CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

notitie inspreker Vossenhol 17 (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 6 november 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Moties vreemd aan de orde van de dag: HOI Werkt - Bopa voor realisatie project Vossenhol 17 en VVD - Bopa voor woningbouwproject Vossenhol 17.4.713 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Hekkelman Advocaten N.V.

Postbus 1094

Oranjesmgel 1

6501 BB Nijmegen

6511 NJ Nijmegen

T 024 - 382 83 84

www.hekkelman.nl

advocatuur@hekkelman nl

Hekkel m •

advocaten | notarissen

Van der Weegen Bouwontwikkeling B.V. 5.1.2.e

5.1.2.e

5.1.2.e

5.1.2.e 5.1.2.e

5.1.2.e

Per e-mail: 5.1.2.e

Nijmegen, 4 november 2025 Ons kenmerk

Telefoonnummer

Van der Weegen Bouwontwikkeling B.V./Vossenhol (Hilvarenbeek) 20251396 - 4299850/2 - SK/

024 - 382 83 64

E-mail

Betreft

5.1.2.e

Advies

Geachte 5.1.2.e

In uw e-mail van 10 oktober 2025 heeft u mij om advies gevraagd over het plan voor de bouw van 28 woningen aan de Vossenhol 17 in Biest-Houtakker in relatie tot geurhinder afkomstig van de varkenshouderij aan de Vossenhol 11 in Biest-Houtakker. In deze brief treft u mijn advies aan. Dit advies is als volgt opgebouwd: 1. Inleiding ................................................................................................. . ........................ 2. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat: het juridisch kader.............. 2.1. Het besluit kwaliteit leefomgeving................................................................................ 2.2. De relevante omstandigheden voor de onderbouwing van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 3. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat: het woningbouwplan 4. De gevolgen voor de bedrijfsvoering van de Varkenshouderij ., 5. Overige vragen............................................. .............................. .......... ......... 5.1. Verhouding Geurverordening en BOPA............ ............................................. Omgevingsvisie.................................................................................................... 5.2. 5.3. Een programma in relatie tot het woningbouwplan en geurhinder....... 5.4. Precedentwerking ........................................................................ 6. Afsluiting.......

. ....... . .................................................. . ...... . .............................

2 3 3 ..5 ..8 10 10 10 11 12 12 13

Hekkelman advocaten en notarissen is de handelsnaam waaronder Hekkelman Advocaten NV. (KvK nr. 09170462) en

Hekkelman Notarissen N.V. (KvK nr. 09170507), beide statutair gevestigd te Nijmegen, ieder voor eigen rekening werken. Op onze dienstverlening zijn van toepassing de algemene voorwaarden (zie www.hekkelman.nl) waarin onder andere een

beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen

Hekkel

man Pagina

2/13

1. Inleiding In de dorpskern van Biest-Houtakker is aan het Vossenhol 17 een melkveehouderij gevestigd. De gemeente heeft de wens dit bedrijf te verplaatsen naar het buitengebied. Om de verplaatsing mogelijk te maken wordt op de locatie van de melkveehouderij een woningbouwplan ontwikkelt bestaande uit 28 burgerwoningen (hierna: 'het woningbouwplan1'). U bent als ontwikkelaar betrokken bij het plan. In 2022 is er een anterieure overeenkomst getekend tussen u en de gemeente. Nabij de locatie, aan de Vossenhol 11 in Biest-Houtakker, is een andere veehouderij gevestigd (hierna: 'de Varkenshouderij'). Deze Varkenshouderij houdt varkens en melkkoeien. Tijdens de planvoorbereiding is uit geuronderzoek gebleken dat de geuremissie van de gehouden varkens een hogere geurbelasting op het voorgenomen woningbouwplan veroorzaakt dan de gemeentelijk geurverordening (nu onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan) toelaat.

