CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanpassen verzamelverordening inkomensvoorziening Hilversum 2023 - Raadsbesluit

GEMEENTERAAD 27 september 2023, gemeente HilversumBij agendapunt: Aanpassen verzamelverordening inkomensvoorziening Hilversum 2021 (1326844)19.180 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

HOOFDSTUK 2. Re-integratie en Tegenprestatie Dit hoofdstuk wordt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan werkzoekenden die behoren tot de doelgroep geregeld. De opdracht hiertoe is geregeld in artikel 7 van de PW en 34 IOAW. De regels die in ieder geval moeten worden gesteld betreffen: scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de PW. Dit betreft scholing van mensen die werkzaam zijn op een participatieplaats; • de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, PW. Dit betreft de premie voor mensen die werkzaam zijn op een participatieplaats; • participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de PW; • de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d van de PW. Dit betreft de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep behoort en de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. Voor de IOAZ en Bbz gelden deze regels niet vanwege de specifieke doelgroep en daarvoor geldende bepalingen. Naast de regels over de arbeidsinschakeling bevat dit hoofdstuk ook regels die betrekking hebben op de verplichting om op verzoek van het college onbeloonde •

maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten (de zgn. tegenprestatie), als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW.

Artikel 2.1. Opdracht en taak van het college In dit artikel is de opdracht die op grond van de artikelen 7 PW en 34 IOAW en IOAZ aan het college is toevertrouwd geconcretiseerd. In het eerste lid wordt gesproken over ondersteuning en het verstrekken van voorzieningen. Met ondersteuning wordt in deze regelingen gedoeld op het totaalpakket aan maatregelen dat geboden kan worden om iemand uit de doelgroep richting de arbeidsmarkt te bewegen. Het verstrekken van concrete voorzieningen maakt daarvan onderdeel uit. De belangrijkste voorzieningen zijn in deze verordening geregeld, dit is echter geen limitatieve opsomming. Als het college de inzet van andere voorzieningen aangewezen acht, kan het daarvoor kiezen. Bij het bepalen van de ondersteuning van de belanghebbende moet verdringing op grond van oneerlijke concurrentie zoveel mogelijk worden beperkt (lid 2). Aan de andere kant kan het versterken van de positie van werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt soms nodig zijn om hun kansen op werk te vergroten. Bij de inzet van voorzieningen zal het college binnen deze randvoorwaarden moeten afwegen welke ondersteuning aangeboden gaat worden. Het college kan daarover in werkinstructies of beleidsregels verder invulling geven.

Bij de wijze van ondersteuning wordt een afweging gemaakt, waarbij alle mogelijkheden en omstandigheden, zoals de functionele beperkingen en zorgtaken, w.o. mantelzorg, betrokken worden. Re-integratie is maatwerk. In lid 4 is opgenomen dat het college de inzet van flankerende voorzieningen bevordert. Bij deze voorzieningen kan gedacht worden aan schuldhulpverlening of kinderopvang. Dit kan een noodzakelijke randvoorwaarde zijn voor een succesvolle re-integratie. Let wel: de gemeente hoeft niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar houdt wel rekening met het beschikbaar zijn hiervan. De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen (lid 5). Het ontbreken van financiële middelen kan echter niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan per voorziening een plafond worden ingebouwd (zie artikel 2.2).

Artikel 2.2. Budget- en andere plafonds Het college kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen en verstrekkingenplafonds hanteren. Dit kan bijvoorbeeld worden opgenomen in de uitvoeringsnota. Betreft het een subsidieplafond dan is titel 4.2 van de Awb van toepassing, waaronder het subsidieplafond, geregeld in afdeling 4.2.2. Een ‘niet-uitkeringsgerechtigde’ (zgn. nuggers), zonder werk, komt in principe niet voor ondersteuning in aanmerking komen, omdat de beschikbare middelen primair besteed worden aan andere werkzoekenden. Wordt in uitzonderlijke gevallen toch een voorziening verstrekt, dan kan daarvoor een eigen bijdrage worden opgelegd.

Artikel 2.3. Aanspraak op ondersteuning en op voorzieningen In het eerste lid wordt gespecificeerd waarop de ondersteuning is gericht: economische zelfredzaamheid. M.a.w. doel is om weer middels arbeid in de bestaanskosten te kunnen voorzien. Dit is doorgaans de groep met een loonwaarde van 40% of meer. Voor hen zijn de

voorzieningen bestemd die in paragraaf 2.2. zijn genoemd. Is de loonwaarde lager, dan zal arbeidsinschakeling verder weg liggen en kan een tussendoel zijn: sociale zelfredzaamheid. Arbeidsinschakeling is maatwerk. Het college beslist welke vorm de ondersteuning heeft (lid 2). Recht op een specifieke vorm van ondersteuning is er niet voor belanghebbende. Het college kan de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen benutten om de economische of sociale zelfredzaamheid te bevorderen, maar kan ook gebruik maken van andere voorzieningen of vormen van ondersteuning. Centraal criterium blijft de inzet van de meest geschikte instrumenten. Kan een andere voorziening worden aangesproken met hetzelfde doel, dan dient daarvoor gekozen te worden en bestaat geen aanspraak op ondersteuning, conform het uitgangspunt van de PW. Dit kan bijv. een reiskostenvergoeding van een werkgever zijn of een werkplekaanpassing (lid 3).

Artikel 2.4. Beëindiging van voorzieningen Dit artikel bevat een aantal algemene beëindigingsgronden, in aanvulling op de specifieke gronden die de PW noemt m.b.t. specifieke voorzieningen, zoals de loonkostensubsidie (art. 10d PW). Uiteraard geldt daarbij, dat de specifieke bepaling in de PW voorgaan op de hier geformuleerde algemene gronden. Onder beëindigen wordt bijv. ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.

