4. RV Natuuronderzoeken Buurtschap Crailo deel 1
Tekst van het document
Inhoudsopgave ecologische onderzoeken Crailo 1 Kolonel Palmkazerne 1a. Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te Crailo
N001-1231994XDD-kmi-V01-NL 28 januari 2016 TAUW
1b. Soortgericht onderzoek flora en fauna voor de kolonel Palmkazerne te Crailo – Onderzoek naar de aanwezigheid van en effecten op vleermuizen en steenmarter door de beoogde plannen.
R001-1231994OUM-agv-V01-NL 29 januari 2016 TAUW
1c (en 2a) Natuurtoets ontwikkeling Kolonel Palmkazerne, ORT en Crailo-Zuid
R001-1264822TVL-V01-agv
16 mei 2018 TAUW
1d. Inventarisatie kleine marters en Huismus op de voormalige Kolonel Palmkazerne
2019-066 16 juli 2019
Groot Eco Advies
1e. Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Crailo-Noord
R001-1267071MFO-V01-nda-NL 15 april 2019 TAUW
1f. Aanvullende gegevens aanvraag ontheffing Wnb Kolonel Palmkazerne, Bussum
L001-1267071MFO-V01-efm-NL
16 juli 2019 TAUW
1g. Ontheffing sloop en renovatie panden Kolonel Palmkazerne, Bussum
OD.279818 2 september 2019
Omgevingsdienst Noord-Holland Noord
1h. Crailo Noord natuurtoets terrein
R001-1272418MFO-V02-sal-NL 28 februari 2020 TAUW
1i. Nader onderzoek soortbescherming terrein Crailo Noord – Onderzoek in het kader van het onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming
R002-1272418MFO-V01-efm 3 november 2020
TAUW
2 Oefenrampenterrein en Asielzoekerscentrum 2a. (en 1c) Natuurtoets ontwikkeling Kolonel Palmkazerne, ORT en Crailo-Zuid
R001-1264822TVL-V01-agv 16 mei 2018 TAUW
2b. Nader onderzoek soortbescherming Crailo – Onderzoek voor deelgebieden midden en zuid in het kader van soortbescherming van de Wet natuurbescherming
R001-1268868JNA-V03-sal-NL 9 juli 2020 TAUW
2c. Activiteitenplan Wnb ontheffingsaanvraag gebouwen Crailo Midden-Zuid
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
15 juli 2020 TAUW
Aanvullende gegevens aanvraag ontheffing Wnb Crailo Midden-Zuid
L001-1272659MFO-V01-hgm-NL 4 november 2020
TAUW
Ontheffing sloop en renovatie panden Kolonel Palmkazerne, Bussum
OD.318434 17 december 2020 Omgevingsdienst Noord-Holland Noord
Notitie Contactpersoon D. (Daan) Dekker Datum 28 januari 2016 Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te Crailo 1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
In opdracht van de Provincie Noord-Holland heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van natuurwetgeving voor de herontwikkeling van het terrein van de Kolonel Palmkazerne te Crailo. Bij alle ruimtelijke ingrepen en plannen dient aannemelijk gemaakt te worden dat het voornemen uitvoerbaar is. Een inschatting van eventuele belemmeringen op het gebied van natuurwetgeving is hier onderdeel van. Al tijdens de planvorming dient daarom inzichtelijk gemaakt te worden of er (mogelijk) sprake is van effecten op beschermde natuurwaarden, of er voldoende mogelijkheden zijn om eventuele effecten te voorkomen, mitigeren of compenseren, en of hiervoor een ontheffing- of vergunningsplicht geldt. In deze notitie wordt antwoord gegeven op de volgende vragen: Welke natuurwetgeving is van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met deze wetgeving? Welke consequenties zijn daar aan verbonden? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? De planlocatie is gelegen in de provincie Noord-Holland ten oosten van Bussum. De afstand tot het meest nabije Natura 2000-gebied (Naardermeer) bedraagt circa 3500 meter. Het plangebied grenst aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de aard en het lokale karakter van de ingreep (zie paragraaf 1.3) worden effecten op Natura 2000-gebieden en het NNN uitgesloten.
Deze toetsing richt zich daarom alleen op het beschermingsregime voortkomend uit de Flora- en faunawet (soortbescherming). Een uitgebreide beschrijving van de relevante natuurwetgeving is opgenomen op de website van Tauw (www.tauw.nl/natuurwetgeving/flora-en-faunawetgeving).
1.2
Werkwijze toetsing
De mogelijke aanwezigheid van beschermde gebieden en/of beschermde soorten is in eerste instantie bepaald aan de hand van de volgende gegevens: Een oriënterend veldbezoek op 9 juni 2015
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
1/13
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en –data
Eerder uitgevoerde onderzoeken voor een deel van het terrein (zie literatuurlijst, hoofdstuk 4)
De Natuurkaart van Tauw
Op basis van verschillende literatuurbronnen is nader bekeken welke beschermde soorten in of in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen. Vervolgens is tijdens het oriënterende veldbezoek gecontroleerd in hoeverre soorten daadwerkelijk in het plangebied kunnen voorkomen of in hoeverre de locatie voldoet aan de eisen die deze soorten aan hun leefomgeving stellen. Dit heeft geresulteerd in een overzicht van de soorten die daadwerkelijk in of nabij de planlocatie verwacht worden. Getoetst is uiteindelijk of het beoogde voornemen (zie paragraaf 1.3) een effect kan hebben op deze beschermde soort(en).
1.3
Situatie en beoogde ontwikkeling
Figuur 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van beschermde natuurgebieden en dorpen / steden in de omgeving. Het plangebied is gelegen langs de A1 tussen Laren en Bussum. Aan de zuidoostkant grenst het gebied aan de Bussummer- en Westerheide. In het noordoosten ligt de Tafelberg- en Blaricummerheide. Het plangebied heeft door de grote afwisseling van kleinschalige elementen relatief hoge landschappelijke waarden. In en rond het plangebied zijn bos, akkers, heide, stuifzanden en graslanden te vinden. Beoogde ontwikkeling Een deel van de bebouwing in het plangebied zal gesloopt en /of herbestemd worden (zie figuur 1.2 voor een impressie van de bebouwing). Het merendeel van het bestaande groen zal worden ingepast in de nieuwe situatie. In deze quickscan wordt enkel de sloop / herbestemming van de bebouwing behandeld.
2/13
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Figuur 1.1 Ligging plangebied (globaal begrensd).