In de raadscommissievergadering is door de raadsleden aangegeven dat zij graag hebben dat het woningbouwplan doorgang kan hebben, onder meer vanwege de toezeggingen die in het verleden vanuit de gemeente richting de betrokken melkveehouder zijn gedaan. Mede op verzoek van de raadscommissie hebben de wethouder en de betrokken ambtenaren onderzocht welke mogelijkheden de gemeente heeft om het woningbouwplan mogelijk te maken en daarmee de toezeggingen richting de melkveehouder na te komen, de verplaatsing van het bedrijf te verwezenlijken en woningbouwbouw mogelijk te maken. U gaf aan dat door de wethouder is aangegeven dat het niet mogelijk is om middels een omgevingsvergunning vooreen buitenplanse omgevingsplan activiteit (hierna: 'Bopa') het woningbouwplan op de locatie Vossenhol 17 mogelijk te maken. Dit omdat afwijken van de geurnorm niet in lijn zou zijn met de onlangs vastgestelde omgevingsvisie. U wilt weten of de geurhinder van de Varkenshouderij een belemmering vormt voor het vergunnen van het woningbouwplan en of een BOPA het juiste instrument is om het woningbouwplan mogelijk te maken. Voor de beantwoording van uw vraag moeten twee aspecten worden onderscheiden. In de eerste plaats moet voor geur moet worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat ter plaatse van de woningen.

In de tweede plaats moet worden beoordeeld of er sprake is van een onaanvaardbare inbreuk van de bedrijfsvoering van de Varkenshouderij. Verder is van belang dat voor de beoordeling van geur van melkkoeien vaste geurafstanden gelden. Voor varkens gelden geurnormen.

U gaf aan dat het woningbouwplan voldoet aan de geurafstand die voor de melkkoeien geldt. Als dat inderdaad zo is, leidt de geuremissie van de melkkoeien niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen die u wilt bouwen. i i Dat volgt uit artikel 5.106a Besluit kwaliteit leefomgeving.

4299850/2

Hekkel man. Pagina

3/13

Bovendien wordt de Varkenshouderij door het woningbouwplan niet belemmerd voor wat betreft de vaste geurafstanden, omdat de bestaande woningen aan de Vossenhol 13 en 15 in Biest-Houtakker dichterbij de Varkenshouderij liggen dan het woningbouwplan.

U vroeg mij om het advies te beperken tot de beoordeling van de geurhinder afkomstig van de varkens.

Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat: het juridisch kader 2. Ter plaatse van de aangevraagde woningen moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierna leg ik uit hoe dat beoordeeld moet worden. 2.1. Het besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: 'Bkl'') bevat instructieregels voor geur. Deze instructieregels gelden ook voor een BOPA. Volgens het Bkl moet de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw (waaronder ook reguliere woningen worden verstaan) aanvaardbaar zijn.2 Voor specifiek de geur van veehouderijen bevat het Bkl standaardwaarden. De standaardwaarden maken een onderscheid tussen dieren met en zonder geuremissiefactor. Zoals ik hiervoor al opmerkte, zijn varkens dieren met een geuremissiefactor waarvoor geurnormen gelden. De standaardgeurnormen geef ik hieronder weer:3 Tabel 5.109.1 Standaardvaarde toelaatbare geur oug/m3 als 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig

gebouw Geurgevoelig gebouw

Stondoardwaarde

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied

2,0 oUg/m 3

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied

3,0 oug/m3

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied

8,0 oug/m3

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied

14,0 oug/m3

Van deze standaardgeurnormen mag met een BOPA worden afgeweken, mits die waarde niet hoger is dan de onderstaande grenswaarden: 4

2 Artikel 5.92 lid 2 Bkl. 3 Artikel 5.109 lid 1 Bkl. 4 Artikel 5.109 lid 2 Bkl. Bij een voormalige bedrijfswoning mag de waarde hoger zijn dan de grenswaarde.

