bp Nijssenstraat 4 (3 bijlage 2a Toelichting)
Tekst van het document
Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, een richtafstand van 50 meter. De recreatiebestemming van “De Stille Wille” ligt nu op circa 70 meter van het bouwvlak in het plangebied. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand tot bedrijvigheid van derden. De activiteiten binnen het plangebied beperken de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dan ook niet. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.9 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen be horende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b.
Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
46
De dichtstbijzijnde veehouderij tot de projectlocatie betreft de veehouderij aan de Driehuizerweg 23. Voor veehouderijen geldt dat geur het maatgevende aspect is in het bepalen van de vereiste richtafstand. In de Wet geurhinder en veehouderij is bepaald dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, ten minste 50 meter dient te bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Hetzelfde geldt voor de (uitbreiding van de) beoogde recreatieve nevenfuncties. Op grond van artikel 14, tweede lid, gelden de vaste afstanden namelijk ook voor objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd: - op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, - in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en - in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij. Zoals eerder is toegelicht wordt de bedrijfsmatige veehouderij beëindigd. Hierdoor kunnen de groepsaccommodatie annex zorgverlening, de bed & breakfast en de bedrijfswoning als zodanig ‘geurgevoelig’ worden bestempeld.
Opgemerkt dient te worden dat al deze functies in de bestaande situatie al aanwezig zijn en dat er met dit bestemmingsplan enkel een uitbreiding in de bestaande gebouwen wordt mogelijk gemaakt. Ten tijden van het mogelijk maken van deze eerste recreatieve nevenactiviteiten moest al worden voldaan aan de vaste afstandseis van 50 meter ten aanzien van veehouderijen van derden. Nu de nevenactiviteiten enkel in deze bestaande bebouwing uitbreidt, is er geen sprake van een kleinere afstand tussen deze functies en veehouderijen van derden. Voor de volledigheid wordt hierna toch nog aangegeven of voldaan wordt aan de vaste afstandseis van 50 meter conform de Wet geurhinder en veehouderij. De dichtstbijzijnde veehouderij (rand bouwvlak tot rand bouwvlak) ligt op een afstand van circa 320 meter. Er wordt dus voldaan aan de afstand t.o.v. een omliggende veehouderij. Daarbij wordt opgemerkt dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat een recreatieve voorziening niet geurgevoelig is, omdat er geen sprake is van permanent verblijf. Een groepsaccommodatie en bed & breakfast zijn gericht op het bieden van recreatief (nacht)verblijf voor beperkte duur, te weten een vakantieperiode van maximaal enkele achtereenvolgende weken. De Raad van State overweegt dan ook dat van permanent of daarmee gelijk te stellen gebruik voor menselijk verblijf geen sprake is, zie ABRvS 11 januari 2012, nr.
201104200/1/H1 (ECLI: NL.RVS.2012.BV0553), inzake een kampeerboerderij. Met het initiatief word geen inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen veehouderijen. Om aan te tonen dat ter plaatse van het plangebied (meer specifiek de bedrijfswoning en de zorgverlenende- en recreatieve nevenactiviteiten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat wordt gebruik gemaakt een achtergrondbelastingkaart van de ODZOB. De Omgevingsdienst ZuidoostBrabant heeft voor geheel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit wet-bvb met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van 01-01-2020 en zijn daarmee recent. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x,y-coordinaat zoals die in het web-bvb is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart (een uitsnede van een GIS-viewer) een indicatie van het woon- en leefklimaat. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Gelet op de achtergrondbelasting is er met zekerheid te stellen dat er geen sprake is van een overbelaste situatie. Het hanteren van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant voor een kwalitatieve beschouwing van het woon- en leefklimaat is dan ook voldoende.
Uit Afbeelding 25 blijkt dat ter plaatse van het plangebied een ‘goed’ woon- en leefklimaat heerst.