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
3/13
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Figuur 1.2 Impressie van de te slopen/renoveren gebouwen.
4/13
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
2 Toetsing Flora- en faunawet 2.1
Hoe beschermt de Flora- en faunawet soorten?
De bescherming van inheemse dier- en plantensoorten is vastgelegd in de Flora- en faunawet (hierna Ffw). De wet maakt onderscheid in vier categorieën beschermde soorten namelijk: Tabel 1-soorten: De meest algemene, niet bedreigde soorten. Voor deze soorten geldt een vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig gebruik of bestendig beheer en onderhoud. Deze soorten worden in dit rapport niet specifiek benoemd. Rode Lijstsoorten zonder beschermde status zijn evenmin opgenomen, omdat deze soorten niet allemaal bij wet beschermd zijn Tabel 2-soorten: Beschermde soorten. Hiervoor geldt een vrijstelling bij bestendig gebruik of bestendig beheer en onderhoud wanneer wordt gehandeld volgens een geaccordeerde en door de initiatiefnemer onderschreven gedragscode Tabel 3-soorten: Strikt beschermde soorten bestaande uit de Habitatrichtlijnsoorten en een selectie van bedreigde soorten De vierde categorie betreft de soortgroep vogels. Via de Ffw zijn alle broedende vogels en hun broedplaatsen, en de functionele omgeving van de broedplaatsen, beschermd. Van een beperkt aantal vogelsoorten zijn rust- en verblijfplaatsen en de functionele omgeving zelfs jaarrond beschermd.
Bij de jaarrond beschermde vogelsoorten wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën: de nesten van vogelsoorten van categorie 1 tot en met 4 zijn in alle gevallen jaarrond beschermd, terwijl de nesten van categorie 5-soorten dat in principe alleen tijdens de broedperiode zijn. Bij de laatste categorie geldt echter dat wanneer ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen, ook de nesten van categorie 5 soorten jaarrond beschermd kunnen zijn. In de Ffw is tevens een zorgplicht opgenomen die inhoudt dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor planten en dieren, zoveel als mogelijk achterwege dienen te worden gelaten. Eventueel dienen ook maatregelen te worden genomen om dergelijke gevolgen te beperken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Zie hiervoor ook: www.tauw.nl/natuurwetgeving/flora-en-faunawetgeving/zorgplicht
2.2
Effectbeoordeling beschermde soorten
Flora Op basis van verspreidingsgegevens (Floron, 2011) kunnen in het plangebied (op de gebouwen) gele helmbloem, klein glaskruid, schubvaren en steenbreekvaren groeien. Bij het oriënterende veldbezoek is een indruk verkregen van de aanwezige standplaatsen en is gekeken naar de aanwezige soorten (vaat)planten.
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
5/13
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Tijdens het veldbezoek zijn geen van deze soorten langs of op de gebouwen aangetroffen. Op het terrein zijn wel jeneverbes en wilde marjolein (beide tabel 2-soorten) aangetroffen. De sloop van de gebouwen heeft echter geen effect op deze planten aangezien deze niet groeien op of aan de bebouwing of verharde onderdelen. Gezien het bovenstaande zijn effecten op beschermde flora uitgesloten. Zoogdieren Op basis van verspreidingsgegevens zijn de steenmarter, das, eekhoorn en boommarter in en rond het plangebied te verwachten. Tijdens het veldbezoek is een nest van een eekhoorn aangetroffen in een boom op het terrein. De das, eekhoorn en boommarter zijn allen niet afhankelijk van bebouwing. De sloop en herbestemming van de gebouwen hebben dan ook geen effecten op deze soorten. De gebouwen zijn wel geschikt bevonden voor de steenmarter. Deze soort heeft verschillende verblijfplaatsmogelijkheden op de zolders (en elders) in de gebouwen. Gezien het bovenstaande zijn effecten op de steenmarter niet uitgesloten. Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Vleermuizen zijn afhankelijk van drie functies binnen hun leefgebied: verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. De mogelijke aanwezigheid van deze functies wordt in deze paragraaf behandeld.
Op basis van verspreidingsgegevens zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart in en rond het plangebied te verwachten. De gebouwen bieden (tenminste een deel van het jaar) geschikte verblijfplaatsen voor de gebouwbewonende soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart. De rosse vleermuis is enkel in bomen met holtes te verwachten. Bomen met geschikte holtes voor verblijfplaatsen worden niet aangetast door de voorgenomen ontwikkelingen. Effecten op de rosse vleermuis worden daarom op voorhand uitgesloten. De spouwmuren en zolders van de gebouwen zijn geschikt voor verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart. Wanneer een gebouw wordt gesloopt of de spouwmuur of zolder wordt aangetast, zijn effecten op deze soorten niet uitgesloten. Gebouwen worden normaliter niet gezien als onderdeel van foerageergebied of vliegroutes, effecten hierop worden daarom uitgesloten.
6/13
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Gezien het bovenstaande worden effecten op verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart niet uitgesloten. Effecten op vliegroutes en foerageergebied worden niet verwacht. Vogels Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Tevens zijn rust- en verblijfplaatsen en de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd. Vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie (categorie 1 tot en met 4) zijn in de nabije omgeving van het plangebied niet aangetroffen en worden gezien het karakter van de omgeving ook niet in de gebouwen verwacht. Dit geldt ondermeer voor huismus en gierzwaluw, typische gebouwbewonende vogelsoorten. De omgeving van de gebouwen is overigens wel geschikt voor soorten met een jaarrond beschermde nestlocatie. Denk hierbij aan vogelsoorten die in bomen broeden. Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn slechts enkele parkvogels te verwachten: koolmees, zwarte kraai en pimpelmees. Nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd wanneer lokaal specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
Voor deze soorten zijn in deze regio door een constante groei van hun populatie in Noord-Holland geen specifieke ecologische omstandigheden die bescherming rechtvaardigen. Daarom worden deze soorten verder behandeld als algemene broedvogels. Ook diverse andere algemene vogelsoorten kunnen verwacht worden. Deze zijn niet benoemd, maar zijn tijdens hun broedperiode wel beschermd. Gezien het bovenstaande zijn uitsluitend effecten op algemene broedvogels te verwachten. Reptielen Op basis van verspreidingsgegevens (Creemers et al. 2009; Herder et al. 2011) zijn de ringslang, hazelworm en levendbarende hagedis in en rond het plangebied te verwachten. Deze soorten zijn door hun leefwijze echter niet afhankelijk van de gebouwen. Gezien het bovenstaande zijn effecten op reptielen uitgesloten. Amfibieën Op basis van verspreidingsgegevens (Creemers et al. 2009; Herder et al. 2011) zijn de heikikker, poelkikker, kamsalamander en alpenwatersalamander in en rond het plangebied te verwachten. Deze soorten zijn door hun leefwijze echter niet afhankelijk van gebouwen. Op het terrein is een poel aanwezig. Echter, de voorgenomen activiteiten hebben geen effecten op oppervlaktewater. Gezien het bovenstaande zijn effecten op amfibieën uitgesloten.
