag indienen, of moeten ze dit althans bij hun aanvraag (als bedoeld in artikel 17) vermelden. De aanvraag is nodig om te kunnen beoordelen of de kwaliteit van ondersteuning gegarandeerd is en de op grond van de Jeugdwet vereiste motivatie aanwezig is

Lid2 Beoordeling van de aanvraag vindt o.a. plaats aan de hand van een plan met begroting dat de aanvrager bij de aanvraag toevoegt. Lid 3 Gemeenten kunnen waarborgen vragen over de kwaliteit van hulp die wordt geboden bij een persoonsgebonden budget (art. 8.1.1, tweede lid, onder c van de wet). De in dit lid genoemde onderwerpen moeten daarom in ieder geval in het plan, bedoeld in lid 2, opgenomen zijn. Lid4 Gemeenten kunnen waarborgen vragen over de kwaliteit van hulp die wordt geboden bij een persoonsgebonden budget (art. 8.1.1, tweede lid, onder c van de wet). Bij verordening kan daarom worden bepaald, dat bij de aanvraag voor een persoonsgebonden budget een verklaring omtrent gedrag (VOG) van de derde die de hulp verleent, wordt overgelegd. Iedere professional moet een VOG hebben (artikel 4.1.6 Jeugdwet). Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten deze verklaring hebben van dc personen die beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of met hun ouders. Dat geldt ook voor vrijwilligers die niet-incidenteel in contact komen met jeugdigen of hun ouders. De jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling moet de VOG vdér aanvang van de werkzaamheden hebben. De VOG moet ook actueel zijn. Dat betekent dat de VOG niet ouder mag zijn dan 3 maanden (artikel 4.1.6 lid 2 Jeugdwet).

Omdat professionals sowieso over een VOG moeten beschikken is de eis van het overleggen van een VOG bij de aanvraag met opgenomen. Wel is de eis gesteld dat de professional de VOG moet kunnen overleggen op aanvraag van het college. Om de administratieve lasten voor de derden die de jeugdhulp uitvoeren zo laag mogelijk te houden, is opgenomen dat het moet gaan om een VOG die niet ouder is dan 12 maanden. De kosten voor dc.aanvraag van een VOG komen niet voolTekernng van de gemeente. LidS Artikel 4.1.6 Jeugdwet m.b.t. de VOG geldt voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Een persoon uit het sociale netwerk valt daar niet onder. De gemeente moet ook bij een persoon uit het sociaal netwerk beoordelen of de kwaliteit van de hulp goed is (artikel 8.1.1 lid 2 sub c Jeugdwet). Daarom kan de gemeente kwaliteitseisen vastleggen die gelden bij beoordeling van een persoonsgebonden budget aanvraag voor hulp binnen het sociaal netwerk. Bijvoorbeeld de eis dat degene uit het sociale netwerk die de hulp biedt een VOG moet overleggen.

Dit artikellid regelt dat een VOG wordt overlegd bij de aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor hulp verleent door het sociale netwerk. Om de administratieve lasten voor aanvragers en de derden die de jeugdhulp uitvoeren zo laag mogelijk te houden, is opgenomen dat het moet gaan om een VOG die niet ouder dan 12 maanden is. De kosten voor de aanvraag van een VOG komen niet voorrekening van de gemeente. Lid 6 Als jeugdhulp ingezet moet worden op basis van een verwijzing door een (huis/jeugd-)arts of in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel ofjeugdreclassering, moet het college waarborgen dat de hulp wordt ingezet. In beginsel zal dat jeugdhulp in natura zijn, maar onder omstandigheden kan een persoonsgebonden budget gewenst zijn. De aanvraag is nodig zodat via deze weg (namens) de ouders ofjeugdigen de vereiste motivering kan worden gegeven, het proces goed wordt gestroomlijnd en er een duidelijke beschikking komt waar rechtsmiddelen tegen open staan. De aanvraag ziet dan op zichzelf beschouwd niet meer op de inzet van jeugdhulp, die noodzaak staat immers al vast met de doorverwijzing. Het gaat enkel om de verzilveringsvorm (natura of persoonsgebonden budget). Het is dan aan het college om te toetsen of aan de voorwaarden voor een persoonsgebonden budget wordt voldaan. Het college zal hier een beschikking over afgeven, zodat de rechtsbescherming ook is geborgd.

