CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Brief van Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & ’t Gooi inzake Dassenburcht Raaweg

GEMEENTERAAD 9 juli 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Stukken ten aanzien waarvan de voorzitter voorstelt deze ter afdoening in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders27.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Aan de leden van de gemeenteraad van Hilversum Ter attentie van de raadsgriffie Geachte medewerker van de raadsgriffie, Hierbij ontvangt u een advies met bijlagen namens de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & ’t Gooi over het bouwplan aan de Raaweg. Ik heb het zojuist verzonden aan medewerkers van de projectontwikkelaar RV&O en het adviesbureau Ecofect. Zij hadden onze stichting verzocht om een advies over het bouwplan. Het advies heb ik geanonimiseerd en ik verzoek u om dat inclusief bijlagen kenbaar te maken aan de gemeenteraad en B&W van Hilversum, zodat zij de informatie kunnen gebruiken bij de voorbereiding van hun besluiten. Graag zie ik uw ontvangstbevestiging tegemoet voor het advies en de bijlagen. Voor mijn bestuursgenoten heb ik ter informatie een cc gemaakt. Met vriendelijke groet, Ir. A. (Ton) Meijer Voorzitter Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & ’t Gooi Bioloog gespecialiseerd in ecologie en de Das

www.dassenwerkgroeputrecht.nl info@dassenwerkgroeputrecht.nl Van: (…) Verzonden: donderdag 5 juni 2025 19:52 Aan: (..) CC: (…) Onderwerp: RE: Dassenburcht Raabos- Project Raaweg

Dag meneer (…), Als u misschien onze stichting heeft bedoeld met ‘die gasten’, dan zou het u sieren om toch wat meer geduld te tonen. We werken als dassendeskundige nooit in opdracht, altijd onbezoldigd en in vrije tijd. Er zijn bovendien ruimtelijke plannen en ontwikkelingen die urgenter zijn en we worden overvraagd om advies. Dus uw plan heeft geen prioriteit en we gaan onszelf niet over de kop rennen. Verder is het niet mogelijk om plannen met onze stichting ‘afstemmen’. Dat zou namelijk een rechtstreekse aantasting zijn van onze onafhankelijkheid. Voor biologen en ecologen (en exacte wetenschappers in het algemeen) is dat zeer onwenselijk als zij worden gevraagd om

een oordeel of advies. We werken dan ook volledig onafhankelijk van anderen en geven een eigen advies, zonder enige ‘afstemming’. Onze stichting geeft bovendien bij grote voorkeur schriftelijk advies. In dit geval krijgt uw ofwel een schriftelijk advies, of geen advies. Dat is voor ieder ook duidelijker. Eventuele onduidelijkheden of onjuistheden, kunnen dan immers controleerbaar worden benoemd. Aan een adviesrapportje kom ik misschien pas over drie weken toe, mits daartoe dan tijd en energie resteert. Daarom geef ik u nu alvast mijn oordeel en advies namens de stichting, gebaseerd op de vereisten van de omgevingswet: 1. Er is een veel bredere, dichte vegetatie vereist voor de afscherming van de burchten van de geplande woningen en hun bewoners. Ik adviseer u daarom de huidige vegetatie zoveel mogelijk intact te houden, de geplande bebouwing op grotere afstand daarvan te plannen en een dichte vegetatie in het plangebied te laten groeien, bestaande uit inheemse soorten die worden geadviseerd door Das & Boom. De totale breedte van de vegetatie zou 30 meter breed moeten worden als compensatie. 2. Deze vegetatie moet met een ingegraven dassenraster vanuit de woonwijk over de hele lengte ontoegankelijk worden gemaakt voor mensen en honden. Er kunnen in de burchten dassenjongen worden geboren.

Die komen ook overdag wel bovengronds en zullen dan makkelijk kunnen worden opgespoord door honden. Sommige honden zullen direct aanvallen. Rond de burchten is de kans in de huidige situatie heel kleien op verontrusting door mensen en honden (geuren, trillingen, geluiden, bewegende silhouetten). Vlakbij de geplande woonwijk (oostelijk ervan) ligt een park- en natuurgebied waar toekomstige bewoners reeds kunnen wandelen en honden kunnen uitlaten. De das is daar veel minder kwetsbaar. Het raster voorkomt bovendien dat dassen worden doodgereden in de nieuw woonwijk. 3. Het geplande pad of geplande paden vanuit de woonrichting richting de vegetatie moeten geheel vervallen. Die leiden namelijk tot bezoek van mensen en honden nabij plekken waar dassen gemakkelijk worden verontrust door mensen en honden. 4. Als de geopperde natuurontwikkeling in het aangrenzende grasland plaatsvindt door de ontwikkeling van kruidenrijk en schraler grasland, dan betekent dat een grote verslechtering van de functionaliteit van de burchten en een overtreding van de omgevingswet. Het huidige grasland is van enorme waarde als foerageergebied voor de dassenclan. Om de functionaliteit van de burchten in stand te houden, moet dit gras zo lang mogelijk in het jaar kort zijn, met name in april, mei en juni.

Dat is nodig om voldoende regenwormen beschikbaar te houden als voedsel, met name ook als er dassenjongen voor het eerst gaan foerageren in mei en juni. Natuurontwikkeling door de aanleg van enkele heggen en hagen in het huidige grasperceel, is echter welkom. Dat vergoot de waarde van het huidige korte grasland. Naar mijn persoonlijke mening zal het gebied daardoor ook mooier worden. Ook

voor de heggen en hagen kunnen het best soorten worden gebruik die zijn aanbevolen door Das & Boom. 5. Er moeten geen paden worden aangelegd vanuit de woonwijk naar en in het huidige graslandperceel. Ook in he graspandperceel moeten aanvallen van honden en verontrusting worden voorkomen. In dit grasland mogen namelijk ook foeragerende dassenjongen of niet volgroeide dassen worden verwacht die nog erg kwetsbaar zijn. Hun moeders zullen er bovendien erg snel worden verontrust, hetgeen bijvoorbeeld een groot nadelig effect kan hebben op het zogen. 6. Ter compensatie van de toename van autoverkeer, moeten een of enkel dassentunnels met raster worden aangelegd onder de bestaande weg(en). Verder kunt u de bijlagen kunt u gebruiken als achtergrondinformatie. Ik adviseer u, de adviesbureaus en de gemeente naar die bronnen te verwijzen bij eventuele nieuwe rapporten en stukken. De Algemene wet bestuursrecht kent namelijk een vergewisplicht. Ik hoop u alvast te hebben geholpen met dit oordeel en advies. Onze stichting zou het op prijs stellen als u daarvoor een donatie zou willen doen. U kunt een gift overmaken naar onze penningmeester: IBAN: NL89RABO0311939104 t.n.v. M. Struijf. Het is mogelijk dat ik met dit korte oordeel / advies nog effecten over het hoofd heb gezien. Eventueel ontvangt u dan later nog een aanvulling.

Mocht u menen dat het oordeel en advies onduidelijkheden of onjuistheden bevat, dan verneemt onze stichting dat graag. Suggesties voor verduidelijking of aanvulling zijn dan natuurlijk welkom. Graag ontvang ik uw ontvangstbevestiging voor dit korte oordeel en advies, en voor de bijlagen. Met vriendelijke groet, (…)

www.dassenwerkgroeputrecht.nl info@dassenwerkgroeputrecht.nl

Kwaliteit van ecologische adviesbureaus -aantoonbaar ondermaats met dassen als slachtoffer-

Harderwijk, 22 maart 2022 J.J. Schröder (Stichting Valouwe Natuur)

Inhoud Voorwoord .............................................................................................................................................. 2 Samenvatting........................................................................................................................................... 3 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 Deskundigheidseisen ............................................................................................................................... 5 Advisering in de praktijk .......................................................................................................................... 8 Bureau 1 .............................................................................................................................................. 8 Bureau 2 .............................................................................................................................................. 8 Bureau 3 .............................................................................................................................................. 8 Bureau 4 ..............................................................................................................................................

