Bopa Willibrordusstraat 8-10 (3 Concept onderbouwing BOPA)
Tekst van het document
Binnen een afstand van 200 meter van de planlocatie bevindt zich geen varkenshouderij. Verder bevindt zich binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie eveneens geen pluimveehouderij. Gelet hierop kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op het aspect endotoxine. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 83 van 101
Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (3,6 km); • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (4 km); • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (4,7 km); • Hoekje 9 Diessen (1 km); • Frankenstraat 2 Haghorst (1,9 km); • Ontginningsweg 15 Haghorst (3,4 km). Bovenstaande opsomming laat zien dat ten aanzien van het merendeel van de omliggende geitenhouderijen ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand van 2 kilometer. Echter, dit is net niet het geval ten aanzien van de geitenhouderijen aan het Hoekje 9 te Diessen en de Frankenstraat 2 te Haghorst waar de afstand circa 1 kilometer, respectievelijk circa 1,9 kilometer, bedraagt. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het risico op longontsteking het hoogste is binnen 500 meter van een geitenhouderij. Naarmate de afstand toeneemt, nemen tevens de gezondheidsrisico’s af. Het plangebied bevindt zich op ruimschoots grotere afstand dan 500 meter, waardoor van onevenredige gezondheidsrisico’s geen sprake is. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderijen en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine.
Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient opgemerkt te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede kan hierbij worden verwezen naar relevante jurisprudentie van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 23 februari 2022 (zaaknummer: 202002286/1/R4). Ook al is deze uitspraak niet geheel vergelijkbaar met onderhavige casus laat deze uitspraak zien dat alleen belangen waarvoor voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat een rol kunnen spelen in de besluitvorming. Aan de hand van algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten moet vast staan dat een activiteit zodanige risico’s oplevert, dat hieraan aanvullende voorschriften moeten worden verbonden of een en ander geweigerd moet worden.
Het voorzorgprincipe is naar het oordeel van de Afdeling niet gestoeld op algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid en omwonenden. Deze uitspraak laat derhalve zien dat niet enkel het voorzorgprincipe in de weg kan staan aan bepaalde ontwikkelingen. Tot slot is met de onderhavige ruimtelijke procedure een afweging gemaakt tussen het belang van volksgezondheid enerzijds (op basis van een indicatieve afstandsnorm uit oogpunt van voorzorg) en de realisatie van woningbouw. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied heeft geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de geitenhouderijen aan het Hoekje 9 te Diessen en de Frankenstraat 2 te Haghorst tot gevolg. Er liggen immers meerdere andere gevoelige functies tussen de betreffende geitenhouderijen en het plangebied. Aannemelijk is dat de ligging van de geitenbedrijven op een afstand van circa 1 kilometer en 1,9 kilometer niet leidt tot een onaanvaardbaar gezondheidsrisico. Verder is nagenoeg de gehele kern Diessen binnen een afstand Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 84 van 101
van twee kilometer van de geitenhouderij aan het Hoekje 9 te Diessen gelegen. De gemeente Hilvarenbeek heeft in meerdere gevallen middels diverse ruimtelijke procedures de komst van gevoelige functies binnen twee kilometer van een geitenhouderij reeds ruimtelijk aanvaardbaar geacht, waaronder ook recentelijk in de directe nabijheid van het plangebied binnen de kern Diessen en binnen het plangebied middels het toestaan van vijf woonfuncties binnen het voormalige kantoorpand. Afgewogen is dat het wenselijk en aanvaardbaar is om de beoogde woningen binnen het plangebied te realiseren en dat hiermee geen sprake is van onevenredige gezondheidsrisico’s. 4.11.3 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief bevinden zich binnen een afstand van 50 meter geen agrarische gronden waar het mogelijk is om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Hierdoor kan een nadere toetsing aan het aspect spuitzones achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.12 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheid of externe veiligheid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 85 van 101
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.
5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van acht kwetsbare gebouwen. Een woning woning/een gebouw met een woonfunctie wordt in bijlage VI van het Bkl namelijk aangemerkt als een kwetsbaar gebouw. Hierdoor is een toetsing aan het woon- en leefklimaat in het kader van omgevingsveiligheid relevant. De planlocatie is, zoals weergegeven in de afbeelding in deze paragraaf, niet gelegen binnen een aandachtsgebied of PR-contour van een risicobron en/of transportroute. Risicobronnen in de directe omgeving van de planlocatie betreft een opslagtank voor propaangas met bijbehorend explosie-, brandaandachtsgebied en PR-contour op een kortste afstand van circa 750 meter in overwegend oostelijke/zuidoostelijke richting en een pijpleiding van defensie op een kortste afstand van circa 2,1 kilometer in overwegend noordwestelijke richting. Ten aanzien van alle voornoemde risicobronnen geldt dat de planlocatie ruimschoots buiten de aandachtsgebieden of PR-contour is gelegen.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 86 van 101
Figuur 41: Uitsnede Atlas Leefomgeving (planlocatie is indicatief aangegeven met een zwarte cirkel)
Conclusie Vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht. 4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 87 van 101
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden • ammoniakemissies van veehouderijengeologische opslag van CO2 De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Dit moet ook buiten de zogeheten aandachtsgebieden. Uitgezonderd hiervan zijn plaatsen waar de bescherming van de gezondheid niet of nauwelijks relevant is. Bijvoorbeeld op plekken waar burgers niet (mogen) komen. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Deze ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen.