Artikel 2.5. Voorzieningen in verband met arbeid Iemand die tot de doelgroep behoort en werk zoekt, kan in aanmerking komen voor ondersteuning. De in lid 1 (niet limitatief) geformuleerde vormen van ondersteuning dragen bij aan een versnelde arbeidsinschakeling. In lid 2 is geregeld dat het college iemand uit de doelgroep die werkt of gaat werken, van specifieke ondersteuning kan voorzien. De verantwoordelijkheid van het college houdt niet op bij de werkaanvaarding. Het is van belang dat het werk ook behouden wordt. Daarom kan het college nazorg verlenen en daarmee mogelijke valkuilen wegnemen. Het is aan het college om dit verder in beleidsregels of werkinstructies vorm te geven.

Artikel 2.6 Ondersteuning bij leer-werktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor ondersteuning bij leerwerktrajecten, voor zover dit noodzakelijk wordt geacht. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de PW. De ondersteuning bij leerwerktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden.

Artikel 2.7. Arbeidsontwikkeltraject Via de Tomingroep kunnen werkzoekenden uit Hilversum en de andere regiogemeenten thans aan een arbeidsontwikkeltraject deelnemen. Deze mensen krijgen specifieke begeleiding die

gericht is op het ontwikkelen van werknemersvaardigheden, eventuele bijscholing en het opdoen van werkervaring, als opstap naar betaald werk. Dit artikel opent ook de mogelijkheid om arbeidsontwikkeling door andere aanbieders te laten verrichten.

Artikel 2.8. Scholing Eén van de voorzieningen die het college kan inzetten is scholing. Onder scholing wordt een breed begrip verstaan: alle vormen die een leerproces in zich dragen kunnen hieronder worden gebracht. Denk aan training en coaching, maar ook aan informele vormen (opdoen werknemersvaardigheden). Centraal staat dat de scholing gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling. In lid 2 zijn de randvoorwaarden benoemd. In het derde lid is het uitgangspunt verwoord, dat andere voorzieningen voorgaan. In dit geval is dat rijksgefinancierd onderwijs.

Artikel 2.9. Participatieplaats Het instrument participatieplaats is wettelijk geregeld in artikel 10a PW. Dat is hier nog eens herhaald. Het betreft een vorm van werken met behoud van uitkering voor bijstandsgerechtigden met een lange afstand tot de arbeidsmarkt, waarin werk en scholing worden gecombineerd. Doel is om werknemersvaardigheden te versterken en werkervaring op te doen. Vooralsnog wordt spaarzaam gebruik gemaakt van dit instrument, gelet op alle voorwaarden en de kosten die daaraan zijn verbonden.

Artikel 2.10. Werkstage Eén van de voorzieningen die het college kan inzetten is het werken met behoud van uitkering. Dit is altijd ingebed in een specifiek traject richting de arbeidsmarkt en kan worden benut als opstap naar betaald werk voor personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. Het kan diverse verschijningsvormen hebben en onder verschillende benamingen voorkomen: werkervaringsplaats, proefplaatsing, werkstage, 1000-urenplan, etc.

Artikel 2.11. Proefplaats Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”.

Artikel 2.12. Persoonlijke ondersteuning Het college is verantwoordelijk voor ondersteuning van de inwoner op een aantal domeinen. In artikel 1.1.1 en 2.1.1 Wmo is de cliëntondersteuning verwoord, die alle levensgebieden bestrijkt. Een belangrijke specifieke vorm van ondersteuning binnen het domein ‘arbeidsparticipatie’ is de begeleiding op de werkplek. Dit wordt doorgaans door de werkgever geregeld en bekostigd. Waar dit echter teveel gevraagd is van de werkgever, gelet op de bijzondere beperking/handicap

van de werknemer, is aanvullende begeleiding mogelijk. De persoonlijke ondersteuning wordt afgestemd op de begeleidingsbehoefte. De begeleiding moet ervoor zorgen dat de uitvoering van het werk zo zelfstandig en productief mogelijk gebeurt. Lid 1 heeft echter een bredere strekking. Ook in andere situaties dan een formeel dienstverband kan deze begeleiding, waar noodzakelijk, ingezet worden. Betreft het begeleiding op de werkplek van iemand uit de doelgroep die met loonkostensubsidie gaat werken, dan geldt een beperkter criterium: het voorkomen van uitval. Bij de loonwaardemeting zal doorgaans worden vastgesteld in welke mate begeleiding noodzakelijk is en welke kosten daarmee gemoeid zijn. Het college kan dit verder in werkinstructies of beleidsregels nader vorm geven.

Artikel 2.13 jobcoaching Dit is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin.

Artikel 2.14. Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing Naast persoonlijke begeleiding kan het bij werk of scholing noodzakelijk zijn om specifieke voorzieningen te verstrekken in verband met de beperking van de belanghebbende. Voor de zgn. meeneembare voorzieningen geldt, dat deze bij het UWV kunnen worden aangevraagd (getroffen regeling met VNG). Voor andere voorzieningen die specifiek gerelateerd zijn aan het werkproces en aan de werkplek geldt, dat deze onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Het college kan dit verder vorm geven in werkinstructies of beleidsregels.

Artikel 2.15. Taaltraject Per 1 januari 2016 is de Wet taaleis Participatiewet (Stbl. 2015-136) in werking getreden. Op grond van die wet is thans in artikel 18b PW geregeld dat voor een bepaalde groep bijstandsgerechtigden de verplichting geldt om zich de Nederlandse taal eigen te maken op taalniveau 1F. Om deze groep te ondersteunen kan het college taaltrajecten aanbieden. Dat is weliswaar geen verplichting, maar zal in een aantal gevallen wel aangewezen zijn, als belanghebbenden niet in staat zijn om zelf taallessen te organiseren of die te benutten. Ook buiten de Wet taaleis om is het college bevoegd om taallessen aan te bieden als voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Voor personen die geen arbeidsverplichting meer zullen hebben, geldt dat ze niet in aanmerking komen voor taallessen. De schaarse middelen worden primair ingezet voor degenen die verplicht zijn tot en kans hebben op arbeidsinschakeling.