9 Bureau 5 .............................................................................................................................................. 9 Bureau 6 ............................................................................................................................................ 10 Bureau 7 ............................................................................................................................................ 10 Bureau 8 ............................................................................................................................................ 11 Bureau 9 ............................................................................................................................................ 11 Bureau 10 .......................................................................................................................................... 11 Bureau 11 .......................................................................................................................................... 12 Bureau 12 .......................................................................................................................................... 12 Bureau 13 ..........................................................................................................................................

12 Bureau 14 .......................................................................................................................................... 13 Bureau 15 .......................................................................................................................................... 13 Discussie ................................................................................................................................................ 14 Slechte adviezen ................................................................................................................................ 14 Ongecontroleerde mitigatie en compensatie ................................................................................... 14 Gebrekkige cumulatie ....................................................................................................................... 15 Geen plaag maar herstel ................................................................................................................... 16 Conclusie ............................................................................................................................................... 16 Literatuur ...............................................................................................................................................

16 Over de schrijver ................................................................................................................................... 18

1

Voorwoord De adviezen van ecologische bureaus spelen een belangrijke rol bij besluiten over de toelaatbaarheid van ingrepen in het leefgebied van dassen. Daarbij hebben dassenbeschermers de indruk dat de adviezen van die bureaus vaak te wensen over laten. Het leek mij nuttig om een aantal tekortkomingen eens in een notitie vast te leggen en zo patronen te herkennen. Ik wil Marc Moonen en Bert Hesse (beiden Stichting Das&Boom), Ton Meijer (Stichting Dassenwerkgroep Utrecht -’t Gooi), Pieter Bogaers (Stichting Natuur en Landschap het Gooi) en Jan Baars (Stichting Dassenwerkgroep Limburg) hartelijk danken voor hun adviezen suggesties en aangeleverde informatie. Ik hoop dat deze notitie gaat leiden tot evenwichtiger besluitvorming ten gunste van dassen.

Jaap Schröder, Stichting Valouwe Natuur (www.valouwenatuur.jouwweb.nl)

2

Samenvatting Dassenbeschermers maken zich zorgen over de kwaliteit van adviezen van ecologische bureaus. Ter illustratie zijn discutabele adviezen van een vijftiental willekeurige bureaus geanalyseerd en beschreven. De geconstateerde tekortkomingen vloeien voort uit onvoldoende ecologische kennis maar soms ook uit doelbewuste misleiding door de betrokken bureaus. Dit leidt tot onbetrouwbare adviezen. Dassenbeschermers willen dat dit gegeven vaker aanleiding vormt voor bestuurders, hun ambtenaren en rechters om contra-expertises uit te laten voeren en deze bij hun besluitvorming te betrekken. Dit zal namelijk leiden tot objectievere besluiten en een betere bescherming van dassen.

3

Inleiding Onze behoefte aan extra woningen, wegen, recreatie- en bedrijfsterreinen staat soms haaks op het behoud van natuur in zijn algemeenheid en de behoefte van dassen (Meles meles) aan een veilige burcht en voldoende leefgebied in het bijzonder. De exegese van Wet Natuurbescherming 2017 (WNb) is in principe duidelijk: opzettelijke doding van een das en vernieling van een burcht zijn in Nederland verboden en verlies van essentieel leefgebied is dat eveneens mits dat vroeg of laat tot verlies van de rust- of voortplantingsfunctie van een burcht leidt (ABRVS, 2022). De WNb bepaalt aan de hand van deze criteria wie aan het langste eind trekt. Is de ingreep toegestaan en, zo ja, zijn mitigerende maatregelen voldoende of is een WNb-ontheffing nodig en, zo ja, onder welke voorwaarden? Zijn de te nemen maatregelen voldoende geborgd en zijn voorwaarden voldoende ondubbelzinnig beschreven? Plannenmakers en vergunningverleners laten zich hierbij vaak adviseren door ecologische bureaus. Het komt er dan op aan dat zo’n bureau bereid en in staat is om ‘de waarheid, de volledige waarheid en niets dan de waarheid’ op schrift te stellen.

Al in de beginfase van ruimtelijke plannen is het welhaast onvermijdelijk dat besluiten worden genomen door bestuurders, raadsleden en ambtenaren met op zijn gunstigst een globale kennis van ecologie maar nauwelijks kennis over de eisen van specifieke organismen. In die fase kunnen de adviezen van ecologische bureaus doorslaggevend zijn. Bestuurders, raadsleden en ambtenaren zijn daarbij in het algemeen niet geneigd specifieke deskundigheid te vereisen of deze alsnog in te roepen als die deskundigheid bij het adviesbureau ontbreekt. Alleen bij heel grote projecten (Infomil, 2022) bestaat een verplichting tot uitvoering van een Milieu Effect Rapportage (MER) volgens een voorgeschreven format. Het betreffende rapport moet ter beoordeling aan externe deskundigen worden voorgelegd, de Commissie MER. Deze commissie kan aanvullende informatie eisen. De eindversie van het rapport hoeft, merkwaardig genoeg, niet opnieuw aan de Commissie MER te worden voorgelegd. Kleinere projecten kunnen zich overigens helemaal aan een MER met externe beoordeling onttrekken. Bij verschil van mening over de besluiten van een bestuursorgaan belanden partijen uiteindelijk bij de Rechtbank of, direct, bij de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State.

Procespartijen die bescherming van de das als doel hebben, zien te vaak dat ook rechters meer gewicht toekennen aan de argumenten van ecologische adviesbureaus dan aan hun eigen argumenten. Rechters beschouwen

dassenbeschermers

kennelijk

als

enthousiaste

maar

te

nauw

betrokken

belangenbehartigers terwijl de kwaliteit, belangenloosheid en objectiviteit van ecologische bureaus boven iedere twijfel verheven lijkt. Omwille van de ‘equity of arms’ (artikel 6 EVRM, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) zou een Rechtbank vaker getuigendeskundigen kunnen oproepen en de Raad van State vaker kunnen besluiten om de Stichting Advisering Bestuursrecht, de

4

StAB, in te schakelen (Van Amerongen & Kegge, 2019). Op die manier kunnen ‘battles of experts’ objectiever worden beslecht.

Deskundigheidseisen De Wet Natuurbescherming (WNb) stelt slechts globale eisen aan de opstellers van ecologische adviezen. De betreffende ‘ecoloog’ (een onbeschermd beroep) behoeft slechts werkzaam te zijn bij een ecologisch adviesbureau of zich ‘in te zetten’ op het gebied van soortenmonitoring of bescherming, in principe ongeacht de betrokken diersoort. Een deel van de adviesbureaus is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus dat tot doel heeft om de kwaliteit van adviezen te bevorderen. Het netwerk kent een Gedragscode, een Klachtenprocedure (zonder opschortende werking) en Soorteninventarisatieprotocollen. De Gedragscode stelt, onder meer, de volgende eisen:

-De leden houden hun deskundigheid en vakbekwaamheid op peil en ontwikkelen die door educatie en door met de opdrachtgever (selectief) de uitvoering van opdrachten te evalueren. -De leden gebruiken inzichten, methoden en handelwijzen die door andere deskundigen erkend worden of zijn in staat het gebruik van afwijkende inzichten e.d. te verdedigen ten opzichte van collega-deskundigen. -De leden gaan kritiek door collega-deskundigen niet uit de weg en zoeken zonodig actief discussie om de eigen inzichten én die van collega’s te verdiepen. -De leden zijn zich bewust van de gevolgen én risico’s van hun handelen, zowel voor de opdrachtgever, de natuur als de maatschappij. -De leden attenderen de opdrachtgever ingeval de uitvoering van een opdracht in strijd wordt geacht met een goede vakuitoefening en zetten zich in om deze strijdigheid op te heffen, of geven de opdracht terug. -De leden aanvaarden alleen een opdracht indien en voor zover zij over voldoende deskundigheid kunnen beschikken om deze opdracht uit te voeren. -De leden hanteren waar nodig het voorzorgsprincipe ten aanzien van effecten op natuur en landschap. -De leden wijzen opdrachtgevers en andere partijen waarmee professionele relaties worden onderhouden, op eventuele strijdigheden van hun gedrag met wet- en regelgeving, met als doel deze strijdigheid op te heffen.