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
47
Afbeelding 25: Uitsnede onderzoek achtergrondbelasting geur ODZOB (GIS-viewer) Zoals benoemd in deze toelichting wordt de bedrijfsmatige veehouderij beëindigd. Wel zal er nog hobbymatig nog wat vee worden gehouden binnen twee bestaande stallen. Om te bepalen of het houden van dit rundvee en/of schapen op het gebied van geur te verantwoorden is wordt getoetst aan de afstanden zoals bepaald in het Activiteitenbesluit en is een voorgrondberekening geur uitgevoerd voor het houden van schapen. De 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 stuks zoogkoeien (ondersteunend aan recreatie- en zorgtak) die op het bedrijf gehouden worden hebben geen geuremissiefactor. De afstand van het emissiepunt van een dierverblijf tot objecten buiten de bebouwde komen dient minimaal 50 meter te bedragen. Daarnaast dient de gevelafstand van het dierverblijf buiten de bebouwde kom minimaal 25 meter te bedragen. Het dichtstbijzijnde gevoelige object (De Stille Wille 135) is gelegen op circa 135 meter van het dierenverblijf (emissiepunt en buitenzijde stal). De situering van het dierenverblijf voor de huisvesting van het vrouwelijk jongvee en de zoogkoeien is vastgelegd middels de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig vee’.
Geborgd wordt dat enkel ter plaatse van deze gebouwen het vee gehouden kan worden en dat er niet meer dan 15 en 15 stuks vee mogen worden gehouden op grond van hobbymatig gebruik in relatie tot de recreatieve- en zorgactiviteiten. Er wordt voldaan aan de afstanden zoals bepaald in het Activiteitenbesluit. Zoals eerder in deze toelichting is beschreven kunnen er ook op locatie maximaal 50 schapen gehouden worden, of een verdeling tussen het rundvee en de schapen, waarbij de maximale ammoniakemissie in ieder geval niet hoger ligt dan de emissie in een van deze varianten. Ook deze schapen worden ingezet als hobbymatig dan wel in relatie tot de recreatie- en zorgactiviteiten. Voor het huisvesten van schapen zijn in de wet geuremissiefactoren opgenomen. Deze geuremissie wordt samen met de brongegevens van de stallen ingevoerd in het rekenprogramma V-stacks 2020, dit programma rekent de geurbelasting uit op objecten in de omgeving. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de geurnormen die gelden op de woningen in de directe omgeving van de planlocatie. Voor woningen die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) zijn enkel vaste afstanden van toepassing. In Bijlage 3 van deze onderbouwing zijn de invoergegevens opgenomen.
In deze bijlage is een uitdraai van de rekenresultaten afkomstig uit het rekenprogramma terug te vinden. In Tabel 2 is een samenvatting van de resultaten en de toetsing opgenomen. De tabel geeft de geurbelasting ten opzichte van het geurgevoelig object weer en de bijbehorende geurnorm.
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
48
Tabel 2: Rekenresultaten geurbelasting Adressen
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
Stille Wille 125 Stille Wille 135 Stille Wille 159 Stille Wille 2 Driehuizerweg 19 Wijnhovenstraat 21 Wijnhovenstraat 9
143 830 143 837 143 856 143 718 142 924 143 780 142 912
391 223 391 143 391 027 392 005 391 086 390 039 390 117
10 10 10 10 10 10 10
0,3 0,4 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0
Zoals uit de tabel is op te maken is de geurbelasting op de geurgevoelige objecten minimaal en ligt deze dan ook ruimschoots onder de geurnorm. In enkele gevallen is er zelfs geen sprake van een geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving door het huisvesten van schapen. Het huisvesten van schapen in de stallen zoals bestemd met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig vee’ leidt dan ook niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat voor de geurgevoelige objecten. Zoals ook al eerder in deze paragraaf en toelichting is beschreven voldoet het bedrijf daarnaast ruimschoots aan de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten. Hierdoor zijn wat betreft het aspect huisvesten van schapen, dan wel in een verdeling met het rundvee, geen beperkingen voor de ontwikkeling. In de bestaande situatie is sprake van de aanwezigheid van het mestbassin. Dit mestbassin het een grotere oppervlakte dan 750 m2 en een inhoud meer dan 2.500 m3. Derhalve valt deze activiteit buiten de eisen van het Activiteitenbesluit. De eisen met betrekking tot het mestbassin zijn geregeld in de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning milieu. Opgemerkt dient te worden dat met dit bestemmingsplan geen veranderingen worden aangebracht in de opslag en/of werking van het mestbassin.