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
7/13
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Vissen Op het terrein is een poel aanwezig. Echter, de voorgenomen activiteiten hebben geen effecten op oppervlaktewater. Effecten van de ingreep op beschermde vissen kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien het bovenstaande zijn effecten op beschermde vissen uitgesloten. Ongewervelden Diverse libellen, dagvlinders en overige ongewervelde (zoals kevers, weekdieren en kreeftachtige) zijn in de Flora- en faunawet beschermd. Op basis van verspreidingsgegevens (Dijkstra et al. 2002; EIS-Nederland et al. 2007; Bos et al. 2006;) worden binnen of nabij het plangebied geen beschermde ongewervelden verwacht (hoewel een enkel zwervend exemplaar nooit is uit te sluiten). Gezien het karakter van de ingreep, en de afwezigheid van geschikt biotoop, is geen sprake van een negatief effect op populaties van beschermde ongewervelden. Gezien het bovenstaande zijn beschermde ongewervelden niet in het plangebied te verwachten.
2.3
Conclusies toetsing Flora- en faunawet
In tabel 2.1 zijn de beschermde tabel 2 en 3-soorten en vogels uit de Flora- en faunawet opgenomen waarvan niet uitgesloten kan worden dat zij geschaad worden door de ingreep. De verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet die daarbij overtreden worden zijn eveneens weergegeven. Tabel 2.1 Door de Flora- en faunawet beschermde soorten (tabel 2/3 en vogels) die mogelijk geschaad worden door de sloop en herbestemming van de bebouwing
Soortgroep
Effecten
Verbodsbepalingen*
Flora
Geen effecten
Niet van toepassing
Zoogdieren
Steenmarter
Niet van toepassing
Broedvogels, tijdens broedseizoen Geen (effecten op) vogels tijdens broedseizoen mits Niet van toepassing, uitvoering buiten broedseizoen
mits is voldaan aan de voorwaarde uit de kolom ‘effecten’
Broedvogels, vaste verblijfplaatsen Niet aanwezig in de bebouwing Vleermuizen
Niet van toepassing
gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, 9 & 11 laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart
8/13
Reptielen
Geen effecten
Niet van toepassing
Amfibieën
Geen effecten
Niet van toepassing
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Soortgroep
Effecten
Verbodsbepalingen*
Vissen
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Ongewervelden
Niet aanwezig
Niet van toepassing
*Toelichting verbodsbepalingen tabel (zie voor volledige tekst Hoofdstuk 3 van de Flora- en faunawet ‘Algemene verbodsbepalingen’): Artikel 8: Verbod: plukken, uitsteken, vernielen, beschadigen of verwijderen van beschermde planten Artikel 9: Verbod: opsporen, vangen, bemachtigen, doden, verwonden van beschermde dieren Artikel 10: Verbod: opzettelijk verontrusten van beschermde dieren Artikel 11: Verbod: wegnemen, verstoren, aantasten van verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen Artikel 12: Verbod: zoeken, rapen, beschadigen, vernielen of uit nesten nemen van eieren
Toetsing van de beoogde ingreep aan de door de Flora- en faunawet beschermde natuurwaarden laat zien dat voor steenmarter, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart een negatief effect verwacht wordt. Het slopen van het gebouwen, renoveren van zolders en aantasten van de spouwmuren ka effecten veroorzaken op vleermuizen en steenmarters. Nader (veld)onderzoek naar de aanwezigheid en gebruik van en het gebruik van de planlocatie door deze beschermde soorten is daarom nodig. Een ontheffing van de Flora- en faunawet kan nodig zijn.
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
9/13
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
3 Conclusies In opdracht van de Provincie Noord-Holland heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van natuurwetgeving voor de sloop/renovatie van de Kolonel Palmkazerne te Crailo. De openbare ruimte rond de bebouwing is hierin niet meegenomen. Toetsing van de beoogde ingreep aan de door de Flora- en faunawet beschermde natuurwaarden laat zien dat voor steenmarter, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart een negatief effect verwacht wordt. Nader veldonderzoek naar de aanwezigheid en gebruik van planlocatie door deze beschermde soorten is daarom nodig. Een ontheffing van de Flora- en faunawet kan nodig zijn. Vogels Geconcludeerd wordt dat er negatieve effecten op (broed)vogels verwacht wordt, gezien de aard van de ontwikkelingen. De aanvang van de sloop / renovatie dient buiten het vogelbroedseizoen (medio maart tot medio juli) plaats te vinden. Bij een start in het broedseizoen dient men er zeker van te zijn dat in en nabij de te verwijderen vegetatie (voor vogels relevante landschapselementen als bomen) en bebouwing geen in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn. Steenmarter In de gebouwen kan de steenmarter voorkomen. De sloop of renovatie van de gebouwen heeft een verstorend effect op de soort.
Geadviseerd wordt om een nader onderzoek uit te voeren naar een verblijfplaats van deze soort. De resultaten daarvan kunnen worden gebruikt voor een ontheffingsaanvraag of mitigatieplan in het kader van de Flora- en Faunawet. Vleermuizen In het plangebied worden verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart verwacht. Het slopen van gebouwen, renoveren van zolders en aantasten van de spouwmuren kan effecten veroorzaken op vleermuizen. Geadviseerd wordt om een nader onderzoek uit te voeren naar verblijfplaatsen van deze soorten. De resultaten daarvan kunnen worden gebruikt voor een ontheffingsaanvraag of mitigatieplan in het kader van de Flora- en Faunawet. Nader onderzoek Het uitgangspunt van de Flora- en faunawet is 'Nee, tenzij'. Dit betekent dat alles wat schadelijk is voor bedreigde soorten verboden is (www.overheid.nl). Het uitsluiten van effecten is alleen mogelijk op basis van voldoende en actuele gegevens.
