CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

4. RV Natuuronderzoeken Buurtschap Crailo deel 1

GEMEENTERAAD 6 juli 2021, gemeente HilversumBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buurtschap Crailo (723173)17.955 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Zwermgedrag, paarplaatsen,

Weinig wind, bewolking,

winterverblijven, vliegroutes en

geen neerslag ±15°C

8 en 10 juli 2015

14 september 2015

03:30 – 05:30

22:00 – 24:00

foerageergebieden

2 oktober 2015

19:00 – 21:15

Zwermgedrag, paarplaatsen,

Afnemende windkracht,

winterverblijven, vliegroutes en

geen neerslag, ±15°C

foerageergebieden

3.3

Ecologische functies plangebied

In tien gebouwen binnen het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen (Tauw, 2016b, bijlage 2). Het betreft de gebouwen met nummer 2, 3, 4, 5, 13, 22, 23, 24, 26 en 28. De volgende functies zijn aangetroffen in de gebouwen (tabel 3.2): • • •

Gebouwen 22 en 26 bevatten beide één kraamverblijfplaats met respectievelijk circa 30 en 25 individuen gewone dwergvleermuizen Gebouwen 4, 5 en 24 bevatten ieder één zomerverblijfplaats dat ook gebruikt wordt als paarverblijfplaats van solitaire exemplaren van ruige dwergvleermuis Gebouwen 2, 3, 13, 23 en 28 bevatten ieder één of meer paarverblijfplaatsen of zomerverblijfplaatsen van solitaire dieren van gewone dwergvleermuis

Tabel 3.2 Overzicht van de verblijfplaatsen per gebouwnummer (zie figuur 3.1) (Pp: gewone dwergvleermuis, Pn: ruige dwergvleermuis) Gebouw

Resultaat vleermuisonderzoek

nummer

Gebouw

Resultaat vleermuisonderzoek

nummer

1

Geen verblijfplaats

15

Geen verblijfplaats

2

2 zomer- en paarverblijfplaatsen Pp

16

Geen verblijfplaats

3

3 zomer- en paarverblijfplaatsen Pp

17

Geen verblijfplaats

4

1 zomer- en paarverblijfplaats Pn

19

Geen verblijfplaats

5

1 zomer- en paarverblijfplaats Pn

22

1 kraamverblijfplaats Pp

6

Geen verblijfplaats

23

1 zomer- en paarverblijfplaats Pp

7

Geen verblijfplaats

24

1 zomer- en paarverblijfplaats Pn

10

Geen verblijfplaats

26

1 kraamverblijfplaats Pp

11

Geen verblijfplaats

27

Geen verblijfplaats

12

Geen verblijfplaats

28

1 zomer- en paarverblijfplaats Pp

13

1 zomer- en paarverblijfplaats Pp

29

Geen verblijfplaats

14

Geen verblijfplaats

13/29

Kenmerk

R001-1267071MFO-V01-nda-NL

Gebouw 26 is in 2018 gesloopt in opdracht van provincie Noord-Holland. Zie bijlage 3 voor de sloopvergunning. Ondanks dat dit gebouw, met kraamverblijfplaats, al gesloopt is, worden in dit activiteitenplan compenserende maatregelen genomen voor het verlies van de kraamverblijfplaats.

Figuur 3.1 Exacte locaties van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied

3.4

Omvang populatie

De vleermuizen in de kraamkolonie maken in de kraamperiode gebruik van een netwerk aan kraamverblijfplaatsen (BIJ12, 2017; Dietz et al, 2011). Binnen dit netwerk bevinden zich meerdere kraamverblijfplaatsen waartussen verhuisd wordt. Zeer geschikte verblijfplaatsen zijn de hele kraamperiode in gebruik; ook kan een deel van de aanwezige vleermuizen uit een kraamverblijfplaats verhuizen naar een andere verblijfplaats binnen het netwerk (BIJ12, 2017). Kraamverblijfplaatsen bevatten doorgaans 20 tot 120 exemplaren en soms tot meer dan driehonderd individuen (BIJ12, 2017). De kraamverblijfplaatsen in het plangebied worden door 25 tot 30 exemplaren gebruikt, en kunnen daarom gezien worden als relatief kleine kraamverblijfplaatsen. Gezien dit geringe aantal wordt aangenomen dat de kraamverblijfplaatsen in het plangebied geen ‘zeer geschikte verblijfplaats’ betreffen zoals gedefinieerd in het kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017). Daarom worden nabij het plangebied, maar buiten de invloedsfeer van de geplande sloop, ook nog andere kraamverblijfplaatsen verwacht. Deze andere kraamverblijfplaatsen zijn niet tijdens het onderzoek aangetroffen, omdat niet de hele avond hierop geïnventariseerd kon worden: de focus van het onderzoek lag immers op dit plangebied.

