01. Beantwoording technische vragen van Hart voor Hilversum over Buurtenergieplan de meent
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen voor de Duurzaamheid en bereikbaarheid van woensdag 21 januari agendapunt 6. Vragen van Aan wethouder Over
: Hart voor Hilversum : B. Heller : Buurtenergieplan Hilversumse Meent PAW
De fractie Hart voor Hilversum heeft de volgende technische vragen over het Buurtenergieplan Hilversumse Meent PAW Over schaal en groei Vraag: Wat is de minimale en maximale schaal (aantal woningen) waarop een bronnet technisch én economisch goed functioneert in deze wijk? Vraag: Wat gebeurt er technisch en economisch als een straatproject start met 50% deelname, maar daarna niet of slechts beperkt doorgroeit? Vraag: Wie draagt het risico als de verwachte groei uitblijft: bewoners, warmtebedrijf of gemeente? Over uitval Vraag: Wat is het ‘’terugval -scenario’’ bij langdurige storing van een bronnet of warmtepomp? Vraag: Zijn noodvoorzieningen onderdeel van het contract met warmtebedrijven? Over levensduur Vraag: Wat is de verwachte levensduur van bronnetten, leidingen en warmtepompen bij dit buurtenergieplan, en wie draagt het vervangingsrisico? Vraag: Hoe worden bewoners beschermd tegen stijgende kosten bij de herinvesteringen na afloop van de levensduur? Antwoord -penvoerder is: Peter Schoeman +31356292566 De fractie Hart voor Hilversum heeft zeven technische vragen gesteld over het Buurtenergieplan Hilversumse Meent PAW. De vragen en beantwoording staan hieronder weergegeven: Vraag 1.
Wat is de minimale en maximale schaal (aantal woningen) waarop een bronnet technisch én economisch goed functioneert in deze wijk? Antwoord: Op p.21 en p.22 worden de verschillende schaalgroottes toegelicht. Het minimum is hoger bij corporatiebezit, daar wordt gekozen voor een schaal van minimaal
250 woningen. Dat heeft te maken met i.v.m. de WIS subsidie (zie p.29), schaalvoordeel en samenwerking met één warmtebedrijf voor corporaties (zie p.21). Aanleg is per groep van ongeveer 60 woningen (zie p.22). Bij het aaneengesloten particulier bezit is het minimum 20 woningen, zie het voorbeeld van de Mossenmeent (p.25) Vraag 2. Wat gebeurt er technisch en economisch als een straatproject start met 50% deelname, maar daarna niet of slechts beperkt doorgroeit? Antwoord: Indien een straatproject niet of beperkt doorgroeit, ondervinden reeds aangesloten bewoners daar geen nadeel van in technische of economische zin. De gemeente ondervindt geen nadeel omdat de bronnetten per straat aangelegd worden door warmtebedrijven, het risico van doorgroei ligt bij warmtebedrijven. Vraag 3. Wie draagt het risico als de verwachte groei uitblijft: bewoners, warmtebedrijf of gemeente? Antwoord: Zie hierboven, risico van doorgroei ligt bij warmtebedrijven. Het warmtebedrijf draagt risico, er zijn reeds kosten gemaakt voor ontwikkelen van het aanbod, het ontwerp en de aanleg van het bronnet. Voor aanleg kunnen warmtebedrijven PAW-subsidie ontvangen om het bronnet alvast voor woningen aan te leggen die dan later kunnen aansluiten (p.21). Vraag 4.
Wat is het ‘’terugval -scenario’’ bij langdurige storing van een bronnet of warmtepomp? Antwoord: Het project werkt met ervaren warmtebedrijven die een totaaloplossing aanbieden inclusief service en onderhoud (p.24). De warmtebedrijven hebben op afstand zicht op zowel het bronnet als de warmtepomp en kunnen de oorzaak van de storing dan achterhalen. Afhankelijk van de oorzaak van de storing wordt dan naar oplossingen gezocht. Als er een probleem is met de bron kan deze gerepareerd of vervangen worden. Als er een probleem met de warmtepomp is, kan deze gerepareerd of vervangen worden. Vraag 5. Zijn noodvoorzieningen onderdeel van het contract met warmtebedrijven? Antwoord: Het is de verantwoordelijkheid van het warmtebedrijf om service te leveren aan bewoners in geval van storing. Bij huurders geldt dat er naast het contract voor bewoners ook prestatieafspraken met woningcorporaties zijn gemaakt. Bij koopwoningen kijkt de gemeente mee bij het opstellen van contracten en betrekt zij deskundige kennis. In hoeverre daarbij noodvoorzieningen onderdeel van moeten zijn, wordt niet op voorhand gespecificeerd. Vraag 6. Wat is de verwachte levensduur van bronnetten, leidingen en warmtepompen bij dit buurtenergieplan, en wie draagt het vervangingsrisico? Antwoord: Verwachte levensduur van het bronnet is 50 jaar (p.19), dit wordt voor 30 jaar gegarandeerd door warmtebedrijven (p.30).
Verwachte levensduur van bodemwarmtepompen is 20 jaar (p.19). Bij de woningcorporaties worden deze
automatisch vervangen omdat er een exploitatieperiode van 30 jaar is. In het aaneengesloten particulier bezit kunnen bewoners in straatprojecten zelf bepalen of er een voorkeur is voor automatische vervanging van de bodemwarmtepomp. Vraag 7. Hoe worden bewoners beschermd tegen stijgende kosten bij de herinvesteringen na afloop van de levensduur? Antwoord: Zie hierboven, waar mogelijk kunnen bewoners zelf aangeven waar hun voorkeur naar uitgaat. Het antwoord hierop hangt nauw samen met gekozen exploitatieperiodes voor bronnetten en warmtepompen. Dit wordt voor woningeigenaren in het aanbod verder toegelicht.