-De leden werken met respect voor de intrinsieke waarde van natuur, in het besef van de complexiteit van natuur en van de relatie maatschappij-natuur. 5

-De leden zijn transparant in hun werk en te allen tijde aanspreekbaar op hun integriteit, zowel voor andere leden, opdrachtgevers als derden die belang hebben bij hun werk. -De leden voeren hun werkzaamheden zo objectief mogelijk, eerlijk en waarheidsgetrouw uit. -De leden dragen bij aan de naleving van wettelijke en maatschappelijke vereisten van ethisch handelen. -De leden laten zich niet beïnvloeden door derde belanghebbenden, anders dan dat zij zich laten overtuigen door wetenschappelijke, wettelijke of maatschappelijke argumenten. -De leden doen slechts uitspraken die wetenschappelijk, juridisch dan wel maatschappelijk zijn te beargumenteren. -De leden gaan misbruik van hun kennis actief tegen. Die Gedragscode laat ruimte voor interpretatie en niet-aangesloten bureaus kunnen de code vanzelfsprekend volledig negeren. Op de website van het Netwerk (www.netwerkgroenebureaus.nl) is na te gaan welke bureaus al dan niet lid zijn.

Een Soorteninventarisatieprotocol voor dassen heeft het Netwerk Groene Bureaus (nog) niet beschikbaar. Dat is geen excuus voor inferieure advisering omdat het interprovinciale Kennisdocument Das (BIJ12, 2017) daarvoor alle aanwijzingen geeft. Bovendien verschijnt voortdurend aanvullende nieuwe informatie via vakliteratuur die iedere ecoloog volgens de Gedragscode (‘houden deskundigheid en vakbekwaamheid op peil’) geacht wordt zich eigen te maken. Dat is overigens ook een reden om het Kennisdocument Das, inmiddels vijf jaar oud, van tijd tot tijd te actualiseren. Idealiter zou je willen dat adviseurs op het gebied van dassen beschikken over de volgende basale kennis:

-De wetgeving die van toepassing is (de Das valt onder Onderdeel A van beschermde soorten van de WNb),

-De eventuele aanwezigheid van dassen en hun territorium in het plangebied en de omgeving van het plangebied,

-De componenten van een territorium zoals het leefgebied dat nodig is ten behoeve van voedsel en rust, alsmede de aanwezigheid van hoofd-, bij-, zomer- en vluchtburchten,

-De vereiste territorium-grootte en de eventuele naburigheid van andere dassenterritoria, 6

-Relaties tussen het dieet van dassen en de vereiste habitatkenmerken,

-Bekendheid met de overwegende bemachtigingswijze van regenwormen (slurpen i.p.v. opgraven),

-Optimaal bodem- en gewasbeheer ten gunste van beschikbare regenwormen,

-De (on)mogelijkheid om territoriumgrenzen te verleggen,

-Signalen op grond waarvan een burcht al dan niet in gebruik is bij dassen,

-Potentiële verstoringsbronnen (auto’s, honden, spelende kinderen, fietsers, crossers, ….),

-Mitigatiemaatregelen (verzachten van negatieve effecten),

-Compensatiemaatregelen (beheerwijzigingen gericht op het produceren van meer of bereikbaarder voedsel),

-De staat van instandhouding van de lokale dassenpopulatie,

-Kennis van al uitgevoerde en nog komend ingrepen in en rond het plangebied,

-Kennis van en toegang tot netwerken met lokale deskundigen.

Aanwezigheid van kennis is overigens geen garantie voor een goede advisering. Een adviseur moet immers ook het vermogen en de bereidheid hebben om die kennis te verwoorden en in zijn advies te betrekken. Aan dit alles blijkt het in de praktijk dikwijls te ontbreken. Te vaak komen adviezen op het volgende neer: ‘dat is geen burcht maar een vluchtpijpje’, ‘dat hol is van een vos’, ‘maak van dat bemeste grasland een bloemenweide’, ‘geen graafsporen, dus geen dassen’, of ‘plant maar wat bessenstruiken’. In het navolgende passeren een aantal van dat soort adviezen de revue.

7

Advisering in de praktijk Bureau 1 In 2012 droeg de toenmalige vergunningverlener, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), gemeente X op om een nieuw leefgebied en een nieuwe burchtlocatie voor de das te scheppen. De RVO eiste dit ter compensatie van de voorgenomen bouw van een nieuwe woonwijk. Daardoor ging een bestaand leefgebied rond een hoofdburcht in X verdwijnen. Bureau 1 stelde namens gemeente X aan de RVO voor om dat nieuwe leefgebied in het nabije Y te realiseren. In antwoord op een expliciete vraag van de RVO gaf de gemeente aan dat op de voorgestelde plek in Y nog geen dassen leven. Bureau 1 had eerder echter aan X gerapporteerd dat in het betreffende gebied in Y een bijburcht aanwezig was die ‘vaak door dassen bezocht werd’. Bureau 1 reduceerde dit richting RVO ten behoeve van de gemeente echter tot een ‘vluchtpijp’. Vervolgens honoreerde de RVO de vergunningsaanvraag voor woningbouw in X. Nog geen twee jaar later bleek die beweerde ‘vluchtpijp’ dan ook ‘veranderd’ in een hoofdburcht met maar liefst 11 pijpen. Aan het vereiste nieuwe leefgebied heette daarmee door gemeente X voldaan te zijn zodat het oude leefgebied volgebouwd kon worden ten koste van de daar levende dassenclan. Volgens de perceelseigenaar in Y wonen er echter al decennialang dassen op haar terrein.

Van het scheppen van een nieuw leefgebied is dus nooit sprake geweest met dank aan Bureau 1 (bronnen: 1-10).

Bureau 2 In 2020 stelde gemeente X voor om een bedrijventerrein in te richten op landbouwgrond bezuiden Y. De vestiging van het bedrijventerrein zal tientallen hectares grasland ontoegankelijk maken voor de dassen uit een nabije kraamburcht. Ondanks het ontbreken van alternatieve foerageermogelijkheden rapporteerde Bureau 2 in opdracht van de gemeente dat de ingreep geen negatief effect heeft op het essentiële leefgebied. Volgens Bureau 2 komen in het plangebied slechts sporadisch dassen voor. Lokale dassenbeschermers legden met hun eigen infrarood camera’s in precies datzelfde gebied in meer dan de helft van de nachten maandenlang dassen vast. De zaak bevindt zich in de beroepsprocedure-fase (bronnen: 11-16).

Bureau 3 In 2019 vroeg gemeente X het Bureau 3 om advies inzake de aanleg van een nieuw parkeerterrein voor Speelpark Y. Bureau 3 ging daarbij voorbij aan rapportages van, onder meer, Staatsbosbeheer waaruit blijkt dat het plangebied essentiëel foerageergebied is van een kraamburcht met circa 15 pijpen. Een veldbezoek door de ‘ecoloog’ van Bureau 3 resulteerde in een rapportage waarin deze 8

burcht, en passant, tot bijburcht bestempeld wordt. Aan de rapportage voegde de ‘ecoloog’ toe dat de hoofdburcht zich vermoedelijk op tientallen kilometers afstand bevindt. Dat dit in volstrekte tegenspraak is met de grootte van de aanwezige burcht en de gebruikelijke doorsnede van een territorium in regio Z (één tot hooguit enkele kilometers), gaf appellanten aanleiding om nadere vragen te stellen aan de ‘ecoloog’ over zijn opleiding. Daarop antwoordde hij zich niet meer te kunnen herinneren waar en wanneer hij gestudeerd had. De zaak bevindt zich in de beroepsprocedure-fase (bron: 17).