14/29

Kenmerk

R001-1267071MFO-V01-nda-NL

De zomer- en paarverblijfplaatsen worden beide gebruikt door maximaal één gewone dwergvleermuis of maximaal één ruige dwergvleermuis. Deze typen verblijfplaatsen worden gebruikt door solitaire mannetjes, die deze locaties en de omgeving daarvan als hun territorium gebruiken en verdedigen (Dietz et al, 2011). De vleermuizen die van de verblijfplaatsen in het plangebied gebruikmaken, maken deel uit van dezelfde populatie vleermuizen. De grootte van de populatie is sterk afhankelijk van het voedselaanbod en beschikbare verblijfplaatsen (BIJ12, 2017). Aangenomen wordt dat deze populatie veel groter is dan alleen het plangebied, gezien de relatief kleine omvang van de kraamverblijfplaatsen.

3.5

Netwerk van verblijfplaatsen

Gewone- en ruige dwergvleermuizen leven in netwerken van meerdere (lokale) populaties (BIJ12, 2017; Dietz et al, 2011). De lokale populatie wordt gevormd door één of meerdere kraamkolonies, enkele niet-voortplantende groepen vrouwtjes en de mannetjes. De mannetjes in het plangebied maken dus deel uit van een grotere populatie die zich uitstrekt over een groter deel van de omgeving. De verblijfplaatsen, zoals hierboven beschreven, zijn onderdeel van een netwerk van verblijfplaatsen in de omgeving Bussum.

3.6

Foerageergebieden, migratie- en vliegroutes

Tussen de meeste gebouwen en het groen zijn vliegroutes aanwezig. De beoogde ontwikkeling / sloop van de bebouwing zorgt niet voor negatieve effecten op deze vliegroutes. Wel zijn de individuen op deze vliegroutes voor een groot deel afkomstig van de verblijfplaatsen in de bebouwing.

3.7

Alternatieven in de omgeving

De gewone dwergvleermuis stelt geen hoge eisen aan de zomer- en paarverblijfplaatsen (Dietz et al, 2011). Spouwmuren zijn bij uitstek geschikt voor deze functies, maar ook holten in gevels en gevelbetimmeringen kunnen hiervoor gebruikt worden. De eisen voor kraamverblijfplaatsen zijn wel vele malen groter. In de woningen buiten de noord- en westgrenzen van het plangebied zijn ook stootvoegen waargenomen (zie figuur 3.2). Daarom wordt aangenomen dat deze panden ook spouwmuren bevatten. Op meerdere panden in de directe omgeving is gevelbetimmering aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen is aldaar niet onderzocht en zodende ook niet vastgesteld, omdat de focus van het onderzoek niet op die panden lag. Het geeft wel aan dat de panden in de omgeving geschikt zijn voor vleermuizen, en zodoende verblijfplaatsen kunnen bevatten van vleermuizen die tot dezelfde populatie behoren als de vleermuizen in het plangebied.