10/13
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
In dit geval zijn negatieve effecten op soorten mogelijk en is daarom nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten noodzakelijk voordat het plan wordt uitgevoerd. Ook bij het aanvragen van een eventuele ontheffing of indienen van een mitigatieplan dient de aanwezigheid van de betreffende soort aangetoond te worden. Hierbij geldt een omgekeerde bewijslast waarbij de initiatiefnemer verantwoordelijkheid draagt. Mitigatie/Compensatie en/of ontheffing De jurisprudentie ten aanzien van te treffen maatregelen in het kader van de Flora- en faunawet is voortdurend aan veranderingen onderhevig. Zo kunnen inmiddels alleen maatregelen die gericht zijn op het geheel en vooraf voorkomen van effecten (en overtreding verbodsbepalingen) ‘mitigatie’ genoemd worden. Wanneer maatregelen gericht zijn op het wegnemen van aanvankelijk optredende effecten, dienen deze als ‘compensatie’ aangemerkt te worden. In dat geval is dus ook sprake van een overtreding van verbodsbepalingen (er is immers een al dan niet tijdelijk effect). Omdat bij compensatie een overtreding wordt begaan is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing of het laten goedkeuren van het mitigatieplan én het uitvoeren van de maatregelen van de ontheffing of het mitigatieplan dienen vóór aanvang van de werkzaamheden afgerond te zijn.
Bij formele ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd die kan oplopen tot meerdere maanden. In de uitvoeringsfase moet een goedgekeurd mitigatieplan of een ontheffing daadwerkelijk in bezit zijn. Wel kunnen, los daarvan, de overige ruimtelijke vergunning- en planprocedures doorgang vinden. Ook bij mitigatieplannen verdient het de aanbeveling het mitigatieplan vooraf te laten goedkeuren door het Ministerie van EZ. Ook dit dient te gebeuren door het indienen van een ontheffingsaanvraag, waarbij de goedkeuring van de mitigerende maatregelen gegeven wordt in de vorm van een afwijzing van de ontheffingsaanvraag.
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
11/13
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
4 Literatuur BK Civiel & Sport, 2013. Oriënterend ecologisch onderzoek. Voormalig militair complex te Crailo. 30 augustus 2013. Auteur. G. Kalkman. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Bureau Waardenburg, 2013. Quickscan voormalig defensieterrein Crailo. 29 augustus 2013. Auteur. R.R. Smits. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.D. B., V.J. Kalkman, R. Ketelaar & M.J.T. van der Weide, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. EIS-Nederland, de Vlinderstichting & de Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2007. Waarnemingenverslag 2007. Dagvlinders, libellen en sprinkhanen.
European Invertebrate Survey - Nederland, de Vlinderstichting & de Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. Floron, 2011. Nieuwe Atlas Nederlandse Flora. Stichting Floron, Nijmegen Grontmij, 2006. Natuurtoets Crailo. Auteur. P.A. Korstanje. 20 april 2006. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2011. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2011. Rapport 2011-43a. Stichting RAVON, Nijmegen. Hustings F., C. Borggreve, C. van Turnhout & J. Thissen, 2004. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels volgens Nederlandse en IUCN-criteria. SOVON-onderzoeksrapport 2004/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
12/13
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
Kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL
Landschap Noord-Holland, 2008. Crailo: Quick scan natuurwaarden voor toetsing Flora- en Faunawet. November 2008. Auteur. Theo Baas en Kees Scharringa. Limpens H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Struik, R., J. Kranenbarg & A. de Bruin, 2010. Verspreidingsonderzoek vissen 2009.
Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te C railo
13/13
Soortgericht onderzoek flora en fauna voor de kolonel Palmkazerne te Crailo Onderzoek naar de aanwezigheid van en effecten op vleermuizen en steenmarter door de beoogde plannen
29 januari 2016
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
Verantwoording Titel
Soortgericht onderzoek flora en fauna voor de kolonel Palmkazerne te Crailo
Provincie Noord-Holland Projectleider Maikel Aragon van den Broeke Auteurs Herman Bouman, Daan Dekker, Maikel Aragon van den Broeke Tweede lezer Maikel Aragon van den Broeke Uitvoering veldwerk Herman Bouman, Bram Rijksen, Saskia Wijte Projectnummer 1231944 Aantal pagina's 20 (exclusief bijlagen) Datum 29 januari 2016 Opdrachtgever
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv BU Water & Ruimtelijke Kwaliteit Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht Telefoon +31 30 28 24 82 4
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem worden gebruikt voor het doel waarvoor het is vervaardigd met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Tauw. Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Tauw hoge prioriteit. Tauw hanteert daartoe een managementsysteem dat is gecertificeerd dan wel geaccrediteerd volgens: -
NEN-EN-ISO 9001
3\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
4\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
Inhoud Verantwoording en colofon .......................................................................................................... 3 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.4.1 1.4.2
Inleiding .......................................................................................................................... 7 Aanleiding en doel ........................................................................................................... 7 Relevante natuurwetgeving ............................................................................................. 8 Plangebied en beoogde werkzaamheden ....................................................................... 8 Onderzoeksmethoden ................................................................................................... 11 Methode vleermuizen .................................................................................................... 11 Methode steenmarter .................................................................................................... 13
2 2.1 2.2
Resultaten en interpretatie ......................................................................................... 14 Resultaten van het steenmarteronderzoek ................................................................... 14 Resultaten van het vleermuisonderzoek ....................................................................... 15
3 3.1 3.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................... 17 Conclusies ..................................................................................................................... 17 Vervolg .......................................................................................................................... 18
4
Bronnen ........................................................................................................................ 19
Bijlage(n) 1 Inventarisatiekaarten
5\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
6\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
In opdracht van de provincie Noord-Holland heeft Tauw onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde fauna in de bebouwing op het terrein van de voormalige Kolonel Palm Kazerne nabij Bussum. Een groot deel van de gebouwen in het plangebied zijn geschikt bevonden als verblijfplaats voor vleermuizen en steenmarter (Tauw, 2016). Door de geplande renovatie en/of sloop worden mogelijk één of meerdere verblijfplaatsen aangetast en dat vormt een overtreding van de Flora- en faunawet. Het onderzoek is gericht op het vaststellen van de functie(s) van de bebouwing voor de steenmarter en vleermuizen. Het plangebied kan een essentieel onderdeel zijn van het leefgebied van de steenmarter en/of vleermuizen, in de vorm van verblijfplaatsen, (een onderdeel van) een vliegroute en/of (een onderdeel van) een foerageergebied. De kans bestaat dat als gevolg van de beoogde werkzaamheden (onderdelen van het leefgebied van) de steenmarter en/of vleermuizen worden verstoord of verdwijnen. Wanneer dit daadwerkelijk het geval is, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen en dient mogelijk een ontheffing van de Flora- en faunawet aangevraagd te worden.