Bureau 4 In februari 2021 onderzocht Bureau 4 op verzoek van een projectontwikkelaar de verhuisbaarheid van dassen in gemeente X. Ondanks waarschuwingen van de plaatselijke IVN-afdeling en de Stichting Das&Boom die benadrukten dat februari de werptijd van dassen is, verzekerde Bureau 4 dat van jonge dassen geen sprake zou zijn. Bureau 4 baseerde dit op het feit camerabeelden geen sociale interactie tussen de twee volwassen dassen toonden en er ook geen mestputje was aangetroffen bij de burcht. Dat deze stellingen niet klopten, bleek al gauw. Na het wegvangen van twee volwassen dassen werd de burcht vergraven en kwamen alsnog twee pasgeboren jongen tevoorschijn. Het dassengezin werd overgebracht naar een dierenopvang waar één van de jongen stierf. Op advies van de betrokken ecoloog werden de volwassen dassen overgebracht naar een kunstburcht in gemeente Y. Tot overmaat van ramp bleek deze kunstburcht aangelegd in het territorium van een daar woonachtige dassenfamilie. De zaak is onder de aandacht van de Rechtbank gebracht. De Rechtbank heeft de zaak echter gesloten vanwege het volgens haar ontbrekende procesbelang (bron: 18).

Bureau 5 Vanwege de uitbreiding van bedrijfsterrein Z in X heeft in 2014 een succesvolle verhuizing plaatsgevonden van een dassenfamilie naar een nieuwe hoofdburcht benoorden dit bedrijfsterrein. Gemeente X is thans echter voornemens om 11 hectare graslanden op een afstand van minder dan 200 meter van die hoofdburcht om te zetten in een ‘zonneakker’. Bureau 5 heeft hiertoe in 2021 een natuurtoets uitgevoerd. Omdat hun vier infrarood-camera’s gedurende één week onderzoek maar één das registreerden, concludeerde Bureau 5 dat het plangebied niet van betekenis is voor de desbetreffende dassen. Zij ging daarmee voorbij aan het feit dat recente graafwerkzaamheden vlak bij de burcht juist in die (zeer korte) onderzoeksperiode tot tijdelijke verstoring hadden geleid en droogte het grasland bovendien op datzelfde moment minder geschikt maakte als leverancier van regenwormen. Bureau 5 merkt de omzetting van ‘hoogproductief, bemest en biodiversiteitsarm grasland’ in ‘kruiden- en faunarijk grasland’ op delen van de ‘zonneakker’ bovendien aan als pluspunt

9

voor dassen, terwijl regenwormen juist het talrijkst zijn in bemest cultuurgrasland. Zonder verdere onderbouwing reduceerde Bureau 5 de burcht tot bijburcht en verwees de dassen voor hun voedselvoorziening naar grasland ten westen van het plangebied. Dat zich daar het territorium van een andere dassenfamilie bevindt, ontging Bureau 5. Een WNb-ontheffing is nog niet aangevraagd door de projectontwikkelaar (bronnen: 19-20).

Bureau 6 Onderneming Z wil nieuwe natuur met recreatief medegebruik ontwikkelen. Om het plan te financieren dient binnen het gebied een 18-holes golfbaan met clubhuis aangelegd te worden. Bureau 6 conderbouwde het plan en beweert dat de aanleg van een golfterrein het biotoop voor de resterende dassen verbetert. Ten behoeve van het totale plan zal het agrarisch gebruik echter worden gestaakt op minimaal 80 hectare. Daardoor gaat bemest grasland en maïsland verloren dat vooralsnog voorziet in een deel van het voedsel voor de dassen van minimaal één hoofdburcht. De drukte rondom het nieuwe clubhuis van de golfbaan zal één van de oorspronkelijke hoofdburchten waarschijnlijk degraderen tot bijburcht, aldus Bureau 6. Bureau 6 legde op verzoek van Onderneming Z lijstjes aan van denkbare maatregelen ten gunste van dassen maar kon daarbij niet becijferen of de voedselvoorziening daarmee jaarrond op peil zal blijven. Er ontbreekt namelijk een geborgd integraal inrichtings- en beheerplan, laat staan dat zo’n plan in voorwaardelijke zin deel uitmaakt van het door de gemeente goedgekeurde bestemmingsplan. Voorwaarden beperken zich tot de verplichting een bepaald aantal hectares ‘natuur’ aan te leggen. Bureau 6 verrichtte ook geen cumulatieve toets waarmee de effecten van voorgaande en nog komende ingrepen worden becijferd. Toch kende Provincie Y een WNb-ontheffing toe.

Tegen deze ontheffing en het bestemmingsplan is beroep ingesteld door dassenbeschermende organisaties. Zij zijn in afwachting van de uitspraak door de Raad van State (bronnen: 21-22).

Bureau 7 In 2021 was gemeente X voornemens een vergunning te verlenen die er toe leidde dat op een bestaand weiland in dassenleefgebied een woonhuis kon verrijzen. Bureau 7 voorzag het plan van een ecologische onderbouwing. Kennelijk wist Bureau 7 dat dassen verzot zijn op wormen en had men gehoord dat appels wel eens ‘wormstekig’ kunnen zijn. Hun advies luidde dan ook dat door de aanplant van wat fruitbomen meer ‘wormen’ voor dassen beschikbaar zouden komen. Bureau 7 kent het verschil tussen jaarrond beschikbare regenwormen en tijdelijk beschikbare fruitboomlarven niet. De zaak bevindt zich in de zienswijzeprocedure-fase (bron: 23).

10

Bureau 8 Gemeente X is voornemens toestemming te verlenen voor de aanleg van een zonne-akker van zes hectare op voormalig maïsland. Bureau 8 voorzag het plan in 2021 van een ecologische onderbouwing. De aangetroffen burcht op 250 meter vanaf het plangebied werd als ‘verlaten’ bestempeld terwijl de lokale dassenwerkgroep in diezelfde periode verse graafsporen, prenten, haren en latrines aantrof en fotografeerde. Bureau 8 merkte het plangebied wel aan als ‘zeer geschikt voor dassen’ maar stelde desondanks voor om het niet door panelen bedekte deel van de zonneakker te verschralen en als bloemrijk beheergrasland in te richten. Kennelijk ontging het Bureau 8 dat dassen daar weinig van hun gading kunnen bemachtigen. De zaak bevindt zich in de zienswijzeprocedure-fase (bron: 24).

Bureau 9 Landgoed Y te X bezit een WNb-ontheffing om het recreatieve medegebruik van het landgoed te vergroten ten behoeve van het financiële draagvlak. Tegen deze ontheffing is beroep ingesteld door Stichting Z. Aanleiding is de aanwezigheid van een kraamburcht met 7 pijpen die circa 100 meter van het plangebied verwijderd is en op slechts 200 m afstand van cultuurgrasland in het plangebied. Deze burcht bestaat vanaf minimaal 2018, zoals aangegeven in het beroepschrift van de Stichting Z. In opdracht van de ontheffinghouder heeft Bureau 9 een verweerschrift helpen onderbouwen. In het desbetreffende rapport geeft Bureau 9 expliciet aan het beroepschrift van de Stichting Z te hebben ontvangen. Op basis van die mededeling staat Stichting Z op het standpunt dat Bureau 9 wetenschap had (kunnen hebben) van de nabije hoofdburcht. Desondanks heeft Bureau 9 geen melding gemaakt van deze burcht nabij het plangebied. De zaak bevindt zich in de beroepsprocedure-fase (bronnen: 25-27).