4299850/2

Hekkel

man Pagina

4/13

Tabel 5.109.2 Grenswaarde toelaatbare geur oug/m als 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren niet geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

Geurgevoelig gebouw

Grenswaarde

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied

8,0 oug/m 3

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentiatiegebied

14,0 oug/m3

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied

20,0 ouE/m’

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied

35,0 OUg/m3

In de nota van toelichting bij het Bkl staat dat de afwijking moet worden gemotiveerd

aan de hand van locatiespecifieke omstandigheden:5

Voor geluid, trillingen en voor geur van veehouderijen biedt dit besluit standaard immissienormen als algemeen aanvaardbaar kwaliteitsniveau (de gele lijn in het schuifpaneel). Voor geur van veehouderijen en overige agrarische activiteiten gelden ook standaard afstandsnormen. De gemeente heeft verschillende mogelijkheden voor het geval dat de standaardwaarden niet leiden tot het gewenste evenwicht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving op een locatie. Ze kan lagere waarden stellen, hogere waarden en bij geluid ook andere waarden of geen waarden. (...) Het in het omgevingsplan afwijken van de standaardwaarden vergt een deugdelijke motivering. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht (de artikelen 3:2 en 3:46) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gemotiveerd moet worden dat een hogere (tot maximaal de grens- waarde) of lagere belasting (belasting lager dan de standaardwaarde) is gerechtvaardigd. Hierbij dient in ieder geval nadrukkelijk aandacht besteed te worden aan het bestaande lokale belastingsniveau, de eventuele cumulatie en de overige aspecten van de lokale situatie die deze afwijkende toegestane belasting rechtvaardigen. ”1

De systematiek van het Bkl voor geur, is dezelfde als voor geluid. Wat in het onderstaande citaat over geluid staat, gaat daarom ook op voor geur:6

'Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie. Bij de overweging of, en zo ja, welke regels in het omgevingsplan vastgesteld moeten worden, zullen de volgende aspecten logischerwijs een rol spelen: de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geluidbeleid, het geluid ter plaatse op geluidgevoelige gebouwen, de aard, omvang en de waardering van het geluid dat vrijkomt bij de betreffende activiteit, de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking geluidhinder, de bestaande en verwachte geluidhinder van de betreffende activiteit en de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.".

5 Stb. 2018, 292, p. 320. 6 Stb. 2018, 292, p. 714.

4299850/2

Hekkel man. Pagina

5/13

De vervolgvraag is langs welke maatstaf de geursituatie kan worden beoordeeld. Het ligt voor de hand om hiervoor terug te grijpen op de aanpak die onder het oude recht werd gehanteerd, omdat de systematiek van de Omgevingswet gelijk is aan de systematiek die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Hierover het volgende. Vóór de Omgevingswet waren de geurnormen voor veehouderijen vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: 'Wgv1). Ter ondersteuning bij de uitvoering van deze wet is de handreiking 'Handreiking Geurhinder en Veehouderij' (hierna: 'de Handreiking'} opgesteld. De Handreiking biedt een kader voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat van geurgevoelige objecten. Het gebruik van de Handreiking voor dit doel is in de rechtspraak aanvaard.7

Met behulp van bijlage 6 en 7 bij de Handreiking kan de milieukwaliteit op een locatie worden bepaald. Dat gebeurt door de geurbelasting om te zetten naar het geurhinderpercentage. Voor deze vertaling onderscheidt de Handreiking geurgevoelige objecten binnen en geurgevoelige objecten buiten een concentratiegebied. Het berekende geurhinderpercentage correspondeert vervolgens met categorieën van milieukwaliteiten die variëren van zeer goed tot extreem slecht. De kwalificatie van de milieukwaliteit op zichzelf is (in principe) niet doorslaggevend voor de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Binnen de beslisruimte moet de aanvaardbaarheid van de milieukwaliteit tegen de achtergrond van de milieukwaliteit en in het licht van de overige relevante omstandigheden worden beoordeeld. Dit betekent dat wanneer de milieukwaliteit bijvoorbeeld 'matig', 'slecht' of zelfs 'extreem slecht' is, het woon-en leefklimaat onder omstandigheden toch als aanvaardbaar kan worden beschouwd. De vervolgvraag is welke omstandigheden relevant zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan te nemen. In de volgende paragraaf bespreek ik de omstandigheden die volgens de rechtspraak relevant (kunnen) zijn.