Het beschreven onderzoek in deze rapportage geeft uitsluitsel of de te slopen / renoveren panden als verblijfplaats, foerageergebied en/of vliegroute fungeren voor vleermuizen en verblijfplaats voor de steenmarter. Tenslotte wordt aangegeven of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Uitgangspunten Het onderzoek in deze rapportage heeft uitsluitend betrekking gehad op de bebouwing in het plangebied (zie de figuren 1.1 en 1.2 voor plangebied en de onderzochte bebouwing) Naast de steenmarter en vleermuizen, is uit de quickscan (Tauw, 2016) gebleken dat in de openbare ruimte rond de gebouwen meerdere beschermde soorten (zoogdieren, vogels met jaarrond beschermd nest, reptielen en amfibieën) worden verwacht. Aangezien de werkzaamheden betrekking hebben op de gebouwen, zijn de effecten op het leefgebied (bijvoorbeeld bomen, struiken, poelen en strooisellagen) van soorten anders dan steenmarter en vleermuizen in dit rapport uitgesloten
7\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
1.2
Relevante natuurwetgeving
Het onderzoek beschreven in deze rapportage is uitgevoerd in het kader van de Flora- en faunawet (soortbescherming). De Flora- en faunawet gaat uit van het voorzorgsbeginsel en stelt dat een overtreding van verbodsbepalingen met zekerheid moet kunnen worden uitgesloten. Uitsluitsel is alleen mogelijk op basis van voldoende en actuele gegevens. Wanneer negatieve effecten op soorten mogelijk zijn, en wanneer op basis van het oriënterend veldbezoek of actuele verspreidingsgegevens niet met zekerheid vast te stellen is of een soort aanwezig is, is nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten noodzakelijk. Ook bij het aanvragen van een eventuele ontheffing dient de aanwezigheid van de betreffende soort aangetoond te worden. Hierbij geldt een ‘omgekeerde bewijslast’ waarbij de initiatiefnemer verantwoordelijkheid draagt.
1.3
Plangebied en beoogde werkzaamheden
Het plangebied voor de beoogde ontwikkeling is gelegen in de gemeente Bussum in de Provincie Noord-Holland. Het voormalige kazerneterrein Kolonel Palmkazerne (zie figuur 1.1) is circa tien hectare groot en ligt ten zuidoosten van Bussum. Aan de zuidwestzijde wordt het plangebied begrensd door de Bussumer- en Westerheide. In figuur 1.2 is een overzicht van de onderzochte gebouwen gegeven. De meeste gebouwen grenzen aan meerdere zijden aan loof- of naaldhoutbos. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn nog enkele kleine stukken met heide terug te vinden. Rondom de voormalige sportvelden (atletiek) zijn ook restanten van heide te vinden en delen met schraalgrasland in ontwikkeling. Het terrein is opgedeeld in twee delen, het noordelijke en zuidelijke terreindeel (zie figuur 1.2).
8\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
Figuur 1.1 Globale ligging van het plangebied (rode contour) ten opzichte van de omgeving
Noordelijke terreindeel Bij de hoofdingang staat een klein gebouw (gebouwnummer 17) oorspronkelijk gerealiseerd voor de bewaking. Net ten zuiden daarvan een oude kantine voor de officieren (gebouwnummer 19). Een zestal gebouwen (legeringsgebouwen, nummers 1-6) van gelijke grootte staan geclusterd in het noordelijke deel van het terrein. Ten westen daarvan staat de voormalige keuken en kantine gebouw (gebouwnummer 13). Rondom deze groep gebouwen zijn enkele kleinere gebouwen aanwezig, dit betreft vooral woningen en enkele gebouwen voor technische doeleinden zoals een hoogspanningsgebouw (gebouwnummers 7, 10, 11, 12, 14, 15 en 16). Alle gebouwen bestaan uit gemetselde stenen en hebben dakpannen als dakafwerking. Enkel de technische gebouwen en het bewakingsgebouw hebben een plat dak. Laagbouw met een plat dak wordt minder vaak door beschermde soorten als verblijfplaats gebruikt. Bij hoogbouw geldt dat niet. Zuidelijke terreindeel In het zuiden van het plangebied staan een sporthal en een brandweer oefenloods (gebouwnummers 26 en 29). Deze gebouwen hebben een plat dak waarbij de brandweer oefenloods het meest ongeschikt is bevonden voor een verblijfplaats voor beschermde soorten. Halverwege het terrein zijn twee grote gebouwen met plat dak aanwezig die vroeger in gebruik
9\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
waren als manschappenverblijven (gebouwnummers 27 en 28). Beide gebouwen bevatten minimaal vier etages en een kelder en zijn door boomgroepen omsloten. Beide gebouwen zijn geschikt bevonden voor vleermuizen en steenmarter. Tussen het noordelijke en zuidelijke deel van het plangebied ligt een groot parkeerterrein waar twee lange opslagloodsen (gebouwnummers 23 en 24) )en haaks daarop aan de westkant een langwerpige woning (gebouwnummer 22) liggen. Dit betreffen gemetselde gebouwen met een dakpannen dak. Deze gebouwen zijn geschikt bevonden als verblijfplaats voor steenmarter en vleermuizen. Beoogde ontwikkeling De exacte invulling van de herontwikkeling is ten tijde van het onderzoek onbekend gebleven. Gezien de huidige (slechte) staat van de gebouwen is het uitgangspunt geweest dat deze grondig worden gerenoveerd of zelfs geheel worden gesloopt. Alle bomen en andere groenstructuren blijven daarbij behouden. De focus van het onderzoek ligt bij de gebouwen. Uitgangspunt bij de toetsing is dat het niveau van verlichting van het terrein in de toekomstige situatie vergelijkbaar is ten opzichte van de huidige situatie.