De vergunningverlener toetst de aanvraag aan de rijksomgevingswaarden voor • zwaveldioxide (SO2) • stikstofoxiden (NOx), waaronder stikstofdioxide (NO2) • fijnstof (PM10 en PM2,5) • benzeen (C6H6) • lood (Pb) • koolmonoxide (CO) Bij deze beoordeling tellen ook de bijdragen mee die veroorzaakt zijn door gebruik van wegen, vaarwegen en spoorwegen van en naar de activiteit. Het Bkl geeft aan welke specifieke voorschriften voor lucht de vergunningverlener in de omgevingsvergunning moet opnemen. Deze gaan over: • • • • •
geologische opslag van CO2 (artikel 8.37 Bkl) voorkomen van verspreiding van asbestvezels (artikel 8.52 Bkl) eisen aan stortgas (artikel 8.53 Bkl) broeikasgassen (artikel 8.71 Bkl) CO2-emissies glastuinbouw (artikel 8.72 Bkl)
Voor vergunningplichtige activiteiten kunnen ook algemene regels gelden uit het Bal. Zo kunnen bijvoorbeeld de emissiegrenswaarden voor lucht uit de luchtmodule van het Bal gelden. De vergunningverlener kan hier van afwijken met maatwerk. Dit maatwerk regelt de vergunningverlener in de vergunning met een vergunningvoorschrift. Ook geldt de specifieke zorgplicht uit het Bal voor vergunningplichtige activiteiten. De vergunningverlener moet ook rekening houden met mogelijke luchtregels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening. Daar kunnen bijvoorbeeld lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht staan.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 88 van 101
De vergunningverlener hoeft de vergunning niet altijd te weigeren als dit in strijd is met het omgevingsplan. Wel is dan ook een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig. 4.13.1 Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl) In artikel 5.54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om de navolgende gevallen: a.
gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2;
b.
gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°.twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;
c.
zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1°.één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties;
d.
het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.niet-verwarmde kassen; of 2°.verwarmde kassen niet groter dan 2 ha;
e.
het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
f.
het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.witloftrek; of 2°.teelt van eetbare paddenstoelen; of
g.
het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 89 van 101
Beoordeling Wanneer het planvoornemen wordt vergeleken met bijvoorbeeld de uitbreiding van 1.500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg, kan worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. 4.13.2 Blootstelling aan verontreiniging In paragraaf 2.2.1.1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de luchtkwaliteit. Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 200 μg/m3 uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor stikstofoxiden geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor PM2,5 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; b. 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en c.
14,4 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden. De omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen. De omgevingswaarde voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting. De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 en ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2022).
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 90 van 101
Figuur 42: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (NO2-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Figuur 43: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 91 van 101
Figuur 44: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 en die ver onder de grenswaarden blijven. Immers, de jaargemiddelde concentratie van N02 binnen de planlocatie bedraagt circa 12,1 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde geldt. Verder bedraagt de jaargemiddelde concentratie PM 10 circa 17,0 μg/m³ en PM 2,5 circa 9,5 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van PM 10 en PM 2,5 40 μg/m³, respectievelijk 25 μg/m³, bedraagt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van luchtkwaliteit geen bezwaar is. 4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. De Omgevingswet bevat regels en instrumenten om dit te voorkomen of om dit zoveel mogelijk te beperken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico's van deze kabels en leidingen. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b.
buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 92 van 101
d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Mer-Beoordeling Toetsingskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Net als onder de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer), wordt onder de Ow gewerkt met een gesloten lijstenstelsel voor de project-mer(-beoordeling). Dit betekent dat de projecten, gevallen en (op enkele uitzonderingen na) besluiten die project-mer-(beoordelings)plichtig zijn, in de lijst zijn opgenomen. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Ten aanzien van het aanwijzen van mer-(beoordelings)plichtige projecten is het navolgende opgenomen in artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit: 1.
Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2. Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen: a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap; b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet; de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8. Beoordeling De beoogde ontwikkeling wordt niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit.
In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt enkel gesproken over een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Bij de afweging of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsprojecten worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen, alsook de toename van bebouwd oppervlak en of sprake is van een functiewijziging. Gelet op de aard en schaal van de beoogde ontwikkeling is van een stedelijke ontwikkeling geen sprake. Immers, de beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van acht woningen op een bestaand Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 93 van 101
bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Hierbij kan tevens verwezen worden naar de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking aan de hand waarvan tot de conclusie is gekomen dat van een stedelijke ontwikkeling geen sprake is. Gelet hierop geldt zowel geen mer-plicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet en geen mer-beoordelingsplicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de mer-procedure. 4.16 Duurzaamheid Toetsingskader Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied.