Artikel 2.16. Premies en vergoedingen Voor de participatieplaats geldt dat de hoogte van de premie in de verordening moet zijn vastgelegd (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). Er is gekozen voor een premie van telkens € 250,00 per zes maanden (lid 2). Deze wordt vrijgelaten bij de bijstandverlening. Daarnaast kan een onkostenvergoeding worden verkregen in het kader van de arbeidsinschakeling. Denk aan reiskosten voor het bezoek van het arbeidsontwikkeltraject. Het college kan dit verder uitwerken in beleidsregels of werkinstructies.

Artikel 2.17. Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde Gelet op artikel 6, tweede lid, PW, moet in ieder geval geregeld worden op welke wijze wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie gaat behoren en op welke wijze de loonwaarde wordt gemeten. Meer hoeft de raad niet te regelen en dat is ook niet nodig, omdat artikel 10d PW al behoorlijk gedetailleerde regels geeft. In dit artikel is opgenomen dat de gemeente gebruik maakt van haar eigen administratieve proces voor het verstrekken van de loonkostensubsidie. In artikel twee is opgenomen hoe de loonwaarde wordt bepaald. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het vierde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het vijfde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. In artikel 10d PW is al geregeld, dat een werkgever die voornemens is iemand uit de doelgroep betaalde arbeid aan te bieden, kan verzoeken om loonwaardemeting. In dat geval zal dan ook eerst een doelgroepbepaling loonkostensubsidie moeten plaatsvinden (art. 10d, eerste lid, PW).

Dat zal doorgaans vooraf dienen te gaan aan de loonwaardemeting op de werkplek. De doelgroeptoets kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Het meest in de rede ligt, dat het UWV wordt gevraagd dit te doen, omdat dan tegelijkertijd beoordeeld kan worden of iemand in het doelgroepregister van de banenafspraak kan worden opgenomen. Daarvoor gelden dezelfde criteria. Het college kan ook ambtshalve iemand uit de doelgroep aanmelden voor een dergelijke beoordeling (lid 1). Dat kan zinvol zijn, vanuit hetzelfde perspectief: aanmelding voor doelgroeptoets banenafspraak. De loonwaardemeting wordt gedaan aan de hand van de zgn. ‘Dariuz’-methodiek (lid 2). Dit is in overleg met de regiogemeenten gerealiseerd. Een uitleg van de methodiek is als bijlage bij de verordening opgenomen.

Artikel 2.18. Inkomensvrijlating Inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 246,00 per maand (1-1-2023), worden voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en algemene bijstand ontvangt, gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen gerekend als dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling (art. 31, tweede lid, onderdeel n, PW). Vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen in de IOAW (art. 8, derde lid) en IOAZ (art. 8, derde lid).

Lid Z en lid AA zijn sinds 1 januari 2023 toegevoegd aan de PW. Dit houdt in dat een werknemer vanuit de bijstandsuitkering met loonkostensubsidie na zijn periode van 6 maanden 25% vrijstelling, in aanmerking komt voor vrijlating van 15% van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 155,56 per maand, gedurende een periode van twaalf maanden. Na deze periode, als de gemeente na toetsing van de persoonlijke omstandigheden van oordeel is dat uitbreiding van werkuren op korte termijn niet van de werknemer verwacht kan worden; treedt lid AA in werking en heeft de werknemer recht op vrijlating tot 15% van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 155,56 per maand voor onbepaalde tijd, deze kan beëindigd worden met een schikking.

Artikel 2.19. Vrijwilligerspremie Ter bevordering van de participatie van uitkeringsgerechtigden en ervan uitgaande dat vrijwilligerswerk bijdraagt aan verbetering van de arbeidsmarktpositie, kan in geval van vrijwilligerswerk onder de aangegeven voorwaarden aanspraak worden gemaakt op een premie. Belangrijk is dat het vrijwilligerswerk plaatsvindt bij een organisatie met een maatschappelijk doel, hier verwoord als ‘niet op winst gericht’. De rechtsvorm zal veelal reeds duidelijk maken of dit aan de orde is. Bij twijfel zal nader onderzoek moeten plaatsvinden. De hoogte van de premie (€ 250,-) is vastgelegd in artikel 2.14, derde lid, van de verordening. Er geldt een wachttijd van 12 maanden. Om in aanmerking te komen voor de premie moet de belanghebbende vervolgens gedurende ten minste 156 uur in een kalenderjaar vrijwilligerswerk hebben verricht. De premie is onbelast en telt ook niet mee bij de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel 2.20. Reiskostenvergoeding na werkaanvaarding Belanghebbenden die uit de bijstand stromen in verband met werkaanvaarding kunnen te maken krijgen met (hoge) reiskosten. Als uitgangspunt geldt dat werken lonend moet zijn. Daarom is besloten deze reiskosten onder bepaalde voorwaarden, voor een kortere periode, te vergoeden. Het moet dan uiteraard gaan om situaties dat een werkgever die kosten niet vergoedt. Dat blijkt meestal uit de cao of de individuele arbeidsovereenkomst. Heeft de belanghebbende recht op reiskostenvergoeding van de werkgever, dan is er geen recht op vergoeding door het college, ook niet als de vergoeding van de werkgever niet alle kosten dekt. De vergoeding is beperkt tot huishoudens die door werkaanvaarding een inkomen ontvangen van maximaal 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vergoeding is in tijd beperkt tot de duur van de dienstbetrekking, maar maximaal 6 maanden. Dit geeft de belanghebbende de mogelijkheid om te wennen aan de nieuwe situatie, andere manieren van reizen te verkennen (carpoolen bijv.) of (indien mogelijk) iets te regelen met de werkgever. Er geldt een drempel van 10 km. De kosten van kortere reisafstanden zijn beperkt. Bovendien kan deze afstand meestal met fiets of te voet worden afgelegd. Deze kosten worden dan ook voor rekening van de belanghebbende gelaten (conform richtlijnen belastingdienst).