15/29

Kenmerk

R001-1267071MFO-V01-nda-NL

Figuur 3.2 Gebouwen in de omgeving. Boven en onder: Anne Franklaan, midden: Roodborstlaan (Bussum)

16/29

Kenmerk

R001-1267071MFO-V01-nda-NL

4 Verbodsbepalingen 4.1

Soorten en verbodsartikelen waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd

Met de sloop en renovatie van de panden in het projectgebied gaan verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) verloren. De ontheffing van de Wnb wordt uitsluitend voor deze twee soorten betreffende de volgende verbodsartikelen: • •

4.2

Wnb Art. 3.5: het opzettelijk verstoren Wnb Art. 3.5: het beschadigen en/of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

Periode waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd

De ontheffing wordt aangevraagd voor een periode van vijf jaar. De ontheffing moet ingaan op het moment eerste moment dat er werkzaamheden aan gebouwen met verblijfplaatsen plaats kan vinden, namelijk 1 juli 2019. De ontheffing wordt aangevraagd voor een termijn van vijf jaar, namelijk van 1 juli 2019 tot en met 10 juni 2024.

17/29

Kenmerk

R001-1267071MFO-V01-nda-NL

5 Maatregelen De maatregelen beschreven in dit hoofdstuk beschrijven concreet welke stappen in plaats, tijd en wijze van uitvoering gemaakt worden om effecten op beschermde soorten te minimaliseren. Het plan beschreven in dit hoofdstuk dient tevens als mitigatieplan en uitvoeringsplan.

5.1

Alternatieve kraamverblijven

5.1.1 Aantallen en typen tijdelijke verblijfplaatsen Op 10 mei 2017 zijn acht Korstenkasten op palen geplaatst als tijdelijke alternatieve kraamverblijven (figuur 5.1). Deze kasten dienen als compensatie voor de verloren kraamverblijfplaats in gebouw 26 en de te verliezen kraamverblijfplaats in gebouw 22. De Korstenkast is een meervoudige platte kast. Alleen met meervoudig platte kasten zijn succesvolle resultaten bereikt met betrekking tot het gebruik door de gewone dwergvleermuis als alternatieve kraamverblijfplaats (Korsten, 2012). Deze kasten kunnen door grote aantallen gewone dwergvleermuizen in gebruik worden genomen als de nieuwe kast naast de oude verblijfplaats wordt geplaatst, en/of ten minste binnen een straal van 50 meter. Omdat het huidige en de omringende panden gesloopt worden, is het geen optie om kraamkasten aan gebouwen te plaatsen. Het model van de grote kraamkast ‘Korstenkast’ voldoet aan de eisen gesteld in het kennisdocument (Korsten, 2012; BIJ12, 2017). De kasten zijn van duurzaam materiaal opgebouwd en afgewerkt, zodat deze voor een lange periode kunnen fungeren als alternatieve verblijfplaats.

Figuur 5.1. Vier van de in totaal acht geplaatste Korstenkasten die fungeren als alternatieve kraamverblijven

18/29

Kenmerk

5.1.2

R001-1267071MFO-V01-nda-NL

Locaties tijdelijke verblijfplaatsen

De acht alternatieve kraamverblijven zijn op vier plaatsen binnen 50 meter van de oorspronkelijke kraamverblijfplaatsen geplaatst. Binnen 50 meter van de kraamverblijfplaatsen zijn geen gebouwen die ongemoeid blijven door de werkzaamheden. Om alsnog gelegenheid te bieden voor de kraamkolonies nabij de oorspronkelijke kraamplekken, is er voor gekozen de tijdelijke kasten op palen te plaatsen. De kasten zijn geplaatst onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog. De kasten bevinden zich nabij vliegroutes van vleermuizen en hebben een bezonning van ten minste 10 uur per dag. De kasten zijn ook met zowel een zuidelijke als een oostelijke oriëntatie opgehangen, overeenkomstig met de oorspronkelijke positionering. De kasten worden zo in de namiddag verwarmd en bieden verschillende microklimaten voor de vleermuizen.

Figuur 5.2 Voorgestelde locatie ophangen van de kasten

5.1.3 Permanente verblijfplaatsen Er worden in de nieuwe situatie ten minste acht nieuwe verblijven gerealiseerd die als kraamverblijf kunnen dienen. De permanente alternatieve kraamkasten zullen bestaan uit geschakelde Tichelaar kasten (figuur 5.3). Op het moment van schrijven zijn er nog geen concrete bouwplannen voor het plangebied. De kasten worden ingebouwd in de gevels van nieuw te bouwen panden. Voor deze kasten gelden

19/29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=d7fb6c8d-d4ce-466f-972f-aa695db6c55d