Om geborgd te hebben dat het mestbassin enkel op deze locatie mag liggen en een maximale opslagcapaciteit mag hebben van 4.000 m 3, is een functieaanduiding opgenomen in het bestemmingsplan. Tevens kan nog worden opgemerkt dat initiatiefnemer diverse maatregelen treft om de geuremissie vanuit dit mestbassin te beperken. Denk hierbij aan het onmiddellijk dichten van mixgaten en andere openingen en het aanbrengen van een dampretoursysteem. De (bestaande) vaste mestopslag heeft een opslagcapaciteit van maximaal 600 m3. Omdat de vaste mestopslag niet meer bedraagt dan 600 m3 valt de activiteit onder het Activiteitenbesluit. Een dierlijke vaste meststof wordt aangemerkt als een agrarische bedrijfsstof. Tevens is er binnen het plangebied sprake van een sleufsilo voor de opslag van akkerbouwgewassen en voer voor het hobbyvee. Conform art 3.46 van het Activiteitenbesluit vindt de opslag van agrarische bedrijfsstoffen plaats op ten minste 50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen. De sleufsilo c.q. vaste mestopslag ligt op een afstand van ten minste 87 meter van de dichtstbijzijnde woning. Er wordt dus voldaan aan de afstanden voor de opslag van agrarische bedrijfsstoffen. De nieuwe loodsen voor de opslag van aardappelen/uien en de nieuwe machine-/werktuigenberging veroorzaken geen emissie van geur en zijn ook niet geurgevoelig.
Ten aanzien van het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
49
sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in het de buitenlucht. Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer.
Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling wordt aan de Nijssenstraat 4 een vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van het akkerbouwbedrijf mogelijk gemaakt. Binnen dit bouwvlak worden enkele akkerbouwloodsen ten behoeve van de opslag van aardappelen/uien gerealiseerd. Tevens zal er binnen de inrichting sprake zijn van de opslag van (drijf)mest van derden voor de aanwending op eigen gronden en nevenactiviteiten in de vorm van zorg en recreatie. Voor deze ontwikkeling dient bepaalt te worden of de toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld.
Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. In de berekening met betrekking tot de het aspect gebiedsbescherming (depositie op Natura 2000gebieden) is bepaald wat alle verkeersbewegingen in de beoogde situatie binnen het bedrijf zijn. De verkeersbewegingen zijn afkomstig van diverse bronnen, namelijk: hobbymatige veehouderij, mestbassin, opslaan akkerbouwproducten, groepsaccommodatie en de verkeersbewegingen die samen hangen met de bouw- en verbouw van de groepsaccommodatie/woning en nieuwe loodsen. Om een uniforme verantwoording te waarborgen wordt verwezen naar de invoergegevens van deze berekening, toegevoegd in Bijlage 1 van deze toelichting. Hierin is een paragraaf opgenomen met een verantwoording van alle vervoersbewegingen behorende bij het bedrijf. Het overgrote deel van de lichte verkeersbewegingen is afkomstig van de recreatie- en zorgtak. Het merendeel van de zware verkeersbewegingen is afkomstig van de opslag/afvoer van het drijfmest en de akkerbouwproducten. Totaal vervoersbewegingen per jaar Licht verkeer 22.691 Zwaar (vracht) verkeer 5.588 Totaal 28.279 per jaar
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
50
Weekdaggemiddelde betreft: 28.279 vervoersbewegingen/365 dagen = 78 voertuigen per dag. Aandeel zwaar vrachtverkeer betreft 19,76 % van het totaal. Voor een worst-case benadering wordt niet gekeken naar de toename van extra verkeer als gevolg van het plan, maar naar de gehele beoogde situatie. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij totaal van 78 verkeersbewegingen (19,76 % vrachtverkeer) van en naar de inrichting per dag de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