De reisafstand wordt gemeten met behulp van de routeplanner van de ANWB (www.anwb.nl). Ligt de reisafstand boven de drempel, dan wordt de route volledig vergoed. Uitgangspunt is openbaar vervoer. Dat zal naar verwachting in verreweg de meeste gevallen toereikend zijn. Soms is eigen vervoer noodzakelijk (gegronde redenen). Dat zal bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als de belanghebbende op een met openbaar vervoer lastig te bereiken locatie werkzaam is, zorgdraagt voor kinderen, die naar/van de kinderopvang moeten worden gebracht/gehaald of als er fysieke beperkingen zijn. De beoordeling daarvan is aan het college.

Artikel 2.21. Nazorg bij werkaanvaarding Voor alle uitkeringsgerechtigden die door het college actief worden geplaatst op een reguliere werkplek, biedt het college bij werkaanvaarding een actieve vorm van nazorg aan die vervolgens zo snel mogelijk maar zorgvuldig wordt afgebouwd. Zowel de nazorg als de afbouw ervan is maatwerk op basis van de individuele behoefte van werkgever en werknemer. Richtpunt is dat deze nazorg 6 maanden duurt. In deze periode blijkt het afbreukrisico namelijk verreweg het grootst. Niettemin kan het soms raadzaam zijn de nazorg langer te laten voortduren. Anderzijds zal een kortere inzet soms ook adequaat zijn. Uitgangspunt is dat er na deze periode sprake zou moeten zijn van een reguliere werkgever-werknemer relatie waarbij de werkgever nadrukkelijk ook een eigen zorgplicht heeft. Het werkgeversservicepunt is verantwoordelijk voor de nazorg.

Artikel 2.22. Voorzieningen ter ondersteuning van sociale zelfredzaamheid Regelmatig zal economische zelfredzaamheid (nog?) niet haalbaar zijn en zal sociale zelfredzaamheid voorlopig als doel moeten worden gesteld. Ook in dat geval kan het college ondersteuning bieden en voorzieningen verstrekken. Dit geldt niet voor alle voorzieningen. Ondersteuning bij leer-werktraject, voorzieningen in verband met arbeid, werkstage en het arbeidsontwikkeltraject gelden specifiek met het oog op economische zelfredzaamheid. Betreft het personen die wel willen maar niet kunnen werken, omdat de sociale zelfredzaamheid nog versterkt moet worden, dan zijn andere voorzieningen aan de orde. M.b.t. een scholingstraject geldt specifiek, dat dit noodzakelijk moet zijn vanuit het perspectief van sociale zelfredzaamheid.

Artikel 2.23. Beschut werk Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort vraagt het college een advies aan het UWV. Het UWV beoordeelt op basis van landelijke criteria of een persoon behoort tot de doelgroep beschut werk en adviseert het college hierover. Een persoon die denkt voor beschut werk in aanmerking te komen kan ook zelf bij het UWV een verzoek tot beoordeling - of hij tot de doelgroep behoort - indienen. Een zelfstandig verzoek kan alleen ingediend worden door een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon aan wie het UWV een uitkering verstrekt (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Een dergelijk verzoek kan alleen door de persoon zelf worden gedaan en niet door een andere belanghebbende zoals een werkgever. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, adviseert het UWV het college van de gemeente waar de betreffende persoon staat ingeschreven. Op basis van het advies van het UWV neemt de gemeente het besluit of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen.

Het college is verplicht om iemand de voorziening beschut werk (dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden) aan te bieden wanneer die persoon daarop aangewezen is (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Deze verplichting geldt alleen voor het door het Rijk vastgestelde aantal beschut werkplekken (artikel 10b, zesde lid, van de Participatiewet).

Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking komt voor een beschut werkplek omdat het aantal geraamde/vastgestelde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat

zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit betekent dat de voorziening beschut werk in principe wordt toegekend op volgorde van datum advies van het UWV In deze verordening is verder vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt (vijfde lid) en om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (zevende lid).

Artikel 2.24. Sociale werkplekken Het college kan sociale werkplekken aanbieden voor mensen die wel willen, maar niet kunnen werken. Dit krijgt vorm in een zinvolle dagbesteding met als doel mensen een sociale omgeving te bieden waar het verkrijgen en/of behouden van hun eigenwaarde centraal staat. Veel van deze mensen zullen nooit de stap maken naar een (gedeeltelijke) reguliere werkplek. Het is aan het college om dit verder vorm te geven.

Artikel 2.25. Inhoud van de tegenprestatie In de PW staat ‘Meedoen naar vermogen’ centraal. Belanghebbenden kan worden gevraagd actief deel te nemen aan de samenleving. Niettemin is het uitgangspunt dat een vrijwillige inzet effectiever is dan een verplichte. Vooralsnog zal daarom zeer terughoudend met het instrument ‘tegenprestatie’ worden omgegaan. De raad is verplicht om bij verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie, maar is niet verplicht deze ook daadwerkelijk op te leggen aan belanghebbenden. De tegenprestatie kan worden opgelegd vanaf de datum van melding aan iedere belanghebbende in de leeftijd van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. De werkzaamheden op grond van de tegenprestatie betreffen maatschappelijk nuttige activiteiten.

Artikel 2.26. Het opdragen van een tegenprestatie Het ligt in de rede dat belanghebbenden het ontvangen van de uitkering aangrijpen om zich in te zetten voor de samenleving. De tegenprestatie kan worden verlangd van alle belanghebbenden met algemene bijstand, een IOAW- of IOAZ-uitkering. Het devies is: maatwerk. Bij de inzet wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de belanghebbende.