De relevante omstandigheden voor de onderbouwing van een aanvaardbaar woonen leefklimaat Het gemeentebestuur heeft (veel) beslisruimte bij de beoordeling van een geursituatie. Dat betekent dat het tot op zekere hoogte aan het gemeentebestuur is om te bepalen of een geursituatie aanvaardbaar is. Uit een uitspraak van de Afdeling van 29 mei 20198 volgt dat het gemeentebestuur zelfs bij een 'extreem slechte' milieukwaliteit de geursituatie onder omstandigheden aanvaardbaar kan achten. Deze zaak betrof een omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, met ter plaatse een geurbelasting van maximaal 27,7 ouE/m3.9 De Afdeling oordeelt dat het gemeentebestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter

2.2.

7 Zie bijvoorbeeld

AbRS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1888. 8 ECLI:NL:RVS:2019:1761. 9 De geurbelasting van 27,7 ouE/m3 vond plaats ter plaatse van gebouwdelen bestemd voor permanent verblijf van personen. De geurbelasting was op het plangebied hoger, namelijk 31.4 ouE/m3.

4299850/2

Hekkel man. Pagina

6/13

plaatse, wat betreft geur, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd:

''In de plantoelichting is vermeld dat in de "Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij" is bepaald dat bij een voorgrondbelasting tussen de 25,2 tot 31,4 ouE/m3 in een concentratiegebied sprake is van 35 tot 39°/o geurgehinderden. Bij een dergelijk percentage geurgehinderden is sprake van een extreem slecht woon- en leefklimaat. De raad heeft een extreem slecht woon- en leefklimaat in dit geval aanvaardbaar geacht omdat de gemeten voorgrondbelasting onder de maximale waarde blijft die op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, van de Wgv bij gemeentelijke geurverordening mag worden vastgesteld binnen een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom. Daarnaast heeft de raad het van belang geacht dat de bepalingen over cumulatieve geurhinder in de Verordening ruimte zodanig streng zijn dat het woon- en leefklimaat in de toekomst alleen maar kan verbeteren. Ook heeft de raad het van belang geacht dat verdere leegstand en verpaupering van het buitengebied wordt voorkomen en dat door deze ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse zal worden verbeterd. Voorts heeft de raad het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar geacht vanwege de ontstaansgeschiedenis van het plangebied. Voorheen was er in het plangebied een intensieve veehouderij gevestigd, en die veehouderij is beëindigd via de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken.

Daarna was er tot 2011 een klein aantal rundvee, schapen en paarden vergund, en was het perceel, tot de vaststelling van dit plan, altijd agrarisch bestemd. Volgens de raad mag een dergelijke voormalige bedrijfswoning meer hinder ondervinden van een nabijgelegen agrarisch bedrijf dan bijvoorbeeld een reguliere woning die niet in het buitengebied ligt. Daarnaast ligt het plangebied in een gebied waar de focus op intensieve veehouderijen lag, zodat beleidsmatig is aangestuurd op een relatief hoge geurbelasting in het gebied. Als laatste heeft de raad er met betrekking tot de achtergrondbelasting op gewezen dat de in de "Evaluatie Geurgebiedsvisie Gemeente Someren 2017" aangewezen maximale waarde van 28 ouE/m3 alleen wordt overschreden in het gedeelte van de boerderij waar permanent, of een daarmee vergelijkbare wijze, gebruik voor menselijk wonen of menselijk verblijf niet is toegestaan. De geurbelasting op het gedeelte waar wel permanent mag worden gewoond, bedraagt maximaal 27,7 ouE/m3 en daarmee wordt voldaan aan de door de raad vastgestelde normen voor achtergrondbelasting. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse, wat betreft geur, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Illustratief aan deze uitspraak is dat de onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de

geursituatie was gebaseerd op een tal van omstandigheden/argumenten, namelijk:

De geurbelasting blijft (ruim) onder de maximale waarde die op grond van artikel 6 lid 1 Wgv bij gemeentelijke geurverordening mag worden vastgesteld. 10 Het voorkomen van (verdere) verpaupering en leegstand (van het buitengebied),

en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

10 Deze bandbreedte uit de Wgv is overgeheveld naar artikel 5.109 lid 2 Bkl.

4299850/2

Hekkel

man Pagina

7/13

De norm voor de cumulatieve geurhinder uit de provinciale verordening is zodanig streng dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse zal verbeteren. Met andere woorden: de geurbelasting zal in de toekomst afnemen.