78
Aandeel vrachtverkeer
19,8%
NO2 in μg/m3
0,16
3
0,02
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 26: NIBM-tool Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 4.11 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Met dit initiatief wordt geen nieuwe geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt. De recreatie- en zorgactiviteiten zijn in de bestaande situatie al aanwezig en de uitbreiding van deze functies hoeft in het kader van de Wgh niet te worden bezien. Vaste jurisprudentie hierover is dat recreatieverblijven geen geluidsgevoelige objecten zijn, zie ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659). Tevens is er in dit gebouw al sprake van en bedrijfswoning. Op basis van art. 76 lid 3 van de Wet geluidhinder hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Tenzij er sprake is van een historisch gegroeide situatie, waarvan de nadelige gevolgen zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer als aanvaardbaar kunnen worden geacht, kan een onderzoek benodigd zijn. Dat is in deze situatie niet het geval.
Het plangebied ligt namelijk aan doodlopende weg welke niet verder gaat dan het plangebied zelf. Naast de verkeersbewegingen behorende bij het plangebied zijn er dus vrijwel geen verkeersbewegingen over de Nijssenstraat die zullen zorgen voor geluidshinder door wegverkeerslawaai. De nieuwe akkerbouwloodsen en machineberging zijn niet geluidgevoelig. Derhalve is de geluidhinder afkomstig van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai voor deze locatie niet van belang. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats welke een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Binnen de bedrijfsvoering van dit bedrijf zal de geluidsproductie in hoofdzaak afkomstig zijn van de akkerbouwactiviteiten. Hierbij moet gedacht worden aan het laden en lossen van de akkerbouwproducten op locatie en het aan- en afrijden van machines en werktuigen die zijn gestald op locatie. Echter kan hierbij worden opgemerkt dat het laden en lossen van de aardappelen en/of
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
51
uien inpandig zal plaatsvinden. De nieuw te bouwen loodsen hebben ruime afmetingen zodat de machines in de loods kunnen rijden. De hobbymatige veehouderijactiviteiten zijn dermate klein dat hier maar weinig activiteiten zullen plaatsvinden met een geluidsproductie. Opgemerkt kan worden dat de beëindiging van de bedrijfsmatige veehouderij ook een afname van geluid tot gevolg heeft. Diverse zware en regelmatig terugkerende activiteiten met een forse geluidbelasting komen hierdoor te vervallen. Deze beëindiging heft dus weer het e.e.a. op met de beoogde situatie. Zoals in paragraaf 4.8 is beschreven geldt voor de akkerbouwactiviteiten een richtafstand van 30 meter ten aanzien van geluidgevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object ligt echter op 84 meter van de rand van het bouwvlak, waardoor ruimschoots aan deze afstand ten aanzien van geluid wordt voldaan. Hiermee wordt een acceptabel woon en leefklimaat ten aanzien van het aspect geluid gewaarborgd. Tot slot kan worden aangehaald dat in het kader van een landschappelijke inpassing een aardewal aan de oostzijde van het bedrijf zal worden gerealiseerd. Deze aardewal ligt dan tussen het bedrijf en de woningen van het recreatiegebied de “Stille Wille”. Naast dat deze dus dient als afscherming middels beplanting zal deze aardewal ook deels dienen als geluidswal.