Artikel 2.27. Omvang en duur van een tegenprestatie Het college zal aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie moeten bepalen. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen daarom in de regel beperkt te zijn. In het algemeen zal een bovengrens van 12 uur per week en 3 maanden aanvaardbaar kunnen worden geacht.

Artikel 2.28. Afzien van opdragen van een tegenprestatie Voor een deel van de doelgroep geldt, dat een verplichte tegenprestatie geen zin heeft of niet opgelegd kan worden. Dat laatste geldt voor de onder a. en b. genoemde groep (zie artikel 9, leden 5 en 7, PW). Ook voor degenen die bijzondere bijstand ontvangen geldt dat geen tegenprestatie wordt gevraagd. Dit hangt samen met de aard van de bijstand, die vaak een kortdurend en beperkt karakter heeft en bestemd is voor bijzondere kosten. Daarnaast verricht

een deel van belanghebbenden al een vorm van tegenprestatie, in de vorm van mantelzorg of vrijwilligerswerk. Zij worden ook vrijgesteld voor het verrichten van een tegenprestatie.

HOOFDSTUK 3 Individuele studietoeslag Scholieren en studenten met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in de rug nodig bij het volgen van een opleiding. Voor hen is de drempel om te lenen hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Deze studieregeling stimuleert scholieren en studenten van 18 jaar of ouder om toch naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan. De individuele studietoeslag vervangt de studieregeling in het kader van de Wajong. Wajong-gerechtigden komen om die reden niet in aanmerking voor de studietoeslag. De studietoeslag is een vorm van bijzondere bijstand, maar niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor mensen die niet in staat zijn het minimumloon te verdienen. Naast de regels over de studietoeslag die de wetgever reeds heeft gesteld in artikel 36b PW, moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen, die in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de studietoeslag (art. 8, eerste lid, onderdeel c, PW). Omdat in artikel 36b PW de studietoeslag reeds toereikend is geregeld, worden de aanvullende gemeentelijke regels zo beperkt mogelijk gehouden.

Dit hoofdstuk komt te vervallen, indien en voor zover wetvoorstel 35394 (Uitvoeren Breed Offensief) wordt aangenomen, waarin onder meer is bepaald dat de hoogte van de studietoeslag landelijk wordt geregeld en niet langer een lokale aangelegenheid is.

Artikel 3.1. Indienen verzoek In artikel 36b, lid 1, PW wordt gesproken van het indienen van een verzoek. Om onduidelijkheden te voorkomen bepaalt dit artikel dat het verzoek moet worden gedaan met een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Een verzoek wordt daardoor aangemerkt als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1. van de Awb.

Artikel 3.2. Toekenning en betaling individuele studietoeslag Gelet op de strekking van artikel 36b, eerste lid , PW, bestaat recht op de studietoeslag, als op de aanvraagdatum aan de voorwaarden is voldaan. Het recht blijft dan bestaan, totdat niet langer aan de voorwaarden is voldaan. Om iedere twijfel daarover uit te sluiten, is dit in het eerste lid opgenomen. In het tweede lid is uitvoering gegeven aan de plicht tot regelgeving met betrekking tot de frequentie van de studietoeslag. Gekozen is voor een maandelijkse betaling. Daarmee wordt aangesloten bij de ‘oude’ Wajongstudieregeling, die ook een maandelijkse betaling kende en wordt het karakter als vorm van inkomensondersteuning onderstreept. Het college kan uit een oogpunt van eenvoud in uitvoering en ter ondersteuning van de doelgroep ervoor kiezen om de ingangs- en einddatum op een ander moment te laten vallen, bijv. de eerste resp. laatste dag van de maand. Dit kan in beleidsregels nader worden uitgewerkt. Dat geldt ook voor andere uitvoeringskwesties, zoals de vraag hoe wordt vastgesteld of iemand onder de doelgroep valt.

Artikel 3.3. Hoogte individuele studietoeslag Conform wettelijke verplichting is in het eerste lid de hoogte van de studietoeslag bepaald. Gekozen is voor een vast normbedrag, uit een oogpunt van eenvoud en herkenbaarheid. Het normbedrag is gerelateerd aan het beschikbare budget en het te verwachten aantal toekenningen. In lid 2 is een indexeringsbepaling gegeven. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Indexering vindt plaats overeenkomstig de berekening die jaarlijks wordt gemaakt door ‘Schulinck’ op basis van de CBSgegevens. Het thans opgenomen normbedrag geldt voor 2016. Indexering vindt jaarlijks per 1 januari van het nieuwe kalenderjaar plaats.

HOOFDSTUK 4. Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is een vorm van inkomensondersteuning voor huishoudens die langdurig een laag inkomen hebben en niet over relevant vermogen beschikken. Voor deze groep is iets extra’s beschikbaar in de vorm van de inkomenstoeslag. Jaarlijks kan de inkomenstoeslag worden aangevraagd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat de belanghebbende geen uitzicht heeft op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de PW). In beleidsregels wordt daar nadere invulling aan gegeven. Het is aan de gemeenteraad om in ieder geval invulling te geven aan de hoogte van de toeslag en de duur van de referteperiode (art. 8, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, PW). Omdat de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 PW toereikend geregeld is, kunnen de aanvullende gemeentelijke regels beperkt blijven.

Artikel 4.1. Indienen verzoek Idem als artikel 3.1.

Artikel 4.2. Langdurig laag inkomen De referteperiode is vastgesteld op een periode van 36 maanden. Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 130 % van de toepasselijke bijstandsnorm (als niet kostendeler). Dit is geregeld in het eerste lid. De te hanteren norm van 130% van de toepasselijke bijstandsnorm (als niet kostendeler) kan worden verhoogd indien het meerdere inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm volledig is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke regeling of een opgelegde schuldregeling op grond van de wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (lid 2).