De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als: • • •
bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering); uitputting van grondstoffen te verminderen; vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan.
Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: • • • •
Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in.
Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 94 van 101
omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw. Beoordeling Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woningen de volgende maatregelen toegepast: • • • •
Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); Realisatie van zonnepanelen; Geen aansluiting op gasnet; Toepassing van luchtwarmtepompen.
Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van onder meer de EPC en de Wet VET. Conclusie Binnen de planlocatie wordt op meerdere manieren invulling gegeven aan het aspect duurzaamheid. 4.17 Trillingen Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van het Bkl. Beoordeling De planlocatie bevindt zich op aanmerkelijk ruime afstand van een spoorweg. Verder zijn er binnen de directe omgeving van het plangebied geen relevante bronnen van trillingen aanwezig die van negatieve invloed zouden kunnen zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en relevant zijn in de afweging of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Derhalve kan een nadere toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing en kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect trillingen. Conclusie Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 95 van 101
Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het planvoornemen.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 96 van 101
5 Participatie 5.1 Verplichte participatie/bindend advies In casu is voor wat betreft verplichte participatie en bindend advies de door de gemeenteraad vastgestelde lijst ‘Bindend advies en verplichte participatie’ van toepassing. Een en ander laat zien dat in het geval sprake is van de realisatie van woningen binnen de bebouwde kom pas bindend advies nodig is wanneer twintig of meer woningen worden gerealiseerd. Nu de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de realisatie van acht woningen is bindend advies niet noodzakelijk. Wel is in het geval binnen de bebouwde kom één tot twintig woningen worden gerealiseerd participatie verplicht. Derhalve is het beleidsstuk ‘Participatie en de Omgevingswet Hilvarenbeek’, alsook de infographic participatie, geraadpleegd. In het onderhavige geval heeft participatie, gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, plaatsgevonden in de hoedanigheid van een omgevingsdialoog. Hierbij zijn directe omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. De omgevingsdialoog is gehouden in de vorm van één gezamenlijke bijeenkomst op 7 juli 2025. Hierbij waren circa 21 buurtbewoners aanwezig. De conclusie van de gevoerde omgevingsdialoog is dat het merendeel van de omwonenden een positieve grondhouding ten aanzien van het planvoornemen heeft uitgesproken en geen bezwaren heeft.
Wel zijn tijdens de omgevingsdialoog enkele vragen gesteld die beantwoord zijn. Naar aanleiding van de gevoerde omgevingsdialoog zijn geen aanpassingen doorgevoerd in de plannen. Wel zijn gestelde vragen zo goed als mogelijk beantwoord. Ook is de prestentatie nadien nog aan enkele omwonenden toegezonden. Het verslag van de bijeenkomst inzake de gevoerde omgevingsdialoog is gedeeld met de gemeente Hilvarenbeek. 5.2 Intaketafel/omgevingstafel 5.2.1 Participatie omgeving Vanwege de aard en omvang van het planvoornemen is in casu voor wat betreft participatie gekozen voor een omgevingsdialoog in de hoedanigheid van één informatieavond. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar paragraaf 5.1.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 97 van 101
6 Financiële haalbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor rekening komen van de initiatiefnemer. 6.2 Kostenverhaal De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en gemeente Hilvarenbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van nadeelcompensatie. Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Immers, nu in casu sprake is van een bouwplan conform artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is de gemeente Hilvarenbeek hiertoe ook verplicht. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 98 van 101
7 Conclusie Zoals in het vorenstaande reeds uitvoerig is beschreven, is de initiatiefnemer voornemens om binnen het plangebied een tweetal woongebouwen met daarin acht levensloopbestendige betaalbare koopwoningen voor senioren te realiseren aan de hand waarvan een collectieve woonvorm voor vitale ouderen wordt gecomplementeerd. Nu de beoogde ontwikkeling in strijd is met het huidige planologische kader, dient derhalve met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (verder: BOPA) van het Omgevingsplan gemeente Hilvarenbeek afgeweken te worden. Middels onderhavige onderbouwing is onder meer aan de hand van een toetsing aan relevant beleid en relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving en het milieu uitvoerig gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toelichting van functies aan locaties. De conclusie luidt dan ook dat het initiatief in overeenstemming is met relevante beleidskaders en dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 99 van 101
8 Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan De onderhavige omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient uiteindelijk binnen 5 jaar in het Omgevingsplan verwerkt te worden. Deze verplichting geldt vanaf 1 januari 2032. De gemeente Hilvarenbeek zal ervoor zorgen dat een en ander te zijner tijd wordt verwerkt in het permanente Omgevingsplan. In het onderstaande is een verbeelding opgenomen waarin wordt weergegeven op welke wijze de onderhavige bopa verwerkt kan worden in het Omgevingsplan.
Figuur 45: Conceptplanverbeelding omgevingsvergunning BOPA Willibrordusstraat 8-10, Diessen
Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit Willibrordusstraat 8-10, Diessen (Willibrordushof)
Pagina 100 van 101