Dit is een positief gegeven in het kader van het woon- en leefklimaat. Ten aanzien van het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.12 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De bedrijfslocatie is het enige bedrijf aan het noordelijk gelegen deel van de Nijssenstraat. Maar ook in het andere (zuidelijke) deel van deze weg zijn geen grote verkeersaantrekkende bedrijven gevestigd. Het bestemmingsverkeer t.b.v. het bedrijf kan via het zuidelijke deel van de Nijssenstraat (via Kanaaldijk Noord) richting het bedrijf rijden en bij drukte via Driehuizerweg wegrijden. Hierdoor wordt voorkomen dat grotere voertuigen elkaar op drukke dagen (bijv. bij het laden van akkerbouwproducten uit de loods) in het zuidelijke deel van de Nijssenstraat elkaar moeten passeren. Hierdoor is de doorstroming van het verkeer gewaarborgd. Binnen het erf van het bedrijf is voldoende ruimte om op een gepaste wijze laden en lossen van goederen te faciliteren. Er dient tevens voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeerbeleid van de gemeente Hilvarenbeek is vervat in het Parkeerbeleidsplan 2015-2020. Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen.
Om een zo volledig beeld te geven van de benodigde parkeerplaatsen wordt hieronder ingegaan per onder te scheiden functie op het bedrijf.
Bedrijfswoning
In het parkeerbeleidsplan is vastgelegd dat er voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied voorzien moet zijn in minimaal 2,8 parkeerplaatsen per woning. Rondom de bedrijfswoning is ruimschoots de ruimte om 3 personenauto’s te parkeren. Ook binnen de gebouwen kunnen personenauto’s van initiatiefnemer geparkeerd worden.
Agrarische bedrijfsactiviteiten
In het parkeerbeleidsplan van de gemeente zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen voor agrarische bedrijven. Dit is ook lastig, daar de bedrijven heel verschillend van aard zijn en het lastig eenduidig in te schatten is of er diverse personeelsleden dan wel bezoekers naar een bedrijf toe zullen komen. Tevens zullen door de regel eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren (en dergelijke) van derden verblijven maar kortstondig op het bedrijf. Hiervoor is op agrarische bedrijven ruimschoots erfverharding voor aanwezig. Al de benodigde parkeer- en manoeuvreerruimte voor agrarische bedrijven in het buitengebied wordt derhalve op eigen terrein voorzien. Ook bij dit akkerbouwbedrijf zijn de agrarische bedrijfsloodsen en stallen niet bestemd voor ‘menselijk’ gebruik. Het betreffen allen loodsen voor de opslag van o.a. akkerbouwproducten (zoals
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
52
aardappelen/uien) en goederen, voor het huisvesten van 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 stuks zoogkoeien (of maximaal 50 stuks schapen), dan wel bergingen voor de machines en werktuigen die de akkerbouwwerkzaamheden op de omliggende percelen uitvoeren. Er is dus niet sprake van een agrarische loods waar personen de gehele dag werkzaam in zijn. Op het bedrijf zullen enkel mensen werkzaam zijn die met een personenauto naar de locatie zullen komen. Dit zal maar een ‘handje vol’ mensen zijn. Rondom de bedrijfsgebouwen is ruimschoots de ruimte de personenauto’s van de werknemers te parkeren. Ten aanzien van de agrarische bedrijfsactiviteiten is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren waardoor in basis voldaan wordt aan het parkeerbeleid.