Bureau 10 Binnen Universiteit X, afdeling Y, houden Z et al. zich bezig met biodiversiteitsversterking in en rondom velden met zonnepanelen, zogenaamde zonneakkers, zonneparken of zonneweides. Rapporten van deze groep worden met enthousiasme geciteerd door initiatiefnemers die dergelijke zonneparken, omwille van draagvlak van biodiversere paden en randen voorzien. Afdeling Y dat de omstandigheden onder de panelen ongunstig kunnen zijn voor regenwormen. Desondanks beweert één van hun rapporten dat ‘sporen van de das werden waargenomen in zonneparken’ (aldus Z et al., 2019). De referenties in het rapport waarop deze bewering zegt te stoelen, geven echter aan dat er slechts sporen van dassen náást zonneparken gezien zijn. Daar is het ongunstige effect op 11

regenwormen (Kok et al., 2017; Rutgers, 2020; Schotman et al., 2021) en, bijgevolg, de beperktere voedselbeschikbaarheid voor dassen vanzelfsprekend niet aan de orde. Zelfs als zou worden aangetoond dat zonnepanelen niet van invloed zijn op de beschikbaarheid van regenwormen, hoofdvoedsel van de das, is het de vraag of dassen zich überhaupt onder en tussen panelen durven te begeven. Dit is tot dusver nog nooit aangetoond. Oppervlakkige lezers, waaronder in elk geval ecologisch Bureau 8, kunnen onder verwijzing naar de onzorgvuldige bewoordingen van Z et al., ten onrechte beweren dat de aanleg van zonneparken en dassen elkaar niet in de weg zitten (bron: 28).

Bureau 11 In 2018 voerde Bureau 11 een natuurtoets uit ten behoeve van de aanleg van zonnepark Z in regio Y benoorden X. Het plangebied bestaat uit 20 hectare bemest grasland en wordt doorsneden met enkele boomsingels. In het desbetreffende rapport wordt gemeld dat dassen in het verleden zijn waargenomen nabij het plangebied maar dat tijdens een veldbezoek geen sporen van dassen werden gezien. Dat betekent dat een bezette dassenburcht in één van de singels, nota bene midden in het plangebied en bekend bij Stichting Das&Boom, door Bureau 11 over het hoofd is gezien. Door deze slordigheid kon Bureau 11 concluderen dat ‘het zonnepark met zekerheid geen negatieve effecten zou hebben’. Het bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk (bron: 29).

Bureau 12 In verband met de aanleg van een nieuw hoogspanningsstation in X is Y voornemens om een aantal kabels aan te leggen. Y heeft Bureau 12 gevraagd de effecten van deze aanleg in kaart te brengen. De beoogde kabelsleuf zal zich op minder dan tweeeneenhalve meter afstand van een bezette hoofdburcht met 7 belopen pijpen bevinden. Bureau 12 beaamde dat dit tot verstoring en zelfs instorting van de burcht kan leiden maar adviseert Y om desondanks een WNb-ontheffing aan te vragen bij de provincie. Bureau 12 rept met geen woord over het feit dat de kabelsleuf ook op ruim 100 meter vanaf de hoofdburcht aan de overzijde van een akker kan worden gesitueerd. Een WNbontheffing is nog niet verleend door Provincie Z (bron: 30).

Bureau 13 De eigenaar van een graslandperceel in X wil daarop een huis, tuin en oprit aanleggen ter grootte van circa 165 m2. Bureau 13 bracht drie veldbezoeken aan het terrein en nam behalve een wissel en snuitputjes in het bos vlak naast het grasland ook één belopen dassenpijp waar. Tien meter verder in datzelfde bos bevindt zich een hoofdburcht met acht belopen pijpen. Bureau 13 besteedt hieraan geen woord en stelt in de onderbouwing van de WNb-ontheffing dat ‘de bouw van de woning in het 12

belang van flora en fauna is’ omdat de eigenaar van het grasland een dierenliefhebber is. Vanzelfsprekend is er weer de bekende bereidheid om wat bessenstruiken aan te planten in de aanstaande voortuin. En passant, schat Bureau 13 het functionele leefgebied van een das op slechts 0,9 hectare, ter bevestiging van hun onkunde. Het plan bevindt zich in de beroepsprocedure fase (bron: 31).

Bureau 14 Op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voerde Bureau 14 in 2016 onderzoek uit naar effecten van wegen op de natuur rond X. Aanleiding hiertoe vormde het voornemen om de wegenstructuur rond die stad te optimaliseren. Het natuuronderzoek had onder meer betrekking op het nabijgelegen landgoed Z. Bureau 14 vond het onnodig om in dat kader contact te zoeken met de beheerder van het landgoed. Als gevolg daarvan kon de bewoonde dassenburcht in de eindrapportage onvermeld blijven. Het Ministerie achtte het niet haar taak om zich van de juistheid van de gevolgde onderzoeksmethode te vergewissen en voer blindelings op de bevindingen van Bureau 14. Het tracébesluit staat vast (bronnen: 32-33).

Bureau 15 Speelpark Y wil haar aantal attractietoestellen en ook parkeervoorzieningen uitbreiden. De Raad van State schorste het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan vanwege ondeugdelijk natuuronderzoek. Ter reparatie van het bestemmingsplan deed Bureau 15 in 2021 nieuw onderzoek in opdracht van gemeente X. Dat onderzoek richtte zich onder meer op de effecten van de aanleg van een parkeerterrein van ruim 11.000 m2 op 90 meter afstand van een kraamburcht. Dit parkeerterrein mag gedurende 70 dagen per jaar tot na zonsondergang gebruikt worden. In de betreffende studie woog Bureau 15 geen locatiealternatieven tegen elkaar af. Bureau 15 achtte het verstorende effect van parkerende auto’s op de burcht te voorkomen met aangepaste verlichting, een hek en een begroeide grondwal van 1 meter hoogte. Bureau 15 erkende dat het op te offeren terrein tot

het

foerageergebied van de

kraamburcht

behoort, maar ziet

voldoende

foerageergebieden in de omgeving over blijven. Door het hek rond het parkeerterrein passeerbaar te maken, kunnen dassen volgens Bureau 15 bovendien ook ‘op de parkeerplaats foerageren’. Het parkeerterrein ligt binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De wettelijk noodzakelijke compensatie van dit verlies acht Bureau 15 te kunnen realiseren met een perceel dat indertijd uit het NNN geëxclaveerd omdat het eigendom van het speelpark is, ook al is dit perceel de facto al natuur en in praktische zin geen compensatie. De gemeenteraad stemde inmiddels in met

13

het nieuwe bestemmingsplan. Het plan staat nu open voor beroep bij de Raad van State (bronnen: 26-27, 34-35).

Discussie Slechte adviezen De voorgaande paragraaf illustreert aan de hand van vijftien willekeurige voorbeelden dat de kwaliteit van adviezen van ecologische bureaus tekort kan schieten. Vijf van hen zijn aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. Zij in het bijzonder worden geacht zich aan de Gedragscode te houden en hun kwaliteit zo te waarborgen. Gebrek aan kwaliteit en betrouwbaarheid van ecologische adviesbureaus is overigens ook door anderen nadrukkelijk onder de aandacht gebracht (De Vries, 2019; Toets, 2019; Schohaus & Sys, 2020). ‘Ecologie’ is zo’n breed begrip dat het voor veel adviesbureaus klaarblijkelijk onmogelijk is om overal verstand van te hebben. Dat weerhoudt hen niet om bepaalde opdrachten toch aan te nemen. Wie daar bij optelt dat dassen in een aantal opzichten kritisch en veeleisend zijn (Roper, 2010; Van Bommel et al, 2015; Schröder & Vink, 2022), begrijpt dat adviesbureaus de plank flink mis kunnen slaan. De voor kenners onmiskenbare sporen van dassen blijven daardoor onopgemerkt of worden als die van vossen bestempeld, bijburchten of vluchtpijpen worden gezien als rariteiten die los staan van een territorium, en de aanleg van een boomgaard of bloemenweide wordt gepresenteerd als een alternatief voor een regenwormrijk cultuurgrasland. In veel gevallen zal het daarbij om pure onwetendheid gaan.