De ontstaansgeschiedenis van de locatie wordt voor de onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geursituatie betrokken, aangezien het in die zaak ging om een bedrijfswoning op een agrarisch perceel die werd omgezet. Volgens het gemeentebestuur mag een dergelijke voormalige bedrijfswoning meer hinder ondervinden van een nabijgelegen agrarisch bedrijf dan een reguliere woning die niet in het buitengebied ligt. Het karakter van het gebied. Een woning gelegen in een agrarisch gebied mag meer hinder ondervinden. De achtergrondbelasting voldoet aan de norm uit de geurgebiedsvisie. De Afdeling oordeelde al eerder, namelijk in haar uitspraak van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:414, dat onder omstandigheden de milieukwaliteit 'extreem slecht' in redelijkheid aanvaardbaar kan worden geacht.

In vergelijking met de uitspraak van 29 mei 2019 worden in bovengenoemde uitspraak twee aanvullende argumenten genoemd die de Afdeling in haar oordeel betrekt, namelijk dat 'de geurbelasting door de jaren alleen maar is afgenomen' en dat het een bewuste keuze is om in een bepaalde woning (plattelandswoning) met een bepaalde milieukwaliteit te wonen. Uit bovenstaande twee uitspraken volgt dat het karakter van een gebied een relevante omstandigheid is; een burgerwoning in een agrarisch gebied mag meer geurhinder ondervinden dan een woning in een niet-agrarisch gebied. Deze omstandigheid komt in meerdere uitspraken terug. In een uitspraak van de Afdeling van 9 februari 201111 wordt aan de onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geursituatie ten grondslag gelegd het feit dat de woningbouw was voorzien in een overgangsgebied tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Verder oordeelt de Afdeling in een uitspraak van 27 december 201212 dat het niet onredelijk is om betekenis toe te kennen 'aan de historische binding van de bewoners van de te onderscheiden gebieden met de intensieve veehouderij' en is 'in de afweging terecht de economische betekenis van de bedrijfstak voor het desbetreffende gebied' betrokken.

Verder oordeelt de Afdeling in een uitspraak van 6 september 201713 dat 'gelet op de nadere motivering en op het agrarische karakter van het betrokken gebied heeft het college afdoende gemotiveerd waarom, wat het aspect geur betreft, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaad.

11 ECLI:NL:RVS:2011:BP3690. 12 ECLI:NL:RVS:2012:BY7369. 13 ECLI:NL:RVS:2017:2420.

4299850/2

Hekkel

man Pagina

8/13

3. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat: het wonïngbouwplan Hierna beoordeel ik of ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden onderbouwd.

De gemeente Hilvarenbeek ligt in een concentratiegebied. Het plangebied van het woningbouwplan ligt na de bouw van de woningen binnen de bebouwde kom/bebouwingscontour. Daarom geldt voorde woningen een standaardgeurnorm van 3 ouE/m3 en een grenswaarde van 14 ouE/m3. Dat staat in artikel 5.109 van het Bkl (zie hierover paragraaf 2.1 van dit advies). De Varkenshouderij veroorzaakt op de woningen een geurbelasting van ongeveer 7 ouE/m3 tot maximaal 14 ouE/m3. Op de onderstaande afbeelding is de geurbelasting binnen het plangebied weergegeven:

2 OUe/m? 6 0Ue/m3

x OUe/m3 9QUe/m3 10Uem3

\

N

11oe/m3 12 ovè(m3

(G. 90 0

N

w

>

Vy

5

< 3

)

\

kvj \ xo

fKoN

w V.} )

O

1

HVRC9

XV .N

.

< .9'

N

v\

Ny

o.