Die beschikking ziet dus enkel op het al dan niet verstrekken van een persoonsgebonden budget. Als het college oordeelt dat geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt de hulp in natura ingezet. Artikel 19 Beschikking Lid] en 2 Het college beslist op een bij het college ingediende aanvraag voor de verlening van een individuele voorziening op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefie van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag.

Lid3 Deze bepaling regelt de geldigheidsduur van het toekenningsbesluit. Artikel 20 Inhoud beschikking Lid] Uitgangspunt van de wet is de keuzevrjheid van de jeugdige of zijn ouders voor een voorziening in natura of pgb. Dit lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van inwoners om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. Lid2 tot en niet5 Algemeen De jeugdige of zijn ouders moeten in de beschikking de informatie krijgen die nodig is om zo veel mogelijk eigen regie en sturing op de inzet van de jeugdhulp te kunnen voeren. Hiernaast moet de beschikking de informatie bevatten die nodig is voor de jeugdige of zijn ouders om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige of zijn ouders goed en volledig informeert. In deze artikelleden zijn de essentialia opgenomen die in ieder, geval in de beschikking.moeten worden opgenomen.

Lid2 Onderdeeld Monitoring op de resultaten van de inzet van de individuele voorzieningen op cliëntniveau is maatwerk. Evaluatie vindt daarvoor plaats door cliënt én gemeente in samenspraak. Basis voor de evaluatie is de beschikking en plan van aanpak. Daarom vermeldt de beschikking op welke wijze de tussentijdse evaluatie plaatsvindt.

Lid6 Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indient (artikel 17) of wanneer artikel 6, lid 2, van toepassing is, dient het college een beschikking te verstrekken aan de belanghebbende die vatbaar is voor bezwaar en beroep. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). Paragraaf 4

Criteria voor toekenning en weigering

Artikel 21 Criteria individuele voorzieningen Algemeen Artikel 2.9 onderdeel a van dç Jeugdwet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. Dit artikel bevat een kader daarvoor.

Lid2 Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om bepaalde bevoegdheden bij de toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in beleidsregels. Lid3 Onderdeel a Belangrijk is dat bij het beoordelen van de problematiek allereerst gekeken wordt in hoeverre het eigen sociale netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden. Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving (artikel 2.1 onderdeel d van de Jeugdwet). Pas als blijkt dat de jeugdige of zijn ouders er zelf dan wel met hulp van de omgeving (= het sociaal netwerk, zoals bedoeld in artikel 1 onder sub k van de verordening) niet of slechts gedeeltelijk uitkomen, hetgeen uit het onderzoek zal volgen, moet het college een voorziening treffen. Uit deze bepaling volgt tevens dat geen voorziening hoeft te worden toegekend voor zover het naar algemeen aanvaarde maatstaven gebruikelijk is dat deze hulp wordt geboden door de partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. We spreken dan van gebruikelijke hulp. Zie voor dit begrip de toelichting bij artikel 1, lid 1, onderdeel c van deze verordening. Onderdeel b Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening.

Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening te treffen. Onderdeel c Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als de jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggetide) voorziening. Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo 2015 of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een andere voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede “voor zover” in de aanhef van deze bepaling.

Artikel 22 Criteria persoonsgebonden budget Algemeen Het college kan op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget verstrekken. Uitgangspunt van de Jeugdwet is keuzevrjheid van de jeugdige en zijn ouder om de jeugdhulp als zorg in natura te ontvangen of te kiezen voor een persoonsgebonden budget en zelf dejeugdhulp in te kopen. Indien de jeugdige en zijn ouder aan een aantal in de wet geformuleerde voorwaarden voldoet, moet het college een persoonsgebonden budget verstrekken. Zie ook de tekst van artikel 8.1.1, eerste lid: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen”. De wettelijke voorwaarden zijn in dit artikellid herhaald om een compleet beeld van rechten en plichten van de jeugdige en/of de ouders te geven.