Soms echter is opzettelijke kleuring of zelfs misleiding aan de orde om opdrachtgevers te plezieren en hen als klant te behouden (De Vries, 2019; Toets, 2019; Schohaus & Sys, 2020). Een adviesbureau dat een plan vanwege een te grote impact op dassen ontraadt, zal immers niet snel een nieuwe opdracht toegekend krijgen. Een plicht om ieder advies aan externe deskundigen voor te leggen, vergelijkbaar met de Commissie MER in het geval van MER-plichtige plannen, bestaat voor ‘kleine’ ingrepen niet. Wel geeft het interprovinciale Kennisdocument Das (BIJ12, 2017) aan ecologische adviesbureaus nadrukkelijk in overweging om aanvullende informatie in te winnen bij Stichting Das&Boom. Dit gebeurt in de praktijk echter zelden en dat geeft op zichzelf al te denken. Overigens bevindt zich een aantal van de in deze notitie gegeven voorbeelden nog onder de rechter. De komende maanden zal blijken wie aan het langste eind trekt.

Ongecontroleerde mitigatie en compensatie Daar waar ecologische bureaus oprecht beogen om schade aan dassen via maatregelen te beperken of te compenseren, laten hun adviezen toch ook vaak te wensen over. Die tekortkomingen laten zich karakteriseren met onbeantwoorde ‘wat-, wie-, waar-, hoe-, en wanneer-vragen’. Bij onduidelijke 14

antwoorden op deze vragen (of op zijn minst het ontbreken van een signaal vanuit de adviesbureaus dat deze vragen op enig moment glasheldere antwoorden behoeven alvorens een plan doorgang kan vinden), bestaat een dikke kans dat van de maatregelen weinig terecht komt en dassen hiervan uiteindelijk slachtoffer worden. Een goed advies dient namelijk te beschrijven wát de maatregelen inhouden en op welke wijze deze de dassen ten goede beogen te komen. Ook moet beschreven worden wáár en hóe de maatregelen worden uitgevoerd en wíe verantwoordelijk is voor zowel de uitvoering als de financiering. Tenslotte moet vastgelegd worden wannéér de maatregelen dienen te worden uitgevoerd en wanneer de maatregelen voldoende effectief geacht mogen worden om de nadelige ingreep (die immers aanleiding vormt voor de maatregelen) te mogen aanvangen. De antwoorden op de ‘wat-, wie-, waar-, hoe-, en wanneer-vragen’ moeten zich niet beperken tot de inrichtingsfase. Ze moeten zich ook uitstrekken tot de beheerfase nadien. Het toezicht op een juiste uitvoering van maatregelen schiet al vaak tekort in de inrichtingsfase maar in de beheerfase is de kans daarop nog groter. Beide fases moeten dan ook voorzien worden van monitoringsplan en afspraken om, waar nodig, op basis van die monitoring bij te sturen in de gewenste richting.

Bij een aantal provincies ontbreekt overigens een nauwkeurige administratie van compensaties. Daardoor kan het gebeuren dat eenzelfde compensatiegebied meer dan één keer wordt opgevoerd voor meerdere ruimtelijke ingrepen of dat de controle op een juiste uitvoering ontbreekt.

Gebrekkige cumulatie In beginsel wordt adviesbureaus doorgaans gevraagd om niet meer dan de effecten van een specifieke ingreep te beoordelen. Als zo’n ingreep het foerageergebied van dassen verkleint, lijkt een becijfering van het aantal verloren hectares te kunnen volstaan. Die verloren oppervlakte wordt vervolgens vergeleken met de gebruikelijke omvang van een dassenterritorium: circa 100 hectare. Rechters trekken dan al gauw de conclusie dat er voldoende foerageergebied overblijft en dassenbeschermers in de betreffende procedure dus muggen ziften. Toch zou het van vakkundigheid getuigen als ecologische adviesbureaus ook onder de aandacht brengen dat het cumulatieve effect van meerdere kleine, opeenvolgende ingrepen de overlevingskans van dassen op langere termijn wel degelijk kan schaden. Dat is in het bijzonder het geval als de geleidelijke verkleining van het leefgebied betrekking heeft op primair foerageergebied, te weten cultuurgrasland. Pas als mitigerende maatregelen niet volstaan en een Passende Beoordeling WNb nodig is, is een cumulatieve toets wettelijk vereist. Maar ook dan is het ter beoordeling van de ecologische adviesbureaus op welke ruimtelijke en temporele schaal die cumulatie door hen wordt uitgevoerd.

Voorgaande en nog komende reducties van het leefgebied kunnen zo buiten beeld gehouden worden terwijl het de optelsom van ingrepen is die een dassenclan uiteindelijk fataal kan zijn.

15

Geen plaag maar herstel Voor de das bestaat geen formele herstelopgave meer. Ecologische adviesbureaus laten dikwijls niet na te wijzen op de huidige ‘gunstige’ en op zijn minst ‘verbeterde’ staat van instandhouding van de das in Nederland. Er zijn namelijk weer 5.000-6.000 dassen, aanzienlijk meer dan de 1.200-1.500 dieren die rond de jaren 80 van de vorige eeuw resteerden. Daarmee is de toon gezet en worden geesten rijp gemaakt om over kleine negatieve effecten heen te stappen. Echter, niet overal in Nederland gaat het goed met de das. Zo daalde het aantal bewoonde burchten op de Centrale Veluwe tussen 1995 en 2020 met 42 procent (Vink & Schröder, 2021) en stagneert het herstel in de Gelderse Achterhoek en delen van Limburg. In gebieden waar wel groei van het aantal dassen plaatsvindt, is bovendien even vaak sprake van opkrabbelen uit een diep dal als van kolonisatie van maagdelijk gebied. Suggesties als zou hier en daar sprake zijn van een nieuwe plaagsoort zijn dan ook grotesk.

Conclusie De kwaliteit van adviezen van ecologische bureaus laat soms ernstig te wensen over blijkens een vijftiental voorbeelden. Deze lijst van genoemde voorbeelden is zonder twijfel niet uitputtend. Dat impliceert dat een advies van niet-genoemde ecologische bureaus net zo discutabel kan zijn. Vandaar de anonimisering van bureaunamen en bronnen. Omgekeerd komt het ook voor dat de hier welgenoemde bureaus in andere gevallen adviezen geven die wel adequaat zijn. De tekortschietende adviezen vloeien voort uit onvoldoende ecologische kennis van dassen bij de betrokken bureaumedewerkers maar soms ook uit bewuste misleiding. Als gevolg daarvan worden adviezen onbetrouwbaar. Vergunningverleners en rechters zouden dit vaker in hun overwegingen moeten betrekken en daarom contra-experts raadplegen. Ook zou van ecologische bureaus verlangd moeten worden dat zij voorafgaand aan hun adviezen aantoonbaar contact zoeken met lokale dassendeskundigen. Hun namen zijn bekend bij de Stichting Das&Boom. Dat is overigens precies wat het interprovinciale Kennisdocument Das oppert.

Literatuur ABRVS,

2022.

Uitspraken

Afdeling

Bestuursrecht

Raad

van

State,

(https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@125948/201903159-1-r2/; https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@128661/202105952-1-r4/ ). BIJ12, 2017. Kennisdocument Das. BIJ12 Samenwerkende Provincies, Utrecht, 43 pp.