‘e/ni;

13 OUeh3 140€/m\ 15 OUe/m3 20 OUe/m 3

-(

i

Hvi

1

)

faw

i

i

VOSStMI

2116

Van iler Weegen Boimy

ise\

De grenswaarde van 14 ouE/m3 wordt dus niet overschreden. Dat betekent dat het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek (hierna: 'het college'') de bevoegdheid en beslisruimte heeft om het woningbouwplan met een BOPA te vergunnen. Op basis van de Handreiking varieert de milieukwaliteit bij de woningen van 'matig' tot 'tamelijk slecht'. Zoals gezegd, is de kwalificatie van de milieukwaliteit niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een aanvaardbaar woon-

4299850/2

tekkel

man

Pagina

9/13

en leefklimaat. De aanvaardbaarheid moet tegen de achtergrond van de milieukwaliteit en in het licht van de overige relevante omstandigheden worden beoordeeld. Op basis van het beoordelingskader dat ik in paragraaf 2.2 heb geschetst, kan voor het woningbouwplan (onder meer) het volgende relevant zijn voor de conclusie dat de geursituatie aanvaardbaar is:

Het karakter van het gebied. Waarschijnlijk kan worden onderbouwd dat BiestHoutakker, en meer specifiek het gebied rondom de locatie, van oudsher een agrarisch gebied is en dat een hogere geurbelasting inherent is aan het gebied en daarmee aanvaardbaar. De locatie van het woningbouwplan ligt bovendien in een overgangsgebied tussen de bebouwde kom van Biest-Houtakker en het buitengebied. Waarschijnlijk leidt het woningbouwplan tot een kwaliteitsverbetering van het gebied, doordat de veehouderij die in het plangebied ligt, wordt gesaneerd om de woningbouw mogelijk te maken.

Relevant is dat de geurbelasting van de Varkenshouderij op de woningen niet kan toenemen. De Varkenshouderij zit vanwege de bestaande woningen aan de Vossenhol 13 en 15 op slot (zie paragraaf 4). Daarnaast is het een bewuste keuze van de toekomstige bewoners om in een agrarisch gebied met een bepaalde milieukwaliteit te wonen.

Verder is de mate van verspreiding van de geurbelasting over het plangebied relevant. De geurbelasting binnen het plangebied varieert van ongeveer 7 ouE/m3: tot maximaal 14 ouE/m3. In het westelijke deel van het plangebied bedraagt de geurbelasting maximaal 14 ouE/m3 en in het oostelijke deel is dat ongeveer 7 ouE/m3. In het oostelijke deel van het plangebied is de geurbelasting aanzienlijk lager dan in het westelijke en geldt dat alleen in het westelijke deel sprake is van een tamelijk slechte milieukwaliteit. Op basis van nader onderzoek zou eventueel nog het volgende argumenten aan de onderbouwing ten grondslag kunnen worden gelegd: bezien moet worden of het gebied een transformatie ondergaat door een extensivering van veehouderijen, om vervolgens op basis daarvan te onderbouwen dat de geurbelasting hierdoor steeds verder afneemt met verbetering van het woon- en leefklimaat als gevolg. Hierbij kunnen eventuele aanmeldingen voor beëindigingsregelingen relevant zijn, zoals de

Lbv+. Kortom: er bestaan verschillende omstandigheden om de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat te onderbouwen. Ik vind dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4299850/2