Lid 1 Onderdeel a De jeugdige of de ouder(s) moeten al dan niet met hulp van mensen uit het sociale netwerk in staat zijn om de maatregelen die tot de individuele voorziening behoren, zelf bij derden in te kopen. Het gaat daarbij om de vraag of zij, al dan niet met de hulp van de omgeving, in voldoende mate in staat zijn een redelijke waardering van hun belangen. De jeugdige of zijn ouders moeten immers een contract aangaan en dienen daartoe bekwaam te zijn. Het gaat daarbij niet om het beheren van het persoonsgebonden budget zelf. Namens het college beheert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) het persoonsgebonden budget. Dit zogenaamde ‘trekkingsrecht’ betekent dat het SVB de betaling aan zorgverleners doet en vooraf controleert. Zo kan door de SVB bijvoorbeeld nagegaan worden of cliënt een overeenkomst heeft afgesloten met de hulpverlener of zorginstelling die hij wil betalen. -

-

Indien de jeugdige of zijn ouders niet zelf in voldoende mate in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen, kan iemand uit het sociale netwerk hen daarin bijstaan. Dit kunnen bijvoorbeeld een buurman, een voogd etc. zijn. De wettelijke vertegenwoordiger van de cliënt (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die wellicht (nog) niet tot het sociale netwerk van de cliënt behoort, kan de cliënt ondersteunen. Het betrekken van wettelijk vertegenwoordigers heeft voorrang op het betrekken van vertegenwoordigers uit het sociale netwerk. Ook voor de aan te wijzen vertegenwoordigers geldt dat getoetst wordt of de vertegenwoordigers van de cliënt de verantwoordelijkheden behorende bij een persoonsgebonden budget aankunnen.

Bij de beoordeling van de pgb vaardigheid worden de volgende 10 punten getoetst: overzicht van de situatie en beeld van de zorgvraag; kennis van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb; vaardigheid om een deugdelijke en overzichtelijke pgb administratie bij te houden; vaardigheid om te communiceren met de gemeente, de zorgverleners, de SVB en andere betrokken partijen; zelfstandigheid van handelen; vaardigheid afspraken te maken en vast te leggen; bekwaamheid tot beoordeling van de geleverde zorg en de gestelde doelen; vaardigheid om de zorg te coördineren; vaardigheid om als opdrachtgever zorgverleners aan te sturen; (juridische) kennis rondom het werk- of opdrachtgeverschap. -

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Onderdeel b De tweede voorwaarde bepaalt dat de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt moeten stellen dat de’individuele voorziening.die wordt geleverd dooreen aanbieder, door henniet passend wordt geacht. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als (niet limitatieve opsomming): • de jeugdhulp niet goed vooraf is in te plannen; • dejeugdhulp op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden; • jeugdhulp op verschillende locaties moet worden geleverd; • het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren, of • als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Als uit de argumentatie blijkt dat de jeugdige en zijn ouders zich voldoende hebben georiënteerd op de voorziening in natura, dan mag de gemeente een persoonsgebonden budget niet uitsluitend op de voorwaarde van motivering weigeren. Dit geldt ook wanneer de gemeente van mening is dat zij beschikt

over een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura. Gemeenten mogen dus geen eisen stellen aan deze motiveringsplicht van de jeugdige of zijn ouders. Onderdeel c Ten slotte stelt de derde voorwaarde dat de jeugdhulp die de jeugdige en zijn ouders met het budget wensen in te kopen dient te voldoen aan de kwaliteitseisen. Zie voor deze eisen hoofdstuk 4 Jeugdwet ‘Kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen’ (artikel 4.1.1 e.v.). Het college zal zich ervan vergewissen dat de kwaliteit van de te kopen jeugdhulp goed is, hetgeen zowel voor de veiligheid van de jeugdige en zijn ouders als voor de effectiviteit van de inzet van dejeugdhulp van groot belang kan zijn (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 222). Bij de beoordeling van de kwaliteit betrekt het college ook de verklaring omtrent gedrag van de derde die de individuele voorziening gaat uitvoeren (zie artikel 18 lid 4). Lid2 Deze bepaling is ook opgenomen in de Jeugdwet. De bepaling is hier herhaald om een volledig beeld van de toekennings- en weigeringscriteria te geven.