16

‘s-Gravenhage

De Vries, M., 2019. Wie betaalt, bepaalt. https://www.trouw.nl/opinie/wie-betaalt-bepaalt-vandaardat-milieueffectrapportages-vol-drogredenen-staan~bf513f58/ Infomil, 2019. Milieueffect Rapportage-scan https://forms.infomil.nl/formulieren/mer-scan IVN Roermond, 2021. Provincie en Mulleners Vastgoed liegen in Roermondse dassenkwestie; https://www.ivn.nl/afdeling/roermond-eo/nieuws/provincie-en-mulleners-vastgoed-liegenin-roermondse-dassenkwestie Kok, L., N. van Eekeren, W.H. van der Putten et al., 2017. Zonneparken en bodemafdekking: tradeoffs of win-win bij energieopwekking en bodemfuncties? Bodem 27(4), 18-21. Roper, T.J., 2010. Badger. Collins, London, United Kingdom. Rutgers, M., 2020. Grote grondgebonden zonneparken beïnvloeden de bodem en het bodemleven. RIVM, Bilthoven, https://www.atlasleefomgeving.nl/nieuws/grote-grondgebondenzonneparken-beinvloeden-bodem-en-bodemleven Schohaus, B. & M. Sys, 2020. Intellectuele prostitutie in de milieuwereld. Follow The Money 1 augustus

2020.

https://www.ftm.nl/artikelen/intellectuele-prostitutie-

milieuadvies?share=f4JLe2a73Af9YqGToEQK2tJed%2FS5ebT8Vz1uZhJAvGcnkfrn4jbRfzaucM aNupk%3D Schotman, A., F. van der Zee, G. Hazeu, J. Bloem, J. Sluijsmans & M. Vittek, 2021. Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland. Rapport 3061, Wageningen URWenR, Wageningen, 111 pp. Schröder, J.J. & J. Vink, 2022. Dassen en de beschikbaarheid van regenwormen. De Levende Natuur 1, 28-31. Toets, 2019. MER vereist meer objectiviteit en deskundigheid. https://www.toets-online.nl/mervereist-meer-objectiviteit-en-deskundigheid Van Amerongen, N.H. & R. Kegge, 2019. De Gedragscode voor deskundigen in het Omgevingsrecht: een oplossing voor gedragsproblemen bij deskundingen? Tijdschrift voor Bouwrecht 2019/30, 186-198. Van Bommel, F., S. Vreugdenhil & M. La Haye, 2015. De Das. KNNV Uitgeverij, Zeist, 135 pp. Vink, J. & J.J. Schröder, 2021. Decline of the number of occupied badger (Meles meles) setts in the Veluwe region (The Netherlands) and its possible causes. Lutra 64: 5-18.

17

Over de schrijver Dr. ir. Jaap J. Schröder (1957) woont sinds 1976 met een onderbreking van zes jaar op de Veluwe. Met de jaren raakte hij verknocht aan het gebied en vooral aan het ‘wild’ op en rond zijn woonplaats Harderwijk. Tussen 1983 en 2019 is hij werkzaam geweest als agro-ecoloog bij Wageningen Universiteit en Research (en voorlopers van WUR) waar hij zich bezig gehouden heeft met de raakvlakken tussen landbouw, milieu en natuur. Hij publiceerde daarover veelvuldig in wetenschappelijke en populaire tijdschriften en doet nog steeds. Hij is erelid van de Vogelbeschermingswacht Noord-Veluwe (www.vbwnoordveluwe.nl ) en was daarvan ruim 25 jaar bestuurslid. Hij is voorzitter van de Stichting Valouwe Natuur (www.valouwenatuur.jouwweb.nl ). Met anderen binnen de Vogelbeschermingswacht en Valouwe Natuur is hij betrokken bij natuurbescherming en dan met name in relatie tot planologische ontwikkelingen. Daarvoor ontvingen zij in 2018 de Bird Life International Award uit handen van Vogelbescherming Nederland. Jaap Schröder richt zich niet alleen op de bescherming van vogels maar ook op die van zoogdieren. In dat kader verricht hij jaarlijks inventarisaties van een dertigtal dassenburchten op de NoordwestVeluwe in samenwerking met Stichting Das&Boom.

18

Dassenleefgebied en de wet -versie juni 2024-

Gezamenlijke dassenwerkgroepen in Nederland Juni 2024

Colofon Dit document ‘Dassenleefgebied en de wet, versie juni 2024 is tot stand gekomen in een samenwerking van de volgende organisaties:

Stichting Valouwe Natuur Stichting Dassenwerkgroep Utrecht-’t Gooi Stichting Dassenwerkgroep Limburg Dassenwerkgroep Salland Stichting Das en Boom

Het is een verbeterde versie van het document van april en oktober 2023. Die oudere versies vervallen hiermee. Ook voor het huidige document geldt dat suggesties voor verbeteringen en aanvullingen welkom zijn. Die suggesties kunnen gericht worden aan Stichting Valouwe Natuur (zie paragraaf 10 voor contactgegevens). Deze zal de suggesties verzamelen en van tijd tot tijd voorleggen aan bovengenoemde organisaties waarna gezamenlijk besloten zal worden of het document aanpassingen behoeft. De aldus aangepaste versies zullen de organisaties onder de aandacht brengen van, onder meer, BIJ12 zodat die er hun voordeel mee kan doen iedere keer als zij het BIJ12-Kennisdocument Das actualiseren.

Jaap Schröder en Ton Meijer

Inhoud 1.

Inleiding ............................................................................................................................... 1

2.

Ecologie van de Das............................................................................................................... 2

3.

Staat van instandhouding ...................................................................................................... 4

4.

Wettelijke bescherming ........................................................................................................ 5 4.1 Oorsprong van beschermde status van de Das ............................................................................. 5 4.2 Omgevingswet en ecologische interpretatie ................................................................................. 6 4.3 Essentieel leefgebied ..................................................................................................................... 9

5.

Vereiste deskundigheid ....................................................................................................... 11

6.

Ingrepen in territoria en vereiste maatregelen ..................................................................... 14 6.1 Territorium................................................................................................................................... 14 6.2 Kwaliteit van leefgebied .............................................................................................................. 15 6.3 Compensatie ................................................................................................................................ 18 6.4 Mitigatie ...................................................................................................................................... 26 6.5 Verhuizing .................................................................................................................................... 27

7.

Checklist voor ecologische bureaus en aanvragers van een Vergunning ................................ 28

8.

Handhaving ........................................................................................................................ 29

9.

Schade door dassen en vergoeding ...................................................................................... 30

10.

Contacten ....................................................................................................................... 31

11.

Referenties ..................................................................................................................... 32

1. Inleiding Om dassen beter te beschermen brachten de gezamenlijke provincies in 2017 een Kennisdocument Das 1.0 uit (BIJ12, 2017) als opvolger van de Soortenstandaard Das van de Dienst Landelijk Gebied uit 2012 (DLG, 2012). In deze documenten staat de wettelijke bescherming van de Das centraal. Ze bieden de lezer inzicht in de wijze waarop menselijke handelingen in strijd kunnen zijn met de wet. Daarnaast wordt advies gegeven voor het aanpassen van de handelingen om strijdigheid met de wet te voorkomen, bijvoorbeeld door het nemen van mitigerende (verzachtende) of compenserende maatregelen. De documenten zijn vooral bestemd voor de makers van ruimtelijke plannen en overheidsorganen die de wet moeten handhaven. In die documenten wordt ook ingegaan op de ecologie van de Das en het type onderzoek dat nodig is om de effecten van negatieve ingrepen te kunnen bepalen. De schrijvers van bovengenoemde documenten lieten zich indertijd adviseren door dassendeskundigen. Inmiddels is zeven jaar ervaring opgedaan met het Kennisdocument Das 1.0. Daarbij zijn dassendeskundigen tegen een aantal tekortkomingen en verbeterpunten aangelopen. De BIJ12-organisatie heeft hen laten weten dat er voorlopig geen voornemen bestaat om het Kennisdocument Das 1.0 te actualiseren. Daarom heeft een aantal van hen besloten om zelf een nieuw document te schrijven. Dat treft u hierbij aan.