tekkel

man

Pagina

10/13

De gevolgen voor de bedrijfsvoering van de Varkenshouderij 4. Het woningbouwplan mag de Varkenshouderij niet onevenredig belemmeren in de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden. Daarvoor moet worden bepaald welke planologische mogelijkheden de Varkenshouderij voor geur heeft en of de Varkenshouderij door het woningbouwplan in de gebruiksmaking van die uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt. Voor de Varkenshouderij geldt het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek’ (hierna: 'het Omgevingsplan’'). In het omgevingsplan staan de geurnormen waaraan de Varkenshouderij moet voldoen. Op 9 november 2023 is voor de gemeente Hilvarenbeek de geurverordening 'Verordening geurhinder en veehouderij Hilvarenbeek 2023' (hierna: 'de Geurverordening') vastgesteld. Deze Geurverordening is sinds 1 januari 2024 onderdeel van het omgevingsplan.14 Voor de bestaande woningen aan de Vossenhol 13 en 15 moet de Varkenshouderij voldoen aan een geurnorm van 2 ouE/m3. De geurbelasting afkomstig van de Varkenshouderij bedraagt 16,5 ouE/m3 op de bestaande woning aan de Vossenhol 13 en 15,4 ouE/m3 op de bestaande woning aan de Vossenhol 15. Dat betekent dat de Varkenshouderij voor geur op slot zit en dat de woningen aan de Vossenhol 13 en 15 maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden van de Varkenshouderij.

Kortom: het woningbouwplan belemmert de Varkenshouderij niet in de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden. 5. Overige vragen U heeft mij daarnaast gevraagd om afzonderlijke een aantal vragen te beantwoorden. Deze vragen beantwoord ik hierna.

5.1. Verhouding Geurverordening en BOPA Op basis van de geurverordening geldt voor het plangebied een geurnorm van 2 ouE/m3 en 7 ouE/m3. U wilt weten of deze geurnormen doorslaggevend zijn voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op de eerste plaats geldt dat de Geurverordening strikt genomen niet van toepassing is op de aanvraag om BOPA voor het woningbouwplan. De Geurverordening is sinds 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan.15 Een BOPA wordt niet getoetst aan het omgevingsplan. Voor de BOPA moet worden getoetst aan de instructieregels van het Bkl. Dat volgt uit artikel 8.0b lid 1 sub a Bkl. Op de tweede plaats geldt dat de geurnormen niet doorslaggevend zijn voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat

14 Artikel 4.6 lid 1 sub e Invoeringswet Omgevingswet. 15 Artikel 4.6 lid 1 sub e Invoeringswet Omgevingswet.

4299850/2

Hekkel ma Pagina

11/13

moet aan de hand van de locatie specifieke omstandigheden worden beoordeeld. Dat heb ik uitgelegd in paragraaf 2 en 3 van dit advies. 5.2.

Omgevingsvisie

Op 25 september 2025 is de omgevingsvisie 'Omgevingsvisie Hilvarenbeek; Samen gezond groeien!' (hierna: 'de Omgevingsvisie'} vastgesteld. U wilt weten of het

woningbouwplan, gelet op de geurhinder van veehouderijen, past binnen de Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat:16 V

'De nieuwe woningen zijn energie-neutraal. Naast het wonen is er ook aandacht voor voldoende ruimte om een onderneming te starten. Daarnaast voor een buitenruimte waar plek is voor kinderen en jongeren. Ook is de gemeente een gezonde plaats om te wonen. Er is zowel een aanbod van georganiseerde sportfaciliteiten, als ruimte voor bewegen in de buitenruimte. Met gerichte maatregelen bij de bron vermindert geuroverlast in de kernen. Dit vergroot de gezondheidsbeleving." (onderstreping mijnerzijds, SK) In de Omgevingsvisie staat verder:17 Hl

'Verder beperken we de geuroverlast door nieuwe initiatieven die leiden tot een verhoogde geurbelasting in bepaalde gebieden, niet toe te staan."

Verder staat er: 18 11

We hanteren de hoogste ambitie om overlast van bijvoorbeeld geur te verminderen. Dit doen we door in het omgevingsplan beperkingen op te leggen aan agrariërs (niet in dit deelgebied). Ook willen we - gelet op evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen veehouderijen of andere niet -inpasbare bedrijven (bedrijven die niet voldoen aan de door de gemeente gestelde geurnormen) in of nabij kernen. Op deze 61 locaties is ruimte voor alternatieve functies zonder hinder voor de omgeving zoals wonen of maatschappelijke voorzieningen.".

De Omgevingsvisie legt de nadruk op het verminderen van geur bij de bron, door strengere regels te stellen voor veehouderijen. In de Omgevingsvisie staat niet dat nabij veehouderijen geen woningen mogelijk mogen worden gemaakt. Het woningbouwplan is daarom niet in strijd met de Omgevingsvisie.