Het college heeft de mogelijkheid om een jeugdige of zijn ouders een persoonsgebonden budget te weigeren als de gemeente eerder een beslissing om een persoonsgebonden budget te verstrekken heeft herzien of ingetrokken, omdat: • de ontvanger van het budget onjuiste of onvolledige gegevens heeft; • niet voldeed aan de gestelde voorwaarden van het persoonsgebonden budget; of • het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel dan waarvoor het bestemd was werd gebruikt. Lid3 Onderdeel a Het persoonsgebonden budget geeft de jeugdige en/of diens ouders de ruimte om eigen keuzes te maken wat betreft de inzet van de ondersteuning. Het pgb mag echter enkel worden gebruikt om de doelen te bereiken waarvoor de individuele voorziening is toegekend. Een pgb verdraagt zich niet met eventuele financiële belangen van de budgethouder. Onderdeel b De SVB heeft (digitaal) modelovereenkomsten opgesteld. Op grond van artikel 8a Regeling Jeugdwet moeten deze modelovereenkomsten als basis worden gebruikt door de budgethouders en degenen die de jeugdhulp gaan leveren. Op deze wijze zal de SVB de overeenkomsten sneller en makkelijker kunnen verwerken. De bepalingen van de modelovereenkomst mogen niet worden geschrapt of aangepast. Er blijft wel ruimte om aanvullende afspraken in de overeenkomsten op te nemen.

Onderdeel c Als de budgethouder zorg inkoopt met een persoonsgebonden budget, wordt deze werkgever of opdrachtgever van de zorgverlener. De budgethouder betaalt een loon of vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget. De budgethouder is werkgever als hij een arbeidsovereenkomst met zijn zorgverlener afsluit voor minimaal 4 dagen per week. Daarbij is sprake van een overeenkomst met inhoudingen loonheffingen en moet de budgethouder ook werkgeverslasten betalen. De werkgeverslasten zijn ongeveer 20 procent van het bruto loon. Het afsluiten van zo een overeenkomst kan zowel met een professional als met een niet professionele ondersteuner. In geval van een overeenkomst van opdracht kunnen partijen ook afspreken om de belastingen en premies direct afdragen aan de belastingdienst. Waar nodig ondersteunt de SVB de budgethouder bij de administratieve afwikkeling als volgt: • SVB betaalt de zorgverlener een nettoloon / de overeengekomen (netto) vergoeding uit het pgb; • SVB betaalt de verplichte belasting en premies aan de Belastingdienst; • SVB stuurt de budgethouder elke maand een loonstrook; • SVB onderhoudt het contact met de Belastingdienst; • SVB verzorgt de jaaropgave voor de zorgverlener.

De werkgeverslasten dienen uit het persoonsgebonden budget te worden betaald. Daarbij blijft wel gelden dat de hoogte van het persoonsgebonden budget ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura bedraagt (artikel 23 van de Verordening). Artikel 23 Berekening hoogte persoonsgebonden budget Algemeen Artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet bepaalt dat de verordening moet regelen op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. De hoogte van het persoonsgebonden budget en het onderscheid dat daarbij gemaakt wordt tussen het tarief voor de inzet van professionele hulp en het tarief voor de inzet van hulp uit het sociaal netwerk hoort ook in de verordening geregeld te worden (Zie Memorie van Toelichting, artikelsgewijs TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 151).

Lid 1 Gegeven het maatwerkkarakter van de te verstrekken individuele voorziening zal de hoogte van het persoonsgebonden budget per jeugdhulpvorm verschillen. Lid 2 Onderdeel a Het plan biedt basis voor het college om te beoordelen ofjeugdige en ouders aan de wettelijke voorwaarden voor een persoonsgebonden budget kunnen voldoen. Onderdeel b Van belang is dat de hoogte van het budget zodanig is, dat de jeugdige of zijn ouders de vastgestelde jeugdhulp ook werkelijk met het budget kunnen inkopen. Onverminderd het bepaalde in de overige leden van dit artikel, moet de hoogte van het persoonsgebonden budget toereikend zijn om veilige, doeltreffende en kwalitatieve goede jeugdhulp in te kopen. Anders is het budget voor de jeugdige of zijn ouders immers geen zinvol alternatief. Anderzijds is het alternatief van een persoonsgebonden budget voor de gemeente slechts zinnig wanneer het budget gelijk of lager is dan de kosten van een voorziening die door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder in natura wordt geleverd. Indien de aanvrager kiest voor een voorziening voor de vastgestelde hulp die boven de toegekende hoogte van het pgb voor de vastgestelde hulp ligt, zijn de meerkosten voor de aanvrager.