Figuur 1.2 Ligging van de onderzochte gebouwen. Alles binnen de rode contour is onderzocht. De blauwe lijn onderscheid het noordelijke en zuidelijke terreindeel
10\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
Figuur 1.3 Impressie van de te slopen / renoveren gebouwen
1.4
Onderzoeksmethoden
1.4.1 Methode vleermuizen Het veldwerk is uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2013). Hierin is het minimaal aantal bezoeken en de onderzoeksinspanning vastgelegd. Dit vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar-, winterverblijven en zwermplaatsen) van meerdere vleermuissoorten. Uit landelijke verspreidingsgegevens (Limpens et al 2009) en op basis van het oriënterend onderzoek (Tauw, 2016) worden de volgende vleermuissoorten in het plangebied verwacht: gewone
11\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis. Het doel van het vleermuizenonderzoek is om aan te tonen of en hoe het plangebied van belang is voor vleermuizen. Het onderzoek richt zich op het vaststellen van verblijfplaatsen. Ook aanwezige vliegroutes en foerageergebieden zijn in kaart gebracht. Indien het plangebied inderdaad een belangrijke functie vervult voor één of meerdere vleermuissoorten, wordt een afweging gemaakt of de beoogde ontwikkelingen de staat van instandhouding van de soort(en) beïnvloedt. De Flora- en faunawet beschermt niet alleen de instandhouding van soorten, maar ook individuen. Wanneer een ontwikkeling de instandhouding niet schaadt, maar één of enkele individuen wel, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen tijdens de planfase of tijdens de sloop van de verblijfplaats(en). De benodigde mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een (nader uit te werken) mitigatieplan. Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X). Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden.
Aan de hand van het ritme van het geluid en de frequentie waarop de vleermuis het beste wordt gehoord, de zogenaamde “piekfrequentie”, kan in veel gevallen worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt gebruik gemaakt van opnameapparatuur en het programma Batsound. De veldbezoeken zijn uitgevoerd door twee ervaren ecologen. Dit is noodzakelijk omwille van veiligheid, kwaliteit en de grootte van het plangebied. Om de verblijfplaatsen in kaart te brengen, is lopend met de batdetector het plangebied doorzocht. Tevens is een deel van de omgeving rondom het plangebied doorzocht. In totaal zijn vier veldbezoeken uitgevoerd in de periode juli tot oktober 2015. Meerdere bezoeken zijn nodig, omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen die in verschillende perioden in het jaar worden gebruikt. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. In tabel 1.1 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Het aantal bezoeken, het tijdstip en de periode zijn gebaseerd op het vleermuizenprotocol. Het veldwerk is weersafhankelijk en alleen bij (redelijk) gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Dit houdt voor vleermuizen in dat er geen of weinig neerslag is en weinig wind.
12\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
Tabel 1.1 Overzicht van de veldbezoeken voor vleermuizen
Datum veldbezoek Tijdstip
Focus
11 juni 2015
Kraamkolonies, zomerverblijfplaatsen, Weinig wind, geen neerslag, ±17°C
avond
Weersomstandigheden
vliegroutes en foerageergebieden 8 en 10 juli 2015
ochtend
Kraamkolonies, zomerverblijfplaatsen, Weinig wind, geen neerslag, ±14°C vliegroutes en foerageergebieden
14 september 2015
Late avond
Zwermgedrag, paarplaatsen,
Weinig wind, bewolking, geen
winterverblijven, vliegroutes en
neerslag ±15°C
foerageergebieden 2 oktober 2015
avond
Zwermgedrag, paarplaatsen,
Afnemende windkracht, geen
winterverblijven, vliegroutes en
neerslag, ±15°C
foerageergebieden
1.4.2 Methode steenmarter Alle zolders of andere geschikte ruimtes zijn geïnspecteerd op sporen (prooiresten, latrines, sporen) of eventueel aanwezigheid van individuen. Naast een inspectie zijn de bewoners geïnterviewd om te vragen of zij overlast hebben gehad (stank, geluid, anders) of een steenmarter(achtige) hebben gezien in het plangebied. Een eenmalige inspectie van bovengenoemde zaken is voldoende om aannemelijk te maken dat steenmarter wel of niet in het plangebied aanwezig is.
13\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
2 Resultaten en interpretatie In onderstaande paragrafen worden de resultaten weergegeven van de vier veldbezoeken voor het vleermuizenonderzoek en de inspectie van de gebouwen op (sporen van) steenmarter. In de figuren 2.1 en 2.2 zijn de locaties en gebruiksfuncties van de waargenomen soorten samengevat. Uitgangspunt voor de toetsing is dat gefocust is op de bebouwing en dat er geen bosschages of bomen worden gekapt.
2.1
Resultaten van het steenmarteronderzoek
In figuur 2.1 staan de geïnspecteerde gebouwen weergegeven. Tijdens de inspectie van de meeste gebouwen waren er huurders aanwezig en deze zijn geïnterviewd. In gebouw 1 is een oude (op dit moment niet gebruikte) verblijfslocatie van een steenmarter aangetroffen. Er zijn geen latrines, penetrante lucht of prooiresten op de zolders aangetroffen. Het betreft een verlaten verblijfplaats van een steenmarter en is niet in functie. De constateringen tijdens de inspectie, in combinatie met de afgelegde interviews, maakt dat de aanwezigheid van steenmarters binnen de gebouwen in het plangebied is uitgesloten. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt geen negatieve effecten op steenmarters. Vervolgstappen zoals het aanvragen van een ontheffing Flora- en faunawet zijn niet noodzakelijk.
14\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
Figuur 2.1 Onderzochte bebouwing en gevonden functie voor steenmarter in het plangebied
2.2
Resultaten van het vleermuisonderzoek
Algemeen In het plangebied zijn voornamelijk gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen waargenomen. Deze gebruikten het gehele plangebied, waarbij het noordelijke terreindeel door meer individuen gebruikt werd ten opzichte van het zuidelijke terreindeel. Desalniettemin zijn in het zuidelijke terreindeel twee kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Incidenteel zijn een laatvlieger, rosse vleermuis en ongedetermineerde Myotis soort waargenomen. Deze drie soorten hadden geen enkele binding met het plangebied, waardoor uitsluitend ingegaan wordt op de gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuis. Een overzicht van de belangrijkste waarnemingen is op kaart weergegeven in figuur 2.2.