Artikel 4.3. Hoogte individuele inkomenstoeslag M.b.t. gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de PW. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de PW, dan komt de

rechthebbende partner wel in aanmerking voor een inkomenstoeslag. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. De leefvorm van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden de inkomenstoeslag aanvragen, maar zij eerder alleenstaande waren. De gehuwden moeten dan afzonderlijk over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen. Voor het vierde lid: zie de toelichting op artikel 3.3 lid 2.

HOOFDSTUK 5. Afstemming In artikel 18 PW is vastgelegd dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Van deze verplichting kan alleen gemotiveerd worden afgeweken. Als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een verlaging. Dat is ook het geval bij dringende redenen. Artikel 18 PW spreekt over het afstemmen van de bijstand. Er wordt in de PW een directe koppeling gelegd tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden. Dit zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. De hoogte van de uitkering hangt niet alleen af van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de PW geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichtingen geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden.

Het rijk heeft de hoogte van de afstemming vastgesteld. Het college moet in de verordening de duur van de verlaging vastleggen. Daarnaast is het college verplicht een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ te verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel a, PW en 35, onderdeel a, IOAW en IOAZ dient de gemeenteraad regels te stellen die van toepassing zijn als de belanghebbende de verplichtingen m.b.t de arbeidsinschakeling niet is nagekomen, tekort geschoten is in de verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan of zich zeer ernstig heeft misdragen. In dit hoofdstuk wordt aan die opdracht uitvoering gegeven.

Artikel 5.1. Het besluit tot opleggen van een verlaging Ieder besluit moet deugdelijk zijn gemotiveerd, conform artikel 3:46 Awb. De betreffende aspecten die hier worden genoemd zijn minimale voorwaarden om aan die verplichting te voldoen.

Artikel 5.2. Horen van belanghebbende In de artikel 4:7 en 4:8 Awb is vastgelegd onder welke voorwaarden een belanghebbende moet worden gehoord over een voorgenomen besluit. Gelet op artikel 4:12 Awb geldt deze hoorplicht niet voor financiële verplichtingen, indien de nadelige gevolgen voor de belanghebbende via bezwaar volledig ongedaan gemaakt kunnen worden. Het is bij het opleggen van een verlaging niet vanzelfsprekend dat dit het geval zal zijn als daartegen bezwaar wordt aangetekend, mede gelet op het karakter van de bijstand als minimumvoorziening. Om die reden is opgenomen dat ook in deze gevallen de hoorplicht geldt, tenzij in de in lid 2 aangegeven gevallen aan de orde zijn. Het verdient aandacht dat de ook bij de toelichting op artikel 2.11 genoemde cliëntondersteuning daarbij een rol kan spelen.

Artikel 5.3. Afzien van verlaging Het opleggen van een verlaging is maatwerk, waarbij alle omstandigheden betrokken moeten worden. Dat brengt ook met zich mee, dat er omstandigheden zijn waaronder afgezien moet worden van verlaging (lid 1). Er is een vervaltermijn geïntroduceerd voor op te leggen verlagingen. Conform het voor punitieve sancties geldende uitgangspunt, dat de strafbaarheid na verloop van tijd vervalt (uitgezonderd de zwaarste misdrijven), is er ook aanleiding om dat voor de sanctie: verlaging van de uitkering, toe te passen. Er is gekozen voor een vervaltermijn van één jaar, voor de lichtere categorieën en drie jaar voor de zwaarste misdragingen betreft. Zie de artikelen 5.6 en 5.7. Daarnaast is ook opgenomen dat na constatering de misdraging, het college binnen zes maanden een besluit moet nemen. Daarin komt het principe van de voortvarend handelende overheid naar voren. In de leden 2 en 3 is verwoord, dat dringende redenen ook tot gevolg kunnen hebben, dat een verlaging gematigd of op nihil gesteld kan worden. Daarmee wordt het actualiteitsbeginsel in de bijstand recht gedaan. Dit vraagt een expliciet besluit van het college en dient aan belanghebbende schriftelijk meegedeeld te worden. Deze beslissing dient immers als basis voor een evt. op te leggen verlaging in verband met recidive (zie artikel 5.15, derde lid).

Artikel 5.4. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging In het eerste lid is het principe tot uitdrukking gebracht dat een verlaging niet met terugwerkende kracht wordt toegepast. De rechtszekerheid brengt dit met zich mee. Voor de uitvoerbaarheid is bepaald, dat de verlaging op de eerste dag volgend op de maand waarin het besluit tot verlaging is genomen, ingaat, met één uitzondering: daar waar de uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen kan met terugwerkende kracht worden opgelegd (lid 2). Toepassing van het lik op stuk beleid is mogelijk, zolang het besluit tot het opleggen van de maatregel maar kenbaar is gemaakt voor het moment dat de uitkering (met verlaging) wordt uitbetaald en de maatregel (korting) niet ziet op een datum gelegen voor het moment van de verwijtbare gedraging. Voor het bijzondere geval de verlaging niet volledig geëffectueerd kan worden, geldt lid 3. Bij een nieuwe uitkeringsperiode moet een individuele beoordeling plaatsvinden en een nieuw besluit genomen te worden.

Artikel 5.5. Berekeningsgrondslag Uitgangspunt is verlaging van de uitkering, berekend over de toepasselijke bijstandsnorm. Daarmee wordt uniformiteit en rechtsgelijkheid bereikt (lid 1). De verlaging kan ook op de

bijzondere bijstand worden toegepast (lid 2), als deze als aanvulling op de lage bijstandsnormen wordt verleend aan jongmeerderjarigen.

Artikel 5.6. Gedragingen Participatiewet De artikelen 5.6 en 5.8 (hoogte en duur verlaging) moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 5.6 worden schendingen van verplichtingen uit de PW geformuleerd. Deze zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 5.8 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse verplichtingen. De categorie-indeling in dit artikel is overgenomen uit de ‘oude’ Re-integratieverordening Hilversum 2015. Enige verschil is dat aan de gedragingen van de tweede categorie is toegevoegd het niet verschijnen op een oproep of afspraak met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder het niet verschijnen op een oproep voor een taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de PW. Deze gedragingen waren voorheen onder de eerste categorie gebracht. Een verlaging van 5% werd echter als niet effectief aangemerkt, mede in het licht van de sinds 1 januari 2016 bestaande verplichting om op een taaltoets te verschijnen, als men de Nederlandse taal niet voldoende machtig is (Wet taaleis Particiaptiewet).