Recreatie annex zorgverlenende nevenactiviteiten
Ook voor wat betreft de recreatieve annex zorgverlenende nevenactiviteiten zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen in het parkeerbeleid van de gemeente. Het betreft namelijk geen camping, bungalowpark of hotel. Toch zal aansluiting gezocht worden bij een van deze categorieën en wordt dit in vergelijking getrokken met de invoergegevens zoals bepaald voor de AERIUSberekeningen (hier is namelijk het aantal verkeersbewegingen voor deze functie ook beschreven). In het parkeerbeleid zijn diverse parkeernormen opgenomen voor hotels. Hoe meer sterren een hotel heeft, hoe hoger de parkeernorm. Vanuit een worst-case benadering wordt er voor nu uitgegaan van de hoogste parkeernormen. Bij een 5* hotel is een parkeernorm opgenomen van maximaal 13,4 per 10 kamers in het buitengebied. Dit betekent dat er per kamer sprake is 1,34 parkeerplaats per te boeken kamer. In totaal zijn er voor het geheel aan recreatie annex zorgverlenende nevenactiviteiten in de beoogde situatie 12 slaapkamers aanwezig. Dit betekend dat er gelet op het aantal kamers sprake moet zijn van (16,08) 17 parkeerplaatsen. De volgende onderbouwing is opgenomen in de invoergegevens van de AERIUS-berekening. Hieruit blijkt dat dit goed overeenkomst met de situatie zoals hierboven is beschreven. Het is in dit stadium nog niet precies duidelijk hoeveel bedden er in totaal aanwezig zullen zijn binnen het gebouw.
Conform informatie van initiatiefnemer moet er worden uitgegaan van een volledige zetting bij 34 personen. Voor de worst-case benadering wordt aangenomen dat in één personenauto gemiddeld 2 personen zullen zitten. Dit betekent dat er bij een maximale bezetting sprake kan zijn van 17 personenauto’s. In de feitelijke situatie zal dit getal lager zijn, aangezien er vaak sprake zal zijn van 4 personen per auto. Bij een volledige bezetting zullen er dus 17 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Aan de voorzijde van het bedrijf/erf worden in ieder geval al 15 parkeerplaatsen gerealiseerd dan wel in stand gehouden die bestemd zijn voor de bezoekers van de recreatieve annex zorgverlenende nevenactiviteiten. Dit vult dus bijna de gehele parkeerbehoefte van deze functies op. Indien alle 17 parkeerplaatsen benodigd zijn, is er nog ruimschoots de ruimte om 2 personenauto’s op de overige ruimte binnen het erf te parkeren. In de feitelijke situatie zal dit echter niet snel benodigd zijn daar bovenstaand is gerekend met een worst-case scenario die in realiteit lager zal uitvallen. Op het eigen terrein wordt voldoende erfverharding aangelegd om parkeer- en manoeuvreerruimte te creëren voor deze vervoersmiddelen (vrachtwagens, tractoren en personenauto’s). Het initiatief vormt derhalve geen belemmering voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer en de parkeerbehoefte.
Voldaan wordt aan het parkeerbeleid van de gemeente Hilvarenbeek. Ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.13.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor de Nijssenstraat 4 kunnen zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
53
-
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties.
Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.13.2 Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waar (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt worden moeten getoetst worden aan de normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Met dit initiatief wordt een vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf met veehouderij en akkerbouw mogelijk gemaakt. Deze vormverandering van het bouwvlak leidt niet tot realisatie van een nieuw (beperkt) kwetsbaar object. De activiteiten met betrekking tot recreatie en zorg zijn in de bestaande situatie al aanwezig. Dit geldt ook voor de bedrijfswoning. Wel worden de recreatie en zorg activiteiten binnen deze bestaande bebouwing uitgebreid. Om aan te tonen dat er voldoende afstand tot inrichtingen en activiteiten met ene risicocontour kan worden aangehouden, is onderaan deze paragraaf een onderbouwing opgenomen. De akkerbouwloodsen en de machineberging zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten. Voor wat betreft dit onderdeel van het bedrijf is er geen sprake van een wijziging van de situatie ten aanzien van externe veiligheid. Gezien de aard van de activiteiten (exploitatie van akkerbouwbedrijf) binnen het plangebied is het Bevi voor het plangebied niet van toepassing.