Onderdeel c Artikel 8.1.4 onder a van de Jeugdwet bepaalt dat het college een persoonsgebonden budget kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van dejeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. De maximale hoogte van een persoonsgebonden budget mag dus begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie door het college ingekochte goedkoopst adequate individuele voorziening in natura. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een persoonsgebonden budget. De situatie waarin het door de jeugdige of zijn ouders beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het persoonsgebonden budget om die reden geheel geweigerd kan worden. De jeugdige of zijn ouders moeten zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde aanbod en ze toch voor die gewenste aanbieder kiezen. Het college kan het persoonsgebonden budget dan slechts weigeren voor het gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het is echter niet toegestaan om een hoger uurtarief van de pgb aanbieder te compenseren met de inzet van minder uren. Daarom is het maximum uurtarief ook expliciet als bovengrens opgenomen in het artikel.

Lid3enlid4 De gemeenteraad kan in de verordening differentiëren tussen de hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele jeugdhulp en niet-professionele jeugdhulp (Zie Memorie van Toelichting, artikelsgewijs TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 151) Deze artikelonderdelen bevattende grondslag hiervoor. .

Voor formele jeugdhulp wordt een ander tarief gehanteerd dan voor informele hulp. Informele hulp betrekt de jeugdige en de ouders in de regel uit het sociale netwerk. Bij de bepaling van de tarifering is rekening gehouden met het feit dat bij formele hulp veelal een cao van toepassing is en er sprake is van

overheadkosten. Bij informele hulp gaat het eerder om ondersteuning die niet beroepsmatig wordt verleend en waarvoor geen bijzondere scholing is vereist. In de verordening is daarom het wettelijk minimumloon als ondergrens voor het tarief voor een pgb voor informele hulp opgenomen. Dat is uit maatschappelijk oogpunt een correcte ondergrens. Vanwege ontwikkelingen in de prijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de NEA-index is het nodig om jaarlijks bedragen te kunnen actualiseren. Deze wijze van indexatie is gelijk aan de indexatie van dejeugdhulp als zorg in natura zoals vastgelegd bij de inkoop van deze zorg. De indexatie vindt in de regel per 1 januari plaats. LidS Dit artikel biedt een grondslag aan het college om, in bijzonder situaties en aanvullend op een indicatie voor jeugdhulp, een vergoeding te verstrekken voor kosten die normaliter voor rekening van de ouders komen. Het kan bijvoorbeeld gaan om (hoge) reiskosten. Het maximumbedrag is afgeleid van de fiscaal vrij gestelde vrijwilligersvergoeding.

Artikel 24 Criteria sociaal netwerk Lid] Deze bepaling is een uitwerking van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet dat de gemeenteraad dc bevoegdheid geeft te bepalen onder welke voorwaarden de persoonsgebonden budgethouder dejeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning daarvan met een persoonsgebonden budget beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar minimaal evenredige ondersteuning, aangaande effectiviteit en doelmatigheid, biedt. Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders (TK 2013-2014, 33684, nr. 11, p. 17). Als een persoon uit het sociale netwerk wordt ingezet met een persoonsgebonden budget voor niet-professionele hulp, hoeft deze niet te voldoen aan de norm van verantwoorde werktoedeling (zoals o.a. registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd). Het college kan dan een aantal kwaliteitseisen in de verordening opnemen. Artikel 25 Kwaliteitseisen inzet persoonsgebonden budget De voorwaarden in dit artikel waarborgen dat de kwaliteit van de jeugdhulp ingezet met een persoonsgebonden budget goed is. Lid] In deze bepaling zijn enige criteria opgenomen waaraan de persoon van de aanbieder en diens bedrijfsvoering moeten voldoen.