Artikel 5.7. Gedragingen IOAW en IOAZ Een vergelijkbare indeling als die in artikel 5.6 is in artikel 5.7 gegeven m.b.t. gedragingen in het kader van de IOAW en IOAZ. Wel moet daarbij als kanttekening worden geplaatst dat het wettelijk verlagingsregime voor de IOAW en IOAZ iets anders is geredigeerd en gestructureerd dan in de PW. Bovendien kennen de IOAW en IOAZ geen ‘geüniformeerde arbeidsverplichtingen’, zoals in art. 18, vierde lid, PW. Dat leidt ertoe dat de categorie-indelingen niet gelijkluidend zijn maar op onderdelen verschillen.

Artikel 5.8. Hoogte en duur van de verlaging Zie de toelichting bij de artikelen 5.6 en 5.7. Artikel 5.9. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Participatiewet Indien het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm. Afhankelijk van de ernst van de overtreding bedraagt de verlaging één of twee maanden. Zie artikel 18 PW.

Artikel 5.10. Verrekenen verlaging Het college kan bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting de verlaging verrekenen (art. 18, vijfde lid, PW). Verrekening betekent dat de verlaging kan worden uitgesmeerd over maximaal drie maanden. Dit kan worden toegepast als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen en er sprake is van een verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting. Gedacht kan worden aan een vergroting van de schuldenproblematiek, (dreigende) huisuitzetting of afsluiting van gas, water, electriciteit. In lid 1 is dit geregeld: verrekening vindt in gelijke delen plaats over maximaal drie maanden.

Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over twee maanden (lid 2). Van een lichte overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, f en g, van de PW. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent bedraagt. Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over drie maanden (lid 3). Van een zware overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de PW. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Verrekening vindt niet plaats bij niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging (lid 4). Verrekening vindt ook niet plaats bij recidive.

Indien sprake is van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Recidive is geregeld in artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de PW en artikel 5.15, derde lid, van deze verordening.

Artikel 5.11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan moet worden beoordeeld of sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De uitkering wordt in deze situatie met toepassing van artikel 5.11, tweede lid, van deze verordening verlaagd naar de mate waarin eerder een beroep op de bijstand wordt gedaan. Indien sprake is van een getoond tekortschietend besef van verantwoordelijkheid waardoor door eigen toedoen of schuld - het recht op een uitkering wordt verloren - niet of te laat gebruik wordt gemaakt van een voorliggende voorziening, wordt voor wat betreft de verlaging aansluiting gezocht bij artikel 5.6, derde categorie, van deze verordening. De geüniformeerde verplichtingen als bedoeld in art. 18 lid 4 WWB gaan in op het moment dat de belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44 WWB. Dit betekent dat voor datum melding geen sprake kan zijn van schending van een geüniformeerde verplichting. Het gaat hier om een puur juridisch verschil. Voor wat betreft de ernst van de gedraging, en dus voor de hoogte en duur van een maatregel bij overtreding, maakt dit geen verschil. Daarom wordt een maatregel bij een, aan art.

18 lid 4 overeenkomstige gedraging, gebaseerd op dit artikel van de verordening (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid). Dit wordt gelijkgesteld met schending van een geüniformeerde verplichting als bedoeld in art 18, lid 4 van de wet. De duur en hoogte wordt dan bepaald op grond van artikel van deze verordening. Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de PW. Bij een combinatie met een verlaging moet rekening worden gehouden met het totale effect voor de belanghebbende. Artikel 5.12. Zeer ernstige misdragingen Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9 PW. Deze verplichting staat dus op zichzelf. In de PW dient onder de term 'zeer ernstige misdraging' in elk geval te

worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Het gaat om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de PW belaste personen en instanties (college, SVB en reintegratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werk. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden binnen de uitvoering van de PW. Ook voor de IOAW en IOAZ geldt dat ‘zeer ernstige misdragingen’ aanleiding zijn voor verlaging van de uitkering. Anders dan in de PW kan het college echter alleen een verlaging opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting.

Artikel 5.13. Niet nakomen van overige verplichtingen De PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de PW beperkt deze mogelijkheid tot een viertal categorieën, te weten: 1.verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 2.verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 3. verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en 4. verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. De hoogte van de verlaging is per categorie vastgesteld. Dit laat een individuele afweging onverlet.

Artikel 5.14. Samenloop van gedragingen Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd, tenzij dit niet verantwoord of mogelijk is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is.

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet

gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid). Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de PW benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.

Artikel 5.15. Recidive Voor recidive als bedoeld in het eerste lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging van dezelfde categorie" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening en 18, tiende lid, van de PW – is afgezien van het opleggen van een verlaging.

Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de duur van de verlaging. Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.

Een beslissing om af te zien van een verlaging wegens dringende redenen, wordt in het kader van dit artikel ook als een verlaging aangemerkt en kan dus aanleiding geven tot recidive. Dat is vastgelegd in lid 4.

Artikel 5.16. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 5.16 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.