De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de volledigheid is in Afbeelding 27 een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Op deze kaart is te zien dat ter plaatse van het recreatiegebied de “Stille Wille” een terreingrens is opgenomen. In dit
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
54
bungalowpark zijn namelijk een propaantank en chloorbleekloogtank aanwezig. Derhalve wordt het recreatiegebied getypeerd als een BEVI inrichting. Het plangebied ligt echter niet in de risicocontour van deze BEVI inrichting. Ten zuiden van het plangebied ligt een buisleiding van Petrochemical Pipeline Services B.V. Ook hier geldt dat het plangebied niet is gelegen in de risicocontour of in het invloedsgebied van deze buisleiding. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het initiatief.
Afbeelding 27: Uitsnede risicokaart 4.14 Technische infrastructuur Zoals in voorgaande paragraaf beschreven ligt ten zuiden (circa 300 meter) een buisleiding, echter is deze buisleiding op geruime afstand gelegen en is verder niet relevant voor het initiatief. Daarnaast lopen er geen relevante straalpaden in of nabij het plangebied. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. 4.15 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden.
Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
55
Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 (‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’) en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt.
Voor melkveehouderijen en schapenhouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Vooralsnog wordt er bij melkveehouderijen en schapenhouderijen daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. In deze toelichting zijn deze aspecten getoetst. Tevens kan worden opgemerkt dat met deze vormverandering van het bouwvlak geen uitbreiding van de veehouderij wordt gerealiseerd. Ten opzichte van de vigerende vergunning, waarbij het mogelijk zou zijn om 200 stuks melkkoeien en 140 stuks jongvee jongvee op locatie te huisvesten, is er juist een forse afname van het aantal stuks vee. In de beoogde situatie worden namelijk 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 stuks zoogkoeien gehouden, of 50 stuks schapen of een verdeling tussen deze diersoorten, binnen de bestaande veestallen, welke ondergeschikt zijn aan de recreatie- en zorgtak. De bedrijfsmatige veehouderij wordt beëindigd. Tot slot kan nog worden opgemerkt dat met de vormverandering van het bouwvlak meer afstand wordt gecreëerd tussen het bedrijf en omliggende woningen (aan de “Stille Wille”).
Zowel bij de paragraaf geur als bedrijven en milieuzonering is aangetoond dat het huisvesten van het vee voldoet aan de relevante wetgevingskaders. Geconcludeerd kan worden dat de situatie ten aanzien van volksgezondheid met dit initiatief juist verbeterd. Er zijn verder geen belemmeringen betreffende dit aspect.
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
56
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Agrarisch’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’; - Bouwvlak; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag mest van derden’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – groepsaccommodatie annex zorgverlening’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bed & breakfast’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig vee’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing’; - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – stalderingsgebied’. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Hilvarenbeek. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Tevens zijn enkele aanvullende aanduidingen (functies) opgenomen op de verbeelding en gekoppeld aan de regels ten einde bepaalde waarborgen in te bouwen in de regels. Onder meer om zeker te stellen dat er voldoende landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Met dit initiatief wordt een vormverandering van het bestaande agrarische bouwvlak mogelijk gemaakt. Het huidige bouwvlak is op de nieuwe verbeelding dan ook van vorm veranderd. De
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
57
aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – overige veehouderijen’ en de bouwaanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – bestaande voorzieningen’ zijn met dit bestemmingsplan komen te vervallen. Ten aanzien van de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie’ zijn er geen veranderingen in de verbeelding aangebracht. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Hilvarenbeek. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het geldende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Om de landschappelijke inpassing te borgen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting staat omschreven dat binnen 12 maanden na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet zijn en in stand moet worden gehouden. Daarnaast is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van treffen van andere landschapsmaatregelen dan zoals bepaald in het in de regels opgenomen landschappelijke inpassingsplan.