Verder is binnen het plangebied, aan de Vossenhol 17, een melkveehouderij gevestigd.

Deze melkveehouderij wordt gesaneerd als het woningbouwplan wordt vergund. Daarmee sluit het woningbouwplan aan bij de ambitie van de Omgevingsvisie om de

geurhinder te verminderen.

16 Pagina 33 van de Omgevingsvisie. 17 Pagina 46 van de Omgevingsvisie. 18 Pagina 60 van de Omgevingsvisie.

4299850/2

Hekkel

m 1 Pagina

12/13

5.3. Een programma in relatie tot het woningbouwplan en geurhinder U gaf aan dat de wethouder in de raadscommissievergadering heeft aangegeven dat de realisatie van het woningbouwplan enkel mogelijk is als er gebruik gemaakt van het instrument 'programma' in het kader van de Omgevingswet. Daarbij zou het volgens de wethouder noodzakelijk zijn om vast te leggen dat de Varkenshouderij binnen 10 jaar, al dan niet vrijwillig, stopt met het houden van varkens. De wethouder heeft de raadsleden gewaarschuwd dat hier hoge kosten aan verbonden kunnen zijn voor de gemeente. U wilt weten of het noodzakelijk is om een programma vast te stellen voor geur om het woningbouwplan mogelijk te maken.

Een programma is een instrument waarin burgemeester en wethouders het omgevingsbeleid uit de omgevingsvisie kunnen uitwerken en concretiseren in concrete maatregelen. Het vaststellen van een programma is nodig als de geurbelasting van de Varkenshouderij verlaagd moet worden voor het verlenen van de BOPA. In paragraaf 3 heb ik uitgelegd dat de aanvaardbaarheid van de huidige geurbelasting (die maximaal 14 ouE/m3) bedraagt, onderbouwd kan worden. Daarvoor is het niet nodig om de geurbelasting ter plaatse van de woningen te verlagen. Met andere woorden: de geursituatie ter plaatse van het woningbouwplan is geen belemmering om de BOPA te verlenen. Het is daarom niet noodzakelijk dat het college een programma vaststelt.

5.4. Precedentwerking U gaf aan dat het college vreest dat, wanneer medewerking wordt verleend aan het woningbouwplan, dit ertoe kan leiden dat het ook in andere gevallen verplicht wordt medewerking te verlenen aan woningbouw nabij veehouderijen. U wilt weten of deze vrees terecht is. Voor de beantwoording van uw vraag is het gelijkheidsbeginsel relevant. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan alleen slagen als gevallen rechtens vergelijkbaar zijn.19 Dat betekent dat als twee gevallen op de relevante omstandigheden niet vergelijkbaar zijn, een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Dat betekent dat het college met het verlenen van de BOPA, zich niet verplicht stelt om ook in andere gevallen medewerking te verlenen aan een woningbouwplan. Die verplichting zou alleen gelden als een andere situatie vergelijkbaar zou zijn met dit geval. Die kans is klein. In paragraaf 3 heb ik uitgelegd welke omstandigheden in dit geval relevant zijn voor onderbouwing van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Het gaat daarbij om verschillende omstandigheden, zoals de omstandigheid dat ter plaatse van het woningbouwplan een veehouderij wordt gesaneerd en de omstandigheid dat het woningbouwplan in een overgangsgebied ligt. Bovendien is in dit geval een relevante en unieke omstandigheden dat vanuit de gemeente richting de betrokken melkveehouder toezeggingen zijn gedaan. 19 Zie bijvoorbeeld AbRS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2694, r.o. 11.3; AbRS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:320, r.o. 5.

4299850/2

Hekkel

man Pagina

13/13

Kortom: de vrees dat het college ook in alle andere gevallen medewerking zou moeten verlenen aan woningbouwplannen, is onterecht. 6. Afsluiting Ik ben graag bereid het advies nader (mondeling) toe te lichten. 5.1.2.e

.V.

4299850/2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16184400/1