HOOFDSTUK 6. Handhaving inkomensvoorzieningen Tegenover een actief stimuleringsbeleid met betrekking tot de inkomensondersteuning en arbeidsinschakeling staat een effectief handhavingsbeleid. Het één kan niet zonder het ander. Een ruimhartig verstrekkingen- en ondersteuningsbeleid vraagt om het bewaken van de toegang, zodat de ondersteuning hen toekomt, die het echt nodig hebben. De schaarse middelen moeten immers doelgericht en efficiënt worden ingezet. Onder handhaving worden alle activiteiten van de gemeente verstaan die erop zijn gericht dat bestaande regels worden nageleefd. Fraude moet worden voorkomen (fraudepreventie) én bestreden (frauderepressie). Wanneer deze twee activiteiten in een goede onderlinge samenhang worden ingezet in alle fasen van het uitkeringsproces leidt dat tot hoogwaardige handhaving. Het uiteindelijke doel van hoogwaardig handhaven is dat (potentiële) rechthebbenden de wet- en regelgeving uit zichzelf naleven. Op grond van artikel 8b PW is de gemeenteraad verplicht om bij verordening regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand én het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Dezelfde verplichting geldt o.g.v. artikel 35b IOAW en IOAZ. In deze verordening is de verplichting opgenomen om een ‘Handhavingplan’ te maken.

Dit plan vormt integraal onderdeel van het Meerjarenbeleidsplan, dat periodiek wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Artikel 6.1. Het Handhavingsplan voor beleid en uitvoering De regels die met betrekking tot handhaving moeten worden gesteld zijn beperkt. De gemeenteraad beperkt zich evenzeer tot de in dit artikel genoemde regels. Het Handhavingplan, zoals opgenomen in het beleidsplan van de afdeling Sociaal Plein, vormt de concretisering van beleid en uitvoering, waarbij de focus is gericht op de uitvoering. De visie is organisatorisch gericht op preventie en repressie. Preventieve handhaving richt zich met name op vroegtijdige informatieverstrekking en het optimaliseren van de dienstverlening. Repressieve handhaving richt zich met name op

vroegtijdige detectie door controle op maat en door daadwerkelijk te reageren op getoond gedrag. Samen bevorderen deze elementen de naleving.

HOOFDSTUK 7. Cliëntenparticipatie De doelgroep van de PW is omvangrijk en divers en deze is door de decentralisatie van taken richting gemeenten nog verder toegenomen. Het belang van de adequate participatie van de doelgroep wordt algemeen erkend en heeft zich vertaald in artikel 47 PW. In dit artikel is aan de gemeenteraad opgedragen om bij verordening regels vast te stellen over de wijze waarop de doelgroep van de PW of hun vertegenwoordigers in een vroegtijdig stadium betrokken worden bij de ontwikkeling van het gemeentelijke beleid. In dit hoofdstuk wordt daaraan uitvoering gegeven. Er is voor gekozen om de reeds geruime tijd functionerende cliëntenraad Wwb ook voor de toepassing van de PW aan te wijzen als het orgaan, dat de belangen van de doelgroep behartigt. Om een goede werking van de cliëntenraad te waarborgen worden de leden van de cliëntenraad ondersteund en gefaciliteerd door de gemeente. De cliëntenraad wordt in een vroegtijdig stadium betrokken bij de voorbereiding van het gemeentelijke beleid. De in deze verordening gestelde termijnen moeten als richtlijn worden gezien. Een te strikte toepassing van deze termijnen zou een adequate advisering en besluitvorming in de weg kunnen staan.

De cliëntenraad behartigt niet alleen de belangen van de doelgroep onder de PW, maar ook de belangen van andere groepen, die inkomensondersteuning van de gemeente ontvangen, zoals huishoudens met een IOAW- en IOAZ-uitkering, en mensen die beroep doen op het gemeentelijk minimabeleid.

Artikel 7.1. Cliëntenraad Om de actieve betrokkenheid van alle personen goed tot zijn recht te kunnen laten komen, is het van belang dat de cliëntenraad een afspiegeling is van de in artikel 7, eerste lid, PW genoemde doelgroepen (lid 2). De benoeming van de leden van de cliëntenraad gebeurt door het college (lid 4). De cliëntenraad werft leden op basis van de in het functieprofiel gestelde selectiecriteria. In ieder geval gelden de volgende selectiecriteria: • • • •

behorend tot de personengroep als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de PW; woonachtig zijn in Hilversum; kennis hebben van het Sociaal Domein; geen ambtenaar zijn, geen lid zijn van de gemeenteraad.

De selectiegesprekken worden gevoerd door twee leden van de cliëntenraad en de afdelingsmanager Sociaal Plein. Uit de leden van de cliëntenraad wordt de voorzitter benoemd (lid 5). Daarmee wordt gewaarborgd dat ook de voorzitter voor en namens de benoemde doelgroep handelt. Leden van de cliëntenraad worden voor 2 jaar benoemd. Herbenoeming is mogelijk. Ook is tussentijdse beëindiging van het lidmaatschap mogelijk. Het lidmaatschap wordt niet automatisch beëindigd wanneer een lid, bijvoorbeeld vanwege het vinden van een baan of wegens pensionering, niet langer tot de doelgroep behoort. Een groot

verloop draagt namelijk niet bij aan het goed functioneren van de cliëntenraad. Wel is in artikel 7.1 lid 10 onder sub c opgenomen dat het lidmaatschap eindigt als een lid niet meer woonachtig is in Hilversum. In dat geval gaat namelijk de binding met de doelgroep verloren. Er is sprake van overlegvergaderingen en van voorbereidingsvergaderingen. De overlegvergaderingen worden geleid door de afdelingsmanager Sociaal Plein. In deze vergaderingen vindt periodiek overleg plaats tussen het hoofd van de afdeling en de cliëntenraad over uitvoeringsaangelegenheden van de afdeling Sociaal Plein. Deze vergaderingen worden door de ambtelijk secretaris voorbereid (lid 8). In de voorbereidingsvergaderingen bereiden de leden van de cliëntenraad, ondersteund door de ambtelijk secretaris, de overlegvergaderingen voor. De voorbereidingsvergaderingen worden door de voorzitter van de cliëntenraad geleid. Voor beide vergaderingen is geen quorum vereist (lid 9).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=20f627c0-f617-4429-a9cd-ee6601c2a61e