Een van de eisen van de gemeente is dat de veehouderijactiviteiten op locatie worden gestaakt. De gemeente heeft hierbij wel aangegeven dat het hobbymatig/ondergeschikt houden van vee ten behoeve van de recreatie- en zorgactiviteiten op kleine schaal mogelijk is. Om dit te borgen is een aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig vee’ opgenomen. Aan deze aanduiding hangt het maximum van 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 stuks zoogkoeien, of maximaal 50 stuks schapen, dan wel een verdeling hiertussen waarbij de maximale ammoniakemissie niet hoger ligt dan de maximale emissie van een van deze varianten. Zoals in deze toelichting is aangegeven wenst initiatiefnemer de verblijfsrecreatie annex zorgverlening verder uit te breiden in de bestaande gebouwen. Ter plaatse van het huidige (hoofd)gebouw zijn er twee aanduidingen opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – groepsaccommodatie annex zorgverlening’ is een maximum oppervlakte van 500 m2 toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bed & breakfast is een maximum oppervlakte van 150 m2 toegestaan. Tot slot heeft initiatiefnemer binnen het plangebied een mestbassin voor de opslag van mest van derden, voor de aanwending op eigen gronden.
Om vast te leggen dat dit mestbassin enkel op de bestaande locatie is toegestaan en met de bestaande maximale opslagcapaciteit, is ter plaatse van het mestbassin een aanduiding opgenomen. Deze aanduiding betreft ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag mest van derden’. Om de aangeduide functies duidelijk af te bakenen voor wat betreft het gebruik zijn daarnaast in de regels nadrukkelijke beperkingen opgelegd ten aanzien van het toegelaten gebruik binnen deze aanduidingsvlakken.
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
58
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Nijssenstraat 4 te Haghorst betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er in het voorstadium van het bestemmingsplan een omgevingsdialoog plaats gevonden.
6.2.1
Omgevingsdialoog
In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft initiatiefnemer op 03-12-2019 met omwonenden een omgevingsdialoog gehouden. Tijdens deze avond waren 19 personen aanwezig. Initiatiefnemer heeft met een adviseur van Van Dun Advies B.V. het voorstadium van diverse vergunningsaanvragen en het beoogde initiatief toegelicht. Na uitleg van het initiatief mochten de omwonenden reageren op het voornemen. Uit de reacties is gebleken dat het plan op zich zelf goed wordt ontvangen. Dit is enigszins logisch, aangezien de vormverandering van het bouwvlak al een eerdere wens was van een aantal omwonenden. Echter zijn er enkele bewoners die hinder ervaren van de bestaande mestzak. Initiatiefnemer heeft hierbij aangegeven dat hij deze hinderlijke situatie zal aanpakken, maar dat de mestzak niet wordt verwijderd. Inmiddels heeft initiatiefnemer en luchtwas-systeem aangesloten om de geurhinder te verhelpen. De verdringingslucht wordt via buizenstelsel vanuit het mestbassin naar de geurverwijderingsunit geleidt. Aan het eind van de avond is met de omwonenden afgesproken dat het verslag van de dialoog naar eenieder wordt gemaild en dat over de verdere ontwikkelingen op locatie contact wordt gehouden. In verband met de privacy regelgeving is het verslag van de omgevingsdialoog overlegd aan de gemeente maar niet als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.
Het verslag en de presentatielijst zijn geanonimiseerd op te vragen bij de gemeente Hilvarenbeek.
6.2.2
Vooroverleg en inspraak
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap De Dommel en provincie Noord-Brabant. Lopende de procedure wordt hiervan informatie in deze paragraaf opgenomen. Op grond van de inspraakverordening van de gemeente Hilvarenbeek is het gebruikelijk dat voor bestemmingsplannen ook een inspraakronde wordt gehouden. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt dan gedurende 6 weken ter inzage gelegd voor eventuele inspraakreacties.
6.2.3
Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor andermaal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
59
eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
60
7. Bijlagen Bijlage 1: Invoergegevens AERIUS-berekening Bijlage 2: AERIUS verschilberekening uitgangssituatie - beoogde situatie Bijlage 3: Voorgrondberekening V-stacks 2020 t.b.v. het houden van schapen
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
61
Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst
62