Om de wet- en regelgeving goed te begrijpen, effecten van ruimtelijke ingrepen te doorgronden en te overzien of beschermingsmaatregelen nodig zijn en onder welke voorwaarden die werken, begint dit document met een korte beschrijving van de ecologie van de Das. Het document is bestemd voor ieder die betrokken is bij de wettelijke bescherming van de Das bij ingrepen in dassenleefgebied

1

2. Ecologie van de Das Dassen (Meles meles) behoren tot de marterachtigen en zijn met hun lengte tot wel 100 cm relatief groot. Als uitgesproken nachtdieren oriënteren ze zich vooral op hun reuk en gehoor en in veel mindere mate op zicht. Lange nagels en krachtige poten stellen hen in staat om zelf een ondergronds hol (‘burcht’) te graven waarin ze overdag verblijven, doorgaans in familieverband. Een familie (‘clan’) bestaat uit een paar tot soms wel meer dan tien volwassen dassen, al dan niet met jongen (meestal 2-3 jongen per bevallen vrouwtje) en/of dieren die in het voorgaande jaar zijn geboren (‘jaarlingen’). Bewoning van een burcht door een solitaire Das komt echter ook voor. Dassen kunnen het gehele jaar paren met een piek na de bevalling in februari. De innesteling van bevruchte eitjes vindt, ongeacht het moment van paring, plaats in december. De jongen worden twaalf weken gezoogd en komen tussen eind april en begin mei voor het eerst bovengronds. Dassen zijn territoriaal. Een territorium bevat de volgende componenten: foerageergebied waarin voldoende voedsel kan worden verzameld, rustgebied ten behoeve van gedragingen rond en in de burcht (spelen, uitrusten, uitwisseling van geuren, schonen van de vacht, strooisel verzamelen, voortplanting, werpen, zorg voor jongen) en migratieroutes tussen foerageergebieden en burchten.

Om onbezette gebieden te kunnen (her)bevolken, zijn er bovendien dispersiegebieden nodig waarlangs dassen zich ook buiten hun territorium veilig kunnen verplaatsen. Dassen zijn in beginsel trouw aan hun burcht. Burchten zijn daarom vaak tientallen jaren tot meer dan een eeuw achtereen in gebruik. Dat betekent dat zij bij ernstige verstoringen of verkleining van het leefgebied lang stand houden voordat de laatste dieren de burcht verlaten of ten onder gaan aan voedselgebrek. Paragraaf 6 gaat nader in op de grootte, vorm en inrichting van een territorium. Voor nu volstaat te weten dat zich vaak in het midden van een territorium de belangrijkste burcht (‘hoofdburcht’) bevindt. Die burcht bestaat meestal uit diverse ingangen (‘pijpen’), tunnels en kamers die bekleed zijn met droog plantmateriaal (‘beddengoed’). In zo’n hoofdburcht bevinden dassen zich het grootste deel van het jaar en worden eventuele jongen geboren (dan ‘kraamburcht’). Een territorium kan daarnaast één of meer bijburchten bevatten. Die zijn minder omvangrijk en worden tijdelijk bewoond als zich in de buurt van die bijburcht, bijvoorbeeld, een tijdelijke voedselbron bevindt of als zich familiaire spanningen in de clan voordoen. Beer of zeug betrekken dan tijdelijk die bijburcht. Een bijburcht dient ook wel als tijdelijke verblijfplaats van waaruit de zeug de jongen het territorium leert verkennen.

Het is soms niet helemaal duidelijk wat de hoofdburcht en wat de bijburcht is. Dan wisselt de keuze tussen beide per jaar en is het woord ‘wisselburcht’ op zijn plaats. Daarnaast kunnen zich verspreid door het territorium ook nog eenvoudige vluchtpijpen bevinden. Hoofd- en bijburchten hebben soms medebewoners zoals vossen en konijnen. Burchten worden vrijwel altijd aangelegd op goed ontwaterde droge plekken met voldoende dekking. Niet alleen beboste hoogten in het terrein of hellingen voldoen daaraan maar ook begroeide taluds van viaducten en (spoor)dijken. In een enkel geval bevindt de burcht zich in vlak en open land (heide, grasland). Bij een heel ondiepe grondwaterstand nemen dassen hun toevlucht soms zelfs tot een takkenhoop of de ruimte onder een vloer. Hoofdburchten, bijburchten en voedselgebieden staan in verbinding met elkaar via smalle maar vaak goed te herkennen vaste looproutes (‘wissels’). Die routes lopen bij voorkeur langs dekking biedende begroeiingen.

2

Omdat het voorkeursmenu van dassen in Nederland doorgaans voor meer dan 50% (range: 30-70%) uit regenwormen bestaat (Neal, 1986; Kruuk, 1989; Roper, 2010; Van Bommel et al., 2015; Macdonald & Newman, 2022) en deze vooral in vochtige en voedselrijke (lees: bemeste) terreinen aanwezig zijn, liggen hoofdburchten vaak in bosranden of houtwallen naast dergelijke terreinen. Per nacht kan een das tot wel 800 gram aan regenwormen verorberen, overeenkomend met honderden exemplaren. Behalve regenwormen eten dassen ook maïs- en graankorrels (range: 20-50% volgens Neal, 1986; Kruuk, 1989; Roper, 2010; Van Bommel et al., 2015; Macdonald & Newman, 2022), volwassen insecten en larven (engerlingen, emelten, hommel- en wespenbroed), slakken en, in beperkte mate, jonge konijnen en muizen, egels en amfibieën. Daarnaast eten dassen (val)fruit, bessen, noten en paddenstoelen. In tegenstelling tot regenwormen en insectenlarven zijn die net als maïs- en graankorrels maar in een klein deel van het jaar beschikbaar. Hoe dan ook vormen regenwormen daarom het stapelvoedsel. Deze gedijen het beste in onbewerkte vochtige grond met een hoge jaarlijkse aanvoer van organische stof in de vorm van gewasresten en dierlijke mest. Aan die eisen wordt het beste voldaan in bemest blijvend grasland (Schröder, 2024).

Om in korte tijd zoveel mogelijk regenwormen te bemachtigen, is het efficiënter om deze op te slurpen dan op te graven. Daarom eten dassen vooral anecische regenwormen (‘pendelaars’) en epigeïsche regenwormen (‘strooiselbewoners’). Dat soort wormen komt in milde nachten namelijk bovengronds om organisch materiaal hun wormgangen in te trekken. Dassen verliezen dan geen tijd aan graven. Opslurpen lukt het best in korte grasstoppels (< 5 cm) en niet in ruige vegetaties. Deze manier van bemachtigen heeft tot gevolg dat het gebruik van graslanden door dassen ‘onzichtbaar’ blijft en niet per se tot graafsporen (‘snuitputjes’ of ‘wroetplekjes’) leidt. Meer details over de ecologie van de Das zijn na te zien in Kruuk (1989), Neal (1986), Dirkmaat (1988), Neal & Cheeseman (1995), Roper (2010), Van Bommel et al. (2015) en MacDonald & Newman (2022). Op het internet vormt www.dassenwerkgroepbrabant.nl de meest uitgebreide Nederlandstalige informatiebron over, onder meer, de ecologie van de Das.

3

3. Staat van instandhouding Rond 1900 werd de dassenpopulatie in Nederland op 12.000 dieren geschat. Rond 1980 was de stand in gedaald tot zo’n 1.200 dieren. Door een betere wettelijke bescherming, herintroducties en vooral verkeersmaatregelen in de vorm van faunapassages, ecoducten en geleidingsrasters, is stand op dit moment gestegen naar circa 6.000-7.000 dassen. Dat herstel lukt niet in alle regio’s even goed. Hier en daar vindt zelfs krimp plaats (b.v. Vink & Schröder, 2021; La Haye & Van Norren, 2022), al dan niet ten gevolge van een opeenvolgende reeks zeer droge zomers (Vink & Schröder, 2022b). De grootste bedreiging voor de Das is nog altijd het verkeer. Jaarlijks komt circa 20% van de dassen door aanrijding om het leven. De das wordt ook bedreigd door het verlies aan leefgebied als gevolg van verstening en intensiever landgebruik. Hier en daar eist ook illegale jacht of opzettelijke vergiftiging zijn tol. Nu het gevecht om de ruimte steeds feller wordt en ook dassen ruimtelijke ingrepen of een verandering in het landgebruik in de weg kunnen staan, valt niet uit te sluiten dat meer mensen de verleiding niet kunnen weerstaan om dassen opnieuw te weren, te verstoren of zelfs te doden. Van de belangrijkste natuurlijke vijand, de Wolf, hadden dassen tot voor kort niets te vrezen. Vanaf 2018 keerde de Wolf echter in Nederland terug.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=0b60c074-e79e-407c-bc58-638b29342bf9