15\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
Figuur 2.2 Vastgestelde functies van vleermuizen in het plangebied
Hieronder wordt ingezoomd op de vastgestelde functies in het plangebied. Verblijfplaatsen Er zijn in tien gebouwen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Dit betreffen gebouwnummers 2, 3, 4, 5, 13, 22, 23, 24, 26 en 28. In gebouwen 22 en 26 is een kraamkolonie (circa >30 en > 25 individuen) gewone dwergvleermuizen aangetroffen (gele vlakken in figuur 2.2). In de gebouwen 4, 5 en 24 is een zomerverblijfplaats en paarverblijfplaats van solitaire dieren van de ruige dwergvleermuis aangetroffen (blauwe vlakken in figuur 2.2). De overige gebouwen (2, 3, 13, 23, 28) zijn allen paarplaatsen of zomerverblijfplaatsen van solitaire dieren van de gewone dwergvleermuis (oranje vlakken in figuur 2.2). Bij de sloop of renovatie van deze gebouwen dient derhalve een ontheffing Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een geldige ontheffing worden verwijderd of aangetast. Een ontheffingsaanvraag duurt gemiddeld drie tot vier maanden. De sloop of renovatie kan meestal alleen in de minst gevoelige periode, het voorjaar (maart) of in het najaar (oktober) worden uitgevoerd. Eventuele alternatieve
16\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
verblijfplaatsen dienen minimaal zes maanden voor de geplande (sloop)werkzaamheden te zijn opgehangen. Alles dient te worden uitgevoerd onder begeleiding van een ter zake kundige (ecoloog). Vliegroutes Tussen de meeste gebouwen en het groen zijn vliegroutes aanwezig. Een paar routes vallen extra op zoals die aan de westkant van het plangebied. Hier zijn bij iedere veldronde meer dan tien gewone dwergvleermuizen langs vliegend waargenomen. Hetzelfde geldt voor de vliegroute aan de noordzijde en de oostzijde tussen de gebouwen 24 en 28 (zie figuur 2.2). De beoogde ontwikkeling / sloop van de bebouwing zorgt niet voor negatieve effecten op deze vliegroutes. Wel zijn de individuen op deze vliegroutes voor een groot deel afkomstig van de verblijfplaatsen in de bebouwing. Foerageergebied Foerageergebieden liggen voornamelijk aan de rand van het plangebied in de bosschages of bomen. De foerageergebieden zijn niet in figuur 2.2 getoond omdat vrijwel overal gefoerageerd wordt. Omdat er geen bosschages of bomen worden gekapt, blijft deze functie voor vleermuizen behouden. De beoogde ontwikkeling / sloop van de bebouwing zorgt dus niet voor negatieve effecten op foerageergebieden. Wel zijn de individuen die gebruik maken van deze foerageergebieden voor een groot deel afkomstig van de verblijfplaatsen in de bebouwing.
Let op dat er in de toekomstige situatie geen (of slechts beperkte) toename van verlichting op de groene zones ontstaat. Toename van licht is nadelig voor de functionaliteit en kan een overtreding van de Ffw betekenen.
3 Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk worden de resultaten kort samengevat en worden de noodzakelijke vervolgstappen beschreven. Daarnaast worden enkele aanbevelingen voor het vervolg gedaan.
3.1
Conclusies
In opdracht van de provincie Noord-Holland heeft Tauw vleermuizen- en steenmarteronderzoek uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen sloop / renovatie van bebouwing op de Kolonel Palmkazerne. Bij de voorgenomen ontwikkeling is uitgegaan van het in tact laten van de vegetatie in de ruimte rond de gebouwen. De sloop / renovatie kan zorgen voor aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarter. Aantasting van (de essentiële onderdelen van)
17\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
het leefgebied van vleermuizen en steenmarter is in het kader van de Flora- en faunawet verboden. Vastgesteld is dat het plangebied een belangrijke functie vervuld voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Overige waargenomen soorten, zonder binding met het plangebied, zijn laatvlieger, rosse vleermuis en een ongedetermineerde Myotis soort. Een tiental gebouwen in het plangebied is onderdeel van het leefgebied van vleermuizen, in de vorm van vaste verblijfplaatsen (zomerverblijven, paarverblijven en/of kraamplaatsen). Daarnaast is het openbare groen in functie als onderdeel van een vliegroute en/of een onderdeel van een foerageergebied. De aanwezigheid van steenmarter is uitgesloten op grond van het uitgevoerde onderzoek. Op basis van het uitgevoerde vleermuizenonderzoek wordt geconcludeerd dat negatieve effecten op essentiële gebruiksfuncties van het leefgebied van de vleermuizen door de beoogde renovatie en/of sloop niet zijn uitgesloten. De functionaliteit van het plangebied wordt aangetast bij doorgang van de werkzaamheden. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van vleermuizen. Dit houdt in dat werkzaamheden alleen met een geldige ontheffing Ffw kunnen worden uitgevoerd. Aan een ontheffing is in principe altijd een mitigatieplan gekoppeld.
In het mitigatieplan worden maatregelen beschreven hoe de sloop/renovatie het beste kan worden uitgevoerd, hoe en waar alternatieve verblijfplaatsen worden gerealiseerd en hoe de gunstige staat van instandhouding geborgd wordt. Bij formele ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd van circa 3 tot 4 maanden. Tevens dient de zorgplicht zoals bedoeld in de Flora- en faunawet in te allen tijde acht te worden genomen.
3.2
Vervolg
In het vervolg van het proces om te komen tot een nieuwe bestemming van het plangebied, is hetgeen in paragraaf 3.1 genoemd noodzakelijk (ontheffing Ffw aanvragen). Daarnaast is nog nader onderzoek nodig gericht op de openbare ruimte. Naast de steenmarter en vleermuizen is uit de quickscan (Tauw, 2016) namelijk gebleken dat in de openbare ruimte rond de gebouwen meerdere beschermde soorten (zoogdieren, vogels met jaarrond beschermd nest, reptielen en amfibieën) worden verwacht.
18\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
4 Bronnen Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt en Co Uitgevers en importeurs BV, Haarlem/ Provincie Noord-Holland, Haarlem. Limpens, H., Mostert, K. & Bongers, W. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging Utrecht. Limpens, H.J.G.A., Twisk, P. & Veenbaas, G. 2004 Met vleermuizen overweg. Uitgave Dienst Weg- en Waterbouwkunde Delft en de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming Arnhem. ISBN 90-369-5562-9. NGB, 2013. Vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (http://www.netwerkgroenebureaus.nl). Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014a. Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014b. Soortenstandaard Ruige dwergvleermuis Simon, M., Hüttenbügel, S. & Smit-Viergutz, J. 2004. Ecology and Conservation of Bats in Villages and Towns, BFN Federal Agency for Nature Conservation, Bonn – Bad Godesberg. Tauw, 2016. Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te Crailo. Definitieve notitie van eind januari 2016 met kenmerk N001-1231944XDD-kmi-V01-NL. Auteur. Daan Dekker. Twisk, P., Van Diepenbeek, A. & Bekker, J.P. 2010. Veldgids Europese zoogdieren, KNNV Uitgeverij, Zeist.