Dit mede in het kader van de bestrijding van onrechtmatig c.q. oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en ter bescherming van de belangen van de inwoner. De criteria die door het college worden betrokken bij de beoordeling van een veilige en doeltreffende inzet van individuele voorzieningen via een pgb zijn afgeleid van de (veel uitgebreidere) afspraken met gecontracteerde partijen.

Lid 2 Onderdeel d Het gaat bij jeugdhulp om kwetsbare jeugdigen. Dan is het noodzakelijk dat in geval van calamiteit of geweld melding plaatsvindt. Onder calamiteit en geweld wordt hier verstaan calamiteit en geweld zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Ook professionele aanbieders dienen hiervan melding te iloen op grond van de Jeugdwct. De Jeugdwet verstaat (in het kort geformuleerd) onder een calamiteit dan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van dejeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid. Onder geweld verstaat de Jeugdwet geweld bij de verlening van jeugdhulp: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee. Onderdeel e Jeugdigen en hun ouders moeten een beroep kunnen doen op een onaffiankelijk vertrouwenspersoon. Daarom moeten jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een vertrouwenspersoon in de gelegenheid stellen zijn werk te doen (artikel 4.1.9 Jeugdwet). Voor alle duidelijkheid is hier opgenomen

dat ook een niet-professionele ondersteuner een vertrouwenspersoon in de gelegenheid moet stellen zijn taak uit te voeren.

Hoofdstuk 4 Gegevensverwerking Artikel 26 Privacy Vanwege de kwetsbare positie waarin een jeugdige en zijn ouders zich bevinden en de gevoelige aard van de informatie waarmee wordt gewerkt, zijn in dit artikel regels opgenomen om de privacy van de jeugdige of zijn ouders zoveel als mogelijk te garanderen. Onder een spoedeisend belang bedoeld in artikel 25 lid 2 van de verordening wordt o.a. een acuut onveilige situatie verstaan. Deze regels sluiten aan op het in de AVG neergelegde kader. In dit artikel wordt evenals in de AVG gesproken van het verwerken van persoonsgegevens en daarmee geldt het artikel voor elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens. Daaronder valt onder meer het verzamelen, vastleggen, bewaren, wijzigen, opvragen, raadplegen, vernietigen, het delen met derden, en het verstrekken door middel van doorzending. Behalve een privacyverklaring sociaal domein is er ook een specifieke privacyverklaring voor jeugdhulp. Beide staan op de website van Hilversum. De gemeente bewaart gegevens niet langer dan toegestaan op basis van de Archiefwet 1995. De bewaartermijn voor jeugdhulpdossiers is twintig jaar.

Hoofdstuk 5 Herziening, intrekking, terugvordering en controle Artikel 27 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Algemeen Het hoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Lid] Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een persoonsgebonden budget. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen enlof ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

Voor deze uitbreiding naar hulp als zorg in natura kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2. Daar staat dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld persoonsgebonden budget is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet

alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. Lid2 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken of herzien. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte persoonsgebonden budgetten. Deze bepaling in de verordening breidt dit uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een ‘kan-bepaling. Het college is dus met verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Intrekking of herziening kan o.a. aan de orde kan zijn als dit blijkt uit de evaluatie zoals genoemd in artikel 20 lid 2 onderdeel d. Maar kan ook uit andere hoofde nodig blijken. Lid3 Intrekking of herziening van een jeugdhulpvoorziening kan leiden tot de conclusie dat ten onrechte of te veel hulp is verleend. Deze bepaling regelt dat het college in dat geval bevoegd is de geldswaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura, dan wel van het teveel of ten onrechte verstrekte persoonsgebonden budget. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Deze bepaling is een ‘kan-bepaling’. Het college kan de individuele omstandigheden laten meewegen bij het besluit om al dan niet deze bepaling toe te passen. Lid4 Deze bepaling is ook een ‘kan-bepaling’. Het college is niet verplicht om na het verlopen van de redelijke termijn van drie maanden de beslissing tot verlening van het persoonsgebonden budget in te trekken. Het college kan desgewenst het hierbij te hanteren beleidskader neerleggen in een beleidsregel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=3b4edae3-7928-4cbc-8131-ebafc319bfc6