19\20
Kenmerk R001-1231944OUM-agv-V01-NL
20\20
Bijlage
1
Inventarisatiekaarten
7 6 5 4
10 11
17
16 13 1
12
19
2 3
15 14
24 22
28
23
27
29
Gebouwen Plangebied
0
75
150 m
´
1231944_10002U.MXD
26
Plangebied Resultaten steenmarter
7
Geen functie voor steenmarter 6
Oude verblijfplaats
5 4
10 11
17
16 13 1
12
19
2 3
15 14
24 22
28
23
27
29
0
75
150 m
´
1231944_10002U.MXD
26
Plangebied
$ +
Verblijfplaatsen Vliegroutes
Resultaten vleermuizen Geen functie voor vleermuizen
$ +
Kraamverblijfplaats gewone dwergvleermuis
$ +
Zomer- en paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis
$ +
Zomer- en paarverblijfplaats ruige dwergvleermuis
$ + + $ + $
$ + $ +
$ +
$ +
$ + $ +
0
75
150 m
´
1231944_10002U.MXD
$ +
Natuurtoets ontwikkeling Kolonel Palmkazerne, ORT en Crailo-zuid
Concept
16 mei 2018
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Verantwoording Titel
Natuurtoets ontwikkeling Kolonel Palmkazerne, ORT en Crailo-zuid
Opdrachtgever
Gemeente Gooise Meren
Projectleider
Vincent Wisgerhof
Auteur(s)
Tim van Leeuwen
Tweede lezer
Michiel Wilhelm
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Tim van Leeuwen
Projectnummer
1264822
Aantal pagina’s
25
Datum
16 mei 2018
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 824 E info.utrecht@tauw.com
Concept
Tauw bv
2/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Inhoud
2
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Doel .................................................................................................................................... 4
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 4
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 5
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 7
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 7
1.6
Uitgangspunten .................................................................................................................. 7
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 7 2.1
2.1.1
Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne ................. 9
2.1.2
Oefen Rampen Terrein (ORT) .................................................................................. 10
2.1.3
Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein ............................................................................ 11
2.2 3
Huidige situatie................................................................................................................... 7
Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 13
Soortenbescherming ............................................................................................................... 13 3.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 13
3.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 14
3.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 15
3.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 15
3.5
Effecten ............................................................................................................................ 16
3.5.1
Flora .......................................................................................................................... 16
3.5.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 17
3.5.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 18
3.5.4
Broedvogels .............................................................................................................. 19
3.5.5
Amfibieën en reptielen .............................................................................................. 20
3.5.6
Zorgplicht .................................................................................................................. 21
4
Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................. 22
5
Literatuur ................................................................................................................................. 24
Concept
1
3/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Gemeente Gooise Meren heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor ontwikkeling op het ORT en Crailo-zuid (AZC-terrein). Voor het noordelijk deel van het gebied (voormalige Kolonel Palmkazerne) is eerder een nader onderzoek en een QuickScan uitgevoerd (Tauw, 2016 a & Tauw, 2016 b). Een update van deze onderzoeken is nodig omdat in de tussentijd ook kleine marterachtigen beschermd zijn geworden in de provincie Noord-Holland. De sloop van de gebouwen 19 en 27 staat gepland voor 11 juni 2018. Met een controle op aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing voor de gebouwen 19 en 27 worden negatieve effecten voor deze soorten tijdens de sloop uitgesloten. De resultaten van deze controle zijn opgenomen in het hoofdstuk soortbescherming. De ontwikkeling op het ORT en Crailo-zuid (AZC-terrein) kan alleen doorgaan als deze niet in strijd zijn met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing / vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
1.2
Wetgeving
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen: “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande
Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
Concept
wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.
4/25
Kenmerk
1.3
R001-1264822TVL-V01-agv
Te beschouwen onderdelen Wnb
Vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna is het noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming. Een toetsing aan beschermde gebieden is niet nodig. De twee dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden (Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en Naardermeer) bevinden zich op drie kilometer afstand van het projectgebied (zie figuur 1.1).
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden, welke groen zijn gearceerd
Concept
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) loopt langs de westgrens van het gebied (zie figuur 1.2). Omdat de gronden binnen het projectgebied geen onderdeel uitmaken van het NNN, is negatieve invloed op de natuurwaarden binnen het natuurnetwerk uitgesloten.
5/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Figuur 1.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van NNN gebieden
Bescherming van houtopstanden is niet aan de orde omdat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de groenstructuren gehandhaafd blijven. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat
Vooralsnog is niet bekend welke bestemming het ORT-terrein en Crailo-zuid krijgt. Zodoende kan geen inschatting worden gemaakt of rekening gehouden moet worden met de effecten van stikstof op beschermde natuurgebieden. Een dergelijke stikstofberekening is in het verleden voor Crailonoord nodig gebleken en uitgevoerd. Er moet dus rekening gehouden worden met het uitvoeren van stikstofberekeningen voor het ORT-terrein en Crailo-zuid als de plannen voor de nieuwe bestemmingen vorm krijgen.
Concept
kap van bomen geen onderdeel uitmaakt van de werkzaamheden (zie 1.6). Mocht dit in de toekomst wel onderdeel van de werkzaamheden uit gaan maken dan moet rekening gehouden worden met de APV van de gemeentes Laren en Hilversum en het velbeleid van de gemeente Hilversum.
6/25
Kenmerk
1.4
R001-1264822TVL-V01-agv
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook hoofdstuk 5) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van Tauw (https://www.tauw.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Een oriënterend veldbezoek op 20 april 2018 Het doel van de literatuurstudie was om na te gaan welke beschermde soorten en gebieden in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleerde tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook keek de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.5
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de afwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.6
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: Kap van bomen maakt geen onderdeel uit van de werkzaamheden
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het Crailo-terrein op de grenzen van de gemeentes Laren, Hilversum en Gooise Meren in de provincie Noord-Holland. Dit terrein bestaat uit de volgende delen: Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne ORT: Oefen Rampen Terrein, gelegen tussen Crailo-noord en Crailo-zuid Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein
De gebouwen 19 en 27 in Crailo-noord wilt u zo snel mogelijk slopen. De sloop van Crailo-zuid staat over twee jaar gepland. Het ORT komt volgend jaar beschikbaar. Ook hier moet de sloop zo spoedig mogelijk starten.